Ontwerpbesluit tot aanwijzing van onroerende zaken ter onteigening in de gemeente Midden-Delfland krachtens artikel 78 van de onteigeningswet (onteigeningsplan Harnaschpolder Zuid).
- Kenmerk
- W14.17.0014/IV
- Datum advies
- 24 februari 2017
- Vindplaats
- Staatscourant 2017, nr. 19775
- Infrastructuur en Waterstaat
- Onteigening
Toon inhoud
Ontwerpbesluit tot aanwijzing van onroerende zaken ter onteigening in de gemeente Midden-Delfland krachtens artikel 78 van de onteigeningswet (onteigeningsplan Harnaschpolder Zuid).
Krachtens Koninklijke machtiging heeft de Minister van Infrastructuur en Milieu met een schrijven van 20 januari 2017, no.RWS-2016/54799, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt een voordracht met ontwerpbesluit tot aanwijzing van onroerende zaken ter onteigening in de gemeente Midden-Delfland krachtens artikel 78 van de onteigeningswet (onteigeningsplan Harnaschpolder Zuid).
De Afdeling advisering van de Raad van State adviseert het ontwerpbesluit vast te stellen, maar merkt op dat in het ontwerpbesluit een groot aantal gronden in de zienswijzengeschriften van de reclamanten ten onrechte niet wordt besproken. Daardoor wordt onvoldoende recht gedaan aan de gemotiveerde betogen van reclamanten.
De Afdeling adviseert de bespreking van de zienswijzen in het ontwerpbesluit met inachtneming van de bij dit advies behorende bijlage aan te vullen.
De Afdeling advisering van de Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat aan het vorenstaande aandacht zal zijn geschonken.
De waarnemend vice-president van de Raad van State
Bijlage bij het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State betreffende no.W14.17.0014/IV
- Het betoog van reclamanten 1 dat zij te laat op de hoogte zijn gebracht van het bestemmingsplan waardoor hun plannen nu worden doorkruist (punten 3 t/m 4 van het zienswijzengeschrift) alsnog weergeven en bespreken. Dit betoog bespreken op vergelijkbare wijze als dat is gedaan in de bespreking van zienswijze 1 van reclamanten 6, onder het kopje "Voorgeschiedenis".
- Het betoog van reclamanten 1 dat niet is kortgesloten en dat dit een aanwijzing is dat de onteigening niet toelaatbaar is (punt 5 van het zienswijzengeschrift) alsnog weergeven en bespreken. In de bespreking tot uitdrukking brengen dat de enkele omstandigheid dat niet is kortgesloten, niet maakt dat moet worden getwijfeld aan de toelaatbaarheid van de onteigening.
- Het betoog van reclamanten 1 dat volgens het onder punt 9 van het zienswijzengeschrift genoemde kroonbesluit de financiële uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan en het exploitatieplan in het kader van de onteigeningsprocedure zou moeten worden beoordeeld - alsnog toevoegen aan de weergave van de zienswijze onder het kopje "Bedrijvenschap Harnaschpolder".
- De bespreking van het betoog van reclamanten 1 onder het kopje "Bedrijvenschap Harnaschpolder" schrappen. In de plaats daarvan in de bespreking tot uitdrukking brengen dat volgens bestendige legisprudentie van de Kroon van na het door reclamanten 1 genoemde kroonbesluit de financiële uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan en het exploitatieplan niet ter beoordeling staan in de onteigeningsprocedure.
- Het betoog van reclamanten 1 dat door de aansluiting bij het samenwerkingsverband ‘Businesspark Haaglanden’ ook wordt gehandeld in strijd met de gedragsregels inzake functiescheiding op grond van artikel 25l van de Wet markt en overheid (punt 14 van het zienswijzengeschrift) alsnog toevoegen aan de weergave van de zienswijze onder het kopje "Oneerlijke concurrentie".
- De bespreking van het betoog van reclamanten 1 onder het kopje "Oneerlijke concurrentie" schrappen. In de plaats daarvan eerst overwegen dat het betoog erop neerkomt dat het bestemmingsplan en het exploitatieplan in strijd zijn met de Wet markt en overheid. Vervolgens (wederom) overwegen dat de financiële uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan en het exploitatieplan niet ter beoordeling staan in de onteigeningsprocedure.
- Het betoog van reclamanten 1 dat de exploitatiebegroting van het bestemmingsplan niet sluitend is en ook om die reden onteigening niet noodzakelijk is (punt 16 van het zienswijzengeschrift) alsnog toevoegen aan de weergave van de zienswijze onder het kopje "Noodzaak". In de bespreking onder het kopje "Noodzaak en urgentie" kan wat betreft dit betoog (wederom) worden terugverwezen naar de eerdere overwegingen over de financiële uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan en het exploitatieplan.
- Aan de weergave van het betoog van reclamanten 1 onder het kopje "Urgentie" alsnog toevoegen dat zij ter motivering van hun betoog verwijzen naar gegevens in verschillende documenten (punt 17 van het zienswijzengeschrift).
- Aan de weergave van het betoog van reclamanten 2 en 3 onder de kopjes "Noodzaak en urgentie" alsnog toevoegen dat zij ook aanvoeren dat volgens de consultatieversie van de Aanvullingswet Grondeigendom een urgentietermijn van vier jaar zal gaan gelden. In de bespreking hiervan tot uitdrukking brengen dat de Aanvullingswet Grondeigendom geen geldend recht is.
- In de weergave van het betoog van reclamanten 3 onder het kopje "Planologische grondslag" in de tweede zin de zinsnede "zij het dat…woningbouw" schrappen, nu reclamanten 3 dit niet aanvoert (alleen reclamant 2 voert dit aan).
- Aan de weergave van het betoog van reclamanten 3 onder het kopje "Noodzaak en urgentie" alsnog toevoegen dat de in het bestemmingsplan voorziene ontsluitingen volgens hen ook niet noodzakelijk zijn. In de bespreking hiervan onder het kopje "Noodzaak en urgentie" tot uitdrukking brengen dat dit betoog planologisch van aard is.
- Aan de weergave van het betoog van reclamanten 6 onder het kopje "Publiek belang afwezig" alsnog toevoegen dat zij ter motivering van het betoog dat behoud van hun woning mogelijk is, aanvoeren dat in het vorige bestemmingsplan ook bedrijvigheid in milieucategorie 3.2 was opgenomen en dat voor het perceel Harnaskade 29 de bestemming wonen wel is toegestaan. Vervolgens aan de bespreking van het betoog van reclamanten 6 onder het kopje " Publiek belang" toevoegen dat ook hetgeen zij hierover aanvoeren in de planologische procedure thuishoort. Ten slotte de zinnen vanaf "Op en rondom...bedrijfshallen" tot en met "De overeenkomst….grond" schrappen, nu niet duidelijk is wat dit aan de bespreking toevoegt.
- Aan de weergave van het betoog van reclamanten 6 onder het kopje "Urgentie" alsnog toevoegen dat zij verzoeken om te anticiperen op de in de Aanvullingswet Grondeigendom gehanteerde urgentietermijn van vier jaar. Aan de bespreking onder het kopje "Urgentie" toevoegen dat daartoe, gelet op het voorgaande, geen aanleiding bestaat.
Nader rapport (reactie op het advies) van 17 maart 2017
Het bedrijventerrein Harnaschpolder is in totaal 80 ha groot en daarvan is 42 hectare vrij uitgeefbaar. Het bestemmingsplan heeft betrekking op het zuidelijk deel van de Harnaschpolder en voorziet in de mogelijkheid om grootschalige bedrijven op te richten met name voor de sector transport en logistiek, aangevuld met zakelijke dienstverlening. De ontwikkeling van het bedrijventerrein is al in volle gang. Diverse gronden zijn bouwrijp gemaakt en de hoofdinfrastructuur en waterstructuren zijn inmiddels aangelegd. In 2015 is ruim 8 ha aan gronden in gebruik genomen door enkele bedrijven. Het plangebied bestaat uit twee deelgebieden: Woud-Harnasch en Hoog-Harnasch. De in de onteigening begrepen onroerende zaken liggen in het deelgebied Woud-Harnasch, dat ongeveer 25 ha uitgeefbaar terrein omvat. Daarvan is inmiddels 4 ha aan een nieuw bedrijf verkocht, terwijl andere geïnteresseerde bedrijven nog een optie hebben voor in totaal ca. 15 ha.
De Afdeling geeft U in overweging een besluit te nemen nadat rekening is gehouden met inhoudelijke opmerkingen met betrekking tot het alsnog weergeven van een aantal gronden in de zienswijzen. Deze betreffen met name planologische en financiële aspecten van de zienswijzen alsmede aspecten over de noodzaak en urgentie van de onteigening. De inhoudelijke gronden zijn alsnog in het koninklijk besluit verwerkt.
Ik moge U hierbij het ontwerpbesluit doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
DE MINISTER VAN INFRASTRUCTUUR EN MILIEU