Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Adviezen ›
  3. W13.15.0224/III

Ontwerpbesluit houdende wijziging van het Warenwetbesluit attractie- en speeltoestellen inzake het uitvoeren van aanbevelingen uit de evaluatie en rapportages over het besluit, met nota van toelichting.

Kenmerk
W13.15.0224/III
Datum advies
6 augustus 2015
Vindplaats
Staatscourant
  • Volksgezondheid, Welzijn en Sport
  • Algemene maatregel van bestuur

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

Ontwerpbesluit houdende wijziging van het Warenwetbesluit attractie- en speeltoestellen inzake het uitvoeren van aanbevelingen uit de evaluatie en rapportages over het besluit, met nota van toelichting.

Bij Kabinetsmissive van 6 juli 2015, no.2015001190, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende wijziging van het Warenwetbesluit attractie- en speeltoestellen inzake het uitvoeren van aanbevelingen uit de evaluatie en rapportages over het besluit, met nota van toelichting.

Het ontwerpbesluit brengt enkele wijzigingen aan in het Warenwetbesluit attractie- en speeltoestellen (hierna: WAS) naar aanleiding van de aanbevelingen die voortvloeien uit de evaluatie van het WAS.

De Afdeling advisering van de Raad van State adviseert het ontwerpbesluit vast te stellen, maar acht op onderdelen een dragende motivering of aanpassing van het ontwerpbesluit aangewezen. Zo dient nader te worden ingegaan op de Europeesrechtelijke aspecten van de eisen die gelden voor buitenlandse keuringsinstellingen. Onduidelijk is wie op welke wijze controleert of aan deze eisen wordt voldaan. Evenmin is duidelijk hoe de ruimte die het ontwerpbesluit biedt om bepaalde attractietoestellen niet langer periodiek te keuren zich verhoudt tot de gewenste veiligheid van die toestellen.

1. Gelijkgestelde certificaten
Om de veiligheid van attractie- en speeltoestellen te waarborgen dienen de toestellen te worden gekeurd door een (daartoe) door de minister aangewezen instelling. (zie noot 1) Als het toestel wordt goedgekeurd wordt een certificaat van goedkeuring afgegeven. (zie noot 2) Degene die een attractie- of speeltoestel voorhanden heeft moet beschikken over een geldig certificaat van goedkeuring. (zie noot 3) Om de objectiviteit van de aangewezen instellingen die de keuringen uitvoeren te waarborgen, zijn in de artikelen 19 tot en met 19c WAS eisen gesteld aan die instellingen.

Ook wanneer een attractie- of speeltoestel slechts tijdelijk in Nederland wordt aangeboden (zie noot 4) dient de veiligheid daarvan te zijn gewaarborgd. Doorgaans zal de keuring van dergelijke toestellen niet zijn verricht door (Nederlandse) instellingen die op grond van de Warenwet zijn aangewezen en zal niet getoetst zijn aan de eisen van de WAS. Er zal derhalve met betrekking tot deze toestellen geen certificaat van goedkeuring als bedoeld in artikel 10a WAS zijn afgegeven. Om te voorkomen dat het toestel in deze omstandigheid niet kan worden gebruikt en daarmee een handelsbelemmering ontstaat, (zie noot 5) bepaalt het ontwerpbesluit dat dan kan worden volstaan met een ‘gelijkgesteld certificaat’. (zie noot 6) Het ontwerpbesluit stelt eisen aan zo’n gelijkgesteld certificaat:
1. het certificaat dient een beschermingsniveau te bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het beschermingsniveau dat met nationale onderzoekingen of documenten wordt geboden; (zie noot 7)
2. het certificaat dient afkomstig te zijn van een instelling die is gevestigd in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel in een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend verdrag dat Nederland bindt;
3. het certificaat dient afkomstig te zijn van een instelling die voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in de artikelen 19 en 19c, eerste lid, WAS; (zie noot 8) en
4. de artikelen 19 tot en met 19c WAS zijn van overeenkomstige toepassing op de buitenlandse keuringsinstellingen. (zie noot 9)

De Afdeling merkt hierover het volgende op.

