Gemeentelijke taak asielopvangvoorzieningen


Brief van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van 22 juni 2022 aan de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid met een reactie op het consultatieverzoek over de uitvoering van de Wet gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningen.

’s-Gravenhage, 22 juni 2022


Aan
Staatsecretaris van Justitie en Veiligheid

Postbus 20301

2500 EH ‘S-GRAVENHAGE

Excellentie,

Betreft: besluit houdende regels inzake de uitvoering van de Wet gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningen (Besluit gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningen) en de Regeling houdende specifieke uitkeringen voor gemeenten en provincies die het mogelijk maken asielzoekers op te vangen (Regeling specifieke uitkeringen Wet gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningen)

Bij bovengenoemde brief heeft u mij ter advisering een concept voor een algemene maatregel van bestuur en een concept voor een ministeriële regeling toegezonden (het concept-Besluit gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningen en de concept-Regeling specifieke uitkeringen Wet gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningen).

De beide regelingen voorzien in besluiten waartegen rechtsbescherming openstaat bij de bestuursrechter; in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak. In paragraaf 1.3 van het Algemeen deel van de toelichting op het concept-Besluit wordt aangegeven dat bezwaar en beroep openstaat tegen in de conceptregelgeving voorziene verdeelbesluiten en de (weigering van) verstrekkingen van uitkeringen. Niet vermeld worden besluiten tot terugvordering die met toepassing van artikel 8 van de concept-Regeling kunnen plaatsvinden. Het ligt in de rede ook deze te noemen.

Niet wordt aangegeven welke belasting de in te dienen (hoger) beroepen naar verwachting zullen meebrengen voor de bestuursrechter. Het verdient aanbeveling dit alsnog te doen. Mocht sprake zijn van een betekenisvolle toename van het zaaksaanbod in hoger beroep, dan dient te worden bezien welke aanvullende middelen aan de Afdeling bestuursrechtspraak worden verstrekt om in staat te zijn de hoger beroepen binnen een redelijke termijn af te handelen.

Ik volsta met voorgaande opmerkingen, uiteraard zonder vooruit te lopen op beantwoording van vragen waarvoor de Afdeling bestuursrechtspraak zich bij de behandeling van concrete zaken gesteld zal zien.

Hoogachtend,

de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State,

mr. B.J. van Ettekoven