Ontwerpbesluit bijdrage kosten strafvordering en slachtofferzorg.
- Kenmerk
- W03.16.0159/II
- Datum advies
- 11 augustus 2016
- Vindplaats
- Staatscourant
- Justitie en Veiligheid
- Algemene maatregel van bestuur
Toon inhoud
Samenvatting advies over Besluit bijdrage kosten strafvordering en slachtofferzorg
De Afdeling advisering van de Raad van State heeft advies uitgebracht over het ontwerpbesluit Bijdrage kosten strafvordering en slachtofferzorg. De minister van Justitie en Veiligheid heeft op 20 december 2017 in een brief laten weten dat het wetsvoorstel buiten verdere behandeling wordt gelaten en niet wordt ingediend bij de Tweede Kamer. Vervolgens is het advies van de Afdeling advisering op 11 augustus 2016 openbaar gemaakt.
Inhoud ontwerpbesluit
Het ontwerpbesluit was een uitwerking van onderdelen uit het wetsvoorstel Eigen bijdrage kosten strafvordering en slachtofferzorg. Het ontwerpbesluit bepaalde de hoogte van de bijdrage. Bij een uitspraak van de kantonrechter wordt de eigen bijdrage € 375,-. Bij een uitspraak van de rechtbank loopt dat op van € 1075,- tot € 1975,-.
Matiging
Als de door de kantonrechter opgelegde boete minder dan € 375,- bedraagt, zou de bijdrage automatisch gematigd worden tot 50% van de opgelegde geldboete. De Afdeling advisering merkt op dat niet goed valt in te zien waarom die matiging niet ook geldt bij geheel voorwaardelijke geldboetes en geldboetes die andere rechters dan de kantonrechter opleggen. Dit heeft tot gevolg dat het voor de gewezen verdachte per saldo voordeliger kan zijn te worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete, dan tot een geheel voorwaardelijke geldboete. De Afdeling adviseert dan ook de bijdrage te halveren in alle gevallen waarin de rechter een geldboete oplegt die lager is dan de bijdrage. Daarnaast adviseert zij om de matiging niet te beperken tot onvoorwaardelijke geldboetes.
Rechterlijk pardon
In het ontwerpbesluit werd voorgesteld dat geen bijdrage is verschuldigd bij een 'rechterlijk pardon' (wel schuldigverklaring, maar geen straf). Dit voorstel is niet in lijn met de tekst en met de oorspronkelijke bedoeling van het wetsvoorstel.
Evenredigheid van de bijdrage
Naar het oordeel van de Afdeling advisering staat de hoogte van de eigen bijdrage van bijvoorbeeld € 1975,- sterk in contrast tot de hoogte van de boetes voor een aantal veel voorkomende strafbare feiten. Volgens de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting bedragen deze boetes € 150,- voor belediging, € 250,- voor bedreiging en € 500,- voor eenvoudige mishandeling (een droge klap of schop, zonder letsel). Bij veroordelingen tot dergelijke geldboetes is de eigen bijdrage van € 1075,- of € 1975, euro niet zonder meer evenredig. De Afdeling adviseert om de hoogte van de bijdrage aan de kosten van de strafvordering en de slachtofferzorg nader te motiveren en zo nodig aan te passen.
Ontwerpbesluit houdende regels ter uitvoering van de bijdrage voor de kosten van de strafvordering en slachtofferzorg (Besluit bijdrage kosten strafvordering en slachtofferzorg), met nota van toelichting.
Bij Kabinetsmissive van 28 juni 2016, no.2016001143, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Veiligheid en Justitie, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende regels ter uitvoering van de bijdrage voor de kosten van de strafvordering en slachtofferzorg (Besluit bijdrage kosten strafvordering en slachtofferzorg), met nota van toelichting.
Het ontwerpbesluit voorziet in een nadere regeling van de bijdrage aan de kosten van de strafvordering en slachtofferzorg. (zie noot 1) Het ontwerpbesluit bepaalt de hoogte van de bijdrage en wijst het Centraal Administratiekantoor (CAK) aan als organisatie die namens de Minister van Veiligheid en Justitie de bijdragen zal innen. Daarnaast worden nadere regels gegeven over de inningsprocedure.
De Afdeling advisering van de Raad van State adviseert het besluit niet vast te stellen dan nadat met een aantal opmerkingen van de Afdeling rekening is gehouden. In de eerste plaats valt niet goed in te zien waarom de matiging is beperkt tot geldboeten, lager dan 375,- euro en niet ook geldt bij een onvoorwaardelijke geldboete opgelegd door andere rechters en in geval van geheel voorwaardelijke geldboetes. Voorts wijst de Afdeling erop dat de in het ontwerpbesluit voorgestelde regeling dat in het geval van een rechterlijk pardon (zie noot 2) geen bijdrage is verschuldigd, niet in overeenstemming is met de in het wetsvoorstel voorgestelde wettelijke grondslag. Ook adviseert de Afdeling om de hoogte van de bijdrage aan de kosten van de strafvordering en de slachtofferzorg te motiveren. In dat verband vraagt de Afdeling aandacht voor onder andere de evenredigheid van de hoogte van de bijdrage van 1075,- euro of 1975,- euro in verhouding tot de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting voor veel voorkomende delicten zoals belediging (150,- euro) en bedreiging (250,- euro).
1.Matiging
Artikel 1, eerste lid, van het ontwerpbesluit bepaalt de hoogte van de bijdrage aan de kosten van de strafvordering en de slachtofferzorg. Bij een uitspraak in eerste aanleg door de kantonrechter bedraagt de bijdrage 375,- euro; bij een uitspraak in eerste aanleg door een enkelvoudige kamer 1075,- euro en door de meervoudige kamer 1975,- euro.
Volgens de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel is de ratio van de bijdrageregeling dat degene die de strafwet heeft overtreden en is vervolgd verantwoordelijk moet worden gehouden voor een deel van de kosten van de strafvordering en slachtofferzorg. (zie noot 3) De bijdragen zijn niet bedoeld als bestraffing en niet punitief van aard. (zie noot 4) Het gaat slechts om een doorberekening van een deel van de kosten die door de overheid worden gemaakt die administratief worden opgelegd en geïnd in de vorm van een vast forfait. (zie noot 5)
Artikel 1, tweede lid, van het ontwerpbesluit bepaalt dat de bijdrage 50% van de opgelegde onvoorwaardelijke geldboete bedraagt indien de door de kantonrechter opgelegde boete minder dan 375,- euro bedraagt. De bepaling is niet toegelicht. (zie noot 6)
De Afdeling begrijpt deze bepaling aldus dat de matiging van de bijdrage gezien moet worden in het kader van de evenredigheid. Bij een onvoorwaardelijke geldboete van bijvoorbeeld 100,- euro zou een bijdrage aan de kosten voor strafvordering en slachtofferzorg van 375,- euro als niet proportioneel en derhalve als onbillijk kunnen worden beschouwd. Met de voorgestelde bepaling kan dan ook in zoverre worden ingestemd. Echter, indien de ratio van de voorgestelde bepaling is zoals deze door de Afdeling wordt begrepen, dan valt niet goed in te zien waarom deze matiging slechts geldt tot de grens van 375,- euro en waarom deze uitsluitend van toepassing is op geldboetes opgelegd door de kantonrechter en niet op die opgelegd door andere strafrechters. Voorkomen dient te worden dat kantonrechters bij een dergelijke grens in voorkomende gevallen zich genoopt zouden voelen om een geldboete op te leggen die net onder 375,- euro ligt om de volledige bijdrage te voorkomen. Bovendien valt niet uit te sluiten dat andere strafrechters in voorkomende gevallen een andere (lagere) straf opleggen vanwege de bijdrage.