a. Eisen 2 en 3
Aan de (niet aangewezen) instelling die het gelijkgesteld certificaat afgeeft wordt de eis gesteld dat zij haar zetel of vestiging heeft in een andere lidstaat van de Europese Unie (hierna: EU) dan wel in een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend verdrag dat Nederland bindt. (zie noot 10)
De Afdeling gaat ervan uit dat met de laatstgenoemde categorie andere verdragen worden bedoeld dan het Verdrag betreffende de Europese Economische Ruimte. Indien dat het geval is, adviseert zij aan artikel 19d, eerste lid de Europese Economische Ruimte toe te voegen. (zie noot 11)

Voorts mist de Afdeling in de toelichting een beschouwing over de Europeesrechtelijke aspecten van het voorgestelde artikel 19d, tweede lid, WAS. Dit artikellid stelt immers nationale eisen aan keuringsinstellingen uit andere lidstaten van de EU. Deze eisen kunnen een belemmering van vrij verkeer opleveren. Mogelijk is een rechtvaardiging hiervoor te vinden vergelijkbaar aan die voor de eisen die ingevolge het voorgestelde artikel 14a worden gesteld aan de tijdelijk dienstverlener.

Gelet op het voorgaande adviseert de Afdeling de toelichting aan te vullen, daarbij op de Europeesrechtelijke aspecten in te gaan en zo nodig het ontwerpbesluit aan te passen.

b. Controle
Om te kunnen beoordelen of een certificaat als gelijkgesteld certificaat kan worden aangemerkt moet duidelijk zijn of de instelling die het certificaat heeft afgegeven, voldoet aan de voor een aangewezen instelling geldende eisen, bedoeld in artikel 19, en 19c, eerste lid, WAS. Niet duidelijk is wie dit controleert en op welke wijze die controle plaatsvindt. De Afdeling wijst bij wijze van voorbeeld op de eis dat de instelling over voldoende deskundigheid en outillage moet beschikken om de uitvoering van de taken waarvoor zij is aangewezen, naar behoren te vervullen. Het is niet eenvoudig te beoordelen of een buiten Nederland gevestigde instelling aan deze eis voldoet.

De Afdeling adviseert in de toelichting aan te geven op welke wijze de controle wordt gewaarborgd op de eisen waaraan aangewezen instellingen moeten voldoen.

2. Delegatie van te keuren attractietoestellen
Thans worden speeltoestellen eenmalig en attractietoestellen periodiek gekeurd. (zie noot 12) Het ontwerpbesluit vervangt deze voorschriften door een delegatiebepaling op grond waarvan bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld welke toestellen periodiek worden gekeurd. (zie noot 13) De Afdeling merkt hierover het volgende op.

a. Periodieke keuring attractietoestellen
De voorgestelde delegatiebepaling laat ruimte aan de minister om te bepalen dat bepaalde attractietoestellen niet periodiek worden gekeurd, terwijl thans alle attractietoestellen een periodiek keuring moeten ondergaan. In de toelichting wordt geen inzicht gegeven in de regels die de minister op grond van deze bepaling zal stellen. Ook wordt niet ingegaan op de (mogelijke) verschillen. Gelet hierop kan niet worden beoordeeld of de veiligheid van attractietoestellen die wellicht niet periodiek worden gekeurd nog steeds is gewaarborgd.

De Afdeling adviseert naar aanleiding van het voorgaande de toelichting aan te vullen en zo nodig het besluit aan te passen.

b. Redactie delegatiebepaling
De Afdeling merkt op dat de zinsnede "nadere regels" in een delegatiegrondslag slechts wordt gehanteerd wanneer de delegerende wet of algemene maatregel van bestuur zelf ook een norm bevat. Het voorgestelde artikel 8, eerste lid WAS bevat echter niet zo’n norm. Daarnaast wordt in de eerste zin van dat artikellid de term ‘keuringsinstelling’ gehanteerd, terwijl dit begrip niet wordt gedefinieerd in het WAS noch in de Warenwet.
Voorts wordt in bedoeld artikellid de term ‘keuringsfrequentie’ gehanteerd, terwijl uit de toelichting volgt dat bedoeld is bij ministeriële regeling regels te stellen over de geldigheidsduur van de certificaten. Deze beide begrippen houden weliswaar verband met elkaar, maar hebben niet een gelijke betekenis. Hierbij is van belang dat het huidige artikel 11 WAS reeds bepaalt dat de aangewezen instelling de geldigheidsduur van certificaat van goedkeuring van een attractietoestel op schrift stelt. (zie noot 14)

De Afdeling adviseert naar aanleiding van het voorgaande het voorgestelde artikel 8, eerste lid, WAS aan te passen.

3. Wijziging rechtsvermoeden
Artikel 5 van het WAS bepaalt een rechtsvermoeden: wanneer attractie- en speeltoestellen voldoen aan door de Minister gestelde normen, worden zij in zoverre vermoed te voldoen aan de veiligheidseis, bedoeld in artikel 4 van het WAS. Het ontwerpbesluit schrapt de zinsnede "in zoverre" in artikel 5. In de artikelsgewijze toelichting wordt gesteld dat met deze wijziging wordt aangesloten bij de terminologie van de overige warenwetbesluiten en dat artikel 5 inhoudelijk niet wijzigt.
In enkele andere warenwetbesluiten is echter ook de zinsnede "in zoverre vermoed" opgenomen. (zie noot 15) In het Warenwetbesluit explosieveilig materieel wordt zelfs zowel de zinsnede "in zoverre vermoed" als "vermoed" in verschillende artikelen gebruikt; in respectievelijk de artikelen 5 en 12. Uit de toelichting op artikel 5 Warenwetbesluit explosieveilig materieel lijkt te volgen dat hier bewust voor is gekozen. De toelichting vermeldt op dit punt dat "het feit dat een (onder)deel van explosieveilig materieel aan geharmoniseerde normen voldoet, niet automatisch leidt tot het vermoeden dat het explosieveilig materieel in zijn geheel in overeenstemming is met de essentiële eisen". (zie noot 16)
Het is voorstelbaar dat het rechtsvermoeden, bedoeld in artikel 5 WAS, ook kan zien op (onder)delen van attractie- en speeltoestellen en dat daarom in de huidige tekst van dat artikel de zinsnede "in zoverre" is opgenomen.

De Afdeling adviseert in verband met het voorgaande de toelichting aan te vullen met een dragende motivering voor het schrappen van de zinsnede "in zoverre" en bij gebreke daarvan het ontwerpbesluit aan te passen.

4. Vervallen logboekverplichting
Thans dient degene die een attractie- of speeltoestel voorhanden heeft een logboek bij te houden. (zie noot 17) Het ontwerpbesluit vervangt de plicht om attractie- en speeltoestellen vergezeld te laten gaan van een logboek door de plicht voor beheerder van het toestel om met een actueel dossier aan te tonen dat aan de beheersverplichting is voldaan.
De Afdeling merkt op dat niet duidelijk is wat met de ‘beheersverplichting’ wordt bedoeld. Indien wordt beoogd aan te sluiten bij de zorgplicht voor onder meer installatie, montage, inspectie en onderhoud, (zie noot 18) dan zou dat tot uitdrukking moeten komen in de redactie van de desbetreffende bepalingen. (zie noot 19)

De Afdeling adviseert naar aanleiding van het voorgaande het ontwerpbesluit op dit punt aan te passen.

5. Wijziging overgangsrecht
Artikel 25 WAS regelt overgangsrecht dat ook reeds was opgenomen in het Besluit veiligheid attractie- en speeltoestellen. (zie noot 20) Gelet op de tekst van dit overgangsrechtelijke artikel (zie noot 21) en het feit dat het Besluit veiligheid attractie- en speeltoestellen op 26 maart 1997 in werking is getreden (zie noot 22) lijkt dit artikel feitelijk te zijn uitgewerkt. Het ontwerpbesluit wijzigt artikel 25 echter wel. Uit de toelichting blijkt niet wat de noodzaak van deze wijziging is.

De Afdeling adviseert naar aanleiding van het voorgaande de toelichting aan te vullen en zo nodig het ontwerpbesluit aan te passen.

6. De Afdeling verwijst naar de bij dit advies behorende redactionele bijlage.

De Afdeling advisering van de Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.

De waarnemend vice-president van de Raad van State


Redactionele bijlage bij het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State betreffende no.W13.15.0224/III

- Het in artikel I, onderdeel D voorgestelde artikel 6, tweede lid, Warenwetbesluit en in artikel I, onderdeel H, voorgestelde artikel 10a, vierde lid, Warenwetbesluit samenvoegen en daarbij tot uitdrukking brengen dat in beide omstandigheden het de aangewezen instelling is die het toestel van een uniek nummer voorziet.
- In het in artikel I, onderdeel M, voorgestelde artikel 14, tweede lid, Warenwetbesluit "De beheerder van een attractie- of speeltoestel" vervangen door: Degene die een attractie- of speeltoestel voorhanden heeft (zodat wordt aangesloten bij de terminologie van de andere artikelen van het Warenwetbesluit).
- In het in artikel I, onderdeel M, voorgestelde artikel 19d, tweede lid, Warenwetbesluit na "Onze Minister kan" invoegen: op verzoek.
- In het algemeen deel van toelichting nader ingaan op de voorgestelde inhoudelijke wijzigingen.
- In de artikelsgewijze toelichting op artikel I, onderdeel E, tot uitdrukking brengen dat de periodieke keuring niet alleen speeltoestellen, maar ook attractietoestellen betreft.


Nader rapport (reactie op het advies) van 9 maart 2016

De Afdeling advisering van de Raad van State adviseert het ontwerpbesluit vast te stellen, maar acht op onderdelen een dragende motivering of aanpassing van het ontwerpbesluit aangewezen. Hieronder gaat de regering in op de adviezen van de Raad van State.

Ten aanzien van de voorgestelde bepalingen over gelijkgestelde certificaten maakt de Raad twee opmerkingen ten aanzien van het ontwerpbesluit.

1a. De Raad merkt op dat aan de (niet aangewezen) instelling die het gelijkgesteld certificaat afgeeft de eis wordt gesteld dat zij haar zetel of vestiging heeft in een andere lidstaat van de Europese Unie, dan wel in een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend verdrag dat Nederland bindt.
De Raad gaat ervan uit dat met de laatstgenoemde categorie andere verdragen worden bedoeld dan het Verdrag betreffende de Europese Economische Ruimte. Indien dat het geval is, adviseert zij aan artikel 19d, eerste lid de Europese Economische Ruimte toe te voegen.

De regering kan deze veronderstelling bevestigen en volgt het advies om aan artikel 19d de Europese Economische Ruimte toe te voegen.

1b. Voorts mist de Raad in de toelichting een beschouwing over de Europeesrechtelijke aspecten van het voorgestelde artikel 19d, tweede lid, WAS. Dit artikellid stelt immers nationale eisen aan keuringsinstellingen uit andere lidstaten van de EU. Deze eisen kunnen een belemmering van vrij verkeer opleveren. Mogelijk is een rechtvaardiging hiervoor te vinden vergelijkbaar aan die voor de eisen die ingevolge het voorgestelde artikel 14a worden gesteld aan de tijdelijk dienstverlener. Gelet op het voorgaande adviseert de Raad de toelichting aan te vullen, daarbij op de Europeesrechtelijke aspecten in te gaan en zo nodig het ontwerpbesluit aan te passen.

De regering wijst in reactie op het advies van de Raad op de artikelsgewijze toelichting bij onderdeel K van het ontwerpbesluit waar op de Europeesrechtelijke aspecten van certificaten en gelijkgestelde certificaten wordt ingegaan in relatie tot het opwerpen van handelsbelemmeringen. Deze toelichting geldt voor certificaten en gelijkgestelde certificaten. Ten overvloede zal de regering hierbij tevens onderdeel M van het ontwerpbesluit vermelden.
Voor de helderheid wijst de regering er voorts op dat het kunnen gebruiken van een gelijkgesteld certificaat is ingegeven vanuit de gedachte om zowel geen onnodige handelsbeperkingen te creëren als om mogelijke administratieve lasten te beperken. In principe kan ervan worden uitgegaan dat een certificaat van een buitenlandse instelling vergelijkbaar is met een door een Nederlandse instelling afgegeven certificaat. Wel is het noodzakelijk om aan de hand van de eisen uit het WAS te verifiëren of dit het geval is en op juiste wijze is gebeurd, zodat het noodzakelijke veiligheidsniveau is gewaarborgd.

In de tweede plaats merkt de Raad op dat om te kunnen beoordelen of een certificaat als gelijkgesteld certificaat kan worden aangemerkt duidelijk moet zijn of de instelling die het certificaat heeft afgegeven, voldoet aan de voor een aangewezen instelling geldende eisen, bedoeld in artikel 19, en 19c, eerste lid, WAS. Niet duidelijk is wie dit controleert en op welke wijze die controle plaatsvindt. De Raad wijst bij wijze van voorbeeld op de eis dat de instelling over voldoende deskundigheid en outillage moet beschikken om de uitvoering van de taken waarvoor zij is aangewezen, naar behoren te vervullen. Het is niet eenvoudig te beoordelen of een buiten Nederland gevestigde instelling aan deze eis voldoet. De Raad adviseert in de toelichting aan te geven op welke wijze de controle wordt gewaarborgd op de eisen waaraan aangewezen instellingen moeten voldoen.

Naar aanleiding van dit advies merkt de regering op dat het ontwerpbesluit geen wijziging aanbrengt in de inhoudelijke eisen, die worden gesteld aan aangewezen instellingen of de controle op aangewezen instellingen. Op grond van artikel 19, tweede lid, van het WAS zijn in de Nadere regels attractie- en speeltoestellen (Stcrt. 1997, 33) in bijlage I de vereisten geformuleerd, waaraan een aangewezen instelling moet voldoen. Deze vereisten zijn weliswaar formeel niet van toepassing op een instelling, die buiten Nederland certificaten afgeeft, maar zijn inhoudelijk wel aanwijzingen om te toetsen of een buitenlands certificaat kan worden gelijk gesteld met een in Nederland afgegeven certificaat en het bepalen van een gelijkwaardig beschermingsniveau. De aangewezen instelling verricht de controle op het feit of aan het WAS is voldaan. De regering heeft, mede naar aanleiding van een verzoek van de Europese Commissie in het kader van de notificatieprocedure van het ontwerpbesluit om in de toelichting bij het besluit de procedure voor de beoordeling van een gelijkgesteld certificaat, de vereisten daarvoor en de daarbij behorende bewijslast en beslistermijn te verduidelijken, de nota van toelichting op dit punt aangevuld.

2a. Ten aanzien van de voorgestelde delegatiebepaling over de periodiciteit van keuringen merkt de Raad op dat de voorgestelde delegatiebepaling ruimte laat aan de Minister om te bepalen dat bepaalde attractietoestellen niet periodiek worden gekeurd, terwijl thans alle attractietoestellen een periodiek keuring moeten ondergaan. De Raad is van mening dat doordat in de toelichting geen inzicht wordt gegeven in de regels die de Minister op grond van deze bepaling zal stellen of in de (mogelijke) verschillen niet worden beoordeeld of de veiligheid van attractietoestellen die wellicht niet periodiek worden gekeurd nog steeds is gewaarborgd en adviseert de toelichting aan te vullen en zo nodig het besluit aan te passen.

De regering wijst op dit punt op de formulering van het voorgestelde artikel 8 (onderdeel E) waarbij is bepaald dat sprake is van een periodieke keuring en dat bij de vast te stellen ministeriële regeling schema’s worden gesteld met keuringsfrequenties voor attractie- en speeltoestellen. Dit betekent dat bij ministeriële regeling categorieën zullen worden vastgesteld van attractie- en speeltoestellen met daarbij behorende keuringsfrequenties door aangewezen instellingen: bijvoorbeeld eenmalig, jaarlijks, tweejaarlijks, dan wel driejaarlijks. De regering is niet voornemens om attractietoestellen in het geheel niet te keuren: er vindt altijd een periodieke keuring plaats voor attractietoestellen. In het geval van speeltoestellen kan voor een specifiek in de ministeriële regeling te vermelden lijst speeltoestellen de keuring achterwege blijven gelet op het lage risico.
Daarbij is het uitgangspunt dat een andere keuringsfrequentie niet ertoe mag leiden dat de veiligheid van attractie- en speeltoestellen inhoudelijk anders wordt beoordeeld: er wordt slechts rekening gehouden met het risiconiveau van het desbetreffende attractie- of speeltoestel. Met een betere relatie tussen het aantal momenten van keuring en het risiconiveau van een attractie- of speeltoestel kan een bijdrage worden geleverd aan efficiënt en risicogebaseerd toezicht op de veiligheid. De regering heeft bovenstaand uitgangspunt in de toelichting benadrukt.

2b. De Raad merkt voorts op dat de zinsnede “nadere regels” in een delegatiegrondslag slechts wordt gehanteerd wanneer de delegerende wet of algemene maatregel van bestuur zelf ook een norm bevat. Het voorgestelde artikel 8, eerste lid WAS bevat echter niet zo’n norm. Daarnaast wordt in de eerste zin van dat artikellid de term ‘keuringsinstelling’ gehanteerd, terwijl dit begrip niet wordt gedefinieerd in het WAS noch in de Warenwet.
Voorts wordt in bedoeld artikellid de term ‘keuringsfrequentie’ gehanteerd, terwijl uit de toelichting volgt dat bedoeld is bij ministeriële regeling regels te stellen over de geldigheidsduur van de certificaten. Deze beide begrippen houden weliswaar verband met elkaar, maar hebben niet een gelijke betekenis. Hierbij is van belang dat het huidige artikel 11 WAS reeds bepaalt dat de aangewezen instelling de geldigheidsduur van certificaat van goedkeuring van een attractietoestel op schrift stelt. De Raad adviseert naar aanleiding van het voorgaande het voorgestelde artikel 8, eerste lid, WAS aan te passen.

Naar aanleiding van dit advies van de Raad zal de regering de zinsnede “nadere regels” vervangen door “regels”. Voorts zal ter voorkoming van misverstand de term “aangewezen keuringsinstelling” worden vervangen door “aangewezen instelling”, aangezien die instelling met deze term wordt bedoeld.
Ten aanzien van de term “keuringsfrequentie” wijst de regering op de toelichting bij onderdeel E van het ontwerpbesluit.
Een certificaat van goedkeuring voor speeltoestellen heeft een onbeperkte geldingsduur. Dat betekent niet dat een attractie- of speeltoestel niet periodiek wordt gekeurd op het voldoen aan de geldende veiligheidseisen. De voorgestelde wijziging van artikel 8 beoogt voor het tijdstip waarop deze keuringen plaatsvinden de mogelijkheid bieden om regels te stellen, waarbij rekening wordt gehouden met het veiligheidsrisico van een attractie- of speeltoestel. De regering ziet in de gekozen formulering van artikel 8 geen onduidelijkheid.

3. De Raad merkt ten aanzien van de voorgestelde wijziging van artikel 5 van het WAS op dat in enkele andere warenwetbesluiten echter ook de zinsnede “in zoverre vermoed” is opgenomen, waarbij bewust lijkt te zijn gekozen voor deze formulering, aangezien het feit dat een (onder)deel van explosieveilig materieel aan geharmoniseerde normen voldoet, niet automatisch leidt tot het vermoeden dat het explosieveilig materieel in zijn geheel in overeenstemming is met de essentiële eisen. De Raad acht het voorstelbaar dat het rechtsvermoeden, bedoeld in artikel 5 WAS, ook kan zien op (onder)delen van attractie- en speeltoestellen en dat daarom in de huidige tekst van dat artikel de zinsnede “in zoverre” is opgenomen en adviseert de toelichting aan te vullen met een dragende motivering voor het schrappen van de zinsnede “in zoverre” en bij gebreke daarvan het ontwerpbesluit aan te passen.

De regering is van mening dat de wijziging in de voorgestelde vorm gehandhaafd kan blijven. Daarbij wijst de regering bijvoorbeeld op de formuleringen van artikel 4 van het Warenwetbesluit elektrotechnische producten en artikel 4 van het Warenwetbesluit machines, waarbij eveneens sprake is van een rechtsvermoeden en een vergelijkbare formulering is gebruikt. Deze Warenwetbesluiten sluiten qua systematiek en materie meer aan bij het WAS dan het Warenwetbesluit explosieveilig materiaal.
Naar aanleiding van de opmerking van de Raad dat het rechtsvermoeden, bedoeld in artikel 5 van het WAS ook kan zien op onderdelen van attractie- en speelstoestellen wijst de regering erop dat op grond van het WAS een keuring van een attractie- of speeltoestel geschiedt voor het gehele attractie- of speeltoestel en nooit op een onderdeel daarvan.

4. Naar aanleiding van de voorgestelde wijzigingen ten aanzien van het vervallen van de logboekverplichting is het de Raad niet duidelijk wat met de ‘beheersverplichting’ wordt bedoeld. Indien wordt beoogd aan te sluiten bij de zorgplicht voor onder meer installatie, montage, inspectie en onderhoud, dan zou dat naar de mening van de Raad tot uitdrukking moeten komen in de redactie van de desbetreffende bepalingen. De Raad adviseert het ontwerpbesluit op dit punt aan te passen.

De regering kan bevestigen dat met de beheersverplichting inderdaad de verplichting uit artikel 15, eerste lid, van het WAS wordt bedoeld, waarnaar de Raad reeds verwijst. De regering zal een verwijzing naar artikel 15, eerste lid, opnemen.

5. Naar aanleiding van onderdeel O van het ontwerpbesluit wijst de Raad erop dat artikel 25 WAS overgangsrecht regelt dat ook reeds was opgenomen in het Besluit veiligheid attractie- en speeltoestellen. Gelet op de tekst van dit overgangsrechtelijke artikel en het feit dat het Besluit veiligheid attractie- en speeltoestellen op 26 maart 1997 in werking is getreden lijkt dit artikel feitelijk te zijn uitgewerkt. Het ontwerpbesluit wijzigt artikel 25 echter wel.
Uit de toelichting blijkt niet wat de noodzaak van deze wijziging is. De Raad adviseert naar aanleiding van het voorgaande de toelichting aan te vullen en zo nodig het ontwerpbesluit aan te passen.

De regering wijst erop dat de in artikel 25 van het WAS vermelde Regionale Inspectie Gezondheidsbescherming ’s-Hertogenbosch niet meer bestaat. De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit is thans belast met het toezicht in het kader van het WAS. Artikel 25 van het WAS bevat daarom een feitelijke onjuistheid. Van de gelegenheid is gebruik gemaakt die feitelijke onjuistheid te corrigeren.

6. De door de Raad gemaakte redactionele opmerkingen zijn merendeels overgenomen. De regering heeft ervoor gekozen de indeling van de voorgestelde artikelen 6, tweede lid en 10a, vierde lid, te handhaven. Zoals in de toelichting bij onderdeel D en H is aangegeven kan onder omstandigheden een uniek nummer door de fabrikant worden aangebracht in plaats van door de aangewezen instelling.

Ik moge U verzoeken het hierbij gevoegde gewijzigde ontwerp van een algemene maatregel van bestuur en de gewijzigde nota van toelichting vast te stellen.

De Minister van Volksgezondheid Welzijn en Sport


(1) Zie huidig artikel 8 WAS. Zie voor de aanwijzing van instellingen artikel 7a Warenwet.
(2) Zie huidig artikel 10a WAS.
(3) Zie voorgesteld artikel 14a WAS.
(4) Hierbij kan worden gedacht aan kermisattracties.
(5) Zie artikel 16 van de Dienstenrichtlijn en artikel 56 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
(6) Zie voorgesteld artikel 14a WAS.
(7) Zie voorgesteld artikel 19d, eerste en tweede lid, WAS.
(8) Zie voorgesteld artikel 19d,tweede lid, WAS.
(9) Zie voorgesteld artikel 19d, derde lid, WAs.
(10) Op grond van voorgesteld artikel 19d, eerste lid, WAS.
(11) In lijn met artikel 19, eerste lid, onderdeel b, WAS.
(12) Zie huidig artikel 8, eerste en tweede lid, WAS.
(13) Voorgesteld artikel 8, eerste lid, WAS.
(14) Aan deze verplichting wordt door artikel I, onderdeel H, van het ontwerpbesluit geen afbreuk gedaan.
(15) Zie artikel 10 Warenwetbesluit drukapparatuur, artikel 5 Warenwetbesluit drukvaten van eenvoudige vorm, artikel 5 Warenwetbesluit explosieveilig materieel, artikel 3, derde lid, Warenwetbesluit kinderbedden en -boxen en artikel 6, eerste lid, Warenwetbesluit liften.
(16) Stb. 1995, 379, blz. 22.
(17) Zie de huidige artikelen 14, tweede lid, en 16 WAS.
(18) Bedoeld in artikel 15, WAS.
(19) Dit lijkt te volgen uit de toelichting op artikel I, onderdeel K.
(20) Bij Stb. 2003, 315 is de citeertitel van het Besluit veiligheid attractie- en
Speeltoestellen gewijzigd per 1 september 2003 in Warenwetbesluit attractie- en speeltoestellen (bron inwerkingtreding: Stb. 2003, 339).
(21) Artikel 25 WAS luidt: Degene die een attractietoestel voorhanden heeft, dat reeds in gebruik is op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit, doet binnen 30 dagen na inwerkingtreding van dit besluit bij de Regionale Inspectie Gezondheidsbescherming 's-Hertogenbosch aangifte van het feit dat hij een dergelijk attractietoestel voorhanden heeft, onder opgave van de gegevens, vermeld in artikel 20, eerste lid.
(22) Zie artikel 27 van het Besluit veiligheid attractie- en speeltoestellen (Stb. 1996, 474).


Gehele tekst ontwerpregeling met toelichting (pdf, 164 kB)


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon