Ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap met het oog op het vaststellen van de elementen die betrokken worden bij de belangenafweging inzake een besluit omtrent intrekking van het Nederlanderschap, met nota van toelichting.
- Kenmerk
- W03.16.0337/II/K
- Datum advies
- 18 november 2016
- Vindplaats
- Staatscourant
- Justitie en Veiligheid
- Algemene maatregel van bestuur
Toon inhoud
Ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap met het oog op het vaststellen van de elementen die betrokken worden bij de belangenafweging inzake een besluit omtrent intrekking van het Nederlanderschap, met nota van toelichting.
Bij Kabinetsmissive van 20 oktober 2016, no.2016001821, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Veiligheid en Justitie, bij de Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap met het oog op het vaststellen van de elementen die betrokken worden bij de belangenafweging inzake een besluit omtrent intrekking van het Nederlanderschap, met nota van toelichting.
Het ontwerpbesluit wijzigt het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap (BvvN) en bevat bepalingen over de procedure die moet worden gevolgd bij de intrekking van het Nederlanderschap. In het bijzonder geeft het ontwerpbesluit een nadere invulling aan de belangenafweging die moet plaatsvinden bij een besluit over de intrekking van het Nederlanderschap, onder meer omdat de betrokkene vrijwillig in vreemde krijgsdienst is getreden of indien dit in het belang van de nationale veiligheid is.
De Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk merkt op dat, evenals bij de overige gronden voor intrekking van het Nederlanderschap, het besluit tot intrekking in het belang van de nationale veiligheid vooraf zou moeten worden gegaan door een voornemen daartoe. Verder dient te worden toegelicht waarom de eventuele minderjarigheid van de betrokkene niet expliciet is opgenomen in het ontwerpbesluit als element dat wordt meegewogen bij het besluit tot intrekking van het Nederlanderschap bij vreemde krijgsdienst. Tot slot merkt de Afdeling op dat een aantal in de toelichting bij het ontwerpbesluit als 'technische wijziging' aangeduide wijzigingen geen zodanige wijzigingen zijn. Deze behoeven een inhoudelijke toelichting.
1. Voornemensprocedure
Het voorstel tot wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap in verband met het intrekken van het Nederlanderschap in het belang van de nationale veiligheid (het wetsvoorstel) introduceert de mogelijkheid om het Nederlanderschap in te trekken van een persoon die vrijwillig in vreemde krijgsdienst is getreden of, in het belang van de nationale veiligheid, van een persoon die zich heeft aangesloten bij een terroristische organisatie. (zie noot 1) Hoe de intrekkingsprocedure in die gevallen verloopt, wordt nader uitgewerkt in het BvvN. In lijn met de procedure voor de reeds bestaande intrekkingsgronden, regelt het ontwerpbesluit dat voor intrekking wegens het treden in vreemde krijgsdienst een voornemensprocedure moet worden gevolgd. (zie noot 2) Van het voornemen tot intrekking van het Nederlanderschap moet aan de rechtstreeks betrokkene schriftelijk mededeling worden gedaan en deze heeft gelegenheid om daartegen bedenkingen in te brengen, alvorens een besluit over de intrekking wordt genomen. De voornemensprocedure wordt niet van toepassing verklaard op de intrekking in het belang van de nationale veiligheid. Een toelichting voor dit procedurele onderscheid ontbreekt.
Voor zover voornoemd onderscheid zou zijn gelegen in de omstandigheid dat voor intrekking in het belang van de nationale veiligheid vereist is dat de betrokkene zich buiten het Koninkrijk bevindt, merkt de Afdeling op dat ook bij intrekking bij vreemde krijgsdienst de betrokkene zich doorgaans buiten het Koninkrijk bevindt. (zie noot 3) Ook dan zal bekendmaking van het voornemen door toezending of uitreiking in persoon dus meestal niet mogelijk zijn. De mogelijkheden voor bekendmaking die het BvvN voor die gevallen biedt, zijn evenzeer bruikbaar in de situatie dat het Nederlanderschap wordt ingetrokken in het belang van de nationale veiligheid. (zie noot 4)
In het geval van intrekking van het Nederlanderschap in het belang van de nationale veiligheid is het kunnen inbrengen van bedenkingen tegen het voornemen daartoe te meer relevant, nu die intrekking steeds gepaard gaat met een ongewenstverklaring. (zie noot 5) De Afdeling wijst erop dat het daadwerkelijke besluit tot intrekking van het Nederlanderschap in het belang van de nationale veiligheid ook niet door toezending of uitreiking bekend wordt gemaakt, maar door plaatsing in een officieel publicatieblad. (zie noot 6)
De Afdeling adviseert de voornemensprocedure ook te doen gelden voor de intrekking van het Nederlanderschap in het belang van de nationale veiligheid en het ontwerpbesluit aldus aan te passen.
2. Minderjarigheid
In het advies over het wetsvoorstel heeft de Afdeling over zowel de intrekking van het Nederlanderschap in het belang van de nationale veiligheid als de intrekking bij vreemde krijgsdienst opgemerkt dat bij de afweging die bij de toepassing van de bevoegdheid tot intrekking wordt gemaakt, de eventuele minderjarigheid van de betrokkene een relevante factor moet zijn. (zie noot 7)
In het aan de Afdeling voorgelegde wetsvoorstel werd voor beide intrekkingsgronden geen onderscheid gemaakt tussen minderjarigen en meerderjarigen. Het aan de Eerste Kamer voorgelegde gewijzigde wetsvoorstel voorziet voor deze intrekkingsgronden in een minimumleeftijd van zestien jaar. (zie noot 8) Terwijl voor de intrekking in het belang van de nationale veiligheid daarnaast nog uitdrukkelijk is bepaald dat bij de belangenafweging rekening moet worden gehouden met de eventuele minderjarigheid van de betrokkene, is een vergelijkbare bepaling niet opgenomen voor intrekking bij vreemde krijgsdienst. (zie noot 9)
De Afdeling adviseert ook in het geval van intrekking van het Nederlanderschap bij vreemde krijgsdienst expliciet te bepalen dat bij de belangenafweging rekening moet worden gehouden met de eventuele minderjarigheid van de betrokkene en het ontwerpbesluit aldus aan te passen.
3. Technische wijzigingen
De artikelsgewijze toelichting bij het ontwerpbesluit vermeldt bij verschillende onderdelen van artikel I dat het gaat om technische wijzigingen, terwijl deze niet als zodanig kunnen worden aangemerkt. De Afdeling wijst op de onderdelen A (alsmede onderdeel D dat aansluit bij onderdeel A) en B. Onderdeel A breidt de in artikel 66, eerste lid, van het BvvN opgenomen verplichting van de minister om de rechtstreeks betrokken persoon schriftelijk op de hoogte te stellen van het voornemen tot intrekking van het Nederlanderschap uit naar intrekking bij vreemde krijgsdienst. Met onderdeel B wordt aan artikel 68, eerste lid, van het BvvN een nieuw element toegevoegd waarmee in de belangenafweging bij het besluit tot intrekking van het na bedrog verkregen Nederlanderschap rekening moet worden gehouden. Dit nieuwe element betreft de gevolgen van het verlies van Unieburgerschap, indien dit ten gevolge van de intrekking van het Nederlanderschap optreedt.
Voorts wijst de Afdeling op de eerste wijziging bij onderdeel E die bewerkstelligt dat ook voor de nieuwe intrekkingsgronden een afschrift van een besluit tot intrekking wordt verzonden aan de autoriteit die verantwoordelijk is voor het bijhouden van de basisadministratie of aan de minister van Buitenlandse Zaken. Ook deze wijziging kan niet als uitsluitend technisch worden aangemerkt.
De Afdeling adviseert de voornoemde wijzigingen van het BvvN alsnog van een inhoudelijke toelichting te voorzien.
4. De Afdeling verwijst naar de bij dit advies behorende redactionele bijlage.
De Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De vice-president van de Raad van State van het Koninkrijk
Redactionele bijlage bij het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk betreffende no.W03.16.0337/II
- Onder verwijdering van de aanduiding '1.' voor het eerste lid van artikel 68 van het BvvN en onder plaatsing van de aanduiding '1.' voor artikel 69, het tweede lid van artikel 68 verplaatsen naar artikel 69. Door het invoegen van de artikelen 68a-68c in het BvvN, ligt de in het ontwerpbesluit voorgestelde plaats van het tweede lid van artikel 68 minder voor de hand.
- In artikel 70, vierde lid, van het BvvN tot uiting brengen dat in de Stolen and Lost Travel Documents database geen personen, maar documenten worden geregistreerd.
Nader rapport (reactie op het advies) van 31 januari 2017
1. Voornemenprocedure
Het advies van de Raad van State om de voornemenprocedure ook te doen gelden voor de intrekking van het Nederlanderschap in het belang van de nationale veiligheid, is niet gevolgd omdat het met de beschikking beoogde doel slechts kan worden bereikt indien de belanghebbende daarvan niet reeds tevoren in kennis is gesteld. Daarom waarborgt de Rijkswet op het Nederlanderschap dat een besluit tot intrekking van het Nederlanderschap altijd na vier weken aan de bestuursrechter wordt voorgelegd, ook als de belanghebbende zelf geen beroep instelt.
2. Minderjarigheid
Het advies om minderjarigheid toe te voegen aan artikel 68b is gevolgd.
3. Technische wijzigingen
Conform advies is artikel I, onderdelen A, B, D en E, onder 1, toegelicht.
4. De redactionele opmerkingen zijn overgenomen.
Ik moge U hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Minister van Veiligheid en Justitie
(1) Zie artikel I, onderdeel B, van het gewijzigd voorstel van Rijkswet tot wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap in verband met het intrekken van het Nederlanderschap in het belang van de nationale veiligheid, waarmee deze intrekkingsgronden als leden 3 en 4 van artikel 14 worden ingevoegd (Kamerstukken I, 2015/16, 34 356 (R2064), A). Thans leidt het vrijwillig in vreemde krijgsdienst treden tot het verlies van het Nederlanderschap van rechtswege (artikel 15, eerste lid, onder e, van de RWN).
(2) Zie artikel I, onderdelen A en D, van het ontwerpbesluit.
(3) Zie Kamerstukken II 2015/16, 34 356 (R2064), nr. 4, blz. 18.
(4) Zo kan het voornemen worden verzonden aan het laatst bekende adres in het Koninkrijk of aan zijn laatst bekende adres in het buitenland. Ook kan het voornemen in de lokale bladen van de vermoedelijke verblijfplaats of in de daarvoor bestemde officiële publicatiebladen - die ook online beschikbaar zijn - worden gepubliceerd. Zie artikel 66, tweede en vierde lid, van het BvvN.
(5) Zie Kamerstukken II 2015/16, 34 356 (R2064), nr. 3, blz. 7.
(6) Zie Kamerstukken II 2015/16, 34 356 (R2064), nr. 3, blz. 9.
(7) Kamerstukken II 2015/16, 34 356 (R2064), nr. 4, blz. 10-11 en 17.
(8) Kamerstukken I 2015/16, 34 356 (R2064), A.
(9) Conform artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind.