Ontwerpbesluit tot wijziging van het Vreemdelingenbesluit 2000 in verband met de uitbreiding van het zoekjaar voor vreemdelingen die zijn afgestudeerd of wetenschappelijk onderzoek hebben verricht en in verband met enkele andere wijzigingen en het herstel van enkele technische omissies en van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen in verband met voornoemd zoekjaar, met nota van toelichting.
- Kenmerk
- W03.15.0399/II
- Datum advies
- 22 januari 2016
- Vindplaats
- Staatscourant 2016, nr. 10593
- Justitie en Veiligheid
- Algemene maatregel van bestuur
Toon inhoud
Ontwerpbesluit tot wijziging van het Vreemdelingenbesluit 2000 in verband met de uitbreiding van het zoekjaar voor vreemdelingen die zijn afgestudeerd of wetenschappelijk onderzoek hebben verricht en in verband met enkele andere wijzigingen en het herstel van enkele technische omissies en van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen in verband met voornoemd zoekjaar, met nota van toelichting.
Bij Kabinetsmissive van 17 november 2015, no.2015002000, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Vreemdelingenbesluit 2000 in verband met de uitbreiding van het zoekjaar voor vreemdelingen die zijn afgestudeerd of wetenschappelijk onderzoek hebben verricht en in verband met enkele andere wijzigingen en het herstel van enkele technische omissies en van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen in verband met voornoemd zoekjaar, met nota van toelichting.
Het ontwerpbesluit regelt diverse wetstechnische of kleine inhoudelijke aanpassingen van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000). Daarnaast regelt het besluit de fusie en uitbreiding van het zoekjaar afgestudeerden en de regeling hoogopgeleiden.
De Afdeling advisering van de Raad van State adviseert het besluit vast te stellen, maar acht op onderdelen een nadere motivering of aanpassing van het ontwerpbesluit aangewezen. De Afdeling maakt opmerkingen over de nieuwe zware gronden voor de inbewaringstelling van vreemdelingen. Voorts maakt de Afdeling opmerkingen bij de wijziging van het salariscriterium in de kennismigrantenregeling en bij de taaleis en het middelenvereiste in verband met het zoekjaar hoogopgeleiden. Tot slot maakt de Afdeling een opmerking over het samenvoegen van enkele artikelen van het huidige Vb 2000.
1. Gronden inbewaringstelling Dublinclaimanten
Het ontwerpbesluit voegt aan de bestaande lijst van zware gronden voor inbewaringstelling van vreemdelingen een aantal gronden toe. (zie noot 1) Daarmee wordt volgens de toelichting bij het ontwerpbesluit beoogd de negatieve effecten van een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 30 juli 2015 (zie noot 2) te redresseren voor de mogelijkheid een asielzoeker ("Dublinclaimant") in bewaring te stellen voor zover dat noodzakelijk is om de overdracht onder de Dublinverordening (zie noot 3) te effectueren. (zie noot 4) Die mogelijkheid is door de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak beperkt.
In voormelde uitspraak heeft de Afdeling bestuursrechtspraak overwogen dat de verantwoordelijkheid voor de overdracht onder de Dublinverordening van een Dublinclaimant aan de voor de behandeling van een asielverzoek verantwoordelijke lidstaat primair rust op de autoriteiten van de verzoekende lidstaat. Daarnaast kan de desbetreffende asielzoeker, gelet op de Uitvoeringsverordening (zie noot 5), de mogelijkheid worden geboden om binnen een bepaalde termijn zelf verantwoordelijkheid te nemen voor zijn overdracht, maar dit gebeurt uitsluitend op diens eigen initiatief. (zie noot 6) Een algemene verplichting (zie noot 7) om Nederland binnen een bepaalde termijn uit eigen beweging te verlaten is daarmee niet in overeenstemming. Dat een Dublinclaimant niet binnen vier weken uit eigen beweging Nederland heeft verlaten en te kennen heeft gegeven niet te zullen vertrekken naar de verantwoordelijke lidstaat, kan hem dan ook niet worden tegengeworpen en kan niet aan een maatregel van bewaring ten grondslag worden gelegd, aldus de Afdeling bestuursrechtspraak.
De Afdeling begrijpt de wens om de omstandigheid dat een Dublinclaimant niet binnen een bepaalde termijn voor zelfstandig vertrek is vertrokken als bewaringsgrond op te nemen in het Vb 2000 (zie noot 8), maar maakt over deze grond onder a. een tekstuele opmerking.
Voorts merkt de Afdeling op dat, anders dan uit de toelichting volgt, voormelde uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak geen aanleiding geeft tot de overige nieuwe bewaringsgronden. (zie noot 9) Bovendien roepen deze nieuwe zware gronden vragen op. De Afdeling verwijst hiertoe naar de punten b. en c. hieronder.
a. Artikel 5.1b, derde lid, onderdeel d
De Afdeling onderschrijft het standpunt in de toelichting (zie noot 10) dat ook indien op grond van de Dublinverordening geen verplichting bestaat tot zelfstandig vertrek, de omstandigheid dat een vreemdeling niet binnen een gestelde termijn uit eigen beweging is vertrokken, relevant is voor de vraag of er een significant risico bestaat dat die vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken en of daarom inbewaringstelling gerechtvaardigd is. (zie noot 11) Uit voormelde uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak blijkt evenwel dat de overheid een Dublinclaimant niet eenzijdig een termijn voor zelfstandig vertrek kan opleggen. Daaruit volgt dat een Dublinclaimant in het kader van de inbewaringstelling alleen kan worden tegengeworpen dat hij niet binnen de gestelde termijn is vertrokken, indien deze termijn hem op zijn eigen verzoek ("initiatief") om zelfstandig te vertrekken is geboden. In het voorgestelde onderdeel d van artikel 5.1b, derde lid, van het Vb 2000 komt deze clausulering niet tot uiting.
De Afdeling adviseert in het voorgestelde onderdeel d van artikel 5.1b, derde lid, van het Vb 2000 tot uitdrukking te brengen dat de desbetreffende vreemdeling "op diens eigen initiatief" gelegenheid tot zelfstandig vertrek is geboden.
b. Artikel 5.1b, derde lid, onderdeel k
Het voorgestelde onderdeel k van artikel 5.1b, derde lid, van het Vb 2000, voor zover hier van belang, introduceert de bewaringsgrond dat een Dublinclaimant niet te kennen heeft gegeven zelfstandig te willen vertrekken naar de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek. (zie noot 12) Anders dan uit de reeds bestaande zware gronden voor inbewaringstelling (zie noot 13), waaruit een zeker eerder gezagsontwijkend gedrag blijkt, kan uit de omstandigheid dat een vreemdeling niet kiest voor zelfstandig vertrek op zichzelf nog niet worden afgeleid dat een significant risico op onttrekken bestaat, als bedoeld in artikel 5.1a, vijfde lid, van het Vb 2000. (zie noot 14) Zo kan een vreemdeling ook om praktische redenen de voorkeur geven aan gecontroleerd vertrek of vertrek onder geleide.
De Afdeling adviseert in de toelichting op het bovenstaande in te gaan en zo nodig het voorstel aan te passen.
c. Artikel 5.1b, derde lid, onderdeel l
Ook uit de omstandigheid dat een vreemdeling een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en in verband met het spoedig verstrijken van de overdrachtstermijn een verkorte vertrektermijn krijgt opgelegd of Nederland onmiddellijk moet verlaten (zie noot 15), volgt op zichzelf niet dat sprake is van een significant risico dat hij zich aan het toezicht zal onttrekken indien hij de overdracht in vrijheid mag afwachten. Dat de overdrachtstermijn bijna is verstreken kan ook het gevolg zijn van omstandigheden die niet zijn gelegen in verwijtbaar (procedure vertragend) gedrag van de desbetreffende vreemdeling. In dit opzicht verschilt ook deze grond van de bestaande zware gronden voor inbewaringstelling.
De Afdeling adviseert in de toelichting op het bovenstaande in te gaan en zo nodig het voorstel aan te passen.
2. Salariscriterium kennismigrantenregeling
In het ontwerpbesluit (zie noot 16) wordt het salariscriterium in de kennismigrantenregeling aangepast naar aanleiding van een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak (zie noot 17), waarin is overwogen dat het criterium "niet marktconform loon" uit de toenmalige Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) (zie noot 18) in strijd is met het thans in het Vb 2000 gehanteerde criterium "loon dat sterk afwijkt van wat voor de te verrichten werkzaamheden in overeenkomstige functies gebruikelijk is". Voorgesteld wordt om aansluiting te zoeken bij artikel 1d, vierde lid, van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen (zie noot 19) (BuWav) en een marktconformiteitstoets te gaan hanteren. Dat daarmee het salariscriterium licht wordt aangescherpt wordt daarbij niet beoogd, maar wel geaccepteerd. (zie noot 20)
De genoemde bepaling van het BuWav verwijst voor de uitleg van wat een marktconform loon is naar het (huidige) Vb 2000. De Afdeling merkt op dat het bevreemding wekt dat ter motivering van de beoogde wijziging van het Vb 2000 juist daarnaar wordt verwezen. In dit licht ontbreekt voorts een motivering voor de aanscherping van het salariscriterium.
De Afdeling adviseert in de toelichting op het bovenstaande in te gaan en zo nodig het voorstel aan te passen.
3. Zoekjaar
a. Taaleis
De bestaande regeling voor het zoekjaar afgestudeerden (zie noot 21) en de regeling hoogopgeleiden (zie noot 22) worden in het ontwerpbesluit samengevoegd tot één regeling. (zie noot 23) Daarbij wordt het thans voor hoogopgeleiden geldende puntensysteem vervangen door een taaleis. (zie noot 24) De Afdeling merkt op dat terwijl het huidige puntenstelsel voor alle hoogopgeleiden geldt, volgens de voorgestelde wijziging de taaleis alleen zal gelden voor vreemdelingen die aan een buitenlandse instelling hebben gestudeerd. (zie noot 25) De toelichting lijkt er evenwel vanuit te gaan dat de taaleis voor alle hoogopgeleiden zal gelden.
De Afdeling adviseert de tekst van het ontwerpbesluit en de toelichting met elkaar in overeenstemming te brengen.
b. Middelenvereiste
In de toelichting (zie noot 26) bij het ontwerpbesluit wordt niet alleen vermeld dat houders van een zoekjaarvergunning hun verblijfsrecht kunnen verliezen indien zij een beroep doen op de algemene middelen, maar ook indien zij niet over voldoende middelen van bestaan beschikken. De Afdeling merkt op dat de eis dat gedurende het zoekjaar moet worden voldaan aan het middelenvereiste niet uit het ontwerpbesluit zelf volgt. (zie noot 27) Een dergelijke eis staat op gespannen voet met het doel van het zoekjaar, te weten het in de gelegenheid stellen van onlangs afgestudeerden om in Nederland werk als kennismigrant te vinden. Deze doelgroep zal doorgaans aan het begin van zijn verblijf niet aan het middelenvereiste kunnen voldoen. In de Vc 2000 (zie noot 28), zoals die luidde vóór de herformulering van 1 juni 2013, was vermeld dat aan een kennismigrant in het zoekjaar ook een verblijfsvergunning wordt verleend indien hij niet (meer) beschikt over voldoende duurzame middelen van bestaan. Die vrijstelling van de algemene middeleneis is uit het beleid geschrapt met de herformulering van de Vc 2000 (zie noot 29). Uit de toelichting daarbij volgt dat daarmee evenwel geen inhoudelijke wijziging van het beleid is beoogd. Daaruit leidt de Afdeling af dat in het zoekjaar geen middeleneis geldt. Aldus lijkt de toelichting bij het ontwerpbesluit niet in overeenstemming te zijn met het beleid ter zake.
De Afdeling adviseert de toelichting op dit punt aan te passen.
4. Nieuwe tabel geldigheidsduur vergunningen
a. Doorbrengen van verlof
In het ontwerpbesluit wordt omwille van de leesbaarheid een aantal bestaande bepalingen samengevoegd en weergegeven in tabelvorm. (zie noot 30) De Afdeling begrijpt uit de toelichting (zie noot 31) dat daarmee op zichzelf geen inhoudelijke wijziging wordt beoogd. De inhoud van de bestaande bepalingen over de geldigheidsduur en verlenging van een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met het doorbrengen van verlof in Nederland (zie noot 32) zijn evenwel niet overgenomen in de tabel van het nieuwe artikel 3.58, eerste lid, van het Vb 2000.
De Afdeling adviseert alsnog de bepalingen over het doorbrengen van verlof in de nieuwe tabel op te nemen.
b. Verblijf als houder van de Europese blauwe kaart
In de nieuwe tabel wordt vermeld dat de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met het verblijfsdoel 'verblijf als houder van de Europese blauwe kaart' telkens met ten hoogste vier jaar kan worden verlengd. In het huidige Vb 2000 is voor de verlenging van deze verblijfsvergunning geen specifieke bepaling opgenomen. Daaruit kan worden afgeleid dat deze verblijfsvergunning nu onder de restcategorie valt (zie noot 33) en telkens met ten hoogste vijf jaar kan worden verlengd. Deze verkorting van de maximale verlengingsmogelijkheid van de verblijfsvergunning voor houders van de Europese blauwe kaart hangt, naar de Afdeling aanneemt, samen met de Europese blauwe kaart-richtlijn. (zie noot 34) Een toelichting op dit punt ontbreekt echter.
De Afdeling adviseert de toelichting op dit punt aan te vullen.
5. De Afdeling verwijst naar de bij dit advies behorende redactionele bijlage.
De Afdeling advisering van de Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De vice-president van de Raad van State
Redactionele bijlage bij het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State betreffende no.W03.15.0399/II
- In artikel I, onderdeel B, de wijziging in de definitie van "Europese blauwe kaart" in artikel 1.1, eerste lid, schrappen. De in te voegen komma staat er reeds. (zie noot 35)
- In artikel I, onderdeel K, in het voorgestelde artikel 3.42, eerste lid, onderdeel f, "bij regeling van Onze Minister" vervangen door: bij ministeriële regeling. (zie noot 36)
- In artikel I, onderdeel S, na "artikel 3.80a" invoegen: ,eerste lid,
- In artikel I de onderdelen CC en DD omdraaien om de volgorde van het Vb 2000 aan te houden.
- Artikel I, onderdeel FF, schrappen. De in te voegen komma in artikel 3.130, eerste lid, staat er reeds. (zie noot 37)
- De in artikel I, onderdeel UU, voorgestelde wijziging in artikel 8.3, eerste lid, onderdeel d (nieuw), toelichten.
- In artikel I, onderdeel VV, deze wijziging eveneens voor het derde lid van artikel 8.6 doorvoeren.
- In artikel I, onderdeel YY, in verband met de consistentie met het tweede lid, in het beoogde artikel 8.17, derde lid, "de vijf jaar" wijzigen in: het vijf jaar.
- In de artikelsgewijze toelichting, het kopje "Artikelen 3.87a tot en met 3.102b, 3.130 en 8.6 Vb" wijzigen in: Artikelen 3.87a tot en met 3.98, eerste lid, 3.99 tot en met 3.102b, 3.130 en 8.6 Vb. De andersoortige wijziging van artikel 3.98b, tweede lid, van het Vb 2000 valt ook onder het huidige kopje.
- In de artikelsgewijze toelichting bij "Artikel 5.1b Vb" vermelden dat onderdeel j (nieuw) van lid 3 de ongewijzigde rechtsopvolger is van de eerste zinsnede van het huidige onderdeel i.
- In de artikelsgewijze toelichting, het kopje "Artikel 8.25 Vb" wijzigen in: Artikelen 8.24 en 8.25 Vb.
Nader rapport (reactie op het advies) van 17 februari 2016
1. Gronden inbewaringstelling Dublinclaimanten
a. Artikel 5.1b, derde lid, onderdeel d (thans: onderdeel l)
Voorts is in artikel 5.1b, derde lid, onderdeel l, Vb, (in het aan de Afdeling advisering voorgelegde ontwerp was dit onderdeel d) expliciet tot uitdrukking gebracht dat een Dublinclaimant in het kader van de inbewaringstelling alleen wordt tegengeworpen dat hij niet binnen een gestelde termijn is vertrokken, indien deze termijn hem op zijn eigen initiatief om zelfstandig te vertrekken is geboden. Ook dit wordt in de nota van toelichting nader verduidelijkt.
b. Artikel 5.1b, derde lid, onderdeel k (thans: onderdeel k)
Naar aanleiding van de opmerking over artikel 5.1b, derde lid, onderdeel k, Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) (in het aan de Afdeling advisering voorgelegde ontwerp was dit eveneens onderdeel k) is deze bepaling in die zin aangepast dat buiten twijfel wordt gesteld dat in gevallen waarin een vreemdeling niet kiest voor zelfstandig vertrek dit niet zonder meer betekent dat zich een zware grond voor bewaring voordoet. Dit kan pas worden aangenomen indien hij geen medewerking verleent aan de overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat. In de nota van toelichting is dit nader verduidelijkt.
c. Artikel 5.1b, derde lid, onderdeel l (thans: onderdeel m)
Naar aanleiding van de opmerking van de Afdeling advisering over artikel 5.1b, derde lid, onderdeel m, Vb (in het aan de Afdeling advisering voorgelegde ontwerp was dit onderdeel l) is de bepaling verduidelijkt en is in de toelichting nader uiteengezet waarom bewaring in de in dat onderdeel bedoelde situatie voor korte tijd gerechtvaardigd kan worden geacht.
2. Salariscriterium kennismigrantenregeling
Het advies van de Afdeling is gevolgd. De toelichting is aangevuld (in de artikelsgewijze toelichting bij de wijziging van artikel 3.30a, eerste lid, Vb).
3. Zoekjaar
Wat betreft de taaleis is het advies van de Afdeling gevolgd. De tekst van het ontwerpbesluit en de toelichting zijn met elkaar in overeenstemming gebracht door de toelichting te verduidelijken. In het algemeen deel van de toelichting is toegevoegd dat de taaleis alleen geldt voor de groep aan een buitenlandse onderwijsinstelling afgestudeerden of gepromoveerden (art. 3.42, eerste lid, onder e, Vb).
Ook wat betreft het middelenvereiste is het advies van de Afdeling gevolgd, door de toelichting op dit punt aan te passen. In het algemeen deel is toegevoegd dat het middelenvereiste aldus wordt vormgegeven dat de IND de verblijfsvergunning intrekt als een beroep wordt gedaan op de algemene middelen. De IND gaat niet op voorhand bezien of de vreemdeling over middelen beschikt. In die zin blijft de huidige regelgeving ongewijzigd.
4. Nieuwe tabel geldigheidsduur vergunningen
Het advies van de Afdeling om alsnog de bepalingen over het doorbrengen van verlof in de nieuwe tabel op te nemen, is niet gevolgd. Wel is de artikelsgewijze toelichting bij artikel 3.58 Vb aangevuld, om toe te lichten waarom de inhoud van de bestaande bepalingen over de geldigheidsduur en verlenging van een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met het doorbrengen van verlof in Nederland niet zijn overgenomen in de tabel van het nieuwe artikel 3.58, eerste lid, van het Vb. De reden hiervoor is dat deze beperking niet meer bestaat sinds het Besluit modern migratiebeleid.
Het advies van de Afdeling om de toelichting aan te vullen inzake de verkorting van de verlengingsmogelijkheid van de Europese blauwe kaart, is gevolgd. In de artikelsgewijze toelichting is toegevoegd dat bij de formulering is aangesloten bij artikel 7, tweede lid, van de richtlijn blauwe kaart.
5. De redactionele opmerkingen zijn overgenomen, behalve de eerste en vijfde, omdat de komma’s worden geschrapt als neveneffect van artikel I, onder A.
Van de gelegenheid is gebruikgemaakt om artikel 8.15, vijfde lid, Vb verder aan te passen aan artikel 13, tweede lid, slotalinea’s, van richtlijn 2004/38/EG.
Ik moge U hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie
(1) Zie onderdeel RR van het ontwerpbesluit, dat nieuwe onderdelen toevoegt aan artikel 5.1b, derde lid van het Vb 2000.
(2) ABRvS 30 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2014:2537.
(3) Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (PB 2013 L 180).
(4) Artikelsgewijze toelichting bij artikel 5.1b van het Vb 2000.
(5) Verordening (EG) nr. 1560/2003 van de Commissie van 2 september 2003 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 343/2003 van de Raad tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (PB 2003 L 222).
(6) Volgens punt 24 van de preambule van de Dublinverordening kan een overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming, overeenkomstig de Uitvoeringsverordening, plaatsvinden op basis van vrijwilligheid, in de vorm van een gecontroleerd vertrek of onder geleide. De lidstaten dienen vrijwillige overdracht te bevorderen, en erop toe te zien dat overdrachten in de vorm van gecontroleerd vertrek of onder geleide op humane wijze gebeuren, met volledige eerbiediging van de grondrechten en de menselijke waardigheid, en geheel in het belang van het kind, en met de grootst mogelijke consideratie voor de ontwikkelingen in de desbetreffende jurisprudentie, in het bijzonder wat de overdracht op humanitaire gronden betreft.
Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Uitvoeringsverordening gebeurt de overdracht aan de verantwoordelijke staat op een van de drie hierna genoemde wijzen:
a) op initiatief van de asielzoeker, waarbij een uiterste datum wordt vastgesteld;
b) onder de vorm van een gecontroleerd vertrek, waarbij de asielzoeker tot bij het instappen wordt vergezeld door een ambtenaar van de verzoekende staat en de plaats, datum en uur van zijn aankomst binnen een vooraf overeengekomen termijn ter kennis van de verantwoordelijke staat zijn gebracht;
c) onder geleide, waarbij de asielzoeker wordt vergezeld door een ambtenaar van de verzoekende staat of door de vertegenwoordiger van een daartoe door de verzoekende staat gemachtigde instantie, en aan de autoriteiten van de verantwoordelijke staat wordt overgedragen.
(7) Zie artikel 44a, eerste lid, aanhef en onder c, en artikel 62c, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
(8) Zie het nieuwe onderdeel d van artikel 5.1b, derde lid, van het Vb 2000:
Er is sprake van een zware grond voor inbewaringstelling indien de vreemdeling een overdrachtsbesluit heeft ontvangen waarbij hij in de gelegenheid is gesteld binnen een gestelde termijn te vertrekken naar de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek, en hij niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn naar deze lidstaat is vertrokken.
(9) Het nieuwe onderdeel j van artikel 5.1b, derde lid, van het Vb 2000 is een verlettering van het huidige onderdeel i (eerste deel).
(10) Artikelsgewijze toelichting bij artikel 5.1b van het Vb 2000.
(11) Ingevolge artikel 5.1a, vijfde lid, van het Vb 2000 kan aan de vreemdeling op grond van artikel 6a van de Vw 2000 een vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd of de vreemdeling kan op grond van artikel 59a van de Vw 2000 in bewaring worden gesteld indien:
a. een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening; en
b. een significant risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken.
(12) Het voorgestelde 5.1b, derde lid, aanhef en onderdeel k (nieuw), van het Vb 2000 luidt in zijn geheel:
Er is sprake van een zware grond voor inbewaringstelling of voor het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel indien de vreemdeling een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en niet te kennen heeft gegeven uit eigen beweging te zullen vertrekken naar de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek, dan wel te kennen heeft gegeven geen medewerking aan de overdracht aan deze lidstaat te zullen verlenen.
(13) Vergelijk de gronden in het huidige artikel 5.1b, derde lid, van het Vb 2000:
Er is sprake van een zware grond voor inbewaringstelling indien de vreemdeling:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt met betrekking tot zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
f. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;
g. in het Nederlandse rechtsverkeer gebruik heeft gemaakt van valse of vervalste documenten;
h. tot ongewenst vreemdeling is verklaard als bedoeld in artikel 67 van de Wet of tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Wet; dan wel
i. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer of aan zijn verplichting tot vertrek naar de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek.
(14) Zie voetnoot 11.
(15) In het nieuwe onderdeel l van artikel 5.1b, derde lid, van het Vb 2000 wordt verwezen naar artikel 62c, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Laatstgenoemde bepaling luidt: Onze Minister kan, in afwijking van het eerste en tweede lid, de voor een vreemdeling geldende termijn verkorten dan wel bepalen dat een vreemdeling Nederland onmiddellijk moet verlaten, indien dit noodzakelijk is ten behoeve van het realiseren van de overdracht binnen zes maanden na het akkoord van de verantwoordelijke lidstaat.
(16) Zie onderdeel I van het ontwerpbesluit, dat artikel 3.30a, eerste lid, van het Vb 2000 wijzigt.
(17) ABRvS 15 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4692.
(18) WBV 2011/08 (Stcrt. 2011, 10662). Met ingang van 1 juli 2015 is bij WBV 2015/8 (Stcrt. 2015, 18172) dit beleid (inmiddels verplaatst van par. B15/5.1.3 van de Vc 2000 naar par. B6/2.3 van de Vc 2000) aangepast aan voormelde uitspraak van de ABRvS van 15 december 2014 en is daarin het salariscriterium van de huidige Vb 2000 opgenomen. Bij WBV 2015/20 (Stcrt. 2015, 46072) is m.i.v. 1 januari 2016, vooruitlopend op het onderhavige ontwerpbesluit, het salariscriterium weer 'niet marktconform loon' geworden.
(19) Artikel 1d, vierde lid, van het BuWav luidt: Het loon, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a, is ten minste marktconform als bedoeld in artikel 3.30a van het Vreemdelingenbesluit 2000 en wordt door de werkgever over een periode van ten hoogste een maand, bijgeschreven op een bankrekening, bestemd voor girale betaling, op naam van de vreemdeling.
(20) Zie nota van toelichting, artikelsgewijze toelichting bij artikel 3.30a, eerste lid, van het Vb 2000, almede de subparagraaf 'Salariscriterium kennismigrantenregeling' in de paragraaf 'Consultatieverslag'.
(21) Het huidige artikel 3.42, eerste lid, van het Vb 2000.
(22) Het huidige artikel 3.42, tweede lid, van het Vb 2000.
(23) Zie onderdeel K van het ontwerpbesluit, dat artikel 3.42 van het Vb 2000 wijzigt.
(24) Zie onderdeel K van het ontwerpbesluit, dat artikel 3.42 van het Vb 2000 wijzigt.
(25) Zie het voorgestelde artikel 3.42, eerste lid, onderdeel e, van het Vb 2000.
(26) Zie paragraaf 'Fusie zoekjaar afgestudeerden en regeling hoogopgeleiden (art. 3.42 Vb)'.
(27) De middeleneis lijkt voort te vloeien uit de algemene middeleneis van artikel 16, eerste lid, onder c, van de Vw 2000: Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 kan worden afgewezen indien de vreemdeling niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan dan wel, indien de persoon bij wie de vreemdeling wil verblijven, niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan.
(28) Par. B15/10.2 van de Vc 2000; WBV 2007/36 (Stcrt 2007, 245).
(29) WBV 2013/5 (Stcrt. 2013, 8389).
(30) Zie onderdelen N en O van het ontwerpbesluit. De bestaande artikelen 3.58, 3.59 en 3.59d worden samengevoegd in een nieuw artikel 3.58 van het Vb 2000.
(31) Artikelsgewijze toelichting bij artikel 3.58, 3.59 en 3.59d van het Vb 2000.
(32) Zie de huidige artikelen 3.58, zesde lid, en 3.59, vierde lid, van het Vb 2000.
(33) Zie het huidige artikel 3.59, vijfde lid, van het Vb 2000.
(34) Richtlijn 2009/50/EG van de Raad van 25 mei 2009 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op een hooggekwalificeerde baan. In artikel 7, tweede lid, daarvan is bepaald dat de lidstaten een standaardgeldigheidsduur voor de Europese blauwe kaart vaststellen, die ligt tussen één en vier jaar.
(35) Zie Stb 2010, nr. 307.
(36) Vergelijk onderdeel A, tabel, onderaan.
(37) Zie Stb 2014, nr. 111.