Procesregeling voor de aanbeveling voor benoeming van leden en staatsraden van de Raad van State


Artikel 1

  1. Voor de (voordracht tot) benoeming van leden en staatsraden doet de Raad een aanbeveling. De aanbeveling wordt gedaan, gehoord de afdeling van de Raad waarvan het te benoemen lid of de te benoemen staatsraad deel zal uitmaken, dan wel de Afdeling ten behoeve waarvan de staatsraad in buitengewone dienst werkzaamheden zal verrichten.
  2. De Raad neemt in zijn aanbeveling de keuze van de betreffende Afdeling over, tenzij die keuze niet overeenkomstig de daarvoor geldende procedure tot stand is gekomen of indien er zwaarwegende redenen zijn die aanleiding kunnen zijn voor een disciplinaire maatregel, indien de betrokken kandidaat in dienst zou zijn geweest.
  3. In de gevallen waarin de Raad de keuze niet overneemt, doet de Raad geen aanbeveling.

Artikel 2

  1. De keuze van de betreffende Afdeling, zoals bedoeld in artikel 1, tweede lid, volgt op een door die Afdeling gevoerde selectieprocedure. Ten behoeve daarvan worden vacatures gepubliceerd in de Staatscourant onder opgave van het profiel van de gezochte kandidaat of kandidaten.
  2. De voorzitter van de betreffende Afdeling draagt zorg voor de inhoud van de vacature en bepaalt, in samenspraak met de selectiecommissie, in welke (dag)bladen de vacaturetekst of een banner wordt geplaatst.
  3. De sollicitatiebrieven zijn gericht aan de vice-president.

Artikel 3

  1. Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2024.
  2. Deze regeling wordt aangehaald als: Procesregeling aanbeveling benoeming leden en staatsraden.

Toelichting

De procedure voor de benoeming van leden en staatsraden is vastgelegd in de Wet op de Raad van State (artikelen 2 en 8 Wet RvS, die via koppelingsartikel 10 Wet RvS ook van toepassing zijn op de benoeming van staatsraden in buitengewone dienst). Onderdeel van deze procedure is de aanbeveling van de grondwettelijke Raad, zoals bedoeld in artikel 1 Wet RvS. Deze aanbeveling door de grondwettelijke Raad wordt gedaan, gehoord de betreffende Afdeling (artikel 8 Wet RvS).

De procesregeling legt vast, en beoogt daarmee expliciet duidelijk te maken, dat de selectieprocedure plaatsvindt binnen de Afdeling waarin het te benoemen lid of de te benoemen staatsraad deel zal uitmaken, alsmede dat de rol van de Raad zich beperkt tot een marginale (proces) toets. Deze marginale beoordeling ziet op de procedurele zorgvuldigheid van het doorlopen selectieproces, alsmede op de aanwezigheid van zwaarwegende redenen die aanleiding kunnen zijn voor ontslag, indien de betrokken kandidaat in dienst zou zijn geweest. Het gaat dan om redenen voor een disciplinaire maatregel, zoals bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Wet op de Raad van State, waarin de bepalingen van hoofdstuk 6A van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren (Wet RO) van overeenkomstige toepassing worden verklaard op de leden van de Raad van State. Artikel 36c van deze Wet RO bepaalt dat ten aanzien van de rechterlijk ambtenaar een disciplinaire maatregel worden opgelegd, indien hij:

  • de waardigheid van het ambt, zijn ambtsbezigheden of zijn ambtsplichten verwaarloost;
  • de bepalingen overtreedt waarbij hem het uitoefenen van een beroep wordt verboden, een vast en voortdurend verblijf wordt aangewezen, verboden wordt zich in een onderhoud of een gesprek in te laten met partijen of haar advocaten of gemachtigden of een bijzondere inlichting of schriftelijk stuk van hen aan te nemen, de verplichting wordt opgelegd een geheim te bewaren of de verplichting wordt opgelegd de functionele autoriteit in kennis te stellen van de betrekkingen die hij buiten zijn ambt vervult; of
  • door zijn handelen of nalaten ernstig nadeel toebrengt aan de goede gang van zaken bij de rechtspraak of het in haar te stellen vertrouwen.