Daarnaast blijkt uit artikel 1, tweede lid, van het ontwerpbesluit dat in geval van een geheel voorwaardelijke geldboete onder 375,- euro de matiging niet van toepassing is. (zie noot 7) Mogelijk is de gedachte achter deze regeling dat de matiging bij voorwaardelijke geldboetes niet geldt omdat bij voorwaardelijke geldboetes het uitgangspunt is dat deze niet ten uitvoer gelegd worden. Daarbij merkt de Afdeling op dat niet redelijk voorkomt dat ten aanzien van de gewezen verdachte die is veroordeeld tot een (deels) onvoorwaardelijke geldboete van minder dan 375,- euro de bijdrage wordt gematigd tot de helft van de opgelegde boete, maar dit niet geldt voor degene die een mildere straf krijgt opgelegd, namelijk een geheel voorwaardelijke geldboete onder 375,- euro. Per saldo kan het voor de gewezen verdachte voordeliger zijn te worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete in plaats van tot een geheel voorwaardelijke geldboete. (zie noot 8)
Gelet op het bovenstaande adviseert de Afdeling de matigingsregeling in het ontwerpbesluit aan te passen door in alle gevallen waarin de rechter een geldboete oplegt die lager is dan de bijdrage, de bijdrage te halveren. Daarnaast adviseert de Afdeling om de matiging niet te beperken tot onvoorwaardelijke geldboetes.
2.Rechterlijk pardon
De Afdeling kan zich vinden in de gedachte dat de veroordeelde volgens artikel 1, eerste lid, onderdeel 1, van het ontwerpbesluit in geval van een rechterlijk pardon (artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht) geen bijdrage aan de kosten van de strafvordering en de slachtofferzorg is verschuldigd. De Afdeling wijst er echter op dat artikel 592b, eerste lid, Sv van het wetsvoorstel bepaalt dat, indien de zaak is geëindigd met oplegging van een straf of maatregel door de rechter of met toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, de gewezen verdachte een bijdrage aan de kosten van strafvordering en slachtofferzorg betaalt. In de memorie van toelichting op het wetsvoorstel is hierover gesteld:
"Beide regelingen (zie noot 9) gaan aldus uit van het uitgangspunt dat degene van wie is komen vast te staan dat hij een strafbaar feit heeft gepleegd, de daaruit voortvloeiende kosten (deels) moet dragen en iemand van wie dit niet is komen vast te staan, niet." (zie noot 10)
In de nota naar aanleiding van het verslag bij het wetsvoorstel en in de nota van toelichting bij het ontwerpbesluit is echter vermeld dat de rechter bij een rechterlijk pardon in de bijzondere omstandigheden aanleiding heeft gezien om van strafoplegging af te zien (zie noot 11): "Daarom is de bijdrage die veroordeelden aan wie geen straf of maatregel is opgelegd bepaald op 0,- euro." (zie noot 12)
De Afdeling wijst erop dat naar aanleiding van het tijdens de parlementaire behandeling ingenomen standpunt dat geen bijdrage is verschuldigd door veroordeelden in geval de rechter op grond van bijzondere omstandigheden heeft afgezien van een sanctie, het wetsvoorstel niet is gewijzigd. Dit leidt naar het oordeel van de Afdeling tot onduidelijkheid. Het ontwerpbesluit dat de bijdrage van de veroordeelde in geval van een rechterlijk pardon op 0,- euro stelt, strookt niet met de tekst en met de oorspronkelijke bedoeling van het bij het wetsvoorstel voorgestelde artikel 592b Sv. (zie noot 13) Het voorgestelde wetsartikel gaat er immers, gelet op de tekst en de memorie van toelichting, van uit ook ingeval van een rechterlijk pardon een bijdrage aan de kosten van de strafvordering en slachtofferzorg is verschuldigd, terwijl het ontwerpbesluit, door de bijdrage op 0,- euro te stellen, uitgaat van het tegenovergestelde.
De Afdeling constateert dat het wetsvoorstel in het licht van het bovenstaande aanpassing behoeft. De Afdeling adviseert daartoe.
3.De evenredigheid van de bijdrage
De nota van toelichting bij het besluit gaat niet in op de hoogte van de bijdragen terwijl dit een cruciaal onderdeel van de regeling vormt. In de nota naar aanleiding van het verslag bij het wetsvoorstel is over de hoogte van de eigen bijdragen het volgende gesteld (zie noot 14):
"Bij de vaststelling van de hoogte van de bedragen is bekeken hoe de begrotingsdoelstelling kan worden gehaald. In de impactanalyse is getoetst welke bedragen redelijkerwijs opgelegd kunnen worden, uitgaande van realistische inningspercentages. Hiermee is de haalbaarheid van de regeling voldoende geborgd. De bedragen benaderen bewust de daadwerkelijk gemaakte kosten niet. Dergelijke hoge bedragen, met name bij procedures voor de meervoudige kamer, kunnen naar verwachting niet daadwerkelijk worden verhaald op de betrokkene. Globaal is bij de vaststelling van de bedragen een verhouding aangehouden tussen de bijdrage bij de kantonrechter, de enkelvoudige en de meervoudige kamer van 1:3:6. Verder is gekeken naar wat op basis van de opgelegde tarieven in het buitenland en de gehanteerde griffierechten in het civiele recht redelijk lijkt. Omdat er over het algemeen vanuit kan worden gegaan dat het gremium waarvoor de verdachte terechtstaat een aanwijzing vormt voor de omvang, complexiteit en verstrekkendheid van de zaak, is dit aldus verdisconteerd."
Naar aanleiding hiervan plaatst de Afdeling de volgende kanttekeningen.
a. Het valt op dat bij de vaststelling van de hoogte van de bijdrage het bereiken van de begrotingsdoelstelling voorop is gesteld. (zie noot 15) Het halen van de begrotingsdoelstelling dient naar het oordeel van de Afdeling niet de eerste factor te zijn voor het bepalen van de hoogte van de bijdrage aan de kosten van strafvordering van veroordeelden, te meer waar dit kan leiden tot onevenredig hoge bedragen.
b. Daarnaast gaat de vergelijking met de griffierechten in het civiele recht niet zonder meer op. Zo is bijvoorbeeld de hoogte van het griffierecht in het civiele recht afhankelijk van het inkomen van betrokkene, hetgeen in de voorgestelde regeling juist niet het geval is.
c. Bovendien is niet duidelijk wat de omvang van de kosten van slachtofferzorg is. Onduidelijk is tevens of kosten van slachtofferzorg standaard zijn inbegrepen en hoe zich dat dan verhoudt tot gevallen waarin een aanwijsbaar slachtoffer ontbreekt en er dus geen daadwerkelijke kosten van slachtofferzorg zijn gemaakt. Opmerking verdient dat wanneer de hoogte van de "vergoeding" de daadwerkelijke kosten aanzienlijk overschrijdt, de vergoeding eerder het karakter kan krijgen van een "straf" als bedoeld in de artikelen 6 en 7 Europees Verdrag van de Rechten voor de Mens. (zie noot 16) De Afdeling wijst in dit verband op de zaak Ruotsalainen tegen Finland. (zie noot 17) In die zaak bevestigde het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) de eerdere jurisprudentie dat er sprake kan zijn van een "straf", ondanks dat de maatregel naar nationaal recht als een administratieve maatregel wordt aangemerkt. (zie noot 18) Het EHRM overweegt in dit arrest, dat het zeer wel mogelijk is een opgelegde "fuel fee" op zichzelf te beschouwen als overeenstemmend met de veroorzaakte schade (misgelopen belasting). In de voorliggende casus was de "fuel fee" echter verdrievoudigd. De verdrievoudiging bracht het EHRM ertoe om de administratieve sanctie als een "straf" aan te merken, omdat die verhoging niet alleen vergoeding, maar ook afschrikking en bestraffing tot doel had (Ruotsalainen, r.o. 46). (zie noot 19)
d. Onverminderd het gestelde onder 1 van dit advies, wijst de Afdeling op het volgende. Weliswaar is in het ontwerpbesluit voorzien in mogelijkheden voor een betalingsregeling en kwijtschelding, maar dat neemt niet weg dat de hoogte van de eigen bijdrage van bijvoorbeeld 1975,- euro naar het oordeel van de Afdeling sterk in contrast staat tot de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting voor een aantal veel voorkomende strafbare feiten. Zo bedragen de oriëntatiepunten voor belediging 150,- euro; voor bedreiging 250,- euro en voor eenvoudige mishandeling (een droge klap of schop, zonder letsel) 500,- euro. (zie noot 20) Bij veroordelingen tot dergelijke geldboetes is een bijdrage van 1075,- of 1975, euro in de kosten voor de strafvordering en slachtofferzorg naar het oordeel van de Afdeling niet zonder meer evenredig.
Gelet op het voorgaande adviseert de Afdeling in de nota van toelichting de hoogte van de bijdragen aan de kosten van de strafvordering en slachtofferzorg nader te motiveren en daarbij, gelet op de vereiste evenredigheid van de bijdragen, in te gaan op de genoemde punten, en de bedragen zo nodig aan te passen.
4. Bewaartermijn justitiële gegevens
Volgens artikel 7, tweede lid, van het ontwerpbesluit vernietigt het CAK de gegevens, waaronder justitiële gegevens, uiterlijk vijf jaar nadat de bijdrage volledig is geïnd dan wel is kwijtgescholden.
De Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) is niet van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens ten behoeve van de uitvoering van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens. (zie noot 21) Met de bepaling inzake de vijf jaarstermijn is volgens de nota van toelichting aangesloten bij de bewaartermijnen conform artikel 10 van de Wbp (zie noot 22) omdat het CAK deze hanteert ten aanzien van persoonsgegevens die het verwerkt op basis van de verwante regelingen die door het CAK worden uitgevoerd. (zie noot 23) Verder stelt de nota van toelichting dat het bewaren van onder meer justitiële gegevens noodzakelijk is voor het afleggen van verantwoording over de taakuitoefening door het CAK. (zie noot 24)
De Afdeling wijst erop dat met het oog op het laatste ook kan worden aangesloten bij artikel 11a van het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens. Dit ligt bovendien voor de hand nu het ontwerpbesluit mede ziet op justitiële gegevens. Op grond van die bepaling kan de Minister van Veiligheid en Justitie ten behoeve van de handhaving van de openbare orde in verband met de terugkeer van de betrokkene in de maatschappij aan de burgemeester justitiële gegevens verstrekken van personen die onherroepelijk zijn veroordeeld tot bepaalde straffen of maatregelen. Volgens het vierde lid vernietigt de burgemeester de verstrekte gegevens uiterlijk negen maanden na de datum van verstrekking indien niet tot het treffen van maatregelen is besloten. Indien wel tot het treffen van maatregelen is besloten, verwijdert de burgemeester de gegevens uiterlijk negen maanden na de datum van verstrekking. De verwijderde gegevens worden gedurende een termijn van vijf jaar bewaard ten behoeve van het afleggen van verantwoording, waarna de gegevens worden vernietigd. In de nota van toelichting op het geldende artikel 11a van het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens is hierover gesteld:
"De verwijderde gegevens zijn niet langer toegankelijk voor operationele doeleinden. Voor de gegevens die langs geautomatiseerde weg worden verwerkt, betekent dit dat zij voor toegang worden afgesloten. Dit geeft de mogelijkheid om in een later stadium, bijvoorbeeld in het geval van klachten, verantwoording af te leggen over de genomen beslissing om maatregelen te treffen bij de terugkeer van de betrokkene in de maatschappij." (zie noot 25)
Het voorgestelde besluit kent niet een termijn van negen maanden en evenmin een regeling voor verwijdering. Dit betekent dat de bewaartermijnen in het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens aangaande het afleggen van verantwoording strikter zijn dan de thans voorgestelde. Op grond van artikel 8 van het EVRM dienen bij een inmenging op de persoonlijke levenssfeer de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit in acht te worden genomen. Derhalve acht de Afdeling in het licht van het bovenstaande een nadere motivering van de voorgestelde termijn van vijf jaar aangewezen.
Gelet op de regeling in het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens adviseert de Afdeling de proportionaliteit en subsidiariteit van de voorgestelde bewaartermijn van vijf jaar met betrekking tot justitiële gegevens dragend te motiveren dan wel, indien die motivering niet gegeven kan worden, het ontwerpbesluit aan te passen.
5.Het Centraal Administratiekantoor
Ingevolge artikel 2 van het ontwerpbesluit wordt de verschuldigde bijdrage namens de Minister van Veiligheid en Justitie geïnd door het Centraal Administratiekantoor (CAK). (zie noot 26) De Minister heeft in het kader van de behandeling van het wetsvoorstel (zie noot 27) gesteld dat het CAK veel ervaring heeft met het doen van inkomens- en vermogenstoetsen en deze mogelijkheden zijn ingebed in de procedure. (zie noot 28) Het CAK stelt in een uitvoeringstoets op verzoek van het Ministerie van Veiligheid en Justitie dat het de taak effectief (per 1 januari 2015) kan uitvoeren. (zie noot 29)
Gelet op het voorgaande lijkt de inning van de verschuldigde bijdragen door het CAK voor de hand te liggen. De Afdeling merkt echter het volgende op.
In de toelichting wordt vermeld dat de uitvoering geschiedt onder "volledige ministeriële verantwoordelijkheid":
"Dit vanwege de aard van de gegevens die nodig zijn voor de uitvoering van de regeling (justitiële en strafvorderlijke gegevens) en inkomens- en vermogensgegevens, de doelgroep van de regeling en een adequate uitvoering van de incassostrategie. Op grond van afdeling 10.1.1 van de Awb kan de Minister van Veiligheid en Justitie algemene en bijzondere aanwijzingen geven aan het CAK (zie artikel 10.6 Awb)." (zie noot 30)
De Afdeling wijst erop dat het CAK een zelfstandig bestuursorgaan (ZBO) is. (zie noot 31) Dit brengt mee dat het taken uitvoert op afstand van de minister. Volgens de definitie in de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen is een zelfstandig bestuursorgaan niet hiërarchisch ondergeschikt aan de minister. (zie noot 32)
De Afdeling merkt op dat de combinatie van uitoefening van bevoegdheden die onder eigen verantwoordelijkheid als ZBO worden uitgevoerd met bevoegdheden die in mandaat namens en onder verantwoordelijkheid van de minister worden uitgevoerd, in de praktijk mogelijk leidt tot vermenging van verantwoordelijkheid en onduidelijkheid over de verdeling daarvan. Dit zou bijvoorbeeld het geval kunnen zijn bij eventuele ICT-problemen bij de inning van de bijdrage door het CAK. De Afdeling acht het gewenst verwarring hierover zo veel mogelijk te voorkomen.
De Afdeling adviseert om duidelijker in de nota van toelichting te vermelden dat het CAK wat betreft de inning handelt in opdracht van en onder verantwoordelijkheid van de minister en hoe dit zich onderscheidt van de uitoefening van andere taken van het CAK.
6. De Afdeling verwijst naar de bij dit advies behorende redactionele bijlage.
De Afdeling advisering van de Raad van State geeft U in overweging in dezen geen besluit te nemen dan nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De vice-president van de Raad van State
Redactionele bijlage bij het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State betreffende no.W03.16.0159/II
- In artikel 1, eerste lid, "kosten voor de strafvordering" wijzigen in: kosten van de strafvordering (Conform artikel 592b, eerste lid, Sv van het wetsvoorstel).
- Aan artikel 5, tweede lid, toevoegen: Hierbij wordt de beslagvrije voet gerespecteerd. (Conform artikel 6, tweede lid, en de toelichting op de artikelen 3 tot en met 7: "Het bedrag zal in ieder geval zo hoog zijn als de beslagvrije voet.")
Nader rapport (reactie op het advies) van 20 december 2017
Bij brief van 22 november 2017 (Kamerstukken II 2017/18, 34 067, nr. 17 en Kamerstukken I 2017/18, 34 775 VI, F) is het wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering in verband met de eigen bijdrage van veroordeelden aan de kosten van de strafvordering en de slachtofferzorg (34 067) ingetrokken. Daarmee is de rechtsgrondslag voor het ontwerp-besluit komen te vervallen.
Daartoe gemachtigd door de ministerraad moge ik U verzoeken goed te vinden dat het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State buiten verdere behandeling wordt gelaten en dat het onderhavige nader rapport tezamen met het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State en het ontwerp-besluit en de daarbij behorende toelichting, zoals deze aan de Afdeling advisering van de Raad van State zijn voorgelegd, openbaar wordt gemaakt
De Minister voor Rechtsbescherming
(1) De voorgestelde wettelijke grondslag voor het besluit is met name te vinden in artikel 592d van het wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering in verband met de eigen bijdrage van veroordeelden aan de kosten voor de strafvordering en slachtofferzorg (Kamerstukken 34 067). Het wetsvoorstel is in behandeling bij de Eerste Kamer. In het gezamenlijke advies over het wetsvoorstel eigen bijdrage kosten strafvordering en slachtofferzorg en over het wetsvoorstel eigen bijdrage verblijf inrichting stelde de Afdeling advisering van de Raad van State niet overtuigd te zijn van het feit dat de baten die met de voorstellen gerealiseerd zouden moeten worden opwegen tegen de maatschappelijke en financiële lasten van de voorstellen. De Afdeling adviseerde van de voorgestelde eigen bijdragen af te zien (Kamerstukken II 2014/15, 34 067, nr. 4, blz. 3 en 4).
(2) Het rechterlijk pardon is geregeld in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht: Indien de rechter dit raadzaam acht in verband met de geringe ernst van het feit, de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het feit is begaan, dan wel die zich nadien hebben voorgedaan, kan hij in het vonnis bepalen dat geen straf of maatregel zal worden opgelegd.
(3) Vergelijk onder meer Kamerstukken II 2014/15, 34 067, nr. 3, blz. 1. De toelichting spreekt over degene die de strafwet heeft overtreden en een strafrechtelijke reactie heeft "uitgelokt".
(4) Kamerstukken II 2014/15, 34 067, nr. 9, blz. 10.
(5) Kamerstukken II 2014/15, 34 067, nr. 9, blz. 10.
(6) In de nota naar aanleiding van het verslag is deze matiging aangekondigd, maar evenmin gemotiveerd. Kamerstukken II 2014/15, 34 067, nr. 7, blz. 23.
(7) Dat in geval van een door de rechter opgelegde voorwaardelijke straf of maatregel de bijdrage door de gewezen verdachte een bijdrage moet worden betaald, volgt ook uit het voorgestelde artikel 592b, eerste lid, Sv nu dat niet is beperkt tot onvoorwaardelijke straffen of maatregelen.
(8) Bijvoorbeeld: in geval van een onvoorwaardelijke geldboete van 100,- euro betaalt betrokkene per saldo 100,- euro (geldboete) + 50,- euro (bijdrage) = 150,- euro; in geval van een geheel voorwaardelijke geldboete van 100,- euro, betaalt betrokkene die zich aan de voorwaarden houdt per saldo: 0,- euro (geldboete) + 375,- euro (bijdrage) = 375,- euro.
(9) Met "beide regelingen" wordt bedoeld zowel het geldende artikel 591a Sv als de in artikel 592b Sv van het wetsvoorstel eigen bijdrage van veroordeelden aan de kosten van de strafvordering en slachtofferzorg voorgestelde regeling. Het geldende artikel 591a Sv bepaalt, voor zover relevant: "Indien de zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht wordt aan de gewezen verdachte of zijn erfgenamen uit ’s Rijks kas een vergoeding toegekend voor zijn ten behoeve van het onderzoek en de behandeling der zaak gemaakte reis- en verblijfkosten, berekend op de voet van het bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken bepaalde."
(10) Kamerstukken II 2014/15, 34 067, nr. 3, blz. 7.
(11) Kamerstukken II 2014/15, 34 067, nr. 7, blz. 34, alsmede Nota van toelichting, hoogte bijdrage.
(12) Nota van toelichting, hoogte bijdrage.
(13) Overigens sluit de bepaling van de bijdrage in geval van een rechterlijk pardon op 0,- euro ook niet aan bij de regeling in het Wetboek van Strafvordering inzake schadevergoeding voor onder meer reis- en verblijfkosten voor gewezen verdachten die wordt toegekend "indien de zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel of zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a" (artikel 591a, Sv).
(14) Kamerstukken II 2014/15, 34 067, nr. 7, blz. 23. Bij de nota naar aanleiding van het verslag bij het wetsvoorstel is het concept uitvoeringsbesluit meegezonden.
(15) In het regeerakkoord staat vermeld dat met de bijdrage kosten strafvordering en eigen bijdrage verblijf tezamen wordt beoogd een taakstellende opdracht van 60 miljoen euro structureel netto per jaar vanaf 2015 te realiseren. Kamerstukken II 2012/2013, 33 552, nr. 3. blz. 73. Het wetsvoorstel bijdrage verblijf in justitiële inrichting is overigens ingetrokken (Kamerstukken I, 2015/16, 34 068, B).
(16) In de nadere memorie van antwoord bij het wetsvoorstel gaat de minister kort in op de vraag of de bijdrage geen repressief karakter krijgt doordat de bijdrage ook wordt geheven in strafzaken waarin geen sprake is van een (direct) slachtoffer. De minister stelt dat het enkele feit dat een deel van de netto-opbrengsten die ten goede komen aan de begroting van Veiligheid en Justitie worden aangewend voor een specifiek in de wet opgenomen doel, niet maakt dat de bijdrage een repressief karakter krijgt (Kamerstukken I 2015/16, 34 067, E, blz. 7).
(17) EHRM 16 juni 2009, appl.nr. 13079/03 (Ruotsalainen tegen Finland).
(18) EHRM 8 juni 1976, Series A no. 22 (Engel e.a. tegen Nederland).
(19) Vergelijk ook Kamerstukken I 2015/16, 34 067, E, blz. 3.
(20) Oriëntatiepunten voor straftoemeting en LOVS-afspraken, juli 2016, blz. 7.
(21) Artikel 2, tweede lid, onderdeel e, van de Wet bescherming persoonsgegevens.
(22) Volgens artikel 10, eerste lid, Wbp worden persoonsgegevens niet langer bewaard in een vorm die het mogelijk maakt de betrokkene te identificeren, dan noodzakelijk is voor de verwerkelijking van de doeleinden waarvoor zij worden verzameld of vervolgens worden verwerkt. Persoonsgegevens mogen langer worden bewaard dan bepaald in het eerste lid voor zover ze voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden worden bewaard, en de verantwoordelijke de nodige voorzieningen heeft getroffen ten einde te verzekeren dat de desbetreffende gegevens uitsluitend voor deze specifieke doeleinden worden gebruikt.
(23) Toelichting, Adviezen, advies van het College bescherming persoonsgegevens.
(24) Toelichting, Adviezen, advies van het College bescherming persoonsgegevens.
(25) Besluit van 21 juni 2011, houdende wijziging van het Besluit justitiële gegevens in verband met onder meer het verstrekken van justitiële gegevens aan de burgemeester bij de terugkeer van ex-gedetineerden en het versterken van de screening in de taxibranche, nota van toelichting, Staatsblad 2011, 314, blz. 10.
(26) Dit is een uitwerking van het voorgestelde artikel 592d Wetboek van Strafvordering luidende, voor zover relevant: "De Minister van Veiligheid en Justitie is belast met de inning van de bijdrage. Bij algemene maatregel van bestuur kan een organisatie worden aangewezen die namens hem wordt belast met de inning van de bijdrage."
(27) Kamerstukken II 2014/15, 34 067, nr. 9, blz. 6.
(28) Kamerstukken II 2014/15, 34 067, nr. 9, blz. 6.
(29) Uitvoeringstoets CAK, Eigen bijdrage van veroordeelden aan de kosten van strafvordering en slachtofferzorg, blz. 4.
(30) Toelichting op artikel 2.
(31) Vergelijk artikel 6.1.1 van de Wet langdurige zorg.
(32) Artikel 1, onderdeel a, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen.