Toespraak bij de uitreiking van de Anne Vondelingprijs 2023


Toespraak van mr. Thom de Graaf bij de uitreiking van de Anne Vondelingprijs 2023 in Perscentrum Nieuwspoort op 20 maart 2024.

Met plezier heb ik ja gezegd op het verzoek van de Anne Vondelingstichting om vandaag een toespraak te houden. Ik voel mij met de stichting en de prijs verbonden omdat ik enkele jaren lid van de jury ben geweest onder het voorzitterschap van Hans Dijkstal en na zijn overlijden dat voorzitterschap heb overgenomen. Tijdens mijn juryjaren hebben wij hele mooie prijswinnaars gehad, zoals Jerome Heldring, Elsbeth Etty, Joost Oranje, Martin Sommer en Caroline de Gruyter. En in 2011 een oeuvreprijs voor Ferry Mingelen, ruim voordat de statuten officieel werden gewijzigd om ook audiovisuele producties en hun makers toe te laten. De winnaar van 2023, Kustaw Bessems van De Volkskrant, kan zich absoluut meten met dat rijtje. Het bijzondere is dat hij zowel voor het geschreven als voor het gesproken woord is gelauwerd.

In mijn tijd in de jury bestond Saskia Stuiveling nog wel, maar de prijs die haar naam draagt nog niet. Wij hadden het natuurlijk liever andersom gehad. Een mooi beeldje krijgt Maaike Borst van het Dagblad van het Noorden straks voor haar fraaie politieke journalistiek op regionale schaal die van nationale importantie is. Maar eigenlijk zou ik het nog gepaster hebben gevonden als zij een geluidsversterkertje zou hebben gekregen met daarin de ingeblikte bulderende lach van Saskia, zo’n lach waarin alles bijeenkwam en die altijd eindigde met een flinke hoestbui…

Twee journalisten naar mijn hart wonnen de Vondelingprijs niet één maar zelfs tweemaal. Beiden zijn er niet meer, Max van Weezel en Marc Chavannes die onlangs overleed. Zij waren iconen van het soort journalistiek dat nog steeds bestaat - gelukkig maar – maar wel zeldzamer lijkt te zijn geworden: níet alleen verslag doen van het nieuws maar ook van het eigen denken daarover, en dat niet door elkaar halen. Inzichtelijk willen maken, de achterkant van ieders gelijk onderzoeken, tegenmacht bieden tegen al te gemakkelijke beweringen, aannames en sentimenten.

Tweemaal de Vondelingprijs winnen is zeer bijzonder. Voor een nog jeugdige prijswinnaar als Kustaw Bessems moet dat een aansporing vormen om door te gaan met zijn belangrijke werk. U begrijpt dat ik het tegen die achtergrond ook wel bijzonder vind dat ikzelf voor de tweede maal een toespraak mag houden.

In 2002 mocht ik de Vondelingprijs uitreiken aan de onvolprezen Hans Goslinga, die meer dan twintig jaar later gelukkig nog steeds columns schrijft voor Trouw. En nu dus aan Kustaw Bessems. Ik vermoed dat het bestuur het lijstje lofredenaars van de afgelopen decennia niet meer in het hoofd had zitten, dus ik relativeer deze eer direct.

Niettemin, ik ben blij dat het bestuur mij heeft gevraagd. Zeker indachtig dat ik mij in het verleden niet vreselijk vleiend over de staat van de Haagse journalistiek heb uitgelaten. In 2002 hekelde ik het gebrek aan reflectief vermogen van de pers en meende ik dat de kranten ondergeschikt dreigden te raken aan de televisie, aan de macht van het beeld1. Social media speelden toen nog geen rol, al had de snelheid van internet al wel de aard van de journalistiek ingrijpend beïnvloed. Ik geloof niet dat die toespraak mij toen door de parlementaire pers in dank werd afgenomen.

In 2006 gaf ik het jaarlijkse college van het KIM, oorspronkelijk Katholiek Instituut voor Massacommunicatie, tegenwoordig het forum voor reflectie en journalistiek, onder de titel ‘Politiek en mediamacht’2. Ik onderzocht daarin onder meer of de stelling uit 2004 van (ook al wijlen) Gerard van Westerloo dat er sprake was van een oorlog tussen pers en politiek daadwerkelijk opging3. Van Westerloo vatte het kernachtig samen: de moderne overheid vertrouwt de vrije pers niet meer en de pers heeft geen vertrouwen meer in de eigen overheid.

Ik vond dat beeld toen ongelukkig en meende dat de klachten over en weer niet moesten worden overdreven. Politici die er in portretten niet goed van afkomen, worden niet per se onrechtvaardig behandeld al worden zij in hun ijdelheid gekrenkt. En ja, de pers bezondigt zich met grote regelmaat aan onzorgvuldigheid als gevolg van overhaasting, maar van politici kan hetzelfde worden beweerd. De pot en de ketel hielden elkaar aardig in evenwicht.

Zelf vond ik een ander beeld meer de werkelijkheid benaderen, namelijk dat van een onderlinge afhankelijkheid, soms zelfs verstrengeling, van parlementaire pers, Kamerleden en bewindslieden, al dan niet met de Jack de Vriezen van dienst - de woordvoerders en spindoctors – als bemiddelaars. Het bindmiddel in die verstrengeling was, meende ik, het wederzijdse opportunisme. Politici hebben in een door media gedomineerde samenleving geen bestaansrecht als zij niet gehoord, gezien of gelezen worden: Being there…. En parlementaire journalisten kunnen niet zonder politici, noteren hun meningen, vangen hun nieuwtjes op, beschrijven hun ruzietjes en roddeltjes. Een legitieme koehandel, maar niettemin wel koehandel. Naar het mij voorkwam, leidde dit eerder tot een te intieme band dan tot een te grote afstand.

Ik denk dat dit allemaal nog wel verteerbaar was voor mijn journalistieke vrienden en bekenden. Dat werd anders toen ik stelde dat de journalistiek een veel groter gezag had en veel meer invloed uitoefende dan zij zelf wilde aanvaarden. Ik vond dat daarover nog maar spaarzaam verantwoording werd afgelegd en dat, voor zover er sprake was van zelfkritiek, die toch grotendeels verborgen werd gehouden voor de buitenwereld. Kritiek accepteren van anderen, bijvoorbeeld van al dan niet gewezen politici of wetenschappers, leek al helemaal uit den boze.

Die kritiek richtte zich aan het begin van deze eeuw onder meer op de cynische wijze waarop media met de democratie omsprongen. En natuurlijk niet alleen in Nederland want wij liepen ook hierin eerder achter dan voorop. In de Verenigde Staten verscheen het boek ‘Breaking the news. How the media undermine American democracy’4. En in Groot-Brittannië het boek ‘What the media are doing to our politics’5. Let wel: de schrijvers waren zelf prijswinnende journalisten, die een dominante destructieve cultuur veroordeelden waarin politici geboren schurken en leugenaars waren totdat het tegendeel was bewezen.

Ik vond dat ze wel een beetje gelijk hadden en dat de media, in de greep van de commercie, de politieke democratie ook bij ons te vaak afschilderden als een circus vol leeghoofden, messentrekkers en boksers. En dat politici daartegen geen weerstand boden, misschien ook wel niet konden bieden, zij golfden op de hypes mee om kiezers permanent te behagen. Soms wáren ze dus ook die leeghoofden. Ik pleitte voor meer zelfreflectie bij beide beroepsgroepen, en meer publieke verantwoording van de mediamacht, zoals die verantwoording ook werd gevraagd van andere machten. Niet alleen in house, maar misschien ook met externe toetsing. ‘Good governance’ is immers niet alleen voorbehouden aan overheid en industrie.

Ik zei al: dergelijke kritiek werd toen niet op prijs gesteld6.

Dat was een kleine twintig jaar geleden. De wereld ziet er ondertussen heel anders uit.

Laat ik beginnen met toe te geven dat de verantwoordingsmechanismen sterker zijn geworden. De journalistieke codes worden beter uitgelegd, ombudsmannen reflecteren publiek kritisch op gemaakte keuzes, er zijn correctie-rubrieken. Dat is winst.

Minder gunstig is dat het aantal nieuwsmedia sterk is toegenomen, mede door globalisering die ook het bereik van internationale media in ons land heeft vergroot. Het nieuws is 24 uur per dag beschikbaar waardoor de tijd om dat nieuws goed en zorgvuldig te brengen navenant is afgenomen. Bovendien staan de klassieke inkomstenmodellen onder druk. Die zijn steeds minder gebaseerd op aantal abonnees en steeds meer op het aantal clicks en views op internet. Dat vraagt om aansprekende koppen en korte berichten die aandacht moeten genereren en niet per se altijd een goede inhoudelijke weergave hoeven te zijn.

Dat zijn deels dus perverse prikkels, waar ook een serieuze journalist zich toe moet verhouden.

Die serieuze journalist moet ook een houding bepalen ten opzichte van iedereen die zich op internet en social media bezighoudt met nieuwsfeitjes, juice en activisme. Iedereen kan zich journalist noemen – het is een vrij beroep – maar niet iedereen verdient dat. Er zijn ook andere gevaren die de klassieke journalistiek bedreigen. Ik denk aan de steeds vloeiender overgangen tussen feiten, analyse en opinie, in de hand gewerkt door talkshows en ook podcasts. Hoe scheid je een en ander? In dit kader vraag ik mij wel eens af hoe verstandig het is dat talkshows bevolkt worden door politieke journalisten die steeds meer niet alleen ‘duider’ zijn (een interessant fenomeen op zich) maar ook onderdeel van het entertainment dat op de late avond moet worden verzorgd. De parlementaire pers voor de gezelligheid en voor de goede grappen…

In de afgelopen twintig jaar heeft ook de columnist zich vermenigvuldigd. Het lijkt soms wel alsof de helft van de krant uit columns bestaat. Columnisten zijn niet altijd journalist, maar journalisten zijn wel steeds vaker columnist. Voor columnisten geldt dat zij met graagte worden gelezen en gehoord -veelal door hun scherpe of geestige pen - maar ook dat voor hen de journalistieke codes niet of aanmerkelijk minder relevant zijn. Afgelopen zaterdag schreef de NRC-ombudsman bijvoorbeeld dat de columnist mag overdrijven, retorische middelen mag inzetten en een karikatuur van zijn tegenstander maken, en dat allemaal zonder wederhoor toe te passen7. Tsja, zo wordt natuurlijk het onderscheid met een politicus wel erg klein.

Ik denk ook dat de macht van de klassieke media, en zeker van de kranten, de afgelopen twintig jaar aan betekenis is afgenomen. Dat heeft natuurlijk alles te maken met de overweldigende betekenis van de beeldcultuur die het geschreven woord overheerst, met internet waardoor het nieuws beschikbaar is voordat het de klassieke nieuwsbronnen bereikt, en met de onvoorstelbare en ook onherstelbare opkomst van social media. U weet veel beter dan ik wat de verwoestende werking daarvan kan zijn en is.

Als een van de klassieke taken van de journalistiek wáárheidsvinding is, zal zij dus ook ten strijde moeten trekken tegen fake news, woord- en beeldmanipulatie en andere vormen van misleiding die op internet op grove en grote schaal plaatshebben, ongeacht of overheden, bedrijven, criminelen of politieke activisten daar achter zitten. De opkomst van Artificial Intelligence is, indien niet goed gereguleerd en gecontroleerd, voor de journalistiek een even grote bedreiging als voor de politiek. En ik bedoel daarmee niet alleen dat u in eigen huis ervoor moet waken dat niet te gemakkelijk Chat GPT het van het noeste handwerk overneemt.

In dit licht moeten we denk ik, de aloude discussie en strijd tussen pers en politiek opnieuw duiden. Natuurlijk is die spanning nog steeds aanwezig en die moet er ook zijn. Nog steeds is een zekere distantie aangewezen om de onvermijdelijke afhankelijkheidsrelatie niet destructief te maken. De enquêtecommissie fraudebeleid vindt dat de media te veel aandacht hebben voor ophef en conflict en te weinig voor inhoudelijk debat over technische en complexe onderwerpen. Dat is ongetwijfeld waar, maar ik verstout mij te zeggen dat dit geheel wederzijds lijkt. In de Tweede Kamer is, ondanks de goede voornemens, de aandacht voor goede en zorgvuldige wetgeving nog steeds een ondergeschoven kindje en dat de pers daar geen interesse in heeft, kan en mag daarvoor natuurlijk geen excuus vormen.

De spanning zit ‘m ook nog steeds in de voorlichters en spindoctors waarmee politieke bestuurders zich omringen. Over die spindoctors – stofzuigerverkopers, volgens Hans Goslinga in zijn KIM-essay van twee jaar geleden8 – wordt niet onbegrijpelijk geklaagd door journalisten. Maar de keerzijde is natuurlijk dat het vak van bewindspersoon behoorlijk onveilig is geworden nu elk foutje, elke verspreking, elke ongelukkige timing genadeloos wordt afgestraft en het felle licht van de schijnwerpers permanent aan staat.

Als meer distantie gewenst wordt, is het vooral de vraag tussen wie precies. Jan Tromp en Coen van der Ven wijzen er in hun boek ‘Wantrouwen in de wandelgangen’ op dat in de jaren zeventig de band tussen pers en politici veel nauwer was dan nu9. Zou wellicht meer persoonlijke communicatie van politicus en journalist zonder spinners juist kunnen helpen om het papagaaiencircuit waar de enquêtecommissie van spreekt, te beperken? Of is dat vandaag de dag volstrekt onrealistisch omdat beeldvorming nu eenmaal alles overheerst, zelfs inhoud?

Als ik de klassieke spanningsverhouding tussen pers en politiek benoem, zie ik ondertussen het decor volledig verschuiven. Feitelijk is het zo: de gematigde pers wantrouwt misschien de politiek; de gematigde politiek heeft wellicht weinig vertrouwen in de pers, maar nog belangrijker lijkt mij dat zij gezamenlijk en in vereniging worden gewantrouwd door een niet onaanzienlijk deel van de bevolking. Mainstream is verdacht gemaakt en geworden.

Een deel van de bevolking en een deel van de politiek lijken steeds minder waarde te hechten aan de werking van de parlementaire democratie en hebben ook steeds minder op met de waarden en beginselen van de rechtsstaat.

We kunnen het hier uitvoerig over de aanleidingen en oorzaken daarvan hebben, maar dat bewaar ik graag voor een andere keer. Mijn punt is dat dit zorgelijk is en dat die zorg zowel de politieke macht als de media moet bezighouden.

Autocratische en technocratische tendensen vormen een risico voor de democratische rechtsstaat zoals wij die nu kennen. En die rechtsstaat is geen gegeven en zeker geen rustig bezit. Er is in mijn ogen een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid van democratische politiek en vrije pers om die liberale democratische rechtsstaat in ere te houden en de waarden daarvan te koesteren, zo nodig te beschermen. Met respect voor alle spanningen en verschillen die er maar bestaan, kan dat wellicht ook aanleiding vormen voor een meer constructieve houding ten opzichte van elkaar.

Inmiddels bent u ook officieel een onafhankelijke institutie die van groot belang is voor de rechtsstaat en die beschermd en versterkt moet worden. De vier onderhandelende partijen hebben dat vastgelegd in het verslag van informateur Plasterk van begin vorige maand.10 Dat lijkt mij toch een promotie uit de ‘richel’.

U kende zelf natuurlijk al uw plek, maar het is tekenend voor deze tijden dat dit tijdens de kabinetsvorming nog eens nadrukkelijk opgeschreven moet worden. Laat dat in ieder geval een inspiratie vormen voor uw toekomstig werk en uw bijdrage aan ons publiek bestel gebaseerd op democratie en recht. De rule of law is nu eenmaal meer dan alleen de emotie van de vox populi van de dag.

Uw bijdrage aan die democratische rechtsstaat is relevant en veelzijdig. Verslaglegging van besluitvorming en debatten, analyse van de verhoudingen en ontwikkelingen, blootleggen van falend overheidsbestuur en andere incidenten, licht werpen op de staat van de staat.

Maar ook, hoop ik, bijdragen aan de kennis en het begrip van de werking van de democratische rechtsstaat. Het respect en het evenwicht dat er tussen de staatsmachten moet bestaan, tussen wetgever, uitvoerend bestuur en rechter, de wisselwerking tussen de instituties waardoor nooit het laatste woord wordt uitgesproken maar altijd ruimte blijft voor dialoog en voor het herstel van wat niet goed ging. Voor dat begrip van de rechtsstaat is ook simpelweg kennis nodig, overdracht van kennis van het staatsrecht, de parlementaire geschiedenis, de moeilijke taak van ambtenaren en de totstandkoming van wetten. En de grenzen van de uitvoering.

Vanuit mijn rol in dat staatsbestel hoop ik dat de journalistiek daar hernieuwde aandacht aan schenkt, want zonder inzicht en kennis krijgt de rechtsstaat het moeilijk, wat er ook aan formatietafels wordt bezworen.

Tot slot:

Kennis en inzicht in de rechtsstaat wordt ook verkregen door te onderzoeken hoe het in de praktijk gaat. Maaike Bos deed dat in Ter Apel met haar zoals de jury het verwoordt ‘360 graden journalistiek’. Kustaw Bessems maakte maximaal gebruik van alle hem ter beschikking staande vaardigheden en middelen: essays, podcast, columns, om schijn bloot te leggen en hindernissen voor goed bestuur op te sporen. Ik citeer zijn aansporing tot beter bestuur met instemming: “Als het goed is, vergroot bestuur de kans dat burgers elkaar vertrouwen en een beetje heel laten.”

Ik feliciteer jullie beiden met de Stuiveling- respectievelijk de Vondelingprijs en het team uit Eindhoven met de eervolle vermelding. Dat neemt niemand jullie ooit meer af, hoe ook de tijden veranderen.


[1] Trouw, 3 juli 2002, Pers voelt zich te goed voor kritiek.
[2] KIM-college 2006, Politiek en mediamacht, KIM, Nijmegen 2006, p.9-31.
[3] Gerard van Westerloo, Oorlog tussen pers en politiek, NRC, 4 september 2004.
[4] James Fallows, Breaking the news, New York, 1996.
[5] John Lloyd, What the media are doing to our politics, London, 2004.
[6] Zie het co-referaat van Pieter Broertjes bij het KIM-college 2006, p. 32-44.
[7] Arjen Fortuin, NRC, 16/17 maart 2024, Opinie & Debat.
[8] Hans Goslinga, KIM-essay, in Villamedia.nl, 3 november 2022.
[9] Jan Tromp en Coen van der Ven, Wantrouwen in de wandelgangen. Hoe pers en politiek van elkaar vervreemd raakten, Amsterdam (Balans), 2023.
[10] Verslag informateur Plasterk, d.d. 12 februari 2024.