Ontwerpbesluit infrastructuur alternatieve brandstoffen.
- Kenmerk
- W14.16.0321/IV
- Datum advies
- 2 december 2016
- Vindplaats
- Staatscourant 2017, nr. 30517
- Infrastructuur en Waterstaat
- Algemene maatregel van bestuur
Toon inhoud
Ontwerpbesluit houdende regels in verband met de implementatie van richtlijn 2014/94/EU betreffende de uitrol van infrastructuur voor alternatieve brandstoffen (Besluit infrastructuur alternatieve brandstoffen).
Bij Kabinetsmissive van 13 oktober 2016, no.2016001784, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, mede namens de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Minister van Economische Zaken, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende regels in verband met de implementatie van richtlijn 2014/94/EU betreffende de uitrol van infrastructuur voor alternatieve brandstoffen (Besluit infrastructuur alternatieve brandstoffen), met nota van toelichting.
Richtlijn 2014/94/EU betreffende de uitrol van infrastructuur voor alternatieve brandstoffen (hierna: de richtlijn) heeft tot doel de olieafhankelijkheid van vervoersmiddelen zo gering mogelijk te maken en de milieueffecten van vervoer te verzachten. In de richtlijn worden onder meer minimumeisen geformuleerd voor het aanleggen van de infrastructuur voor alternatieve brandstoffen, waaronder oplaadpunten voor elektrische voertuigen en tankpunten voor aardgas (LNG en CNG) en waterstof. Daarnaast harmoniseert de richtlijn de technische standaarden voor de aanleg van deze infrastructuur voor alternatieve brandstoffen en worden eisen gesteld aan de informatievoorziening aan de consument.
Het ontwerpbesluit strekt tot implementatie van de richtlijn. Het ontwerpbesluit regelt enkele onderwerpen zelfstandig en geeft een grondslag om de technische standaarden voor de aanleg van de infrastructuur voor alternatieve brandstoffen en de informatievoorziening aan de consument bij ministeriële regeling te implementeren.
De Afdeling advisering van de Raad van State adviseert het besluit vast te stellen, maar acht aanpassing van artikel 3 van het ontwerpbesluit aangewezen.
1. Implementatie van artikel 4, zevende lid, van de richtlijn
Artikel 3 van het ontwerpbesluit ziet op het gebruik maken van slimme metersystemen bij het opladen aan publiek toegankelijke oplaadpunten. Met artikel 3 van het ontwerpbesluit wordt artikel 4, zevende lid, van de richtlijn geïmplementeerd.
De Afdeling plaatst een tweetal kanttekeningen bij de voorgestelde implementatie.
a. Artikel 4, zevende lid, van de richtlijn luidt: "Bij het opladen aan publiek toegankelijke oplaadpunten voor elektrische voertuigen wordt, voor zover dit technisch haalbaar en financieel gezien redelijk is, gebruik gemaakt van slimme metersystemen, waarbij tevens de in artikel 9, lid 2, van richtlijn 2012/27/EU bedoelde eisen in acht worden genomen". De Afdeling begrijpt dit artikel aldus dat alleen voor zover technisch haalbaar en financieel gezien redelijk, gebruik moet worden gemaakt van slimme metersystemen. Indien gekozen wordt voor het gebruik van slimme metersystemen, dan moeten de in artikel 9, tweede lid, van richtlijn 2012/27/EU bedoelde eisen in acht worden genomen. (zie noot 1)
De gekozen formulering van artikel 3, eerste lid, van het ontwerpbesluit en de toelichting bij dit artikellid gaan er evenwel van uit dat alleen aan de eisen van artikel 9, tweede lid, van richtlijn 2012/27/EU moet worden voldaan, voor zover dit technisch haalbaar en financieel gezien redelijk is. De Afdeling is van oordeel dat artikel 4, zevende lid, daarmee niet correct wordt geïmplementeerd.
Aangezien er met artikel 3, eerste lid, van het ontwerpbesluit voor wordt gekozen om publiek toegankelijke oplaadpunten voor elektrische voertuigen te voorzien van slimme metersystemen, adviseert de Afdeling om in artikel 3, eerste lid, de zinsnede ", voor zover dit technisch haalbaar en financieel redelijk is," te schrappen.
b. Op grond van artikel 9, tweede lid, onder d, van richtlijn 2012/27/EU moeten de meetgegevens inzake de input en output van elektriciteit op verzoek van de eindafnemer beschikbaar worden gesteld aan de eindafnemer. Een eindafnemer is een natuurlijk persoon of rechtspersoon die energie koopt voor eigen eindverbruik. (zie noot 2) Artikel 9, tweede lid, onder d, van richtlijn 2012/27/EU is geïmplementeerd in artikel 3, tweede lid, van het ontwerpbesluit. In artikel 3, tweede lid, van het ontwerpbesluit verstrekt de leverancier de meetgegevens inzake de input en output van elektriciteit op verzoek van de eigenaar of exploitant van een publiek toegankelijk oplaadpunt. Uit de tekst noch uit de toelichting van het ontwerpbesluit wordt duidelijk hoe deze meetgegevens vervolgens beschikbaar worden gesteld aan de eindafnemer. De Afdeling is van oordeel dat artikel 4, zevende lid, daarmee niet correct wordt geïmplementeerd.
De Afdeling adviseert om het artikel 3, tweede lid, van het ontwerpbesluit aan te passen.
2. De Afdeling verwijst naar de bij dit advies behorende redactionele bijlage.
De Afdeling advisering van de Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De vice-president van de Raad van State
Redactionele bijlage bij het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State betreffende no.W14.16.0321/IV
- In Artikel 1, in de definitie van oplaadpunt "elektrisch motorvoertuig" vervangen door: elektrisch voertuig.
Nader rapport (reactie op het advies) van 18 april 2017
1. Implementatie van artikel 4, zevende lid, van de richtlijn
a. Artikel 4, zevende lid, van de richtlijn wordt geïmplementeerd in artikel 3 van het ontwerpbesluit. De Afdeling stelt vast dat bij het opladen aan publiek toegankelijke oplaadpunten voor elektrische voertuigen, alleen voor zover technisch haalbaar en financieel gezien redelijk is, gebruik moet worden gemaakt van slimme metersystemen. In artikel 9, tweede lid, van richtlijn 2012/27/EU zijn de eisen opgenomen waaraan een slimme metersysteem moet voldoen.
De formulering van artikel 3 van het ontwerpbesluit lijkt ruimte te bieden voor de interpretatie dat de beoordeling of het gebruik maken van slimme metersystemen technisch haalbaar en financieel gezien redelijk is alleen voor een deel van de eisen van dat metersysteem geldt. Dit is uiteraard niet de bedoeling. Om die reden is de formulering van artikel 3 van het ontwerpbesluit aangepast. De zinsnede wordt niet geschrapt, zoals de Raad voorstelt, maar overeenkomstig de bedoeling van de richtlijn verplaatst naar voren. Ook is de toelichting aangevuld om een en ander te verduidelijken.
b. In artikel 3, tweede lid, van het ontwerpbesluit is één van de eisen aan een slimme meetinrichting geïmplementeerd, te weten het bepaalde in artikel 9, tweede lid, onder d, van richtlijn 2012/27/EU. Op grond van deze bepaling moeten de meetgegevens inzake de input en output van elektriciteit, in een gemakkelijk te begrijpen vorm die vergelijking van aanbieding op basis van gelijke criteria mogelijk maakt, beschikbaar worden gesteld aan de eindafnemer of aan een derde die namens de eindafnemer optreedt.
De Afdeling verwijst naar de definitie van eindafnemer in artikel 2, drieëntwintigste lid, van richtlijn 2012/27/EU. Uit het oordeel van de Afdeling dat sprake is van niet correcte implementatie, leid ik af dat de Afdeling meent dat degene die met zijn auto komt laden bij de laadpaal gezien moet worden als eindafnemer in de zin van dit artikel. Om de volgende redenen, deel ik deze mening niet.
Een slimme metersysteem in de zin van richtlijn 2012/27/EU (artikel 2, achtentwintigste lid) is een elektronisch systeem dat het energieverbruik kan meten, meer informatie levert dan een traditioneel metersysteem en data kan doorgeven en ontvangen middels een vorm van elektronische communicatie. Een dergelijk metersysteem geeft de afnemer van elektriciteit een beter inzicht in zijn energieverbruik en maakt het mogelijk om de prijzen van verschillende energieleveranciers te vergelijken en op basis daarvan het voor hem meest gunstige leveringscontract te sluiten. Als het om laadpalen gaat, is deze informatie derhalve relevant voor degene die de laadpaal exploiteert en/of eigenaar is van de laadpaal. De eigenaar of exploitant van een laadpaal is namelijk degene die bepaalt met welke energieleverancier(s) hij een contract sluit .
Dit is ook in lijn met de bepalingen in de Elektriciteitswet 1998, waarin het uitgangspunt is dat een slimme metersysteem is gekoppeld aan een aansluiting. Een eigenaar of exploitant van een laadpaal is derhalve een afnemer in de zin van artikel 95a Elektriciteitswet 1998. Op grond van artikel 26ab van de Elektriciteitswet 1998 kan een netbeheerder uitsluitend de meetgegevens van een afnemer als bedoeld in artikel 95a, eerste lid, verzamelen en deze meetgegevens (op grond van het tweede lid) doorgeven aan de energieleverancier van de desbetreffende afnemer. Het begrip eindafnemer van artikel 9, tweede lid, onder d, van de richtlijn ziet derhalve op de exploitant/eigenaar van de laadpaal en niet op de degenen die komen laden. Voor degenen die komen laden is relevant dat zij voorafgaand aan het laden een vergelijking kunnen maken ten aanzien van de prijzen die de verschillende exploitanten van laadpalen hanteren voor het laden van elektriciteit. Hierop ziet artikel 4, tiende lid, van richtlijn 2014/94/EU.
2. Redactionele opmerkingen.
De redactionele opmerking van de Raad is overgenomen.
Ik moge U hierbij, mede namens de minister van Economische Zaken en de minster van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
DE STAATSSECRETARIS VAN INFRASTRUCTUUR EN MILIEU
(1) De eisen uit artikel 9, tweede lid, van richtlijn 2012/27/EU zijn minimumvereisten. Artikel 1, tweede lid, van richtlijn 2012/72/EU van 25 oktober 2012 betreffende energie-efficiëntie, tot wijziging van Richtlijnen 2009/125/EG en 2010/30/EU en houdende intrekking van de Richtlijnen 2004/8/EG en 2006/32/EG (PB L 315)
(2) Artikel 1, drieëntwintigste lid, van richtlijn 2012/27/EU .