Ontwerpbesluit middelenonderzoek bij geweldplegers.
- Kenmerk
- W03.16.0043/II
- Datum advies
- 4 mei 2016
- Vindplaats
- Staatscourant 2016, nr. 67890
- Justitie en Veiligheid
- Algemene maatregel van bestuur
Toon inhoud
Ontwerpbesluit houdende regels over de uitvoering van de onderzoeken die ter vaststelling van het gebruik van geweldbevorderende middelen bij geweldplegers kunnen worden ingezet, alsmede de aanwijzing van de geweldsmisdrijven waarvoor die onderzoeken kunnen worden ingezet en de aanwijzing van andere middelen dan alcohol die gewelddadig gedrag kunnen bevorderen en de grenswaarden voor die middelen en alcohol (Besluit middelenonderzoek bij geweldplegers).
Bij Kabinetsmissive van 7 maart 2016, no.2016000387, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Veiligheid en Justitie, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende regels over de uitvoering van de onderzoeken die ter vaststelling van het gebruik van geweldbevorderende middelen bij geweldplegers kunnen worden ingezet, alsmede de aanwijzing van de geweldsmisdrijven waarvoor die onderzoeken kunnen worden ingezet en de aanwijzing van andere middelen dan alcohol die gewelddadig gedrag kunnen bevorderen en de grenswaarden voor die middelen en alcohol (Besluit middelenonderzoek bij geweldplegers), met nota van toelichting.
Het besluit is een uitwerking van de bepalingen die in de wet zijn voorzien met de wijziging van het Wetboek van Strafvordering (Sv) in verband met het terugdringen van geweld onder invloed van middelen. (zie noot 1)
De Afdeling advisering van de Raad van State adviseert het besluit vast te stellen, maar acht op onderdelen een dragende motivering of aanpassing van het ontwerpbesluit aangewezen. Het betreft de reikwijdte van het voorstel, in het bijzonder de misdrijven waarbij het middelenonderzoek kan worden toegepast, en het niet documenteren van een negatief resultaat van het voorlopig onderzoek.
1. Misdrijven waarbij middelenonderzoek kan worden toegepast
Op grond van het voorgestelde artikel 55d, eerste lid, Sv kan middelenonderzoek worden toegepast bij "een geweldsmisdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten en dat bij algemene maatregel van bestuur is aangewezen of (..) een misdrijf als bedoeld in de artikelen 307, eerste lid, en 308, eerste en tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr)". (zie noot 2)
In het ontwerpbesluit wordt voormelde grondslag nader uitgewerkt in artikel 2, dat een opsomming van een aantal misdrijven omvat. Volgens de nota van toelichting bij dit artikel gaat het hier alleen om geweldsmisdrijven die gelet op de aard van de zaken waarop zij betrekking hebben geweldsmisdrijven zijn die onder invloed van alcohol of drugs kunnen worden gepleegd en in het kader waarvan de inzet van een middelenonderzoek relevant kan zijn.
a. Misdrijven buiten criterium/doel van de wet
De Afdeling merkt op dat het begrip "geweldsmisdrijf" zoals opgenomen in het voorgestelde artikel 55d van de wet, als zodanig niet is gedefinieerd. (zie noot 3) Het betreft geen vastomlijnd criterium in het kader van de strafvordering. Mede hierdoor is niet altijd evident of en waarom een in het ontwerpbesluit aangewezen misdrijf onder het begrip ‘geweldsmisdrijf’ valt.
Niet in discussie is dat een aantal van de in artikel 2 van het ontwerpbesluit genoemde misdrijven, zoals mishandeling, doodslag en verkrachting, binnen dit begrip passen. Van een aantal in het ontwerpbesluit genoemde misdrijven kan dat echter betwijfeld worden. Het gaat dan bijvoorbeeld om de artikelen 9 en 26 van de Wet wapens en munitie (Wwm). Artikel 9 van de Wwm ziet op onder meer het zonder erkenning vervaardigen, verhuren of verhandelen van een wapen of munitie. Artikel 26 Wwm betreft het voorhanden hebben van bepaalde wapens of munitie. De gedragingen in deze bepalingen zien in zichzelf niet op het gebruik van geweld of het dreigen daarmee. (zie noot 4)
Een ander voorbeeld is artikel 131 Sr (opruiing). (zie noot 5) In de nota naar aanleiding van het verslag bij het wetsvoorstel is gesteld dat verbale uitingen op zichzelf ook een vorm van geweld kunnen zijn en kunnen hebben bijgedragen aan het fysieke geweld. (zie noot 6) Naar het oordeel van de Afdeling brengt dit nog niet met zich, nog los van de hierna onder punt b te bespreken afweging, dat opruiing een gangbare invulling van het begrip "geweldsmisdrijf" vormt. (zie noot 7)
De Afdeling adviseert toe te lichten hoe het begrip ‘geweldsmisdrijf’ is gehanteerd bij de in het ontwerpbesluit opgenomen misdrijven, in dat licht dragend te motiveren waarom misdrijven zoals de hiervoor genoemde binnen de termen van het begrip ‘geweldsmisdrijf vallen en zonodig het ontwerpbesluit aan te passen.
b. Inmenging in grondrechten
Vast staat dat het middelenonderzoek een inmenging vormt in het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en de lichamelijke integriteit. (zie noot 8) Deze inmenging in genoemde grondrechten kan gerechtvaardigd zijn als onder meer wordt voldaan aan de eisen van noodzakelijkheid en proportionaliteit.
In het wetsvoorstel zoals dat bij de Tweede Kamer is ingediend, werd middelenonderzoek alleen mogelijk gemaakt bij misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. (zie noot 9) Volgens de toelichting daarbij werd met het terugdringen van middelengerelateerd geweld beoogd de veiligheid in het openbare leven en in de huiselijke kring te vergroten. De ernst van het geweld, de grotere kans op zwaar letsel bij het slachtoffer en de hoge recidive bevestigen het belang hiervan, aldus de toelichting bij dat voorstel. (zie noot 10) Gelet hierop bestond volgens de regering een dringende maatschappelijke noodzaak en werd de inmenging in de persoonlijke levenssfeer en de lichamelijke integriteit aanvaardbaar geacht.
Gedurende de behandeling door de Tweede Kamer is de grondslag voor de toepasselijkheid van het middelenonderzoek uitgebreid, waarmee beoogd werd middelenonderzoek niet alleen bij geweld jegens personen mogelijk te maken maar ook bij misdrijven ten aanzien van geweld tegen dieren en objecten. (zie noot 11)
De Afdeling merkt op dat in de toelichting bij het ontwerpbesluit niet wordt ingegaan op de maatschappelijke noodzaak van het opnemen van de misdrijven die in het oorspronkelijke wetsvoorstel niet binnen de reikwijdte van de wettelijke grondslag vielen. Of een met het oog op de maatschappelijke noodzaak juiste afweging is gemaakt tussen het nagestreefde doel en de wijze waarop de inmenging in de persoonlijke levenssfeer en de lichamelijke integriteit plaatsvindt, is echter essentieel voor de beoordeling van de rechtvaardiging van die inmenging. Dit temeer omdat het in het voorstel niet gaat om bewijs van daderschap maar alleen om het vaststellen van een mogelijk strafverzwarende omstandigheid.
In de nota naar aanleiding van het verslag bij het wetsvoorstel is alleen geconstateerd dat middelengebruik een rol kan spelen bij vernieling van goederen of het doden van dieren als bedoeld in artikel 350 Sr. (zie noot 12) Daarmee is echter niet gemotiveerd dat het uitvoeren van het middelenonderzoek, gelet op de inmenging op de persoonlijke levenssfeer en de lichamelijke integriteit van de verdachte, met het doel van de wet kan worden gerechtvaardigd bij alle misdrijven die in artikel 2 van het ontwerpbesluit aan de orde zijn. (zie noot 13) Zoals hiervoor is aangegeven is dit voor een aantal van de genoemde misdrijven, zoals mishandeling, doodslag en verkrachting, wel gemotiveerd, namelijk in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel. Voor diverse andere misdrijven is dit evenwel niet gemotiveerd, bijvoorbeeld aan de hand van de ernst van het geweld, de grotere kans op zwaar letsel en de hoge recidive. Misdrijven waarbij de afweging niet inzichtelijk is gemaakt, zijn bijvoorbeeld bedreiging van getuigen, (zie noot 14) koppelarij, (zie noot 15) vernieling van een werk tot waterkering, (zie noot 16) en het doen verongelukken van luchtvaartuigen. (zie noot 17) Dit geldt ook voor de misdrijven genoemd in Boek II en III van Titel I van het Wetboek van Strafrecht, zoals het plegen van een aanslag tegen de koning, (zie noot 18) het door geweld uiteenjagen van de ministerraad, (zie noot 19) en het aanranden van een bevriend staatshoofd (zie noot 20) alsmede Boek II van Titel IV, zoals het door geweld uiteen jagen van de vergadering van de staten van een provincie. (zie noot 21) De Afdeling acht het aangewezen de dringende maatschappelijke noodzaak van het middelenonderzoek toe te lichten bij de misdrijven zoals genoemd in het licht van het doel van het voorstel, namelijk met het terugdringen van middelengerelateerd geweld de veiligheid in het openbare leven en in huiselijke kring te vergroten.
De Afdeling adviseert de in het ontwerpbesluit opgenomen misdrijven met het oog op de inmenging in grondrechten dragend te motiveren en indien die motivering niet kan worden gegeven het ontwerpbesluit aan te passen.
2. Niet documenteren negatief resultaat voorlopig onderzoek
Op grond van het ontwerpbesluit wordt een negatief resultaat van het voorlopig onderzoek niet bij proces-verbaal vastgelegd. (zie noot 22) De toelichting stelt, in reactie op opmerkingen van de NOvA en de NVvR hierover, dat dit niet nodig is omdat met een dergelijk resultaat geen rekening hoeft te worden gehouden bij de afdoeningsbeslissing en het opnemen overbodige administratieve lastenverzwaring tot gevolg heeft. (zie noot 23)
Niet goed in te zien valt waarom een positief resultaat wel en een negatief resultaat niet kenbaar wordt gemaakt. In de toelichting bij het wetsvoorstel is gesteld dat het middelenonderzoek een meerwaarde heeft om discussie op de zitting over de vraag of en zo ja hoeveel middelen een verdachte heeft gebruikt te voorkomen. (zie noot 24) Zoals uit de wetsgeschiedenis en de nota van toelichting blijkt, laten de voorziene bepalingen in de wet en het ontwerpbesluit de ruimte voor de rechter onverlet om het middelengebruik tijdens de terechtzitting ter sprake te brengen, ook al ligt dat gebruik lager dan de ondergrenzen. (zie noot 25) Het valt niet goed in te zien waarom de informatie over een negatief resultaat van het voorlopig onderzoek dan niet relevant kan zijn. Dit temeer als uit het voorlopig onderzoek zou blijken dat in het geheel geen middelen zijn gebruikt.
De Afdeling adviseert het niet vermelden van een negatief resultaat van het voorlopig onderzoek dragend te motiveren en zo nodig het ontwerpbesluit aan te passen.
3. De Afdeling verwijst naar de bij dit advies behorende redactionele bijlage.
De Afdeling advisering van de Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De waarnemend vice-president van de Raad van State
Redactionele bijlage bij het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State betreffende no.W03.16.0043/II
- In artikel 13, derde lid, "drugs," vervangen door: middelen.
Nader rapport (reactie op het advies) van 16 november 2016
1. Overeenkomstig het advies van de Afdeling is in de nota van toelichting, in de toelichting op artikel 2, uiteengezet hoe het begrip "geweldsmisdrijf" in het kader van het ontwerpbesluit is gehanteerd en dragend gemotiveerd waarom ervoor gekozen is om misdrijven die in het spraakgebruik geen gangbaar geweldsmisdrijf zijn, zoals de misdrijven als omschreven in artikelen 131 en 160 van het Wetboek van Strafrecht (Sr), onder dat begrip te laten vallen. Verder heeft het advies van de Afdeling ertoe geleid dat de misdrijven, zoals omschreven in de artikelen 9, eerste lid, en 26, eerste lid, juncto 55, derde, vierde of vijfde lid, van de Wet wapens en munitie in de opsomming van geweldsmisdrijven zijn komen te vervallen. Wapenbezit is op zichzelf geen gewelddadige gedraging en daarom gaat het aanwijzen van deze misdrijven bij nader inzien het bereik van de term "geweldsmisdrijf" te buiten.
2. Het advies van de Afdeling om de in artikel 2 van het ontwerpbesluit opgenomen misdrijven met het oog op de inmenging in grondrechten dragend te motiveren, is in de toelichting op dat artikel verwerkt. In aanvulling daarop neem ik graag het vermoedelijke misverstand bij de Afdeling weg dat een deel van die misdrijven niet zou zijn aangewezen als de reikwijdte van het wetsvoorstel beperkt zou zijn gebleven tot verdachten wegens misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Ook als bij de aanwijzing van de misdrijven in artikel 2 van het ontwerpbesluit van dat criterium zou zijn uitgegaan, zou een groot deel van de misdrijven die in artikel 2 zijn genoemd en waarvan de Afdeling vraagt om de noodzaak daarvan te motiveren omdat zij volgens haar buiten de reikwijdte van dat criterium zouden vallen, wel daaronder vallen. Het gaat hier bijvoorbeeld om het plegen van een aanslag tegen de koning (artikel 92 Sr) en het door geweld uiteenjagen van de ministerraad (artikel 95a Sr). Deze misdrijven zijn deels te beschouwen als bijzondere vormen van misdrijven tegen het leven gericht of mishandeling. Ook misdrijven als vernieling van een werk tot waterkering (artikel 160 Sr) en het doen verongelukken van luchtvaartuigen (artikel 162a Sr) zouden bij handhaving van het oorspronkelijke criterium in artikel 2 zijn aangewezen. Bij die misdrijven gaat het immers niet alleen om gevaar voor een goed, maar tevens om gevaar tegen personen. Vandaar ook dat de titel waarvan zij in het Wetboek van Strafrecht onderdeel uitmaken, aangeduid wordt als "Misdrijven waardoor de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar wordt gebracht".
3. Het advies van de Afdeling om dragend te motiveren waarom een positief resultaat van een voorlopig onderzoek wel en een negatief resultaat niet in het proces-verbaal kenbaar dient te worden gemaakt, heeft ertoe geleid dat de artikelen 6, 8 en 10 van het ontwerpbesluit zijn aangepast. Als gevolg daarvan zal ook een negatief resultaat van een voorlopig onderzoek in het proces-verbaal moeten worden vastgelegd. Weliswaar hoeft met een negatief resultaat geen rekening te worden gehouden bij de afdoeningsbeslissing, omdat in dat geval niet is aangetoond dat de geweldpleger onder zodanige invloed van alcohol of drugs verkeerde dat dat van invloed kan zijn geweest op het plegen van het geweldsmisdrijf waarvan hij wordt verdacht, maar heeft het vermelden van dat resultaat wel het voordeel dat voor de officier van justitie direct zonneklaar is dat het onderzoek heeft plaatsgevonden en wat het resultaat daarvan is zodat hij er bij het formuleren van zijn strafeis rekening mee kan houden en er bovendien later geen discussie over in de rechtszaal kan ontstaan. Het vermelden van het negatieve resultaat in het proces-verbaal levert voor de politie wel een administratieve lastenverzwaring op, maar die is bij nader inzien niet dusdanig zwaar dat om die reden daarvan moet worden afgezien. In de artikelen 6, 8 en 10 was al de verplichting opgenomen om in het proces-verbaal gewag te maken van een positief resultaat van een voorlopig onderzoek. Daar komt nu de plicht bij het onderzoeksresultaat ook te melden indien het negatief is. De toelichting op artikel 6 is met deze aanpassing in overeenstemming gebracht.
Het vorenstaande heeft ertoe geleid dat in artikel 12, eerste lid, eveneens de verplichting is opgenomen om het resultaat van een nader ademonderzoek in het proces-verbaal te noemen, ongeacht of dit resultaat positief of negatief is.
4. De redactionele kanttekening van de Afdeling advisering heb ik
overgenomen en is in artikel 13, derde lid, verwerkt.
5. Tot slot is van de gelegenheid gebruikgemaakt om nog een aantal wijzigingen in het ontwerpbesluit aan te brengen. De eerste wijziging betreft het aanpassen van de grenswaarde voor alcoholgebruik in artikel 4, eerste lid. De aanleiding daarvoor is dat de expertgroep die in 2013 over de hoogte van die grenswaarde advies heeft uitgebracht, in een vervolgadvies van april 2016 heeft vastgesteld dat uit recent literatuuronderzoek dat het consortium van het Academisch Medisch Centrum, de Universiteit Maastricht en de Radboud Universiteit Nijmegen heeft uitgevoerd, blijkt dat de grens waarbij alcohol geweld in de hand werkt, bij een alcoholpromillage van 0,8 mg/ml ligt in plaats van 1,0 mg/ml (zie Kamerstukken I 2015/16, 33 799, nr. E, blz. 3). Dat heeft ertoe geleid dat het alcoholpromillage in artikel 4, eerste lid, met die bevinding in overeenstemming is gebracht.
De tweede wijziging betreft het laten vervallen van de regel in artikel 13, vierde lid, dat de hoogte van de vergoeding van de arts of de verpleegkundige voor de bloedafname bij ministeriële regeling wordt vastgesteld. De reden daarvoor is dat de hoogte van die vergoeding onderdeel is van het aanbestedingstraject van de politie over de beschikbaarheid en bereikbaarheid van artsen en verpleegkundigen voor het afnemen van bloed van verdachten. Verder zijn in het ontwerpbesluit nog een aantal andere technische en ook taalkundige wijzigingen aangebracht. Een voorbeeld hiervan is de wijziging in artikel 15, tweede lid, op grond waarvan Nederlandse laboratoria evenals buitenlandse laboratoria volgens een vergelijkbare norm als de NEN-EN ISO/IEC 17025 geaccrediteerd mogen zijn, bijvoorbeeld volgens de ISO 15189 die geldt voor de accreditatie van medische laboratoria.
De Minister van Veiligheid en Justitie
(1) Het besluit is gebaseerd op de voorgestelde artikelen 55d, eerste en vierde lid, en 55e, vijfde lid, Sv.
(2) Kamerstukken I 2015/16, 33 799, A.
(3) Het CBS definieert geweldsmisdrijven als misdrijven, omschreven in artikel 242 t/m 250, 285, 287 t/m 291, 293, 294, 296, 300 t/m 304b, 306 t/m 309, 312 en 317 Wetboek van Strafrecht. Het betreft alle seksuele misdrijven, waaronder verkrachting, aanranding en ontucht. Daarnaast gaat het om levensdelicten, zoals moord en doodslag, hulp bij zelfdoding, euthanasie en abortus. Ook dood en lichamelijk letsel door schuld, bedreiging, mishandeling, diefstal met geweld en afpersing horen bij deze categorie. Schennis der eerbaarheid (art. 239 Wetboek van Strafrecht) valt in de categorie vernieling en openbare orde.
https://www.cbs.nl/nl-nl/onze-diensten/methoden/classificaties/toelichting-bij-de-standaardclassificatie-misdrijven-cbs-1993
Het schadefonds geweldsmisdrijven gaat uit van ‘een misdrijf waarbij opzettelijk geweld is gebruikt of hiermee is gedreigd’.
https://schadefonds.nl/aanvraag-indienen/ik-ben-slachtoffer/onze-criteria-slachtoffer
(4) Vergelijk ook het advies van de Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA) en de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak (NVvR).
(5) Artikel 131, eerste lid, Sr luidt: "Hij die in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, tot enig strafbaar feit of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag opruit, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren of geldboete van de vierde categorie.".
(6) Kamerstukken II 2014/15, 33 799, nr. 6, blz. 17.
(7) Zie noot 3.
(8) Zoals gewaarborgd in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Op grond van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden dient een beperking van het recht op eerbiediging van het privéleven te voldoen aan onder meer de eisen van noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit. Voor zover sprake is van uitvoering van Unierecht, is het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van toepassing (artikelen 3 en 7).
(9) Kamerstukken II 2013/14, 33 799, nr. 2.
(10) Kamerstukken II 2013/14, 33 799, nr. 3.
(11) Nota van wijziging, Kamerstukken II 2014/15, 33 799, nr. 7.
(12) Kamerstukken II 2014/15, 33 799, nr. 6, blz. 21.
(13) De NOvA heeft in haar advies gesteld dat zij de categorisering van geweldsmisdrijven thans te veelomvattend vindt. Ook de NVvR is kritisch op dit punt, zij meent dat de opsomming een nadere motivering behoeft.
(14) Artikel 285a Sr.
(15) Artikel 250 Sr.
(16) Artikel 161 Sr.
(17) Artikel 168 Sr.
(18) Artikel 92 Sr.
(19) Artikel 95a Sr.
(20) Artikel 116 Sr.
(21) Artikel 123 Sr.
(22) Artikel 6, eerste lid, artikel 8, eerste lid, en artikel 10, eerste lid, van het ontwerpbesluit.
(23) Nota van toelichting bij artikel 6.
(24) Kamerstukken II 2013/14, 33 799, nr. 3, blz. 5.
(25) Kamerstukken II 2013/14, 33 799, nr. 3, blz. 9; Nota van toelichting bij artikel 4.