Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Adviezen ›
  3. W04.11.0396/I

Ontwerpbesluit houdende wijziging van het Vreemdelingenbesluit 2000 in verband met aanscherping van de glijdende schaal, met nota van toelichting.

Kenmerk
W04.11.0396/I
Datum advies
28 november 2011
Vindplaats
Staatscourant 2012, nr. 14035
  • Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties
  • Algemene maatregel van bestuur

Toon inhoud

  • Samenvatting
  • Volledige tekst
Samenvatting

Op 28 november 2011 heeft de Afdeling advisering van de Raad van State advies uitgebracht over de aanscherping van de zogenoemde glijdende schaal in het Vreemdelingenbesluit 2000. Een verblijfsvergunning van een vreemdeling kan worden ingetrokken, of niet worden verlengd, wanneer hij bepaalde strafbare feiten heeft gepleegd. Daarbij wordt een verband gelegd tussen de duur van het verblijf en de ernst van de door het strafbare feit veroorzaakte inbreuk op de openbare orde. Dit wordt de 'glijdende schaal' genoemd. Het ontwerpbesluit voorziet in een vijftal aanscherpingen van de 'glijdende schaal'. Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State over dit ontwerpbesluit is op 17 april 2012 door de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel openbaar gemaakt.

Inhoud van het ontwerpbesluit
De eerste aanscherping houdt in dat elk misdrijf, waarvoor minimaal één dag onvoorwaardelijke gevangenisstraf is opgelegd, kan worden tegengeworpen gedurende de eerste drie jaren van het verblijf. De tweede aanscherping betreft het van toepassing verklaren van eerdere aanscherpingen, die waren bedoeld voor veelplegers en plegers van zware misdrijven, op plegers van 'gewone' misdrijven. De derde aanscherping is de 'verruiming' van de definitie van veelplegers tot plegers van drie misdrijven, waarbij het onderscheid naar verblijfduur komt te vervallen. Ten vierde komt voor plegers van zeer ernstige misdrijven de eindtermijn van twintig jaren verblijf (waarna intrekking van de verblijfsvergunning niet meer mogelijk is) te vervallen. Eveneens vervalt de eindtermijn van vijftien jaren verblijf voor vreemdelingen die hier zijn geboren of voor hun tiende levensjaar verblijfsrecht hebben verkregen. Daarbij wordt de bestaande omschrijving van zeer ernstige misdrijven (gewelds- en drugsdelicten) uitgebreid met ernstige zedendelicten. Tot slot wordt de mogelijkheid om een verblijfsvergunning af te wijzen verruimd, doordat ook de straf van jeugddetentie en de maatregel betreffende het gedrag kunnen worden tegengeworpen.

Doel van het ontwerpbesluit
Volgens de toelichting van de regering wordt met de wijziging uitvoering gegeven aan een bredere aanpak van criminaliteit van vreemdelingen. De Afdeling advisering constateert dat niet is aangegeven om welke soort (ernstige) strafbare feiten het gaat, in welke mate ze worden gepleegd en door wie. De Afdeling advisering is van oordeel dat op basis van de gegeven toelichting niet kan worden vastgesteld waarom de aanscherping van de 'glijdende schaal' wordt voorgesteld en waarom deze aanscherping noodzakelijk is. Zij adviseert de toelichting op het voorstel te voorzien van een dragende motivering, waarin een specificatie wordt gegeven van de 'kwalitatieve verandering' die de regering op het oog heeft.

Internationale rechten blijven intact
Volgens de regering wordt met de aanscherping geen afbreuk gedaan aan de Europese en internationale bescherming, zoals die wordt geboden door het recht op gezins- en privé-leven onder het EVRM en het EU-Handvest. De uitzetting van vreemdelingen mag volgens de regering niet in strijd zijn met Europese en internationale waarborgen op dit punt. De Afdeling advisering is van oordeel dat de globale verwijzing naar deze normen geen afdoende bescherming biedt tegen een ongerechtvaardigde uitzetting tengevolge van deze aanscherping. Daarom vindt de Afdeling advisering dat in de toelichting op het besluit beter moet worden aangegeven welke afwegingscriteria in de praktijk moeten worden gehanteerd om de gerechtvaardigde belangen van de vreemdeling en die van de staat in evenwicht te brengen zodat een inbreuk op Europese en internationale rechtsnormen wordt voorkomen.

Lees hier de volledige tekst van het advies en de reactie op het advies.

Volledige tekst

Ontwerpbesluit houdende wijziging van het Vreemdelingenbesluit 2000 in verband met aanscherping van de glijdende schaal, met nota van toelichting.

Van dit advies is een samenvatting gemaakr.

Bij Kabinetsmissive van 22 september 2011, no.11.002306, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister voor Immigratie en Asiel, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende wijziging van het Vreemdelingenbesluit 2000 in verband met aanscherping van de glijdende schaal, met nota van toelichting.

Op grond van de Vreemdelingenwet 2000 kan de aanvraag tot verlenging van een verblijfsvergunning van een rechtmatig verblijvende vreemdeling die een inbreuk maakt op de openbare orde doordat hij bepaalde strafbare feiten pleegt, worden afgewezen of kan zijn verblijfsvergunning worden ingetrokken.(zie noot 1) Daarmee is het rechtmatig verblijf beëindigd en kan de vreemdeling (in beginsel) worden uitgezet. Als hoofdregel bij het bepalen welke strafbare feiten tot afwijzing respectievelijk intrekking kunnen leiden, geldt dat een verband wordt gelegd tussen de duur van het rechtmatig verblijf en de ernst van de door het strafbare feit veroorzaakte inbreuk op de openbare orde. Dit verband is uitgewerkt in artikel 3.86 van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000 en wordt de 'glijdende schaal' genoemd. Het ontwerpbesluit voorziet in een vijftal aanscherpingen van de 'glijdende schaal'.

De eerste aanscherping bestaat hierin dat elk misdrijf, waarvoor minimaal één dag onvoorwaardelijke gevangenisstraf is opgelegd, kan worden tegengeworpen gedurende de eerste drie jaren van het verblijf.(zie noot 2) De tweede aanscherping betreft een uitbreiding van de eerdere aanscherping voor veelplegers(zie noot 3) en plegers van zware misdrijven(zie noot 4) tot plegers van 'gewone' misdrijven. De derde aanscherping betreft de 'verruiming' van de definitie van veelplegers tot plegers van drie misdrijven, waarbij het onderscheid naar verblijfduur(zie noot 5) komt te vervallen. Ten vierde komt voor plegers van zeer ernstige misdrijven de eindtermijn van twintig jaren verblijf te vervallen, alsmede de eindtermijn van vijftien jaren verblijf ten aanzien van vreemdelingen die hier zijn geboren of voor hun tiende levensjaar verblijfsrecht hebben verkregen, waarna intrekking van de verblijfsvergunning niet meer mogelijk is. Daarbij wordt de huidige omschrijving van zeer ernstige misdrijven van gewelds- en drugsdelicten verruimd met de categorie van de ernstige zedendelicten. Tot slot wordt de mogelijkheid tot afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsvergunning(zie noot 6) verruimd, doordat ook de straf van jeugddetentie en de maatregel betreffende het gedrag kunnen worden tegengeworpen.

De Afdeling advisering van de Raad van State maakt naar aanleiding van het ontwerpbesluit een aantal opmerkingen met betrekking tot de noodzaak van het ontwerpbesluit en de proportionaliteit ervan met betrekking tot verkorting van de treden van de 'glijdende schaal', het vervallen van de eindtermijn en het overgangsrecht. Zij is van oordeel dat in verband daarmee het ontwerpbesluit deels nader dient te worden overwogen.

1. Nut en noodzaak van aanscherping van de 'glijdende schaal'
Het ontwerpbesluit strekt ertoe meer gevallen en meer personen onder de werking van de 'glijdende schaal' te brengen. Daarmee maakt het ontwerpbesluit onderdeel uit van de reeks aanscherpingen die in de loop van de tijd hebben plaats gehad.(zie noot 7) In de toelichting wordt volstaan met de motivering dat het ontwerpbesluit uitvoering geeft aan een bredere aanpak van criminaliteit van vreemdelingen. Een nadere aanduiding van de soort en de ernst van de strafbare feiten, de mate waarin ze worden gepleegd en door wie, bevat de toelichting niet. De toelichting vermeldt evenmin wat de (beoogde) gevolgen zijn van de voorgestelde aanscherping. Een cijfermatige onderbouwing(zie noot 8) kan volgens de regering niet worden gegeven, omdat ter zake geen registratie wordt bijgehouden. Voor de regering staat een 'kwalitatieve verandering' voorop die voor haar onderbouwing niet afhankelijk is van kwantitatieve gevolgen.
Met de 'glijdende schaal' wordt de relatie gelegd tussen de aard en de ernst van het strafbare feit en de (rechtmatige) verblijfsduur als maatstaf aan de hand waarvan wordt bepaald of de intrekking van een verblijfstitel in beginsel is gerechtvaardigd. De afweging of daadwerkelijk wordt besloten tot verblijfsbeëindiging dient evenwel geen automatisme te zijn, maar moet steeds berusten op een belangenafweging in individuele gevallen. Het ontwerpbesluit tornt op zichzelf niet aan dit stelsel.(zie noot 9) De individuele toetsing zal, aldus de toelichting, met het ontwerpbesluit niet worden verlaten. Dat betekent dat, hoewel de betrokken vreemdeling binnen de termen van de 'glijdende schaal' valt, zijn uitzetting achterwege moet blijven wanneer daar in zijn concrete geval Europese regelgeving, internationaal geborgde rechten zoals het recht op eerbiediging van gezins- en familieleven, maar ook van het privé-leven aan in de weg staan.(zie noot 10) De genoemde rechten zien in het bijzonder op artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), artikel 7 van het EU-Handvest van de grondrechten en waarborgen ontleend aan het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en de daarop gebaseerde secundaire EU-regelgeving, waaronder de gezinsherenigingsrichtlijn,(zie noot 11) alsmede het Associatierecht. Met betrekking tot artikel 8 van het EVRM heeft het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in onder meer de zaken Boultif(zie noot 12) en Üner(zie noot 13) richtlijnen gegeven aan welke punten moet worden getoetst om beëindiging van rechtmatig verblijf te kunnen rechtvaardigen.(zie noot 14)

De Afdeling is van oordeel dat op basis van de gegeven toelichting niet kan worden vastgesteld waarom de aanscherping van de 'glijdende schaal' wordt voorgesteld en waarom deze aanscherping noodzakelijk is. De Afdeling adviseert de toelichting op het voorstel te voorzien van een dragende motivering, waarin een specificatie wordt gegeven van de 'kwalitatieve verandering' die de regering op het oog heeft. Daarbij dient een indicatie te worden gegeven van de situaties waarin de huidige 'glijdende schaal' knelt, in die zin dat vreemdelingen die een straf van een bepaalde hoogte opgelegd krijgen, ten onrechte buiten de 'glijdende schaal' vallen en dus niet kunnen worden verwijderd. Daarbij dient tevens te worden ingegaan op het gegeven dat de toepassing van de aangescherpte 'glijdende schaal' en de daaruit voortvloeiende uitzetting veelal toch niet mogelijk zal zijn, omdat de hiervoor genoemde rechten zich daartegen verzetten, alsmede op het gegeven dat vreemdelingen die vergelijkbare straffen hebben opgelegd gekregen, maar die zich niet op deze rechten kunnen beroepen, op grond van die aangescherpte 'glijdende schaal' wel kunnen worden uitgezet.

2. Het recht op privé-leven
Wanneer de uit te zetten persoon een minderjarige is - of was ten tijde van zijn veroordeling - verlangt het EHRM dat het feit dat het in de samenleving geïntegreerde jeugdigen betreft, wordt meegewogen.(zie noot 15) Daartoe is de opmerking in de toelichting - naar aanleiding van het advies van de ACVZ - dat dit alles is verdisconteerd in de weging van 'de aard en de hechtheid van de gezinsband van de vreemdeling'(zie noot 16) ontoereikend. Het is zeer wel denkbaar dat de betrokken vreemdeling nog geen gezinsband heeft of inmiddels niet meer heeft, maar dat sluit niet uit dat hij, bij langdurig verblijf, gelet op zijn school- of beroepsopleiding in, en sociale en culturele banden met het ontvangende land een te eerbiedigen privé-leven heeft opgebouwd in de zin van artikel 8 van het EVRM.(zie noot 17)
Daarnaast verlangt het Verdrag voor de Rechten van het Kind in voorkomende gevallen een uitdrukkelijke belangenafweging op dit punt. Het advies van de ACVZ om het dertiende lid van artikel 3.86 van het Vb 2000 niet restrictief uit te leggen - in die zin dat het slechts ziet op vergunningen onder de beperking van verblijf bij familie- of gezinslid - wijst de regering af. Volgens de toelichting kan worden volstaan met de algemene norm dat uitzetting niet in strijd mag zijn met artikel 8 van het EVRM.(zie noot 18)
Naar het oordeel van de Afdeling is de gegeven uitleg in de toelichting van dit verdragsartikel te beperkt en geeft de verwijzing naar de algemene norm dat de uitzetting niet in strijd mag zijn met artikel 8 van het EVRM onvoldoende houvast. De Afdeling adviseert de toelichting op dit punt aan te vullen.

3. Verlaging van de 'straftarieven' in de 'glijdende schaal'
Vanaf 1990 tot 2002 is bij een rechtmatig verblijf van minder dan drie jaren de norm steeds geweest dat het onvoorwaardelijke deel (en, sinds in 2001 het 'stapelen' is toegestaan van de onvoorwaardelijke gedeelten) van de straf(fen) tenminste negen maanden moest bedragen om tot verblijfbeëindiging te kunnen besluiten. In 2002 werd dit, afhankelijk van de verblijfsduur binnen die drie jaar, verkort tot één maand, respectievelijk drie en zes maanden.(zie noot 19) Het ontwerpbesluit brengt dat terug tot één dag (het wettelijk minimum). De volgende strafhoogten in de daarop volgende treden worden achtereenvolgens verminderd met twee-derden, de helft, tot één-derde.(zie noot 20)

De huidige regeling bepaalt dat bij een misdrijf waartegen een gevangenisstraf is bedreigd van meer dan zes jaren, het onvoorwaardelijk gedeelte van de straf(fen) kan worden verdubbeld.(zie noot 21) In het ontwerpbesluit wordt hiervoor een 'afgevlakte' variant geïntroduceerd van de schaal uit het voorgestelde tweede lid. Ten opzichte van de huidige regeling lijkt dit een versoepeling, maar in zijn uitwerking betekent het een verzwaring. Wanneer een vreemdeling bijvoorbeeld ter zake van zware mishandeling(zie noot 22) onherroepelijk is veroordeeld tot veertien maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf, mag voor de toepassing van de 'glijdende schaal' in dit geval worden uitgegaan van achtentwintig maanden. Onder de huidige 'glijdende schaal' leidt dat bij een verblijfduur van zes jaren of meer niet tot verblijfsbeëindiging. Op grond van het ontwerpbesluit moet de betrokken vreemdeling daarvoor een verblijfduur hebben van tenminste tien jaren.
Voorts worden veelplegers met een verblijfsduur van meer dan twee jaren, die onder de huidige regeling na een veroordeling voor vijf misdrijven kunnen worden uitgezet,(zie noot 23) in het ontwerpbesluit gelijkgesteld met de veelplegers met een verblijfsduur van minder dan twee jaren, die onder de huidige regeling na veroordeling voor drie misdrijven kunnen worden uitgezet.(zie noot 24) Voor beide categorieën bepaalt het ontwerpbesluit dat bij veroordeling voor drie misdrijven kan worden uitgezet bij een onvoorwaardelijk gedeelte van de straf(fen) dat is aangegeven in een nog meer 'afgevlakte' tabel. Dat betekent het volgende. Een vreemdeling die voor vijf misdrijven onherroepelijk is veroordeeld tot (in totaal) zes maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf bij een verblijfsduur van tenminste zes jaren, wordt onder toepassing van de huidige 'glijdende schaal' niet uitgezet.(zie noot 25) Bij de toepassing van het ontwerpbesluit kan dezelfde straf reeds bij het derde misdrijf leiden tot uitzetting, wanneer de vreemdeling nog geen verblijfsduur heeft van tenminste vier jaren.

De Afdeling merkt op dat dergelijke ingrijpende wijzigingen, die meer vreemdelingen treffen en die aanzienlijk eerder tot verblijfsbeëindiging zullen kunnen leiden, een toereikende motivering vereisen. Daarbij dienen in het bijzonder de proportionaliteitsvereisten in artikel 8 van het EVRM en de overige in punt 1 genoemde fundamentele waarborgen te worden betrokken. Zoals de Afdeling hiervoor heeft vastgesteld ontbreekt die in de toelichting, zowel wat betreft de aanleiding voor dit ontwerpbesluit als ten aanzien van het te verwachten resultaat. De Afdeling is van oordeel dat dergelijke ingrijpende wijzigingen niet enkel kunnen worden gebaseerd op een 'kwalitatieve verandering' als in de toelichting aangeduid. Zij adviseert de toelichting op dit punt aan te vullen.
Voor zover het vreemdelingen betreft met een verblijfsduur die korter is dan drie jaren en die met uitzetting worden bedreigd na oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van één of enkele dagen(zie noot 26) voor het plegen van één misdrijf is de Afdeling van oordeel dat uitzetting een disproportionele maatregel is in het licht van de vorengenoemde fundamentele waarborgen. De Afdeling adviseert het ontwerpbesluit ter zake aan te passen.

4. Het vervallen van de eindtermijn
In het ontwerpbesluit vervalt de eindtermijn van een verblijfsduur van twintig jaren, waarna de 'glijdende schaal' geen toepassing meer vindt.(zie noot 27) Dat betekent dat verblijfsbeëindiging ook na twintig jaar rechtmatig verblijf nog mogelijk zal zijn wanneer sprake is van een ernstig gewelds-, drugs- dan wel een zedenmisdrijf. Hoewel op grond van de uitleg door het EHRM van artikel 8 van het EVRM het feit van een lange duur van het rechtmatig verblijf van een vreemdeling niet per definitie uitsluit dat hij mag worden uitgezet, ongeacht zijn verblijfsstatus (tenzij hij de nationaliteit van het ontvangende land aanneemt),(zie noot 28) moeten daarbij ook steeds de verplichtingen die voortvloeien uit dat artikel in acht worden genomen. Naar het oordeel van de Afdeling is verblijfsbeëindiging na twintig jaar rechtmatig verblijf slechts in zeer uitzonderlijke gevallen aan te merken als een noodzakelijke en proportionele inbreuk op het recht op eerbiediging van gezins- of familieleven, dan wel het privé-leven van de betreffende vreemdeling.(zie noot 29) Dit geldt ook ten aanzien van het vervallen van de eindtermijn van vijftien jaren voor vreemdelingen die in Nederland zijn geboren of vóór zijn tiende jaar rechtmatig verblijf in Nederland heeft gekregen.(zie noot 30) Voor velen van hen zal gelden dat de banden met Nederland sterker zijn dan met het land van herkomst, zodat hun uitzetting in die gevallen in de regel als een disproportionele maatregel en als een inbreuk op artikel 8 van het EVRM zal worden gekwalificeerd.(zie noot 31) Om die reden adviseert de Afdeling het ontwerpbesluit op dit punt nader te bezien.

5. Zaakslast
Nu het ontwerpbesluit erin voorziet dat in meer gevallen en eerder dan voorheen een vreemdeling onder het bereik van de 'glijdende schaal' zal vallen, is te voorzien dat frequenter dan voorheen een beroep zal worden gedaan op de uitzonderingen in artikel 3.86 van het Vb 2000. Dit klemt te meer, omdat in de praktijk de toepassing van de 'glijdende schaal' de regel is, waarbij de afweging van de individuele belangen van de vreemdeling niet of onvoldoende plaatsvindt.(zie noot 32) Dit zal tot een grotere zaakslast leiden. De Raad voor de Rechtspraak heeft eveneens op dit punt gewezen.(zie noot 33) De Afdeling constateert dat dit punt in de toelichting is gesignaleerd, maar geen aanleiding heeft gegeven voor een nadere motivering van de noodzaak van het ontwerpbesluit. De Afdeling adviseert aan dit aspect in de toelichting alsnog aandacht te besteden.

6. Overgangsrecht
Het ontwerpbesluit regelt dat het besluit niet geldt voor vreemdelingen van wie het verblijfsrecht niet kon worden beëindigd op grond van de huidige regeling. Dat is anders, wanneer de vreemdeling na inwerkingtreding van het (ontwerp)besluit wordt veroordeeld tot een onherroepelijke (taak)straf wegens een misdrijf waartegen twee jaar of meer is bedreigd. De Afdeling stelt vast dat, nu de inhoud van het eerste lid van artikel 3.86 van het Vb 2000 niet wordt gewijzigd, maatgevend is of de vreemdeling valt in de categorie van het eerste lid, onder a, dan wel van het eerste lid, onder b, van artikel 3.86 van het Vb 2000. In beide gevallen zal de uitkomst zijn dat de vreemdeling met een verblijfsduur die korter is dan drie jaren, onder het bereik valt van de 'glijdende schaal' na veroordeling voor een misdrijf waartegen twee jaren of meer is bedreigd (categorie a) en een vreemdeling met een verblijfsduur van meer dan drie jaren eerst onder het bereik valt van de 'glijdende schaal' na veroordeling voor een misdrijf waartegen drie jaren of meer is bedreigd (categorie b). In beide gevallen is de tweede volzin van artikel II van het ontwerpbesluit zinledig. De Afdeling adviseert deze tweede volzin te schappen.

Voorts stelt de Afdeling vast dat de positie van in Nederland geboren vreemdelingen en die van vreemdelingen die voor hun tiende levensjaar in Nederland rechtmatig verblijf hebben gekregen, aanzienlijk wordt verslechterd. Met het in werking treden van wetsvoorstel tot wijziging van het wetboek van Strafrecht in verband met het beperken van de mogelijkheden om een taakstraf op te leggen voor ernstige zeden- en geweldsmisdrijven en bij recidive van misdrijven(zie noot 34) vervalt hun beschermde positie bij een verblijfsduur van vijftien jaren.(zie noot 35) Daarvoor in de plaats komt nu een algemene eindtermijn van tien jaren, welke niet geldt in het geval van een veroordeling voor de daar genoemde misdrijven.(zie noot 36) De toelichting vermeldt slechts dat deze keuze voortvloeit uit het laten vervallen van de eindtermijn. De Afdeling is van oordeel dat de toelichting deze verslechtering van de rechtspositie van jeugdige vreemdelingen daarmee niet motiveert. Ook de in de toelichting aangeduide 'kwalitatieve verandering' is daartoe naar het oordeel van de Afdeling ontoereikend.

De Afdeling advisering van de Raad van State geeft U in overweging in dezen geen besluit te nemen dan nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.

De vice-president van de Raad van State


Bijlage bij het advies W04.11.0396/I betreffende aanscherping van de 'glijdende schaal'

Overzicht van de ontwikkeling van de 'glijdende schaal' sinds de Vreemdelingenwet 1965

Op grond van de Vreemdelingenwet van 1965 (Vw 1965) was de intrekking van een vergunning tot vestiging (vtvest) alleen mogelijk bij een misdrijf waartegen drie jaar of meer is bedreigd.(zie noot 37) Weigering van de vtvest kon slechts geschieden wanneer sprake was van een ernstige inbreuk op de openbare rust of de openbare orde of ernstig gevaar nationale veiligheid.(zie noot 38)
Voor de toepassing van de ‘glijdende schaal’ werd uitgegaan van elke onvoorwaardelijke gevangenisstraf of vrijheidsbenemende maatregel wegens een misdrijf, ook bij uitspraken die nog niet onherroepelijk waren. Bij voortgezet verblijf was de mogelijkheid van intrekking van de vtv afhankelijk van de ‘aard en ernst’ van het misdrijf waarvoor de betrokkene bij onherroepelijke uitspraak was veroordeeld. Daarbij mocht slechts het onvoorwaardelijk opgelegde gedeelte van de straf worden meegeteld. Bij rechtmatig verblijf van meer dan 10 jaar was de intrekking van een vtvest of eventueel een vtv slechts mogelijk bij een veroordeling voor een misdrijf met betrekking tot verdovende middelen of voor ernstige gewelds- of vermogensdelicten.(zie noot 39) Voor de vormgeving van deze ‘glijdende schaal’ zij verwezen naar de tabel.

Sinds 23 februari 1990 is door middel van TBV 33 de ‘glijdende schaal’ in Vc 1982 nader uitgewerkt.(zie noot 40) Deze ‘glijdende schaal’ is in de Vc 1994(zie noot 41) ongewijzigd overgenomen. De intrekking van een vergunning tot verblijf (vtv) of een vtvest is wederom verbonden aan de voorwaarde dat de betrokkene bij onherroepelijk geworden vonnis is veroordeeld voor het opzettelijk plegen van een misdrijf waartegen tenminste drie jaar is bedreigd. Als verblijfsduur wordt gerekend het onafgebroken verblijf in Nederland op grond van artikel 9 of 10, eerste lid, van de Vw 1965 tot aan de pleegdatum. Hiervoor wordt eveneens verwezen naar de tabel. Bij een verblijfsduur van meer dan 10 jaren is verblijfsbeëindiging en ongewenstverklaring alleen mogelijk bij veroordeling voor een ernstig geweldsmisdrijf of de handel in verdovende middelen. Bij een verblijfsduur van meer dan 15 jaar is verblijfsbeëindiging en ongewenstverklaring alleen mogelijk bij handel in verdovende middelen op grote schaal. Na een verblijfsduur van 20 jaar is verblijfsbeëindiging en ongewenstverklaring wegens een inbreuk op de openbare orde niet meer mogelijk.

Met ingang van 1 april 2001 wordt de ‘glijdende schaal' opnieuw aangepast (lees: verscherpt).(zie noot 42) Bovendien wordt de ‘glijdende schaal’ van beleidsregel opgewaardeerd tot een algemeen verbindend voorschrift doordat het een plaats krijgt in artikel 3.86 van het Vb 2000.

Aan de voorwaarde dat de betrokkene bij onherroepelijk geworden vonnis is veroordeeld ter zake van een misdrijf waartegen drie jaar of meer is bedreigd, worden niet alleen de gevangenisstraf, maar ook de oplegging van een taakstraf of maatregel gerekend. Bij een verblijfsduur van korter dan vijf jaren is het optellen van de onvoorwaardelijk opgelegde gedeelten van de misdrijven waarvoor betrokkene is veroordeeld (‘stapelen’) toegestaan.(zie noot 43) Voor de inhoud van de ‘glijdende schaal’ wordt wederom verwezen naar de tabel.
De aanvraag voor verlenging van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd of de verlening voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd wordt na 10 jaar verblijfsduur niet afgewezen tenzij sprake is van veroordeling voor een geweldsdelict of de handel in verdovende middelen. Bij een verblijfsduur van 15 is de afwijzing slechts mogelijk wegens veroordeling voor handel in verdovende middelen. Na 20 jaar verblijfsduur wordt de aanvraag niet meer afgewezen in verband met gevaar voor de openbare orde.

Per 17 juli 2002(zie noot 44) is de ‘glijdende schaal’ opnieuw aangescherpt. Volgens de toelichting van de toenmalige Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie(zie noot 45) gold voor ‘gemeenschapsonderdanen’ en Turken die rechten kunnen ontlenen aan Besluit 1/80 de aanvullende eis, naast de normen van de ‘glijdende schaal’ dat sprake moet zijn van een actuele bedreiging van de openbare orde in de zin van het gemeenschapsrecht. Over de toepassing van de ‘glijdende schaal’ in hun geval zou afzonderlijk beleid worden vastgesteld.
De aanscherping bestond in de mogelijkheid om bij een verblijfduur van korter dan drie jaar de onherroepelijk geworden veroordeling te betrekken voor een misdrijf waartegen twee jaar of meer is bedreigd.(zie noot 46) Voor een verblijfsduur van tenminste drie jaren bleef de veroordeling voor een misdrijf waartegen drie jaar of meer is bedreigd gehandhaafd.
Bij de straffen opgelegd bij de eerste drie gedifferentieerde treden gold bovendien dat het een onherroepelijke vonnis betreffende veroordeling tot een gevangenisstraf kon betreffen, als ook tot een taakstraf of maatregel. Voor de inhoud van de ‘glijdende schaal’ wordt wederom verwezen naar de tabel.
De aanvraag voor verlenging van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd of de verlening voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd wordt na 10 jaar verblijfsduur niet afgewezen tenzij sprake is van veroordeling voor een geweldsdelict of de handel in verdovende middelen. Bij een verblijfsduur van 15 jaar is de afwijzing slechts mogelijk wegens veroordeling voor handel in verdovende middelen. Na 20 jaar verblijfsduur wordt de aanvraag niet meer afgewezen in verband met gevaar voor de openbare orde.
Bij Besluit van 29 september 2004(zie noot 47) is de ‘glijdende schaal’ nogmaals aangescherpt in die zin, dat naast jeugddetentie de plaatsing in een jeugdinrichting (artikel 77 h Wetboek van Strafrecht) of een inrichting voor verslaafden (artikel 38m WvSr) kon worden meegewogen in de vraag of het verblijf kon worden beëindigd.(zie noot 48) Daarbij mocht artikel 8 van het EVRM of het Verdrag inzake de rechten van het kind (VRK) niet uit het oog worden verloren.
Overigens werd opgemerkt(zie noot 49) dat de Associatie EG-Turkije, meer bepaald artikel 41 van het Aanvullend Protocol en het ‘beperktere’ artikel 13 van Besluit 1/80 zich niet tegen de aangekondigde maatregelen zouden verzetten, aangezien zij geen betrekking hebben op de vrijheid van vestiging en dienstverlening en omdat artikel 13 van Besluit 1/80 niet ziet op Turkse onderdanen en hun gezinsleden die zich in Nederland voor het eerst voor gezinsvorming of -hereniging willen vestigen. De stand still-bepaling zou wel van belang kunnen zijn voor verblijfsbeëindiging van een (gezinslid van een) Turkse werknemer.

Een latere aanscherping van de ‘glijdende schaal’ werd voorgesteld,(zie noot 50) maar niet uitgevoerd.(zie noot 51)


Het voorgaande levert de volgende tabellen op

Vreemdelingenwet 1965

Verblijfduur Onvoorwaardelijk gedeelte van de straf
1 jaar 2-3 maanden
2 jaar 3-6 maanden
> 2 jaar > 6 maanden
meer dan 10 jaar misdrijf met betrekking tot verdovende middelen of voor ernstige gewelds- of vermogensdelicten

Wegingsfactoren
• banden met het land van herkomst
• mate van aanpassing in de Nederlandse samenleving
• gevolgen voor de vreemdeling en zijn gezin
• risico recidive
• eerdere strafbare feiten


TBV 33, 23 februari 1990 tot 23 februari 1994

Verblijfsduur Onvoorwaardelijk gedeelte van de straf
Minder dan 3 jaar 9 maanden
Tenminste drie, minder dan vier jaar 18 maanden
Tenminste vier, minder dan vijf jaar 21 maanden
Tenminste vijf, minder dan zes jaar 24 maanden
Tenminste zes, minder dan zeven jaar 30 maanden
Tenminste zeven, minder dan acht jaar 36 maanden
Tenminste acht, minder dan negen jaar 45 maanden
Tenminste negen, minder dan tien jaar 54 maanden
Tenminste tien, minder dan vijftien jaar 60 maanden (ernstig geweldsmisdrijf of handel in verdovende middelen)
Tenminste vijftien, minder dan twintig jaar 96 maanden (handel in verdovende middelen op grote schaal)
Meer dan 20 jaar Geen verblijfsbeëindiging/ongewenstverklaring wegens een inbreuk op de openbare orde meer mogelijk.

Uitzonderingen
Minderjarige vreemdelingen met een in Nederland gevestigde ouder
Vreemdelingen die in Nederland zijn geboren of voor hun 10e jaar zijn toegelaten
• verblijfsbeëindiging en ongewenstverklaring tot 15 jaar verblijfsduur
• bij een verblijfsduur tussen 10 en 15 jaar: alleen bij ernstige geweldsdelicten en handel in verdovende middelen

Artikel 3.86 Vb 2000 (1 april 2001-17 juli 2002)

Verblijfduur Onvoorwaardelijke gedeelten van de straffen(zie noot 52)
Tenminste 1 dag, minder dan 3 jaar 9 maanden
Tenminste 3 jaar, minder dan 4 jaar 18 maanden
Tenminste 4 jaar, minder dan 5 jaar 21 maanden
Tenminste 5 jaar, minder dan 6 jaar 24 maanden
Tenminste 6 jaar, minder dan 7 jaar 30 maanden
Tenminste 7 jaar, minder dan 8 jaar 36 maanden
Tenminste 8 jaar, minder dan 9 jaar 45 maanden
Tenminste 9 jaar, minder dan 10 jaar 54 maanden
Tenminste 10 jaar, minder dan 15 jaar 60 maanden (geweldsdelict of de handel in verdovende middelen)
Tenminste 15 jaar, minder dan 20 jaar 96 maanden (handel in verdovende middelen)
Na 20 jaar Geen afwijzing aanvraag wegens gevaar openbare orde

17 juli 2002 – heden (Besluit van 5 juli 2002, Stb. 2002, 371)(zie noot 53)

Verblijfduur Onvoorwaardelijke gedeelten van de straffen(zie noot 54)
< 1 jaar 1 maand
Tenminste 1 jaar, minder dan 2 jaar 3 maanden
Tenminste 2 jaar, minder dan 3 jaar 6 maanden
Tenminste 3 jaar, minder dan 4 jaar 9 maanden
Tenminste 4 jaar, minder dan 5 jaar 12 maanden
Tenminste 5 jaar, minder dan 6 jaar 24 maanden
Tenminste 6 jaar, minder dan 7 jaar 30 maanden
Tenminste 7 jaar, minder dan 8 jaar 36 maanden
Tenminste 8 jaar, minder dan 9 jaar 45 maanden
Tenminste 9 jaar, minder dan 10 jaar 54 maanden
Tenminste 10 jaar, minder dan 15 jaar 60 maanden (geweldsdelict of de handel in verdovende middelen)
Tenminste 15 jaar, minder dan 20 jaar 96 maanden (handel in verdovende middelen)
Na 20 jaar Geen afwijzing aanvraag wegens gevaar openbare orde

Bij Besluit van 29 september 2004(zie noot 55) is de ‘glijdende schaal’ nogmaals aangescherpt in die zin, dat naast jeugddetentie de plaatsing in een jeugdinrichting (artikel 77 h Wetboek van Strafrecht) of een inrichting voor verslaafden (artikel 38m WvSr) kon worden meegewogen in de vraag of het verblijf kon worden beëindigd.(zie noot 56)

Met het inwerking treden van het Besluit modern migratierecht (Besluit MoMi)(zie noot 57) is het tweede lid van artikel 3.86 van het Vb 2000 ongewijzigd gebleven. In het vierde lid van deze bepaling is een tabel opgenomen voor verblijfsbeëindiging van veelplegers.

Besluit van 24 juli 2010, Stb. 2010, 307
Artikel 3.86, tweede lid, Vb 2000:

Verblijfduur Onvoorwaardelijke gedeelten van de straffen
minder dan 1 jaar: 1 maand;
ten minste 1 jaar, maar minder dan 2 jaar: 3 maanden;
ten minste 2 jaar, maar minder dan 3 jaar: 6 maanden;
ten minste 3 jaar, maar minder dan 4 jaar: 9 maanden;
ten minste 4 jaar, maar minder dan 5 jaar: 12 maanden;
ten minste 5 jaar, maar minder dan 6 jaar: 24 maanden;
ten minste 6 jaar, maar minder dan 7 jaar: 30 maanden;
ten minste 7 jaar, maar minder dan 8 jaar: 36 maanden;
ten minste 8 jaar, maar minder dan 9 jaar: 45 maanden;
ten minste 9 jaar, maar minder dan 10 jaar: 54 maanden;
ten minste 10 jaar, maar minder dan 15 jaar: 60 maanden;
ten minste 15 jaar, maar minder dan 20 jaar: 96 maanden.

Artikel 3.86, vijfde lid, Vb 2000:

Verblijfduur Onvoorwaardelijke gedeelten van de straffen
minder dan 1 jaar: 2 weken;
ten minste 1 jaar, maar minder dan 2 jaar: 1 maand;
ten minste 2 jaar, maar minder dan 3 jaar: 3 maanden;
ten minste 3 jaar, maar minder dan 4 jaar: 4 maanden;
ten minste 4 jaar, maar minder dan 5 jaar: 5 maanden;
ten minste 5 jaar, maar minder dan 6 jaar: 6 maanden;
ten minste 6 jaar, maar minder dan 7 jaar: 7 maanden;
ten minste 7 jaar, maar minder dan 8 jaar: 8 maanden;
ten minste 8 jaar, maar minder dan 9 jaar: 9 maanden;
ten minste 9 jaar, maar minder dan 10 jaar: 10 maanden;
ten minste 10 jaar, maar minder dan 15 jaar: 12 maanden;
ten minste 15 jaar, maar minder dan 20 jaar: 14 maanden.

Het ontwerpbesluit (W04.11.0396/I) bevat de volgende tabellen:

Artikel 3.86, tweede lid, Vb 2000:

Verblijfduur Onvoorwaardelijke gedeelten van de straffen
minder dan 3 jaar: 1 dag;
ten minste 3 jaar, maar minder dan 4 jaar: 3 maanden;
ten minste 4 jaar, maar minder dan 5 jaar: 7 maanden;
ten minste 5 jaar, maar minder dan 6 jaar: 15 maanden;
ten minste 6 jaar, maar minder dan 7 jaar: 18 maanden;
ten minste 7 jaar, maar minder dan 8 jaar: 22 maanden;
ten minste 8 jaar, maar minder dan 9 jaar: 27 maanden;
ten minste 9 jaar, maar minder dan 10 jaar: 33 maanden;
ten minste 10 jaar, maar minder dan 15 jaar: 40 maanden;
ten minste 15 jaar: 65 maanden.

Artikel 3.86, derde lid, Vb 2000:
De in het eerste lid bedoelde norm bedraagt bij een gevangenisstraf wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van meer dan zes jaar is bedreigd, bij een verblijfsduur van:

Verblijfduur Onvoorwaardelijke gedeelten van de straffen
minder dan 3 jaar: 1 dag;
ten minste 3 jaar, maar minder dan 4 jaar: 3 maanden;
ten minste 4 jaar, maar minder dan 5 jaar: 6 maanden;
ten minste 5 jaar, maar minder dan 6 jaar: 12 maanden;
ten minste 6 jaar, maar minder dan 7 jaar: 15 maanden;
ten minste 7 jaar, maar minder dan 8 jaar: 18 maanden;
ten minste 8 jaar, maar minder dan 9 jaar: 22 maanden en 2 weken;
ten minste 9 jaar, maar minder dan 10 jaar: 27 maanden;
ten minste 10 jaar, maar minder dan 15 jaar: 30 maanden;
ten minste 15 jaar: 48 maanden.


Nader rapport (reactie op het advies) van 20 maart 2012

De Afdeling advisering van de Raad van State geeft U in overweging in dezen geen besluit te nemen dan nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.

1. Nut en noodzaak van aanscherping van de ‘glijdende schaal’
De Afdeling is van mening dat op basis van de gegeven toelichting niet kan worden vastgesteld waarom de aanscherping van de 'glijdende schaal' wordt voorgesteld en waarom deze noodzakelijk is. De Afdeling adviseert de toelichting te voorzien van een dragende motivering, waarbij een indicatie dient te worden gegeven van de situaties waarin de huidige glijdende schaal knelt, en wordt ingegaan op het gegeven dat de uit toepassing van de glijdende schaal voortvloeiende uitzetting veelal niet mogelijk zal zijn wegens strijd met internationale verplichtingen.
Indien bij toepassing van de glijdende schaal blijkt dat de vreemdeling onder het bereik van de glijdende schaal valt, dient er in alle gevallen een individuele belangenafweging plaats te vinden, waarbij wordt getoetst aan internationale en Europese verplichtingen, zoals artikel 8 EVRM en het autonome openbare orde-begrip uit het Unierecht. In een aantal gevallen zal intrekking van het verblijfsrecht afketsen op deze internationale en Europese verplichtingen. Naar verwachting zal dit aantal toenemen naarmate de drempelwaarden voor de glijdende schaal lager worden. Dit neemt echter niet weg dat er situaties kunnen zijn waarin dit niet het geval zal zijn. Voor deze situaties biedt de aangescherpte glijdende schaal de mogelijkheid om het verblijf te beëindigen.
De Afdeling merkt op dat vreemdelingen die zich niet op bijzondere bescherming van het Unierecht of het EVRM kunnen beroepen, wel uitgezet kunnen worden, terwijl vreemdelingen die zich wel op deze rechten kunnen beroepen niet kunnen worden uitgezet.
Dit leidt niet tot ongerechtvaardigde rechtsongelijkheid tussen vreemdelingen. Dit onderscheid is immers juist ingegeven door het belang dat mede vanuit het internationale recht wordt gehecht aan bescherming van het gezinsleven en de bijzondere positie van Unie-onderdanen.

2. Het recht op privé-leven
Voorts adviseert de Afdeling om in de toelichting een nadere invulling te geven van het recht op privéleven van artikel 8 EVRM.
In de toelichting op het besluit wordt reeds opgemerkt dat in het achttiende lid van artikel 3.86 expliciet is bepaald dat de aanvraag niet wordt afgewezen indien uitzetting in strijd zou zijn met artikel 8 EVRM. Alle door de Afdeling genoemde belangen, waaronder ook de belangen voortvloeiende uit het Verdrag voor de Rechten van het Kind, zijn hieronder begrepen. Wanneer een vreemdeling nog geen gezinsband heeft of inmiddels niet meer heeft, sluit dat niet uit dat hij een te eerbiedigen privéleven heeft in de zin van artikel 8 EVRM. Het achttiende lid garandeert dat in een dergelijk geval de verblijfsaanvraag niet wordt afgewezen. De reden waarom strijd met artikel 8 EVRM niet is uitgewerkt op het niveau van algemene maatregel van bestuur is dat de criteria aan de hand waarvan strijd met artikel 8 wordt aangenomen voorwerp zijn van voortdurende ontwikkeling in de rechtspraak. Het neerleggen van deze vaak zeer gedetailleerde criteria in het Vreemdelingenbesluit zou een voortdurende wijziging van het Vreemdelingenbesluit vergen, hetgeen niet praktisch is. Op het niveau van vreemdelingencirculaire kan een meer specifieke uitwerking plaatsvinden, en kan beter rekening worden gehouden met de ontwikkelingen in de jurisprudentie.
De toelichting is naar aanleiding van dit advies aangevuld, en er is in meer algemene zin meer houvast geboden aan de hand van de meest belangwekkende uitspraken van het EHRM.

3. Verlaging van de ‘straftarieven’ in de ‘glijdende schaal’
De Afdeling merkt tevens op dat de ingrijpende verlaging van de 'straftarieven' in de 'glijdende schaal', die zullen leiden tot meer verblijfsbeëindigingen, een toereikende motivering vereisen, mede gelet op de proportionaliteitsvereisten van artikel 8 EVRM. Hierbij wordt onder andere door de Afdeling gesteld dat de glijdende schaal die wordt toegepast bij een misdrijf waartegen een gevangenisstraf is bedreigd van meer dan zes jaren een versoepeling lijkt, maar in zijn uitwerking een verzwaring betekent.
Hier is kennelijk sprake van een misverstand. In de huidige regeling wordt de gevangenisstraf bij misdrijven waartegen een gevangenisstraf is bedreigd van meer dan zes jaren verdubbeld (derde lid). Dit is bij wijziging van 31 juli 2010 ingevoerd. Teneinde te voorkomen dat door aanscherping van de huidige ‘normale’ glijdende schaal de regeling ten aanzien van plegers van dergelijke misdrijven twee keer zo hard wordt aangescherpt, is deze verdubbeling geschrapt, en is daarvoor in de plaats een omgerekende glijdende schaal opgenomen, waarin de verdubbeling is verdisconteerd. Er is dus geen sprake van een versoepeling, noch van een verzwaring voor deze categorie. De Afdeling gaat in het voorgerekende voorbeeld er per abuis van uit dat de verdubbeling nog steeds plaatsvindt, waardoor de onjuiste indruk ontstaat dat ook op dit punt een aanscherping heeft plaatsgevonden.
Het intrekken van de verblijfsvergunning bij een veroordeling van één of enkele dagen bij vreemdelingen die korter dan drie jaar verblijf hebben, beoordeelt de Afdeling als disproportioneel. De Afdeling adviseert het besluit hierop aan te passen.
Het advies van de Afdeling is op dit punt niet overgenomen. Het kabinet hecht eraan in te zetten op het bestrijden van criminaliteit onder vreemdelingen in de eerste jaren van verblijf. Juist in de eerste jaren kan van de vreemdeling onberispelijk gedrag worden verwacht. Daarnaast wil het kabinet een duidelijk signaal afgeven dat crimineel gedrag van vreemdelingen in Nederland niet getolereerd wordt. Ook wil het kabinet hiermee criminele vreemdelingen ontmoedigen om naar Nederland te komen, door in de eerste jaren extra scherp in te zetten op intrekken van de verblijfsvergunning bij crimineel gedrag. Daarnaast is de bezwaarlijkheid van intrekking is minder groot, omdat de banden van de vreemdeling met Nederland nog niet zo sterk zijn, en de banden met het land van herkomst nog aanwezig zijn.
Indien de weigering tot verlenen van een vergunning in strijd zal zijn met artikel 8 EVRM zal een vergunning niet worden geweigerd. Dit volgt uit het reeds genoemde achttiende lid. Dit geldt ook indien de glijdende schaal wordt toegepast op een vreemdeling die is veroordeeld voor een gevangenisstraf van één of enkele dagen gedurende de eerste drie jaar van verblijf. In veel gevallen zal een dergelijke veroordeling, zeker naarmate de vreemdeling langer in Nederland verblijft, wegens het proportionaliteitsvereiste niet leiden tot een weigering. Het kabinet blijft hiermee binnen de grenzen van de internationale rechtsorde.

4. Het vervallen van de eindtermijn
De Afdeling adviseert om op het punt van het laten vervallen van de eindtermijn het ontwerpbesluit nader te bezien. Verblijfsbeëindiging na 20 jaar is slechts in zeer uitzonderlijke gevallen aan te merken als een noodzakelijke en proportionele inbreuk op het recht op eerbiediging van het gezins- of familieleven of het privéleven van de vreemdeling.
Het advies van de Afdeling wordt niet overgenomen. De jurisprudentie van het EHRM laat ruimte voor verblijfsbeëindiging na een periode van zeer lang verblijf. In de zaak Gezginci t. Zwitserland (EHRM 9 december 2010, nr. 16327/05, JV 2011/35 m. nt. Boeles) komt het Hof, ondanks een verblijf van dertig jaar, tot de conclusie dat uitzetting van de heer Gezginci gerechtvaardigd is, zelfs indien er geen sprake is van ernstige strafbare feiten. Daarbij woog ook mee dat de banden met het land van herkomst niet geheel leken te zijn verbroken, zijn gebrek aan respect voor de Zwitserse regelgeving en zijn weigering om te integreren in de Zwitserse samenleving.
A fortiori geldt dat er ruimte is voor verblijfsbeëindiging indien er sprake is van zeer ernstige gewelds- en zedenmisdrijven. Toepassing van de glijdende schaal kan na langer dan tien jaar verblijf slechts leiden tot verblijfsbeëindiging bij zeer ernstige misdrijven. Onder het huidige recht is dit beperkt tot drugs- en geweldsmisdrijven. Dit kabinet is van mening dat zedenmisdrijven zeker zo ernstig zijn te achten als drugs- en geweldsmisdrijven.
Vanwege het ingrijpende karakter van deze ernstige misdrijven voor het slachtoffer en de maatschappelijke onrust die veroorzaakt wordt door deze misdrijven acht het kabinet het gerechtvaardigd om de mogelijkheid te openen om dergelijke misdrijven tegen te werpen bij een langdurig verblijf. In voorkomende gevallen zal er een zorgvuldige belangenafweging plaatsvinden. Ten overvloede merk ik op dat ook voor toepassing van de glijdende schaal na meer dan twintig jaar verblijf geldt dat indien de weigering tot verlenen van een vergunning in strijd zal zijn met artikel 8 EVRM een vergunning niet zal worden geweigerd.

5. Zaakslast
Voorts adviseert de Afdeling om in de toelichting in te gaan op de verwachte toename in zaakslast. Doordat individuele afweging volgens de Afdeling onvoldoende plaatsvindt in de praktijk, en het bereik van de glijdende schaal wordt vergroot, valt er een toename van zaakslast te verwachten.
Ik betwist de stelling van de Afdeling dat de afweging van de individuele belangen in de praktijk onvoldoende of niet plaatsvindt. In de door de Afdeling aangehaalde brief van de toenmalige Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie wordt gesteld dat toetsing aan internationale normen als lastig wordt ervaren. Er wordt in het vervolg van deze paragraaf echter tevens aangegeven dat er naar aanleiding hiervan een nieuwe werkinstructie is opgesteld die ziet op een systematische toetsing aan het openbare orde beleid waarbij specifieke aandacht wordt besteed aan de belangenafweging in het kader van artikel 8 EVRM. Het door de Afdeling aangehaalde antwoord van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties ( Kamerstukken II 2011/12 33000 VII, nr. 6, antwoord 28) geeft de algemene lijn ten aanzien van criminele vreemdelingen. De algemene lijn is dat het rechtmatig verblijf eerder kan worden beëindigd door een aanscherping van de glijdende schaal. Dit betekent echter niet dat voorbij zal worden gegaan aan toetsing aan artikel 8 EVRM. Het is van groot belang dat de toetsing aan artikel 8 EVRM in de praktijk zorgvuldig geschiedt, en dit is voldoende gewaarborgd in het huidige beleid.
In hoofdstuk 10 van de Vreemdelingencirculaire (B) wordt de toetsing aan artikel 8 EVRM nader uitgewerkt. Bij weigering van voortgezet verblijf is er sprake van inmenging in het recht op privéleven van artikel 8 EVRM. In de toelichting wordt de toetsing aan artikel 8 EVRM, zoals hierboven reeds opgemerkt, nader toegelicht. Tevens is nader ingegaan op de toename van de zaakslast.

6. Overgangsrecht
Voorts adviseert de Afdeling de tweede volzin in onderdeel II, het overgangsrecht, te schrappen, omdat deze naar haar mening zinledig is.
Artikel II bestaat slechts uit één volzin. Ik begrijp de opmerking van de Afdeling aldus, dat het tweede gedeelte van de eerste en enige volzin, de zinsnede "tenzij (…) is opgelegd", zinledig is. Deze bepaling van het overgangsrecht komt overeen met de eerdere bepaling van het overgangsrecht bij de vorige aanscherping van de glijdende schaal. Kern van het overgangsrecht is dat de aangescherpte glijdende schaal niet mag worden toegepast op misdrijven die voor inwerkingtreding van de nieuwe glijdende schaal zijn gepleegd. Na het plegen van een misdrijf na inwerkingtreding van de nieuwe glijdende schaal mag deze wel worden toegepast.
Teneinde dit te bereiken is het tweede deel van de volzin inderdaad, zoals de Afdeling opmerkt, overbodig. Redactioneel zal deze bepaling worden aangepast, en bovenstaande overwegingen zijn opgenomen in de toelichting.

Tot slot is de Afdeling van mening dat de verslechtering van de rechtspositie van jeugdige vreemdelingen ten aanzien van het laten vervallen van de eindtermen niet voldoende is gemotiveerd.
In de uitspraak Maslov t. Oostenrijk, die de Afdeling aanhaalt, is bepaald dat verblijfsbeëindiging mogelijk is voor diegenen die in het land van verblijf geboren zijn of zich op zeer jonge leeftijd heeft gevestigd, indien er zeer ernstige redenen voor zijn. Daarbij moet wel worden gelet op de aard en ernst van de misdrijven, de duur van verblijf, de verstreken tijd tussen de misdrijven en de maatregel, en het gedrag van de vreemdeling gedurende deze periode en de stevigheid van de sociale, culturele en familiebanden met het land van verblijf en het land waarnaar de vreemdeling wordt uitgezet (r.o. 71). Daarnaast kan de leeftijd van de vreemdeling een rol spelen, en de vraag of hij deze misdrijven op jeugdige leeftijd pleegde (r.o. 72). Bij de aard en ernst van de gepleegde misdrijven weegt de vraag of er sprake is van een gewelddadig misdrijf zwaar. Het EHRM erkent expliciet dat een maatregel tot uitzetting een legitiem doel dient, namelijk het voorkomen van wanordelijkheden en criminaliteit (r.o. 67).

Toepassing van de glijdende schaal kan na langer dan tien jaar verblijf slechts leiden tot verblijfsbeëindiging bij zeer ernstige gewelds- en zedenmisdrijven. Onder het huidige recht is dit beperkt tot drugs- en geweldsmisdrijven. Dit kabinet is van mening dat zedenmisdrijven zeker zo ernstig zijn te achten als drugs- en geweldsmisdrijven. De lichamelijke integriteit van het slachtoffer wordt geschonden en de maatschappelijke onrust die dergelijke misdrijven veroorzaken is vaak groot.
Hierom acht het kabinet het gerechtvaardigd om de mogelijkheid te openen om dergelijke misdrijven tegen te werpen bij een langdurig verblijf, ook indien er sprake is van vreemdelingen die vanaf zeer jonge leeftijd in Nederland heeft verbleven. Daarbij zij opgemerkt dat in alle gevallen een individuele toetsing plaatsvindt, waarbij elk van de hierboven genoemde criteria worden meegewogen.

Ik moge U hierbij het gewijzigde ontwerp-besluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.

De Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel


(1) Artikel 3.86 van het Vb 2000 heeft betrekking op (de afwijzing van de aanvraag voor verlenging van) een reguliere verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, en is, door de verwijzing in artikel 3.95, derde lid, van het Vb 2000, ook van toepassing op (de afwijzing van de aanvraag voor) een reguliere verblijfsvergunning voor onbepaalde duur. De wettelijke basis ligt in artikel 18, eerste lid, onder e, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Om diezelfde reden kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden ingetrokken op grond van artikel 19 van de Vw 2000, een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd kan worden ingetrokken op grond van artikel 22 van de Vw 2000.
(2) Onder de huidige 'glijdende schaal' is dit, naar oplopende verblijfsduur, respectievelijk een maand, drie maanden en zes maanden.
(3) Sinds april 2001 kan bij een verblijfsduur van minder dan vijf jaren het aantal onvoorwaardelijk opgelegde gedeelten van straffen worden opgesteld ('stapelen'). In juli 2002 werd het ten aanzien van vreemdelingen met een verblijfsduur korter dan drie jaren mogelijk om bij verblijfsbeëindiging onvoorwaardelijke straffen mee te tellen voor misdrijven waartegen twee jaren of meer (normaal gesproken drie jaren of meer) is bedreigd.
(4) Zware misdrijven zijn misdrijven waartegen zes jaren of meer gevangenisstraf is bedreigd.
(5) Al dan niet korter dan drie jaren.
(6) Artikel 3.77, eerste lid, aanhef en onder c, van het Vb 2000.
(7) De 'glijdende schaal' werd met name in 2001 en 2002 (zie noot 3) aangescherpt. Recentelijk is de 'glijdende schaal' aangescherpt in de vorm van artikel MMM van het Besluit Modern Migratierecht (Besluit van 24 juli 2010, Stb. 2010, 307). De bij dit advies gevoegde bijlage bevat een overzicht van de aanpasingen van de 'glijdende schaal' sinds de Vreemdelingenwet 1965.
(8) Waarnaar de Advies Commissie voor Vreemdelingenzaken (ACVZ) vraagt in haar advies van 23 augustus 2011, ACVZ/ADV/2011/022, blz. 3.
(9) Neergelegd in het dertiende tot en met het achttiende lid (in het ontwerpbesluit het twaalfde tot en met zeventiende lid) van artikel 3.86 van het Vb 2000.
(10) Aldus de Nota van Toelichting op het ontwerpbesluit (blz. 5).
(11) Richtlijn 2003/86/EG van 22 september 2003, Pb. EG L 251.
(12) EHRM, 2 augustus 2001, nr. 54273/00 (Boultif t. Zwitserland), EHRC 2001/60, par. 48.
(13) EHRM (Grote Kamer), 18 oktober 2006, nr. 46410/99 (Üner t. Nederland), EHRC 2006/146.
(14) Het EHRM duidt deze aan als 'guiding principles'.
(15) EHRM (Grote Kamer), 23 juni 2008, nr. 1638/03 (Maslov t. Oostenrijk), EHRC 2008/97, waarin het EHRM aansluit bij de bepaling van artikel 28, derde lid, onder b, van Richtlijn 2004/38/EG, welke bepaling op zijn beurt verwijst naar het Verdrag voor de Rechten van het Kind. Daarin is bepaald dat bij verwijdering het belang van de minderjarige voorop moet staan, vergelijk artikel 3.86, vijftiende lid, van het Vb 2000.
(16) Artikel 3.86, dertiende lid, van het Vb 2000.
(17) Zie de genoemde EHRM-zaken Üner en Maslov, vergelijk artikel 3.86, vijftiende lid, van het Vb 2000.
(18) Artikel 3.86, achttiende lid, van het Vb 2000.
(19) Bij een verblijfsduur korter dan één jaar bedroeg het onvoorwaardelijke gedeelte van de straf één maand, bij een verblijfsduur tussen één jaar en twee jaren drie maanden en bij een verblijfsduur tussen twee en drie jaren zes maanden.
(20) In het ontwerpbesluit wordt bij een verblijfduur van korter dan drie jaren het onvoorwaardelijk gedeelte van de straf(fen) verkort tot één dag, de verblijfsduur tussen drie en vier jaren tot drie maanden (nu negen maanden), de verblijfduur tussen vier en vijf jaren tot zeven maanden (nu 12 maanden), de verblijfsduur tussen vijf en zes jaren tot 15 maanden (nu 24 maanden), de verblijfsduur tussen zes en zeven jaren tot 18 maanden (nu 30 maanden), de verblijfsduur tussen zeven en acht jaren tot 22 maanden (nu 36 maanden), de verblijfsduur tussen acht en negen jaren tot 27 maanden (nu 45 maanden), de verblijfsduur tussen negen en 10 jaren tot 33 maanden (nu 54 maanden), de verblijfsduur tussen 10 en 15 jaren tot 40 maanden (nu 60 maanden), de verblijfsduur van meer dan 15 jaren tot 65 maanden (nu 96 maanden).
(21) Artikel 3.86, derde lid, van het Vb 2000.
(22) Artikel 302 van het Wetboek van Strafrecht, een misdrijf waartegen ten hoogste acht jaren is bedreigd.
(23) Artikel 3.86, vierde lid, van het Vb 2000.
(24) Artikel I, onder B, van het ontwerpbesluit.
(25) Artikel 3.86, vierde en vijfde lid, van het Vb 2000.
(26) Naast gevangenisstraf is ook jeugddetentie, een taakstraf of een maatregel, voor zover onvoorwaardelijk, een grond voor toepassing van de 'glijdende schaal', zie artikel 3.86, eerste lid, onder c en d, van het Vb 2000.
(27) Het huidige artikel 3.86, elfde lid, onder b, van het Vb 2000.
(28) Zie de genoemde EHRM zaak Üner, par. 56, onlangs bevestigd in EHRM 13 oktober 2011, nr. 41548/06 (Trabelsi t. Duitsland), par. 48.
(29) Zie onder meer EHRM 14 juni 2011, nr. 38058/09 (Osman t. Denemarken), EHRC 2011/121, par. 55.
(30) Artikel 3.86, tiende lid, onder b, van het Vb 2000.
(31) Zie onder meer EHRM 22 april 2004, nr. 42703/98 (Radovanovic t. Oostenrijk) en de genoemde zaak Maslov, EHRM (Grote Kamer), 23 juni 2008, nr. 1638/03 (Maslov t. Oostenrijk), EHRC 2008/97.
(32) Zie de brief van de toenmalige Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, waarin zij stelt dat de individuele toetsing aan internationale en Europees rechtelijke normen weliswaar vooraf moet gaan aan de toepassing van de 'glijdende schaal', maar dat dit in de praktijk als lastig wordt ervaren; zie Kamerstukken II 2004/05, 19 637 nr. 971. In dezelfde richting inzake het voorliggende ontwerpbesluit het antwoord van de Minister van BZK (Kamerstukken II 2011/12 33 000 VII, nr. 6, antwoord 28): 'De wijziging van het Vreemdelingenbesluit ligt thans ter advisering van de Raad van State. Het gewijzigde besluit zal in januari 2012 in werking treden. Voor criminele vreemdelingen geldt dat zij ongewenst worden verklaard en uit Nederland worden verwijderd. Vreemdelingen die stelselmatig overlast veroorzaken en de wet overtreden zullen zo mogelijk ook onder het aangescherpte regime van de glijdende schaal worden gebracht zodat het rechtmatig verblijf eerder kan worden beëindigd. De lijn is dat zij ongewenst worden verklaard en uit Nederland verwijderd.'
(33) Advies van de Raad voor de rechtspraak van 15 augustus 2011, kenmerk UIT 3848 S&O/CF.
(34) Kamerstukken II 2009/10, 32 169. In 2002 is aan het eerste lid van artikel 3.86 van het Vb 2000 nder de letter a) toegevoegd dat een vreemdeling met een verblijfsduur korter dan drie jaar onder de toepassing van de 'glijdende schaal' valt bij een onherroepelijke veroordeling voor een misdrijf waartegen twee jaren of meer is bedreigd. Het ontwerpbesluit strekt ertoe toekomstige onherroepelijke veroordelingen voor een misdrijf waartegen twee jaar of meer is bedreigd onder het bereik van de 'glijdende schaal' te brengen, ongeacht de verblijfsduur.
(35) Artikel 3.86, tiende lid, onder b, van het Vb 2000.
(36) Het voorgestelde artikel 3.86, tiende lid, van het Vb 2000.
(37)Vgl het huidige artikel 3.86, eerste lid, onder d, van het Vb 2000.
(38)Vc 1982 A4/5.3.3.2 en 5.3.3.3, supplement 4 van januari 1988.
(39)Vgl het huidige artikel 3.86, zevende lid, onder a, van het Vb 2000.
(40)TBV 33 van 22 februari 1990, geldig van 23 februari 1990 tot 23 februari 1994.
(41) Vc 1994, A4/4.3.2, aanvulling 25 van november 1999.
(42) Stb. 2000, 497, inwerkingtreding per 1 april 2001, Stb. 2001, 144.
(43) Artikel 3.86, vijfde lid, onder a, van het Vb 2000.
(44) Besluit van 5 juli 2002 tot wijziging van artikel 3.86 van het Vb, Stb. 2002, 371, zie TBV 2002/34, toelichting in Kamerstukken II 2001/02, 19 637, nr 608: snellere verblijfsbeëindiging bij stelselmatige overtreding van relatief lichte delicten, Stb. 2002, 371. Latere wijzigingen in Stb. 2004, 496 per 1 november 2004, Stb. 550, vergelijk de huidige Vc 2000, B1/5.3.6 e.v.
(45) Besluit van 5 juli 2002, Stb. 2002, 371, p. 4.
(46) Ingevoerd in artikel 3.86, eerste lid, onder c, van het Vb 2000 bij Besluit van 5 juli 2002, Stb. 2002, 371.
(47) Besluit van 29 september 2004, Stb. 2004, 496, p.15.
(48) Artikel 3.86, eerste lid, onder c en d, van het Vb 2000.
(49) Zie Stb. 2004, 496, p. 17.
(50) Kamerstukken II 2005/06, 19 637, nr. 971.
(51) Zie hierover een onderzoek van het WODC, zie brief SvJ van 17 december 2008, Kamerstukken II 2008/09, 19 637, nr. 1244.
(52) Aan de voorwaarde dat de betrokkene bij onherroepelijk geworden vonnis is veroordeeld terzake van een misdrijf waartegen drie jaar of meer is bedreigd, worden niet alleen de gevangenisstraf, maar ook de oplegging van een taakstraf of maatregel gerekend. Bij een verblijfsduur van korter dan vijf jaren is het optellen van de onvoorwaardelijk opgelegde gedeelten van de misdrijven waarvoor betrokkene is veroordeeld (‘stapelen’) toegestaan.
(53) Besluit van 5 juli 2002 tot wijziging van artikel 3.86 Vb, Stb. 2002, 371. Zie: TBV 2002/34. Toelichting in: TK 2001-2002, 19637 nr. 608: snellere verblijfsbeëindiging bij stelselmatige overtreding van relatief lichte delicten, Stb. 2002, 371. Latere wijzigingen in: Stb. 2004, 496 per 1 november 2004, Stb. 550, vergelijk de huidige Vc 2000, B1/5.3.6 e.v
(54) Aan de voorwaarde dat de betrokkene bij onherroepelijk geworden vonnis is veroordeeld terzake van een misdrijf waartegen drie jaar of meer is bedreigd, worden niet alleen de gevangenisstraf, maar ook de oplegging van een taakstraf of maatregel gerekend. Bij een verblijfsduur van korter dan vijf jaren is het optellen van de onvoorwaardelijk opgelegde gedeelten van de misdrijven waarvoor betrokkene is veroordeeld (‘stapelen’) toegestaan.
(55) Besluit van 29 september 2004, Stb. 2004, 496, blz.15.
(56) Artikel 3.86, eerste lid, onder c en d, van het Vb 2000.
(57) Artikel MMM van het Besluit Modern Migratierecht (Besluit van 24 juli 2010, Stb. 2010, 307).


Gehele tekst ontwerpregeling met toelichting (pdf, 44 kB)


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Opslaan als PDF-document
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon