Samenvatting voorlichting over de inrichting Huis van de Koning en de ministeriële verantwoordelijkheid

Datum publicatie: dinsdag 20 september 2016 - Datum advies: maandag 4 juli 2016

De minister-president heeft de Afdeling advisering van de Raad van State gevraagd om een voorlichting te geven over de betekenis van artikel 41 van de Grondwet. Hierin is bepaald dat de "Koning, met inachtneming van het openbaar belang, zijn Huis inricht". De minister-president heeft gevraagd om in het bijzonder in te gaan op de ministeriële verantwoordelijkheid voor begrote gelden die overeenkomstig de Wet Financieel Statuut van het Koninklijk Huis worden besteed. De aanleiding voor dit verzoek waren Kamervragen over de kosten van de restauratie van de Gouden Koets en de onderhoudskosten van de Groene Draeck.

De Afdeling advisering heeft op 4 juli 2016 haar voorlichting uitgebracht. De regering heeft deze op 20 september 2016 openbaar gemaakt.

Rol minister-president

In de voorlichting gaat de Afdeling advisering eerst in op het grondwettelijk kader. Het gaat daarbij om de vrijheid van de Koning om zijn eigen Huis in te richten met inachtneming van het openbaar belang (artikel 41), de ministeriële verantwoordelijkheid voor het handelen van de Koning (artikel 42) en de informatieplicht van de minister aan het parlement (artikel 68). Over de wijze waarop de Koning bij de inrichting van zijn Huis het openbaar belang in acht neemt is de minister-president aanspreekbaar. Hij moet oordelen of het handelen van de Koning het openbaar belang raakt en vervolgens beslissen of het parlement hierover geïnformeerd moet worden. De inlichtingenplicht is niet juridisch afdwingbaar, maar er kunnen wel politieke consequenties aan verbonden worden als het parlement het niet eens is met de wijze waarop de minister-president invulling geeft aan deze plicht.

Grondwettelijke uitkering, functionele kosten en openbaarmaking

In de voorlichting wordt vervolgens besproken hoe de Wet Financieel Statuut Koninklijk  Huis en de begrotingswet, hoofdstuk I, invulling geven aan dit grondwettelijk kader. Daarbij komt de Afdeling advisering op basis van de grondwetsgeschiedenis tot de conclusie dat artikel 41 van de Grondwet van toepassing is op zowel de grondwettelijke uitkering aan de Koning als op de functionele kosten. Deze uitleg van artikel 41 van de Grondwet is in  overeenstemming met de realiteit, waarbij de Koning als persoon en de Koning als drager van het ambt zo nauw verweven zijn. Een scherpe scheiding tussen de persoonlijke uitgaven in de particuliere sfeer door de Koning als persoon en de functionele kosten ten behoeve van het koningschap, is niet te maken. Het maken van een onderscheid tussen privéuitgaven en functionele uitgaven is, gelet op de grondwetsgeschiedenis, niet relevant voor de mate van  openbaarmaking hiervan omdat voor beide typen uitgaven hetzelfde regime geldt.

Dit regime houdt in dat handelingen en uitgaven die hieronder vallen niet openbaar zijn, tenzij zij het openbaar belang raken. Dit betekent onder meer dat de minister-president over de hoogte van de concrete uitgaven in beginsel geen inlichtingen verstrekt aan het parlement. Het enkele feit dat over een handeling of uitgave van de Koning Kamervragen worden gesteld, leidt er op zichzelf nog niet toe dat deze handeling of uitgave daardoor geacht moet worden het openbaar belang te raken. Of het openbaar belang wordt geraakt zal per geval moeten worden afgewogen, omdat het niet mogelijk is om een generiek en concreet toepasbaar onderscheid te maken tussen uitgaven die het openbaar belang wel raken en die dat belang niet raken.

Lees hier de volledige tekst van de voorlichting van de Afdeling advisering.