Ontwerpbesluit houdende wijziging van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet in verband met het mogelijk maken van een verhoging van de fosfaatgebruiksnorm bij het treffen van de equivalente maatregel gewasopbrengstafhankelijke fosfaatgebruiksnormen op landbouwgrond met fosfaattoestand neutraal.
- Kenmerk
- W15.16.0187/IV
- Datum advies
- 15 september 2016
- Vindplaats
- Staatscourant
- Economische Zaken en Klimaat
- Algemene maatregel van bestuur
Toon inhoud
Ontwerpbesluit houdende wijziging van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet in verband met het mogelijk maken van een verhoging van de fosfaatgebruiksnorm bij het treffen van de equivalente maatregel gewasopbrengstafhankelijke fosfaatgebruiksnormen op landbouwgrond met fosfaattoestand neutraal.
Bij Kabinetsmissive van 12 juli 2016, no.2016001282, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Economische Zaken, mede namens de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende wijziging van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet in verband met het mogelijk maken van een verhoging van de fosfaatgebruiksnorm bij het treffen van de equivalente maatregel gewasopbrengstafhankelijke fosfaatgebruiksnormen op landbouwgrond met fosfaattoestand neutraal, met nota van toelichting.
Het ontwerpbesluit strekt ertoe een verhoging van de fosfaatgebruiksnorm mogelijk te maken als een bepaalde minimale gewasopbrengst wordt gehaald.
De Afdeling advisering van de Raad van State adviseert het besluit vast te stellen, maar adviseert in de toelichting uiteen te zetten op welke wijze monitoring plaatsvindt van de milieueffecten van de voorgestelde maatregelen.
1. Inleiding
De Meststoffenwet kent een gebruiksnormenstelsel voor meststoffen. (zie noot 1) Daarmee wordt uitvoering gegeven aan de Nitraatrichtlijn en Kaderrichtlijn Water. (zie noot 2) Het stelsel kent een gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen, een stikstofgebruiksnorm en een fosfaatgebruiksnorm.
Het ontwerpbesluit maakt een verhoging van de fosfaatgebruiksnorm mogelijk onder de voorwaarde dat de maatregel ‘hogere gewasopbrengsten op landbouwgronden met fosfaattoestand neutraal’ wordt getroffen. (zie noot 3) Concreet betekent dit dat een landbouwer meer fosfaat in de grond mag brengen als hij een bepaalde minimale gewasopbrengst haalt. Dit geldt dan alleen voor gronden met ‘fosfaattoestand neutraal’ en voor bepaalde gewassen met een hoge fosfaatopname. Tegelijkertijd met het ontwerpbesluit is een wijziging van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet in voorbereiding waarmee vergelijkbare verhogingen van de stikstofgebruiksnorm en de fosfaatgebruiksnorm (voor gronden met ‘fosfaattoestand laag’) mogelijk worden gemaakt.
2. Equivalentie en monitoring
Met het pakket aan maatregelen wordt invulling gegeven aan de voornemens hieromtrent in het vijfde Nederlandse Actieprogramma betreffende de Nitraatrichtlijn (2014-2017) (hierna: 5e AP). In de toelichting bij het ontwerpbesluit is uiteengezet dat is voldaan aan de voorwaarden die in het 5e AP aan de maatregelen zijn gesteld, namelijk dat de maatregelen in hun effect wetenschappelijk onderbouwd moeten zijn en tenminste equivalent aan het effect van de generieke maatregelen (oftewel: geen negatieve milieueffecten hebben), en dat is voorzien in een adequate borging. (zie noot 4)
Uit de antwoorden van de Staatssecretaris van Economische Zaken op Kamervragen blijkt dat de Europese Commissie heeft gevraagd om een goede monitoring van de milieueffecten van de voorgenomen equivalente maatregelen. (zie noot 5) In de toelichting bij het ontwerpbesluit is echter niet op monitoring ingegaan. De Afdeling wijst er op dat het voor de aanvaardbaarheid van de voorgestelde maatregelen in het licht van het 5e AP van doorslaggevend belang is, dat kan worden aangetoond dat deze in de praktijk en op de langere termijn in hun milieueffect daadwerkelijk equivalent zijn aan de generieke gebruiksnormen. Dat is eveneens van belang met het oog op de besluitvorming over het zesde Nederlandse actieprogramma Nitraatrichtlijn.
De Afdeling adviseert in de toelichting uiteen te zetten op welke wijze monitoring van de milieueffecten van de maatregelen zal plaatsvinden.
3. De Afdeling verwijst naar de bij dit advies behorende redactionele bijlage.
De Afdeling advisering van de Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat aan het vorenstaande aandacht zal zijn geschonken.
De vice-president van de Raad van State
Redactionele bijlage bij het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State betreffende no.W15.16.0187/IV
- In artikel I, onderdeel A, in het voorgestelde artikel 21aa, tweede lid, onder d, "stikstofgebruiksnorm" vervangen door: fosfaatgebruiksnorm.
Nader rapport (reactie op het advies) van 5 april 2017
De Afdeling advisering van de Raad van State (hierna: Afdeling) wijst erop dat de Europese Commissie heeft gevraagd om een goede monitoring van de milieueffecten van de voorgenomen equivalente maatregelen. In de toelichting is evenwel niet op de monitoring van de effecten ingegaan. De Afdeling wijst erop dat het voor de aanvaardbaarheid van de voorgestelde maatregelen in het licht van het vijfde Nederlandse actieprogramma Nitraatrichtlijn van doorslaggevend belang is dat kan worden aangetoond dat deze maatregel in de praktijk en op de langere termijn in hun milieueffect daadwerkelijk equivalent is aan de generieke gebruiksnorm. Dat is eveneens van belang met het oog op de besluitvorming over het zesde Nederlandse actieprogramma Nitraatrichtlijn, aldus de Afdeling.
Mede naar aanleiding van het advies van de Afdeling is in de nota van toelichting toegelicht op welke wijze de milieueffecten van de equivalente maatregel gemonitord zal worden. Tevens is landbouwers de verplichting opgelegd medewerking te verlenen aan de monitoring van de milieueffecten. Op die manier kan inderdaad worden nagegaan of de maatregel in de praktijk daadwerkelijk equivalent is aan de generieke gebruiksnorm.
In het ontwerpbesluit en de nota van toelichting zijn, naast de wijzigingen waartoe het advies van de Afdeling aanleiding geeft, enkele kleine wijzigingen en aanvullingen aangebracht. Zo zijn de bepalingen die het mogelijk maakten in 2016 gebruik te maken van dit besluit aangepast. Ook is een bepaling (artikel 78a) opgenomen die het mogelijk maakt artikel 21aa en Bijlage III te laten vervallen op een bij Koninklijk Besluit te bepalen tijdstip. Dit hangt samen met het feit dat in het kader van het zesde Nederlandse actieprogramma zal worden bezien of deze maatregelen een vervolg zullen krijgen, al dan niet in aangepaste vorm.
Ik moge U hierbij, handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Staatssecretaris van Economische Zaken
(1) Hoofdstuk III van de Meststoffenwet. Het stelsel is verder uitgewerkt in hoofdstuk IV van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet en hoofdstuk III van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet.
(2) Richtlijn nr. 91/676/EEG van de Raad van 12 december 1991 inzake bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen (PB 1991, L 375) en Richtlijn nr. 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PB 2000, L 327).
(3) Het voorgestelde artikel 21aa van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet.
(4) De wetenschappelijke onderbouwing van de equivalentie van de maatregelen wordt gevonden in een onderzoeksrapport van Wageningen UR; J.J. Schröder, J.J. de Haan, J.R. van der Schoot; Meststofgebruiksruimte in relatie tot opbrengstniveaus, mestsoort en rijenbemesting, Verkenning van equivalente maatregelen met het WOG 2.0 rekenmodel; februari 2015.
(5) Aanhangsel Handelingen II 2015/16, nr. 1914, blz. 2.