Toespraak bij boekpresentatie van 'Een adres' van Michal Citroen


Korte toespraak van mr. Thom de Graaf bij de boekpresentatie van ‘Een adres’ van Michal Citroen in de Spuikerk in Amsterdam op 2 april 2024.

  1. Op de allereerste plaats wil ik graag Michal Citroen en uitgever Alfabet gelukwensen met het monumentale ‘Een adres’. Hoewel ik zojuist het eerste exemplaar in ontvangst heb genomen, mocht ik natuurlijk al even bladeren en lezen in het boek. Wat een bijzondere prestatie om zo omvattend en zo indringend het verhaal van de joodse onderduik in kaart te brengen en, en passant, mythes en vooroordelen te ontkrachten. Dat kan alleen maar als het verhaal van de onderduik diep in jezelf zit, in de geschiedenis van je eigen familie, die een afspiegeling vormt van wat de joden in Nederland is overkomen. Ik ben zeer onder de indruk, terwijl ik nog maar een paar hoofdstukken heb kunnen lezen. De schrijfstijl van de auteur helpt daarbij: zonder opsmuk, helder, integer en mede door het gebruik van dagboekfragmenten dicht bij de mensen wier lotgevallen zij beschrijft.

  2. Hoe kijk ik naar de geschiedenis van de joodse onderduik? Natuurlijk met groot mededogen en verontwaardiging en met schaamte. Schaamte voor wat Nederlandse autoriteiten deden en nalaten, schaamte voor wat Nederlandse burgers niet konden of wilden doen voor medeburgers, de rechtvaardigen niet te na gesproken.

    Ik heb zelf geen persoonlijke geschiedenis met de joodse onderduik in Nederland. Mijn ouders waren niet joods en overleefden de oorlog in Nederlands-Indië. Mijn vader werd krijgsgevangene, mijn moeder belandde eerst zoals alle ‘totok’-vrouwen in het vrouwenkamp, mocht daar weer uit, raakte betrokken bij illegaal werk en dook uiteindelijk onder, samen met onder meer een joodse vriendin die Europa op tijd was ontvlucht maar in Nederlands-Indië onderdook om aan de wreedheden van de Japanse bezetter te ontkomen. Mijn moeder werd uiteindelijk, zoals velen, gepakt, kwam in de Kempetai-gevangenis terecht, leed aan hevige aanvallen van dysenterie maar overleefde, nipt.

    Onderduik is in mijn familie dus niet helemaal onbekend. Het grote verschil met de joodse onderduik in Nederland was echter dat wie hier gepakt werd een zekere dood tegemoet ging en daar niet, althans niet vooropgezet en niet industrieel gepland. Het grote verschil was ook dat in Nederlands-Indië maar een enkeling in staat was om te helpen en in Nederland veel meer mensen, die dat echter maar mondjesmaat deden of gewoon voorbij keken.

  3. Onderduiken betekent uit het zicht raken, onder de oppervlakte blijven, in het verborgene bestaan. Niet deelnemen aan de samenleving, niet leven juist om te kunnen overleven. Wat verschrikkelijk moet dat zijn als het leven zo uit je stroomt omdat je in de onderduik niet kan liefhebben, kan werken, kan feesten, muziek kan maken, discussiëren, naar buiten gaan en wandelen, je familie en vrienden zien en omhelzen. En dat tegen de achtergrond van permanente angst voor jezelf en voor je naasten en vaak in diepe eenzaamheid.

    Wat dat doet met mensen die het overleefden, maakt Michal Citroen in haar boek ook duidelijk. Niet alleen de overlevenden uit de kampen moesten getraumatiseerd verder, ook – maar op een andere manier – de onderduikers die na de bevrijding weer de straat op konden. “Het is moeilijk een overlevende te zijn”, vat Michal Citroen het leven van haar vader en vermoedelijk dat van veel anderen samen.

    Zo uitgesloten zijn van de maatschappij, betekent niet alleen iets voor de onderduiker zelf, maar ook voor de gemeenschap. Het is misschien te gemakkelijk en te schematisch om die gemeenschap onder te verdelen in zij die actief meewerken aan discriminatie, onderdrukking en uitsluiting, zij die wegkijken of onverschillig zijn, en zij die daadwerkelijk solidair zijn en hun nek uitsteken voor wie ondergronds moet. Te schematisch omdat alle grijstinten voorkomen, toen en nu, en paradoxaal genoeg zelfs in een en dezelfde persoon.

    Het lijkt mij ook niet dienstbaar om alleen maar in goed of fout te denken. Mensen kunnen oprecht om naasten geven en toch bang zijn, laf zelfs. En andersom zijn zelfs extreem rechtlijnige ideologen in staat om hun hart te laten spreken.

  4. Het is ook te schematisch en te gemakkelijk, en dus onjuist, om zomaar vergelijkingen te trekken met de samenleving van vandaag, althans de Nederlandse samenleving. Wij leven gelukkig in een tamelijk goed functionerende rechtsstaat, waarin een democratisch gelegitimeerde en door vrije media gecontroleerde overheid de vrijheden en rechten van iedereen moet respecteren en de onafhankelijke rechter zo nodig bescherming biedt; niet alleen tegen de overheid, maar ook ten opzichte van andere burgers als die inbreuk maken op die vrijheden. Tachtig jaar geleden was dat volstrekt anders: onze ouders en grootouders leefden in een onrechtsstaat, waar niemand zijn leven en goed zeker was, burgers andere burgers het leven onmogelijk maakten en de overheid een dader werd in plaats van een hoeder. Gelukkig is daar in Nederland vandaag de dag, ondanks alle gebreken die wij dagelijks meemaken, geen sprake van. Maar wel in veel en steeds meer landen, en op zoveel andere plekken op de wereld. Onrecht heerst op een groot deel van de aardbol. De liberale democratische rechtsstaat is een schaars en kostbaar goed geworden en we springen er, ook in ons land, te vaak te lichtzinnig mee om.

  5. Onze rechtsstaat valt en staat met de betrokkenheid en het gedrag van iedereen, niet alleen maar van politici, ambtenaren of rechters. Ik noemde al media, maar ook wetenschap, maatschappelijke en religieuze organisaties en belangengroepen, cultuurmakers, iedereen en dus ook individuele burgers. Als zij de waarden die de rechtsstaat wil beschermen, niet zelf uitdragen, zou het wonderlijk zijn als zij zelf een beroep op die rechtsstaat doen als zij zelf in de knel komen. De rechtsstaat is wederkerig en vraagt om actief burgerschap. Dat is de kern van ons samenleven.

    Als steeds minder mensen dat zouden begrijpen of willen begrijpen, scheppen wij gezamenlijk ons eigen probleem. Dan verdwijnt ons houvast. Burgerschap in de rechtsstaat is immers niet een eenzijdig consumentenbelang maar heeft een morele lading, een opdracht, zo u wilt. Die morele opdracht houdt natuurlijk in dat wij het leven en de rechten van anderen respecteren in plaats van ondermijnen. Dat we zoeken naar overeenkomsten in plaats van verschillen aan te scherpen. En natuurlijk dat wij het burgerschap en de menselijke waardigheid van anderen aanvaarden, hoezeer wij ook van hen verschillen in religie, gebruiken, kleur of cultuur. Vluchtelingen inhumaan behandelen hoort daar niet bij, bevolkingsgroepen discrimineren of minachten hoort daar ook niet bij. Laat staan aanzetten tot geweld.

    Die morele opdracht van het burgerschap vraagt vanzelfsprekend ook om krachtig verzet tegen elke vorm van antisemitisme, van wie dan ook, waarom dan ook, onder welk mom dan ook, op grond van welke aanleiding dan ook.

    Mevrouw Citroen, nogmaals van harte proficiat met de publicatie van dit magnum opus. Soms wordt de term ‘urgent’ wel erg gemakkelijk op een nieuw boek, muziekstuk of film geplakt. Maar voor uw boek is dat woord meer dan gepast.