Wetsvoorstel voor gedeeltelijke opheffing van toetsingsverbod in artikel 120 Grondwet
Brief van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van 26 augustus 2025 aan het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelatie met een reactie op een consultatieverzoek over het conceptwetsvoorstel om het toetsingsverbod in artikel 120 Grondwet gedeeltelijk op te heffen, waarmee constitutionele toetsing van wetten aan klassieke grondrechtsbepalingen van de Grondwet mogelijk wordt gemaakt.
Den Haag, 26 augustus 2025
Aan het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelatie
Directie Constitutionele Zaken en Wetgeving
t.a.v. mr. dr. W. van der Woude
Postbus 20301
2500 EH Den Haag
Betreft: Consultatiereactie wijziging artikel 120 Grondwet
Geachte heer Van der Woude,
Bij brief van 8 juli 2025 heeft de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, mede namens de minister van Justitie en Veiligheid en de staatssecretaris Rechtsbescherming, de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State de mogelijkheid geboden om te reageren op het conceptwetsvoorstel tot gedeeltelijke opheffing van het toetsingsverbod in artikel 120 Grondwet, waarmee constitutionele toetsing van wetten aan klassieke grondrechtsbepalingen van de Grondwet mogelijk wordt gemaakt. Ik dank u vriendelijk voor deze mogelijkheid.
Eerder dit jaar, op 23 april 2025, heb ik namens de Afdeling bestuursrechtspraak aan de minister van Justitie en Veiligheid en uw minister onze reactie op de contourennota constitutionele toetsing gestuurd. Daarin heb ik aangegeven dat de Afdeling bestuursrechtspraak in beginsel positief staat tegenover het voorstel om constitutionele toetsing van wetten aan klassieke grondrechtsbepalingen van de Grondwet mogelijk te maken. Ik zie een meerwaarde in de voorgestelde uitbreiding van de constitutionele toetsing. De Afdeling bestuursrechtspraak ziet nu verder geen aanleiding om te reageren vanuit een oogpunt van rechtsbescherming of rechtspleging. Ik volsta met te verwijzen naar mijn brief van 23 april 2025.
Voor alle duidelijkheid merk ik nog op dat deze consultatiereactie niet vooruitloopt op een advies van de Afdeling advisering van de Raad van State in een eventueel volgend wetgevingsproces.
Ik vertrouw erop u met deze reactie op uw consultatieverzoek van dienst te zijn geweest.
Hoogachtend,
de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak
van de Raad van State,
Mr. R. Uylenburg