Ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling en enige andere besluiten in verband met de Wet verbeterde premieregeling.
- Kenmerk
- W12.16.0113/III
- Datum advies
- 25 mei 2016
- Vindplaats
- Staatscourant 2016, nr. 37748
- Sociale zaken en Werkgelegenheid
- Algemene maatregel van bestuur
Toon inhoud
Ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling en enige andere besluiten in verband met de Wet verbeterde premieregeling.
Bij Kabinetsmissive van 3 mei 2016, no.2016000786, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling en enige andere besluiten in verband met de Wet verbeterde premieregeling, met nota van toelichting.
Het ontwerpbesluit geeft de Afdeling advisering van de Raad van State geen aanleiding tot het maken van inhoudelijke opmerkingen. De Afdeling geeft U in overweging dienovereenkomstig te besluiten.
Gelet op artikel 26, zesde lid jo vijfde lid, van de Wet op de Raad van State, is de Afdeling van oordeel dat openbaarmaking van dit advies achterwege kan blijven.
De vice-president van de Raad van State
Nader rapport (reactie op het advies) van 4 juli 2016
Het ontwerp geeft de Afdeling advisering van de Raad van State geen aanleiding tot het maken van inhoudelijke opmerkingen.
Wel is van de gelegenheid gebruik gemaakt om enkele wijzigingen aan te brengen naar aanleiding van inzichten die zijn opgedaan gedurende de plenaire behandeling van het voorstel van wet verbeterde premieregeling in de Eerste Kamer. Bij die behandeling bleek een meerderheid van de Eerste Kamerfracties ernstige bedenkingen te hebben bij enkele onderdelen van (een eerdere versie van) het ontwerpbesluit.
Naar aanleiding van de nieuw opgedane inzichten is de in artikel 14d van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling voorgeschreven concrete invulling van de prudent person regel door middel van een leeftijdsgerelateerde afbouw van het beleggingsrisico (het life cycle beginsel) genuanceerd (artikel I, onderdeel D). Het uitgangspunt voor de invulling van de prudent person regel blijft dat de pensioenuitvoerder de deelnemer beschermt tegen de gevolgen van negatieve beleggingsrendementen voor diens pensioen. Deze bescherming kan echter ook via andere methoden worden geboden dan via het life cycle beginsel. De pensioenuitvoerder moet onderbouwen dat de beoogde alternatieve methode effectief is en niet ten nadele gaat van anderen. Deze onderbouwing wordt getoetst door De Nederlandsche Bank (DNB). Bij een negatieve uitkomst van de toets kan DNB de uitvoerder verplichten om over te stappen op een beleggingsbeleid overeenkomstig het life cycle beginsel.
Nieuwe inzichten in de uitvoeringstechnische gevolgen van het besluit zijn voorts aanleiding voor een uitbreiding van overgangsrecht (artikel I, onderdeel I).
In de eerste plaats is geregeld dat de standaardmodellen voor informatieverstrekking vanaf 1 januari 2018 worden gebruikt. Dit geeft voldoende tijd om de modellen te ontwikkelen.
Verder is het overgangsrecht voor de verplichting voor bestaande pensioenregelingen om over te stappen van een uniform beleggingsbeleid op een beleid overeenkomstig het life cycle beginsel in overeenstemming gebracht met bovenvermelde wijziging van artikel 14d. Het overgangsrecht ziet als gevolg hiervan op de bevoegdheid van DNB om een pensioenuitvoerder te verplichten om over te stappen op een leeftijdsgerelateerde afbouw van het beleggingsrisico.
De reikwijdte van dit overgangsrecht is hierbij verruimd tot alle pensioenuitvoerders en alle bestaande pensioenregelingen.
Nadere uitvoeringstechnische inzichten hebben voorts geleid tot een verruiming van de reikwijdte van het overgangsrecht voor de verplichting om bij alle deelnemers voor wie dat – bezien vanuit het beleggingsrisico – relevant is de (voorlopige) voorkeur voor een variabel of een vast pensioen uit te vragen en dat risico op die voorkeur af te stemmen (artikel 55, vierde lid). Dit overgangsrecht wordt eveneens van toepassing op uitvoerders die (ook) een variabele pensioenuitkering aanbieden. De verplichting geldt derhalve voor alle uitvoerders van een premieregeling vanaf 1 januari 2018.
Verder is een omissie rechtgezet ten aanzien van de kosten van het verstrekken van informatie ten behoeve van de keuze tussen een vaste en een variabele pensioenuitkering. In artikel 10 van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling is bepaald dat de pensioenuitvoerder de wettelijk verplichte informatie die essentieel is voor het maken van een weloverwogen keuze van de deelnemer, kosteloos aan de deelnemer moet verstrekken (artikel I, onderdeel C).
Tot slot is van de gelegenheid gebruik gemaakt om in de tekst en de toelichting van het besluit enkele technische en redactionele verduidelijkingen aan te brengen.
Ik moge U hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid