Voorlichting over de rechtmatigheid van het voornemen, respectievelijk het besluit van de Rijksministerraad tot het geven van een aanwijzing om onderzoek te doen naar de integriteit van het bestuur van Sint Maarten.
- Kenmerk
- W04.13.0366/I/Vo/K/B
- Datum advies
- 21 november 2013
- Datum publicatie
- 16 juni 2022
- Vindplaats
- Website Raad van State
- Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties
- Voorlichting
Toon inhoud
Voorlichting over de rechtmatigheid van het voornemen, respectievelijk het besluit van de Rijksministerraad tot het geven van een aanwijzing om onderzoek te doen naar de integriteit van het bestuur van Sint Maarten.
Bij brieven van 25 en 28 september 2013 heeft de Gevolmachtigde Minister van Sint Maarten op de voet van artikel 21a, eerste lid, van de Wet op de Raad van State aan de Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk gevraagd hem van voorlichting te dienen over de rechtmatigheid van het voornemen, respectievelijk het besluit van de Rijksministerraad tot het geven van een aanwijzing om onderzoek te doen naar de integriteit van het bestuur van Sint Maarten.
Ingevolge artikel 13 van het Statuut is er een Raad van State van het Koninkrijk. Volgens vaste praktijk is de Wet op de Raad van State van toepassing op het functioneren van de Raad van State van het Koninkrijk, tenzij bij of krachtens het Statuut daar vanaf wordt afgeweken. In haar voorlichting aan de Tweede Kamer inzake een visie op het Koninkrijk, heeft de Afdeling advisering geconcludeerd dat de bepalingen van de Wet op de Raad van State eveneens van toepassing zijn op het functioneren van de Raad van State van het Koninkrijk, tenzij uit enige bepaling van het Statuut zou moeten worden afgeleid dat dit niet de bedoeling is, of dat dit daarmee strijdig is. (zie noot 1)
Artikel 21a, eerste lid, van de Wet op de Raad van State luidt sinds 2010: "De Afdeling advisering dient op verzoek Onze Ministers dan wel een van beide kamers der Staten-Generaal van voorlichting in aangelegenheden van wetgeving en bestuur." Artikel 21a verplicht de Afdeling advisering om ministers op hun verzoek voorlichting te geven op hun vragen met betrekking tot wetgeving en bestuur.
Daargelaten de vraag of een Gevolmachtigde Minister voor de toepassing van artikel 21a van de Wet op de Raad van State gelijkelijk als "Onze Minister" kan worden beschouwd, stelt het beginsel van eenheid van de (Rijks)ministerraad beperkingen aan het gebruik van het instrument van voorlichting door afzonderlijke ministers, in het bijzonder wanneer de gevraagde voorlichting een materie betreft waarvoor de Rijksministerraad of de regering in beginsel bevoegd is. Blijkens de brief van 25 september 2013 hangt het verzoek om voorlichting samen met een discussie binnen de Rijksministerraad over de mogelijkheid tot het geven van een aanwijzing om onderzoek te doen naar de integriteit van het bestuur van Sint Maarten. Mede gelet op het feit dat de Rijksministerraad inmiddels op 27 september 2013 de bedoelde aanwijzing heeft vastgesteld, raakt het verzoek van de Gevolmachtigde Minister mitsdien de eenheid van de Rijksministerraad en de rechtsgrondslag van het handelen daarvan. Met het geven van voorlichting zou de Afdeling dan ook treden in een mogelijk geschil tussen de Rijksministerraad en één van de landen van het Koninkrijk.
Ingevolge artikel 12a van het Statuut dient de rijkswetgever voorzieningen te treffen voor de behandeling van bij rijkswet aangewezen geschillen tussen het Koninkrijk en de landen. Naar de Afdeling begrijpt zijn in het overleg tussen de landen ingevolge (koninkrijksberaad) inmiddels afspraken gemaakt over de voorbereiding van de uitvoering van de opdracht van artikel 12a. Op dit moment zijn de beoogde voorzieningen evenwel nog niet tot stand gekomen. De enkele reden dat dergelijke voorzieningen nog niet tot stand zijn gekomen, kan echter geen reden zijn om de mogelijkheid tot vragen om voorlichting als alternatief te gebruiken voor de oplossing van een dergelijk geschil.
In het licht van deze overwegingen kan de Afdeling, gelet op de omstandigheden van het verzoek om voorlichting, niet inhoudelijk ingaan op de gestelde vragen.
De vice-president van de Raad van State van het Koninkrijk
(1) Kamerstukken II 2010/11, 32 500-IV, nr. 50.