Ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit samenwerking VO-BVE in verband met wijziging van het aantal uren dat kan worden gevolgd aan een andere school of instelling, met nota van toelichting.
- Kenmerk
- W05.15.0212/I
- Datum advies
- 30 juli 2015
- Vindplaats
- Staatscourant
- Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
- Algemene maatregel van bestuur
Toon inhoud
Ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit samenwerking VO-BVE in verband met wijziging van het aantal uren dat kan worden gevolgd aan een andere school of instelling, met nota van toelichting.
Bij Kabinetsmissive van 3 juli 2015, no.2015001186, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, mede namens de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Staatssecretaris van Economische Zaken, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit samenwerking VO-BVE in verband met wijziging van het aantal uren dat kan worden gevolgd aan een andere school of instelling, met nota van toelichting.
Scholen in het voortgezet onderwijs (en waar nodig BVE-instellingen) kunnen in bepaalde gevallen het onderwijs voor maximaal 50% van het aantal klokuren per schooljaar uitbesteden aan een andere school of instelling. Het ontwerpbesluit verruimt deze mogelijkheid tot maximaal 50% van het onderwijsprogramma. Er is dus niet langer sprake van een grens per schooljaar, maar van een grens over de gehele cursusduur. Dit betekent dat het mogelijk wordt een leerling meer dan de helft van een schooljaar, of een heel schooljaar, of zelfs de laatste twee (of drie) schooljaren aan een andere school uit te besteden.
De Afdeling advisering van de Raad van State heeft opmerkingen over het ontwerpbesluit die van dien aard zijn dat zij adviseert het besluit niet vast te stellen dan nadat is voorzien in een toereikende wettelijke grondslag. De Afdeling onderkent de noodzaak om te verzekeren dat iedere leerling voldoende mogelijkheden krijgt om het bij hem of haar passende onderwijs te volgen. Het voorliggende besluit mist echter een toereikende wettelijke grondslag, is te ruim geformuleerd gegeven de aard van de problematiek en is met te weinig wettelijke waarborgen omkleed met het oog op de keuzevrijheid van de ouders enerzijds en de toezichthoudende taken van de Inspectie van het Onderwijs anderzijds.
1. Grondslag ontwerpbesluit
Artikel 25a van de Wet op het voortgezet onderwijs (WVO) biedt scholen de mogelijkheid om het onderwijs aan bepaalde leerlingen onder voorwaarden uit te besteden aan een andere school of instelling. Uitbesteding is alleen toegestaan om (a) leerlingen met bijzondere kenmerken beter in staat te stellen een diploma te behalen, (b) leerlingen meer kansen te geven om vervolgonderwijs met gunstig resultaat te volgen, of (c) onderwijsvoorzieningen doelmatiger te gebruiken (artikel 25, tweede lid, WVO). Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de doelen a en b betrekking hebben op gerichte ondersteuning, verrijking of verdieping van risicoleerlingen en van leerlingen met behoefte aan extra kansen. Doel c betreft het doelmatig gebruik van onderwijsvoorzieningen, zoals de samenvoeging van bezemklassen voor leerlingen die ‘overgeschoten’ zijn of het aanbieden van zogenoemde schakelklassen door een school ten behoeve van een groep van scholen. (zie noot 1) Artikel 25, vierde lid, van de WVO bepaalt dat bij algemene maatregel van bestuur wordt geregeld voor welke leerlingen en onder welke voorwaarden uitbesteding kan plaatsvinden. Volgens de toelichting zijn uitgangspunten hierbij "dat altijd maar een gedeelte van de leerlingen kan worden uitbesteed (anders zou er feitelijk verplaatsing van de school plaatsvinden) en dat de uitbesteding altijd over een gedeelte van het programma en de leerweg voor een bepaalde duur gaat." (zie noot 2)
De wetsgeschiedenis wijst derhalve op een beperkt gebruik van de mogelijkheid om met het oog op de doelmatigheid leerlingen onderwijs aan een andere school te laten volgen. In overeenstemming hiermee bepaalt artikel 2, tweede lid, van het Besluit samenwerking VO-BVE dat een leerling per leerjaar voor ten hoogste de helft van het aantal klokuren per schooljaar die blijkens het onderwijsprogramma, bedoeld in artikel 24, tweede lid, van de WVO worden besteed aan het volgen van lessen en stages, mag worden uitbesteed. De tweede volzin van genoemd artikellid voegt daaraan toe dat de uitbesteding niet mag betekenen dat de school waar de leerling is ingeschreven uitsluitend nog de stage van de leerling verzorgt. De reden hiervoor is dat een leerling die voor de helft stage loopt en voor de helft wordt uitbesteed, anders het gehele leerjaar ‘afwezig’ zou zijn. Hiermee wil het besluit veiligstellen dat een leerling ten minste de helft van het schooljaar op zijn eigen school lessen volgt, zodat de band met de school behouden blijft.
Het ontwerpbesluit maakt het mogelijk dat een leerling voor de helft van de cursusduur wordt uitbesteed, wat kan neerkomen op twee (vmbo, havo) of drie (vwo) volledige leerjaren. Indien de leerling doubleert, kan die periode zelfs langer zijn, omdat de 50%-regel is gerelateerd aan de duur van het onderwijsprogramma. Volgens de toelichting is deze verruiming nodig, omdat in sommige regio’s scholen alleen nog een breed aanbod in stand kunnen houden als ze de gehele bovenbouw gezamenlijk, door middel van uitbesteding vormgeven. Het ontwerpbesluit is echter niet beperkt tot de krimpgebieden.
De Afdeling merkt op dat artikel 25, vierde lid, van de WVO geen grondslag biedt voor de voorgestelde verruiming. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de uitbesteding op grond van doelmatigheidsoverwegingen bedoeld is voor een in beginsel beperkt aantal leerlingen dat moeite heeft met het behalen van het diploma (bezemklassen) en voor een beperkt aantal vakken, waarbij met name is gedacht aan het gemeenschappelijk gebruik van praktijkvoorzieningen. Ook de Inspectie van het Onderwijs wijst daar op. (zie noot 3) Uitbesteding voor een zodanig lange termijn dat de band met de school alleen nog in formele zin bestaat, voor iedere leerling, in alle (kern-) vakken past niet binnen de gegeven grondslag. In essentie maakt het ontwerpbesluit het immers mogelijk dat het tweede deel van de opleiding voor alle leerlingen en voor onbeperkte tijd wordt uitbesteed.
Een andere uitleg zou voorts in strijd komen met artikel 24, tweede lid, van de WVO. Dit artikellid bepaalt dat het onderwijsprogramma in elk geval de uitwerking van de wettelijke opdrachten voor het onderwijs en de eigen opdrachten voor het onderwijs bevat. Tot de wettelijke opdrachten voor het onderwijs behoort dat het bevoegd gezag voor de wettelijk bepaalde cursusduur in alle leerjaren een in schooltijd verzorgd samenhangend onderwijsprogramma aanbiedt en verzorgt. De reden hiervan is dat het concept "school" een pedagogische eenheid veronderstelt, die zich uitstrijkt over alle leerjaren. Indien een school te klein geworden is om de bovenbouw in stand te houden, moet daarom ook de onderbouw sluiten. Nu het ontwerpbesluit ertoe kan leiden dat een school niet meer zelfstandig alle profielen, vakken of leerjaren aanbiedt, is het ontwerpbesluit tevens in strijd met artikel 24 van de WVO. Het feit dat de uitbestede leerlingen op grond van het Examenbesluit VO blijven meetellen aan de school waar de leerling staat ingeschreven, kan daaraan niet afdoen.
Ten slotte wijst de Afdeling erop dat artikel 25a is ingevoerd bij de Wet van 8 september 2005, Stb. 512. Volgens artikel III van deze wet dient binnen vier jaar inwerkingtreding ervan een evaluatie plaats te vinden. Voor zover de Afdeling bekend is heeft deze evaluatie nog niet plaatsgevonden.
De Afdeling concludeert dan ook dat artikel 25a van de WVO geen toereikende grondslag bevat voor het voor onbeperkte tijd uitbesteden van alle leerlingen voor de helft van de leergang. Indien een dergelijke grondslag wordt gecreëerd - nadat een evaluatie van het huidige besluit heeft plaatsgevonden - dient deze ten minste te worden beperkt tot krimpgebieden, gelet op de gevolgen die het besluit heeft voor de keuzevrijheid van ouders.
Onverminderd het voorgaande merkt de Afdeling het volgende op.
2. Leerplichtwet
Artikel 2 van de Leerplichtwet 1969 bepaalt dat ouders of verzorgers verplicht zijn te zorgen dat de jongere als leerling van een school staat ingeschreven en deze school na inschrijving geregeld bezoekt. Hieruit volgt dat de mogelijkheid om het onderwijs geheel of gedeeltelijk te volgen aan een andere school dan de school van inschrijving, strijd kan opleveren met de Leerplichtwet 1969. (zie noot 4)
Gelet hierop adviseert de Afdeling de Leerplichtwet 1969 aan te passen, alvorens te besluiten tot vaststelling van het ontwerpbesluit.
3. Samenwerkingsovereenkomst
De samenwerking tussen scholen krijgt in het ontwerpbesluit gestalte door middel van een samenwerkingsovereenkomst. De samenwerkingsovereenkomst wordt niet voorgelegd aan de staatssecretaris of de Inspectie van het onderwijs. Evenmin behoeven de ouders of de leerling ervan in kennis worden gesteld.
De toelichting wijst erop dat het essentieel is dat ouders al bij de inschrijving en voorlichting hiermee bekend zijn en dat in de schoolgids wordt aangegeven welke school verantwoordelijk is en wat rechtens is in geval van verzuim of incidenten. (zie noot 5) Voor de Inspectie is de samenwerkingsovereenkomst van groot belang bij het beoordelen van de rechtmatigheid van de samenwerking en het financieel toezicht. Volgens de toelichting verdient het daarom aanbeveling dat scholen zich in jaarverslag op dit punt verantwoorden.
De Afdeling constateert dat op geen van deze essentiële onderdelen wordt voorzien in een wettelijke regeling. Dit betekent dat moet worden teruggevallen op de samenwerkingsovereenkomst, die vooraf niet wordt getoetst en alleen tussen partijen geldt. Dit betekent dat de ouders, leerlingen en Inspectie zijn aangewezen op de mate waarin de scholen het gewenst vinden aan deze zaken aandacht te besteden. Daarmee geeft het ontwerpbesluit hen onvoldoende waarborgen.
De Afdeling adviseert hierin alsnog te voorzien.
De Afdeling advisering van de Raad van State geeft U in overweging in dezen geen besluit te nemen dan nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De waarnemend vice-president van de Raad van State
Nader rapport (reactie op het advies) van 7 december 2015
De nummering die in dit nader rapport wordt gebruikt, sluit aan bij die van het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State.
1. Grondslag ontwerpbesluit
De Afdeling adviseert om een toereikende wettelijke grondslag, beperkt tot krimpgebieden, te realiseren alvorens te besluiten tot vaststelling van het ontwerpbesluit. De regering is van mening dat artikel 25a van de Wet op het voortgezet onderwijs (hierna: WVO), voldoende grondslag biedt voor het onderhavige ontwerpbesluit. Wel wordt naar aanleiding van de opmerkingen van de Afdeling over de wetsgeschiedenis van artikel 25a WVO en de opmerking over artikel 24, tweede lid, van de WVO, een zekere beperking aangebracht in de beoogde verruiming.
Artikel 25a van de WVO geeft de voorwaarden waaronder scholen hun leerlingen voor een deel van het onderwijsprogramma kunnen uitbesteden aan andere scholen of instellingen. Het artikel geeft daarbij geen beperking voor de duur van de uitbesteding of voor het aantal leerlingen van de school dat mag worden uitbesteed. Het Besluit Samenwerking VO – BVE, dat tegelijk met artikel 25a van de WVO in 2005 in werking trad, geeft wel een beperking aan de mogelijke duur van de uitbesteding. Sinds de inwerkingtreding mogen leerlingen op grond van dit besluit voor maximaal de helft van een leerjaar worden uitbesteed aan een andere school. Het onderhavige wijzigingsbesluit verruimt deze mogelijkheid, van 50% per leerjaar, naar 50% van de gehele cursusduur. Deze verruiming is erop gericht scholen de mogelijkheid te geven om gezamenlijk alle profielen en sectoren uit de bovenbouw te verzorgen, zodat niet iedere individuele school zelf een volledig aanbod in stand hoeft te houden. Met name in krimpgebieden is het nodig scholen op deze manier in staat te stellen optimaal gebruik te maken van elkaars voorzieningen. De grondslag in artikel 25a van de WVO is op zichzelf toereikend voor deze verruiming. Het artikel geeft immers geen beperking voor de omvang en de tijdsduur van uitbesteding van leerlingen. De Afdeling concludeert echter, op grond van de Memorie van Toelichting bij dit artikel, dat het in de bedoeling van de wetgever lag om de omvang en tijdsduur van uitbesteding te beperken. Volgens de toelichting bij artikel 25a van de WVO zijn de uitgangspunten bij uitbesteding van leerlingen “dat altijd maar een gedeelte van de leerlingen kan worden uitbesteed (anders zou er een feitelijke verplaatsing van de school plaatsvinden) en dat de uitbesteding altijd over een gedeelte van het programma en de leerweg voor een bepaalde duur gaat.” Bij de inwerkingtreding in 2005, vond de regering het van belang dat deze beperking werd aangebracht in het besluit dat tegelijk met artikel 25a van de WVO in werking trad. Inmiddels is er door de leerlingendaling die zich heeft ingezet in het voortgezet onderwijs echter de behoefte ontstaan om een grotere mate van samenwerking en uitbesteding van leerlingen mogelijk te maken. De regering ziet, anders dan de Afdeling, echter geen noodzaak om hiervoor artikel 25a van de WVO te wijzigen. Als gezegd, biedt dit artikel voldoende grondslag voor onderhavig ontwerpbesluit.
Wel is, om dichter bij de oorspronkelijke doelstelling van de wetgever te blijven, een extra voorwaarde in het ontwerpbesluit opgenomen. Om te voorkomen dat een school alle leerlingen van de gehele bovenbouw uitbesteedt, is vereist dat aan iedere school ten minste één programma in de bovenbouw aan de eigen school wordt verzorgd. Als het gaat om een school voor havo of vwo, dient iedere school minimaal één van de profielen ‘natuur en techniek’, ‘natuur en gezondheid’, ‘economie en maatschappij’ en ‘cultuur en maatschappij’ volledig te blijven verzorgen. Als het gaat om een school voor voorbereidend beroepsonderwijs, geldt hetzelfde principe. Aansluitend bij de wijze waarop het onderwijs in deze schoolsoort is georganiseerd, is vereist dat aan de eigen school minimaal één afdeling of intrasectoraal dan wel intersectoraal programma volledig wordt verzorgd. Hiermee wordt voorkomen dat een school feitelijk alleen nog onderwijs in de onderbouw verzorgt. Met deze aanpassing van het ontwerpbesluit wordt tevens tegemoet gekomen aan de opmerking van de Afdeling over artikel 24, tweede lid, van de WVO. De Afdeling oordeelt dat dit artikel er mede toe strekt dat de school als pedagogische eenheid geacht wordt onderwijs in alle leerjaren aan te bieden. Het uitbesteden van alle leerlingen van de bovenbouw aan een andere school komt hiermee in strijd, naar het oordeel van de Afdeling. De regering erkent dat het van belang is dat een school een eenheid blijft en dat uitbesteding van alle bovenbouw leerlingen hier een te grote inbreuk op zou maken. De aanpassing van het ontwerpbesluit leidt ertoe dat elke school in alle leerjaren ook feitelijk onderwijs verzorgt.
De Afdeling concludeert verder dat uitbesteding van leerlingen voor de volledige bovenbouw, niet past binnen de grondslag van artikel 25a van de WVO, omdat de wetgever bij de totstandkoming van het Besluit samenwerking VO – BVE beoogd heeft te beschermen dat de band tussen de school en de leerling behouden blijft. De regering erkent dat de verruiming van de mogelijkheid tot uitbesteding tot 50% van de gehele cursusduur, vraagt om een aanvullende waarborg om dit veilig te stellen. Daarom is naar aanleiding van deze opmerking van de Afdeling als aanvullende eis gesteld, dat scholen bij deze vorm van samenwerking afspraken maken over de wijze waarop zij regelmatig contact onderhouden met de leerlingen waarvoor zij verantwoordelijk zijn. De regering acht het van belang dat de school voldoende zicht kan houden op de eigen leerlingen en voor de leerlingen en hun ouders zelf ook gemakkelijk aanspreekbaar blijft. De school waar de leerling is ingeschreven, blijft immers verantwoordelijk voor de kwaliteit van het onderwijs. De school moet de leerlingen in beeld hebben en moet erop toezien dat zij goed worden voorbereid op het eindexamen. In dit kader is overwogen om de mogelijkheid tot uitbesteding te begrenzen door te eisen dat scholen tenminste een deel van het onderwijs aan hun eigen leerlingen zelf verzorgen. In dat scenario zouden scholen bijvoorbeeld de beroepsgerichte vakken en de praktijkvakken nog wel kunnen uitbesteden, maar de algemeen verplichte vakken als Nederlands en Engels zelf moeten blijven verzorgen. Hiervan is echter afgezien omdat het niet in alle gevallen in het belang van de leerling is dat hij in een schoolweek heen en weer moet reizen tussen twee scholen. Scholen zullen zelf keuzes moeten maken hoe zij in contact blijven met hun leerlingen. Dit kan door nog zelf delen van het onderwijs te blijven verzorgen en hun leerlingen dus maar voor een deel van de lessen uit te besteden, maar er zijn ook andere opties denkbaar. Zo kunnen scholen er bijvoorbeeld ook voor kiezen om de mentor geregeld een mentoruur, huiswerkbegeleiding of andere contacturen te laten verzorgen op de school waar ‘zijn’ leerlingen het onderwijs feitelijk volgen. Zo hoeven de leerlingen niet tussen de scholen heen en weer te reizen, maar krijgen zij bezoek van hun mentor.
Daarnaast adviseert de Afdeling de verruiming te beperken tot krimpgebieden, met het oog op de gevolgen voor de keuzevrijheid van ouders en leerlingen. De regering acht het niet wenselijk om de toepassing van de verruiming van samenwerking tot 50% van de cursusduur, wettelijk te beperken tot krimpgebieden. Ten eerste is het voor de uitvoerbaarheid van de maatregel onwenselijk om gebieden aan te wijzen en grenzen vast te stellen waarbinnen scholen gebruik kunnen maken van de verruiming. Scholen moeten zelf kunnen kiezen met wie ze willen samenwerken. Bovendien speelt hierbij mee dat de leerlingendaling de komende jaren heel snel oploopt en dat maar liefst 85% van de gemeenten hier de komende jaren mee te maken zal krijgen, omdat de oorzaak niet alleen in demografische ontwikkelingen ligt, maar bijvoorbeeld ook in de trend van verstedelijking. Ten tweede zal de verregaande vorm van samenwerking tussen scholen die hierdoor mogelijk wordt, in de praktijk naar verwachting alleen worden toegepast in regio’s waarin sprake is van een forse leerlingendaling. De samenwerking vraagt nogal wat organisatie van scholen en neemt ook de nodige administratieve lasten met zich mee. Scholen zullen alleen overgaan tot deze vorm van samenwerking indien de leerlingendaling daartoe voldoende aanleiding vormt.
De regering hecht veel waarde aan de keuzevrijheid voor ouders en leerlingen en verwacht dat onderhavig ontwerpbesluit eraan kan bijdragen dat bestaand onderwijsaanbod behouden kan blijven voor regio’s waar het aantal leerlingen terugloopt. Scholen in krimpgebieden houden, met name in de bovenbouw, door de terugloop van het aantal leerlingen soms te kleine klassen over om alle onderwijsvoorzieningen in stand te kunnen houden. Door het mogelijk te maken dat deze scholen hun onderwijsvoorzieningen delen en leerlingen bijeen kunnen voegen in verzamelklassen, kunnen zij in samenwerking een dekkend onderwijsaanbod in stand houden. Daardoor wordt voorkomen dat scholen moeten sluiten en dit is met name voor de leerlingen in de onderbouw van die scholen van groot belang. Zij hoeven dan pas in de latere leerjaren verder weg te reizen naar school, maar kunnen in de onderbouw de school in de buurt blijven bezoeken.
2. Leerplichtwet
De mogelijkheid om het onderwijs geheel of gedeeltelijk te volgen aan een andere school dan de school van inschrijving, kan naar het oordeel van de Afdeling strijd opleveren met de Leerplichtwet 1969 (hierna: Leerplichtwet). De Afdeling adviseert daarom de Leerplichtwet aan te passen, alvorens te besluiten tot vaststelling van het ontwerpbesluit. De regering is van mening dat het ontwerpbesluit geen strijd oplevert met de Leerplichtwet.
Artikel 2 van de Leerplichtwet bepaalt dat ouders of verzorgers verplicht zijn te zorgen dat de jongere als leerling van een school staat ingeschreven en deze school na inschrijving geregeld bezoekt. Een leerling kan tijdelijk op een andere locatie les krijgen dan op de eigen school. Zo lang de school waar de leerling is ingeschreven verantwoordelijk blijft voor de leerling op dat moment, is er sprake van geregeld schoolbezoek.
Artikel 4c van de Leerplichtwet regelt de invulling van de verplichting tot geregeld schoolbezoek voor kwalificatieplichtigen. In het eerste lid wordt voor het onderwijsprogramma zelfs specifiek verwezen naar onder meer artikel 25a, derde lid, onderdeel d, van de Wet op het voortgezet onderwijs. In artikel 25a, derde lid, onderdeel d, staat dat in de samenwerkingsovereenkomst het onderwijsprogramma wordt opgenomen dat volgens de samenwerking wordt vormgegeven. Hiermee is dus wettelijk geregeld dat wanneer de leerlingen die kwalificatieplichtig zijn, het onderwijsprogramma volgen dat volgens de samenwerking is vormgegeven, voldaan is aan geregeld schoolbezoek als bedoeld in de Leerplichtwet. Naar het oordeel van de regering is het dan ook niet noodzakelijk de Leerplichtwet aan te passen alvorens te besluiten tot vaststelling van het ontwerpbesluit.
3. Samenwerkingsovereenkomst
De Afdeling adviseert om in het ontwerpbesluit extra waarborgen op te nemen omtrent de voorlichting aan ouders en leerlingen en de verantwoording, met name in financiële zin, aan de Inspectie. Hierbij is van belang dat de medezeggenschapsraad van de school op grond van artikel 11 van de Wet medezeggenschap op scholen, adviesrecht heeft op de samenwerking die de school met andere scholen of instellingen aangaat. Artikel 24a van de WVO eist bovendien al dat de schoolgids de ouders en leerlingen informeert over de werkwijze van de school en het verzuimbeleid. Dit geeft naar het oordeel van de regering voldoende waarborg dat ouders en leerlingen worden geïnformeerd over de samenwerking. Als de samenwerking ertoe leidt dat voor een deel van de leerlingen een deel van het onderwijs feitelijk op een andere locatie wordt verzorgd, zal de school de ouders en leerlingen daarover in de praktijk uiteraard informeren. De regering acht het om deze redenen niet noodzakelijk om in het besluit aanvullende eisen te stellen aan de voorlichting van ouders en leerlingen.
In artikel 25a van de WVO is opgenomen dat, wanneer bij de samenwerking sprake is van overheveling van een deel van de bekostiging, de omvang daarvan en de bestemming van de over te dragen middelen moeten worden vermeld in de samenwerkingsovereenkomst. Naarmate bij de samenwerking een groter deel van de leerlingen voor langere tijd wordt uitbesteed, is vaker sprake van overheveling van middelen tussen de samenwerkende scholen. Overheveling van bekostiging wordt bovendien geregistreerd in de boekhouding, waarop accountantscontrole plaats vindt. Door de accountantscontrole en door de vermelding in de samenwerkingsovereenkomst krijgt het interne en het externe toezicht voldoende zicht op de financiële gevolgen van de samenwerking en de uitbesteding van leerlingen. De toelichting bij het ontwerpbesluit is op dit punt aangevuld. Overwogen is om verplicht te stellen dat de samenwerkingsovereenkomst vooraf ter goedkeuring of ter informatie wordt voorgelegd aan de Inspectie. In overleg met de Inspectie is hiervan afgezien. De noodzaak voor zo’n aanvullende administratieve verplichting ontbreekt hier, ook naar het oordeel van de Inspectie. Het introduceren van deze eis zou daarmee niet passen in het streven van de regering om de regeldruk en de administratieve lasten voor scholen waar mogelijk te beperken.
Voorts is niet meer voorzien in mede-ondertekening van het beoogde besluit door de Staatssecretaris van Economische Zaken, aangezien dit ontwerpbesluit het voortgezet en middelbaar beroepsonderwijs in algemene zin betreft en niet specifiek het groen onderwijs. In dit verband verwijs ik tevens naar de recente brief aan de Tweede Kamer over het groen onderwijs (Kamerstukken II 2015/16, 34 284, nr.1). Om deze reden zijn dit nader rapport en de nota van toelichting bij het ontwerpbesluit tot stand gekomen in overeenstemming met de Staatssecretaris van Economische Zaken.
Ik moge U hierbij, mede namens de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en in overeenstemming met de Staatssecretaris van Economische Zaken, het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
(1) Kamerstukken II 2004/05, 30 068, nr. 3, blz. 2 en 7.
(2) Kamerstukken II 2004/05, 30 068, nr. 3, blz. 9.
(3) Uitvoerings- en handhavingstoets, 22 mei 2015, blz. 10.
(4) Vergelijk J. Sperling en A.M.T Wigger, "One size fits all" Leerplichtwet niet meer van deze tijd, Gst. 2015/39.
(5) Algemene toelichting, Samenwerkingsovereenkomst.