Ontwerpbesluit houdende regels inzake de productie en distributie van drinkwater en de organisatie van de openbare drinkwatervoorziening (Drinkwaterbesluit), met nota van toelichting.
- Kenmerk
- W14.11.0003/IV
- Datum advies
- 17 maart 2011
- Vindplaats
- -
- Infrastructuur en Waterstaat
- Algemene maatregel van bestuur
Toon inhoud
Ontwerpbesluit houdende regels inzake de productie en distributie van drinkwater en de organisatie van de openbare drinkwatervoorziening (Drinkwaterbesluit), met nota van toelichting.
Bij Kabinetsmissive van 28 december 2010, no.10.003550, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende regels inzake de productie en distributie van drinkwater en de organisatie van de openbare drinkwatervoorziening (Drinkwaterbesluit), met nota van toelichting.
Het ontwerpbesluit strekt ertoe een aantal onderwerpen uit de Drinkwaterwet nader uit te werken. Deze onderwerpen betreffen de kwaliteit van drinkwater en warm tapwater, de productie en het gebruik van huishoudwater, de tarieven die de drinkwaterbedrijven hanteren, legionellapreventie, de borging van de leveringszekerheid en de uitvoering van de prestatievergelijking.
De Afdeling advisering van de Raad van State maakt naar aanleiding van het ontwerpbesluit een aantal opmerkingen met betrekking tot de beoordeling van fusieverzoeken, subdelegatie en deregulering, de certificering en de berekening van de gewogen gemiddelde vermogenskostenvoet. Zij is van oordeel dat in verband daarmee het ontwerpbesluit deels nader dient te worden overwogen.
1. Beoordeling fusieverzoeken
Op grond van artikel 18, eerste lid, van de Drinkwaterwet fuseert een drinkwaterbedrijf niet met een ander drinkwaterbedrijf zonder de toestemming van de Minister van Infrastructuur en Milieu (I&M). Dit artikel is bij amendement ingevoegd; de Afdeling heeft zich er nog niet eerder over kunnen uitlaten.(zie noot 1) De indieners beoogden beoordeling mogelijk te maken van voorgestelde fusies tussen drinkwaterbedrijven. Eén van de beoordelingscriteria daarbij zou moeten zijn de blijvende aanwezigheid van een voldoende aantal drinkwaterbedrijven voor een succesvolle prestatievergelijking.(zie noot 2) Onder prestatievergelijking wordt in dit verband verstaan een periodieke, systematische vergelijking van de prestaties van drinkwaterbedrijven.(zie noot 3)
Artikel 18, tweede lid, van de wet bepaalt dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur criteria worden vastgelegd waaraan de minister een verzoek tot fusie zal toetsen.
In artikel 11 van het ontwerpbesluit is hieraan uitvoering gegeven. In het eerste lid worden de volgende toetsingscriteria genoemd:
a. de mate waarin de voorgenomen fusie bijdraagt aan een duurzame en doelmatige openbare drinkwatervoorziening;
b. de mate waarin de voorgenomen fusie gevolgen(zie noot 4) kan hebben voor de leveringszekerheid en continuïteit van de openbare drinkwatervoorziening; en
c. de mate waarin de voorgenomen fusie de mogelijkheid tot uitvoering van een zinvolle prestatievergelijking beperkt.
Artikel 11, tweede lid, bepaalt dat bij ministeriële regeling aanvullende toetsingscriteria worden vastgesteld. Uit de minieme toelichting bij artikel 11 blijkt dat voor deze toetsingscriteria is gekozen, omdat fusies in meer of mindere mate bijdragen aan een duurzame en doelmatige drinkwatervoorziening en ook van invloed kunnen zijn op de leveringszekerheid.
De Afdeling beoordeelt eerst de voorgestelde toetsingscriteria, om daarna in te gaan op de gevolgen van aanvullende toetsingscriteria.
a. Beoordeling toetsingscriteria in de drinkwatersector
Wettelijke kader
Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Drinkwaterwet wordt de eigenaar van een drinkwaterbedrijf onder meer verplicht tot 'het tot stand brengen en in stand houden van een duurzame en doelmatige openbare drinkwatervoorziening in het voor zijn bedrijf vastgestelde distributiegebied'. Op grond van artikel 32 van de Drinkwaterwet draagt de eigenaar van een drinkwaterbedrijf 'zorg voor de levering van deugdelijk drinkwater aan consumenten en andere afnemers in het voor zijn drinkwaterbedrijf vastgestelde distributiegebied' en neemt hij 'alle passende maatregelen om te kunnen voorzien in de toekomstige behoefte aan drinkwater'. Op grond van artikel 39 en volgende van de Drinkwaterwet is prestatievergelijking verplicht gesteld teneinde de prestaties van drinkwaterbedrijven te verbeteren, hun doelmatigheid te bevorderen en het afleggen van publieke verantwoording over de uitvoering van hun publieke taak te faciliteren.(zie noot 5)
Indien drinkwaterbedrijven zich niet aan bovengenoemde verplichtingen houden, is de Minister van I&M, op grond van artikel 50, eerste lid, van de Drinkwaterwet, bevoegd tot toepassing van bestuursdwang.
Toetsingscriteria
De Afdeling merkt op dat de eerste twee toetsingscriteria van het voorgestelde artikel 11 overeenkomen met bovengenoemde wettelijke verplichtingen tot het tot stand brengen en in stand houden van een duurzame en doelmatige openbare drinkwatervoorziening en tot voldoende leveringszekerheid en continuïteit. Bovengenoemde wettelijke verplichtingen gelden zowel voorafgaand aan een fusie als na afloop van een fusie. De Afdeling is daarom op voorhand, zonder nadere toelichting, niet overtuigd van de meerwaarde van deze toetsingscriteria voor de beoordeling van een fusie. Wel onderkent de Afdeling dat een preventieve toetsing door de Minister van I&M aan de fuserende bedrijven zekerheid biedt over zijn oordeel over het al dan niet voldoen aan de wettelijke vereisten direct na de fusie.
De Afdeling merkt voorts op dat de zinsnede 'de mate waarin' de criteria zonder nadere uitwerking en toelichting vaag en onbepaald maakt, hetgeen op gespannen voet staat met het rechtszekerheidsbeginsel. Met deze term ‘de mate waarin’ wordt immers geen maat(staf) gegeven. Er wordt enkel aangegeven welke aspecten afgewogen moeten worden, maar hoe dat dient te geschieden, blijft in het vage. Niet wordt aangegeven of en in welke mate (tenminste een geringe, of een aanzienlijke mate) de fusie in positieve zin moet bijdragen aan een meer duurzame en doelmatige (a), respectievelijk een meer zekere en in termen van continuïteit gegarandeerde openbare drinkwatervoorziening (b), of dat volstaan kan worden met de inschatting dat op er deze punten geen of slechts een geringe verslechtering op zal treden.
Vervolgens rijst de vraag hoe (afhankelijk van de gehanteerde maatstaf) een eigenaar aannemelijk zou kunnen maken dat sprake blijft van eenzelfde niveau van doelmatige en duurzame drinkwatervoorziening en handhaving van de bestaande leveringszekerheid, respectievelijk dat op deze punten zelfs een verbetering zal plaatsvinden. Uit de beantwoording van kamervragen blijkt dat de minister verwacht dat een fusie tot verhoging van de efficiëntie leidt en daardoor tot betere doelmatigheid.(zie noot 6) Deze verwachting behoeft evenwel nadere toelichting, nu deze niet gebaseerd kan worden op recente onderzoeken naar de gevolgen van fusies van drinkwaterbedrijven. Uit die onderzoeken naar de gevolgen van fusies in Nederland(zie noot 7) en het buitenland(zie noot 8) blijkt dat gefuseerde bedrijven geen lagere kosten hebben dan niet gefuseerde bedrijven. Fusies van drinkwaterbedrijven leiden volgens de onderzoekers noch tot schaalvoordelen, noch tot een betere aanpak van inefficiënties.(zie noot 9)
Fusies in de Nederlandse drinkwatersector hebben volgens de onderzoekers één belangrijk nadeel: ze leiden tot een minder informatieve prestatievergelijking doordat het vergelijkbaar maken van gegevens minder goed mogelijk is.(zie noot 10)
De Afdeling constateert dan ook dat het criterium van de zinvolle prestatievergelijking (c) blijkens de onderzoeksresultaten een relevante maatstaf kan zijn. Zonder nadere toelichting kan dit criterium evenwel hetzij als een absoluut verbod worden aangemerkt, hetzij als een inhoudsloos criterium. Het criterium kan de uitwerking hebben van een absoluut verbod, indien elke eerstvolgende fusie beschouwd gaat worden als een vermindering van de mogelijkheden voor een zinvolle prestatievergelijking. Het criterium kan als inhoudsloos worden aangemerkt, indien alleen de laatste fusie, die leidt tot het overblijven van één drinkwaterbedrijf, beschouwd gaat worden als een vermindering van de mogelijkheden voor een zinvolle prestatievergelijking.
Fusiedeskundigheid NMa
Voor alle toetsingscriteria geldt dat noch uit de toelichting noch uit de antwoorden op kamervragen blijkt, wanneer volgens de minister sprake zal zijn van een minder duurzame en doelmatige openbare drinkwatervoorziening, van onvoldoende leveringszekerheid en continuïteit of van een minder zinvolle prestatievergelijking. Evenmin is duidelijk met behulp van welke instrumenten, onderzoeksmethoden of parameters de minister een voorgenomen fusie zal (kunnen) beoordelen op bovengenoemde criteria. Volgens de minister is een nadere duiding van de wijze van toetsing moeilijk te geven.(zie noot 11)
Nu de minister het moeilijk vindt de wijze van toetsing nader te duiden, merkt de Afdeling op dat met betrekking tot fusieverzoeken de minister wellicht advies zou kunnen vragen aan de raad van bestuur van de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa), gezien de expertise van de NMa op het terrein van fusies van drinkwaterbedrijven en op het terrein van de tariefstelling in de energiesector.(zie noot 12) Op verzoek van de Tweede Kamer(zie noot 13) wordt het vragen van advies over andere aangelegenheden door de Minister van I&M aan de NMa reeds mogelijk gemaakt in het voorgestelde artikel 8a, eerste lid, van het ontwerpbesluit. De leden van de Tweede Kamer achtten financieel toezicht op drinkwaterbedrijven noodzakelijk voor de transparantie van hun tarieven.(zie noot 14) De Kamerleden achtten het daarom van belang dat de Minister van I&M en de VROM- Inspectie gebruik kunnen maken van de expertise van de NMa.(zie noot 15) Naar het oordeel van de Afdeling zou het vragen van advies over fusieverzoeken aan de opsomming in artikel 8a, eerste lid, kunnen worden toegevoegd.(zie noot 16) De adviezen van de NMa kunnen bijdragen aan een nadere invulling en aanscherping van de toetsingscriteria en kunnen daardoor de toestemmingsbevoegdheid van de Minister van I&M verder begrenzen.
Conclusie beoordeling
De Afdeling acht de toetsingscriteria in hun huidige vorm onvoldoende geschikt voor het toetsen van fusies in de drinkwatersector. De Afdeling adviseert de toetsingscriteria nader te bezien en zo nodig de artikelen 8a, eerste lid, en 11, eerste lid, aan te passen. De Afdeling adviseert in ieder geval in artikel 11, eerste lid, aanhef, de zinsnede "in elk geval", die blijkbaar ziet op de bevoegdheid van de minister om op grond van het tweede lid van artikel 11 aanvullende criteria te stellen, te laten vervallen, omdat de toetsingsbevoegdheid daardoor geen begrenzing kent.(zie noot 17) De Afdeling gaat hierop in punt b nader in.
Onverminderd het voorgaande merkt de Afdeling nog het volgende op.
b. Gevolgen aanvullende toetsingscriteria
Artikel 11, tweede lid, bepaalt dat bij ministeriële regeling aanvullende toetsingscriteria worden vastgesteld.(zie noot 18)
De Afdeling merkt op dat dit artikellid de regelgevende bevoegdheid van de Minister van I&M niet concreet en nauwkeurig begrenst tot de bevoegdheid om technische uitvoeringsregels te geven ter zake van inhoudelijke criteria die in hogere regelgeving (wetten, amvb’s) neergelegd zijn. Daardoor laat het te veel ruimte aan de minister om zelf inhoudelijke normen te stellen. Dit laatste klemt te meer, nu het gevolg ervan is dat daardoor zowel de toestemmingsbevoegdheid als de vaststelling van gronden voor toestemming belegd worden bij één orgaan, de Minister van I&M. Dat staat op gespannen voet met het rechtsstatelijke uitgangspunt dat het stellen en de uitvoering van de regel niet in een en hetzelfde ambt verenigd dienen te zijn.(zie noot 19)
De Afdeling adviseert artikel 11, tweede lid, te laten vervallen.
2. Subdelegatie en deregulering
Het ontwerpbesluit bevat 61 artikelen. In 31 bepalingen wordt het stellen van nadere regels gedelegeerd aan de minister.(zie noot 20) Het grote aantal delegatiebepalingen contrasteert met de voorganger van het ontwerpbesluit, het Waterleidingbesluit. Het Waterleidingbesluit behelst op dit moment 45 artikelen waarin geen enkele delegatiebepaling is opgenomen. In de nota van toelichting wordt geen aandacht besteed aan de keuze voor (het grote aantal) delegatiebepalingen noch aan het verschil met het Waterleidingbesluit. In de toelichting staat wel dat de minister voornemens is 4 ministeriële regelingen tot stand te brengen.(zie noot 21)
De Afdeling merkt op dat de verwachte toename aan regels in het ontwerpbesluit en de aangekondigde ministeriële regelingen haaks staan op het streven van de regering om de regeldruk verder te verminderen.(zie noot 22)
De Afdeling merkt voorts op dat van delegatie aan een minister van de bevoegdheid tot het vaststellen van algemeen verbindende voorschriften - in verband met het uitgangspunt dat deze op zo hoog mogelijk regelniveau worden vastgesteld - terughoudend gebruik moet worden gemaakt. Delegatie aan een minister moet beperkt blijven tot voorschriften van administratieve aard, uitwerking van de details van een regeling, voorschriften die dikwijls wijziging behoeven en voorschriften waarvan te voorzien is dat zij mogelijk met grote spoed moeten worden vastgesteld.(zie noot 23) Voorts dient elke delegatie van regelgevende bevoegdheid in de delegerende regeling zo concreet en nauwkeurig mogelijk te worden begrensd.(zie noot 24) De Afdeling is van oordeel dat aan deze vereisten niet in alle gevallen wordt voldaan. De Afdeling illustreert dit aan de hand van een aantal bepalingen.
- Artikel 11, tweede lid
Artikel 11, tweede lid, bepaalt dat bij ministeriële regeling aanvullende toetsingscriteria worden vastgesteld voor de beoordeling van een fusieverzoek.
De toetsingscriteria voor de beoordeling van een fusieverzoek door de Minister van I&M kunnen naar het oordeel van de Afdeling niet worden gerangschikt onder één van de genoemde criteria voor subdelegatie. De toetsingscriteria zijn naar het oordeel van de Afdeling geen voorschriften van administratieve aard noch details van een regeling. Evenmin behoeven deze criteria regelmatige of spoedige wijziging.
De Afdeling adviseert ook om deze reden artikel 11, tweede lid, te laten vervallen.
- Artikel 20, tweede lid
Op grond van artikel 20, tweede lid, is er een commissie van deskundigen, die belast is met de uitvoering van het eerste lid en de daarop berustende bepalingen.(zie noot 25) Ingevolge hetzelfde artikellid worden bij ministeriële regeling nadere eisen gesteld met betrekking tot de oprichting, samenstelling, activiteiten, werkwijze, kosten en opheffing van de commissie. Volgens de nota van toelichting komt de strekking van deze bepaling overeen met artikel 17h van het Waterleidingbesluit.(zie noot 26) De Afdeling merkt op dat in artikel 17h geen subdelegatie is geregeld met betrekking tot de commissie. Voorts merkt de Afdeling op dat de 'opheffing' van de commissie slechts kan plaatsvinden door wijziging van dit besluit, omdat artikel 20, tweede lid, immers bepaalt dat er een commissie van deskundigen is. De instelling én opheffing van de commissie bij algemene maatregel van bestuur biedt bovendien meer bescherming aan de leden van de commissie en aan het door hen te verrichten toezicht op de kwaliteit.
De Afdeling adviseert in de nota van toelichting het gebruik van subdelegatie voor dit onderdeel toe te lichten en het artikellid zo nodig aan te passen. De Afdeling adviseert in artikel 20, tweede lid, in ieder geval het woord 'opheffing' te laten vervallen.
- Artikelen 14 en 42
Ingevolge artikel 14 worden bij ministeriële regeling in elk geval nadere voorschriften gesteld met betrekking tot onder meer de wijze van monsterneming en analyse van water dat als grondstof wordt gebruikt alsmede de frequentie van de analyses. Ingevolge artikel 42 wordt het nemen en analyseren van monsters ter uitvoering van hoofdstuk 4 en de daarop berustende bepalingen gedaan overeenkomstig een bij ministeriële regeling vast te stellen methode. De Afdeling merkt op dat voorheen de methode voor monsterneming en de frequentie daarvan in het Waterleidingbesluit zelf waren opgenomen.(zie noot 27)
De Afdeling adviseert in de nota van toelichting de noodzaak van subdelegatie voor deze onderdelen uiteen te zetten en de artikelen zo nodig aan te passen. De Afdeling adviseert in artikel 14 in ieder geval de zinsnede 'in elk geval' te laten vervallen, omdat de regelgevende bevoegdheid daardoor geen begrenzing kent.
De Afdeling adviseert in de nota van toelichting de noodzaak van subdelegatie per delegatiebepaling consequent uiteen te zetten en de delegatiebepalingen zo concreet en nauwkeurig mogelijk te begrenzen. De Afdeling adviseert tevens in de nota van toelichting aandacht te besteden aan de verhouding van dit ontwerpbesluit tot het streven naar deregulering.
3. Certificering
a. Uitoefening wettelijke taak
Op grond van artikel 16 is de eigenaar van een drinkwaterbedrijf verplicht het door hem ingevoerde kwaliteitsmanagementsysteem(zie noot 28) te laten certificeren door een geaccrediteerde certificatie-instelling. Ingevolge artikel 37, eerste en derde lid, is de eigenaar van een collectieve watervoorziening verplicht een legionella-risicoanalyse uit te laten voeren door een op basis van BRL 6010 gecertificeerd bedrijf. Op grond van artikel 38, eerste lid, draagt de eigenaar van een collectieve watervoorziening of een collectief leidingnet er zorg voor dat een legionella-beheersplan wordt opgesteld door een daarvoor overeenkomstig BRL 6010 gecertificeerd bedrijf.(zie noot 29)
De Afdeling constateert dat, als gevolg van de voorgestelde wettelijke verplichtingen tot certificering, certificatie-instellingen worden belast met een wettelijke taak. Mogelijk is zelfs sprake van de uitoefening van openbaar gezag door de certificatie-instellingen die de wettelijk vereiste certificaten zullen verlenen. De vraag rijst daarom of het ontwerpbesluit niet zou moeten voorzien in voorschriften die een adequate uitvoering van de wettelijke taak waarborgen. In vergelijkbare wettelijke regelingen, bijvoorbeeld op het terrein van de arbeidsomstandigheden, worden certificatie-instellingen ten behoeve van de wettelijke taakvervulling door de minister aangewezen en is voorzien in informatieverplichtingen jegens de minister.(zie noot 30)
De Afdeling adviseert in de toelichting op het bovenstaande in te gaan en zo nodig het voorstel aan te passen.
b. Maximering tarieven certificatie-instellingen
Door de monopoliepositie van Kiwa op het terrein van certificering wordt door Aqua Nederland verwacht dat Kiwa 'torenhoge' tarieven zal hanteren voor de door Kiwa te verrichten diensten.(zie noot 31) In reactie hierop staat in de nota van toelichting dat Kiwa op dit moment inderdaad de enige certificerende instantie is die bevoegd is om certificaten uit te geven, maar dat het andere certificerende instellingen vrij staat om de concurrentie aan te gaan.(zie noot 32)
De Afdeling merkt op dat Kiwa weliswaar geen wettelijke monopoliepositie heeft, maar wel een feitelijke, hetgeen gevolgen kan hebben voor de tarieven. De Afdeling merkt voorts op dat in eerdergenoemde arbeidsomstandighedenregelingen gekozen is voor maximering van de vergoeding die voor de afgifte van een certificaat kan worden gevraagd.(zie noot 33)
De Afdeling adviseert in de nota van toelichting aandacht te besteden aan de mogelijkheid van maximering van de tarieven(zie noot 34) en zo nodig het voorstel aan te passen.
4. Berekening gewogen gemiddelde vermogenskostenvoet
Op grond van artikel 10, eerste lid, van de Drinkwaterwet wordt bij of krachtens algemene maatregel van bestuur een algemeen aanvaarde bedrijfseconomische methode vastgesteld volgens welke de gewogen gemiddelde vermogenskostenvoet en het aandeel eigen vermogen in het totale vermogen worden bepaald. Ingevolge artikel 10, tweede en derde lid, stelt de Minister van I&M tweejaarlijks voor 1 november, ten behoeve van de bepaling van de tarieven voor de daaropvolgende twee kalenderjaren, het maximaal toegestane aandeel vast van het eigen vermogen in het totale vermogen en de gewogen gemiddelde vermogenskostenvoet. Tegen de vaststelling van de gewogen gemiddelde vermogenskostenvoet is geen bezwaar of beroep mogelijk.(zie noot 35)
Dit artikel is bij amendement ingevoegd; de Afdeling heeft zich er nog niet eerder over kunnen uitlaten.(zie noot 36) De indieners beoogden met het amendement een redelijke tariefstelling te waarborgen en tevens te voorkomen dat drinkwaterbedrijven over onnodig hoge reserves beschikken.(zie noot 37) De gewogen gemiddelde vermogenskostenvoet bepaalt namelijk de vermogenskosten die de eigenaar van een drinkwaterbedrijf ten hoogste mag hanteren bij het bepalen van de tarieven.(zie noot 38)
In de artikelen 6 en 7 van het ontwerpbesluit is uitvoering gegeven aan artikel 10 van de wet. Ingevolge artikel 6, eerste lid, wordt als methode voor het bepalen van de gewogen gemiddelde vermogenskostenvoet de methode vastgesteld zoals opgenomen in bijlage C. Op grond van artikel 7, eerste lid, wordt het aandeel eigen vermogen bepaald als het totaal vermogen, verminderd met het vreemd vermogen, gedeeld door het totaal vermogen.
Diverse belanghebbende organisaties hebben er in hun advies over het ontwerp-Drinkwaterbesluit op gewezen dat de methode voor de bepaling van de vermogenskosten, zoals opgenomen in bijlage C, onvoldoende duidelijkheid biedt en een grote mate van beleidsvrijheid aan de minister laat.(zie noot 39) Ook de leden van de Tweede Kamer hebben vragen gesteld van vergelijkbare strekking.(zie noot 40) In reactie hierop heeft de Minister van I&M ervoor gekozen om bij ministeriële regeling nadere regels te stellen met betrekking tot de berekening van de gewogen gemiddelde vermogenskostenvoet.(zie noot 41)
De Afdeling merkt op dat de methode zoals opgenomen in bijlage C ruimte laat voor verschillende wijzen van berekening. Het gevolg hiervan is dat drinkwaterbedrijven er rekening mee moeten houden dat elke twee jaar de systematiek en de parameters kunnen worden aangepast. Dit zou tot gevolg kunnen hebben dat bedrijven relatief veel kortlopende leningen aangaan. Kan de Minister van I&M een indicatie geven van de gevolgen van de systematiek voor het financieel management van drinkwaterbedrijven op grond van de ervaringen in de energiesector, waar een vergelijkbare systematiek wordt gehanteerd?
De Afdeling adviseert in de nota van toelichting aandacht te besteden aan het vorenstaande. De Afdeling adviseert, gelet op het vorenstaande, tevens de noodzaak voor het gebruik van subdelegatie in artikel 6, tweede lid, toe te lichten en het voorstel zo nodig aan te passen.(zie noot 42)
5. Voor redactionele kanttekeningen verwijst de Afdeling naar de bij het advies behorende bijlage.
De Afdeling advisering van de Raad van State geeft U in overweging in dezen geen besluit te nemen dan nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De waarnemend vice-president van de Raad van State
Bijlage bij het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State betreffende no.W14.11.0003/IV met redactionele kanttekeningen die de Afdeling in overweging geeft.
- In het opschrift het woord "regels" vervangen door: bepalingen (zie het opschrift van de Drinkwaterwet).
- Het opschrift bij de artikelen (kopjes) schrappen (Ar. 98).
- In de artikel 1 en artikel 35, eerste lid, onder a, onderdeel 1, het woord "zomerhuisje" telkens vervangen door: recreatiewoning (zie artikel 1, onder a, van het voorstel van Wet vergunning onrechtmatige bewoning recreatiewoningen; Kamerstukken II 2009/10, 32 366).
- In artikel 2, tweede lid, het woord "eveneens" vervangen door: wel.
- In artikel 8a, eerste en tweede lid, voor "Nederlandse Mededingingsautoriteit" invoegen: raad van bestuur van de (vergelijk bijv. artikel 63, eerste lid, van de Wet personenvervoer 2000).
- In artikel 8a, tweede lid, de zinsnede "het bepaalde in" schrappen (Ar. 52).
- In artikel 9, derde lid, de zinsnede "in elk geval" vervangen door: in ieder geval (Ar. 101).
- In artikel 11, tweede lid, het woord "aanvullende" vervangen door: nadere (Ar. 32).
- In artikel 13 de zinsnede "Het eerste lid geldt niet voor zover het betreft drinkwater" vervangen door: Het eerste lid is niet van toepassing op drinkwater (Ar. 83).
- In artikel 16 de woorden "te gebruiken" schrappen.
- In artikel 30, derde lid, de zinsnede "geldt niet voor water" vervangen door: is niet van toepassing op water (Ar. 83).
- In de in artikel 62 voorgestelde wijziging na "artikel 1" invoegen:, eerste lid, (Ar. 79).
Nader rapport (reactie op het advies) van 17 mei 2011
De Afdeling advisering van de Raad van State geeft U in overweging in dezen geen besluit te nemen dan nadat met haar opmerkingen rekening zal zijn gehouden. Hieronder ga ik op de opmerkingen van de Afdeling in.
1. Beoordeling fusieverzoeken
De Afdeling maakt in het advies meerdere opmerkingen over de toetsingscriteria voor de beoordeling van een fusie, opgenomen in artikel 11, eerste lid, van het ontwerpbesluit, zoals aan de Afdeling voorgelegd. Naar aanleiding van het advies wordt artikel 11 als volgt aangepast. De onderdelen a en b van het eerste lid komen te vervallen en worden vervangen door een bepaling dat de bij de voorgenomen fusie betrokken drinkwaterbedrijven bij een fusieverzoek moeten aantonen dat zij ook na de fusie blijven voldoen aan de artikelen 7, eerste lid, en 32 van de wet. Zij zullen bij het verzoek inzichtelijk moeten maken dat er ook na de fusie sprake zal zijn van een duurzame en doelmatige openbare drinkwatervoorziening en dat de levering van deugdelijk drinkwater na de fusie gewaarborgd zal worden. Voor een adequate beoordeling van een fusieverzoek is het van belang dat de betrokken drinkwaterbedrijven bij het verzoek aangeven welke consequenties de voorgenomen fusie zal hebben voor een duurzame en doelmatige openbare drinkwatervoorziening en voor de levering van deugdelijk drinkwater.
Met bovenstaande aanpassing van artikel 11 van het ontwerpbesluit worden de bezwaren van de Afdeling over het gebruik van de zinsnede ‘de mate waarin’ ten aanzien van de onderdelen a en b van het eerste lid van artikel 11 van het ontwerpbesluit weggenomen.
De Afdeling verzoekt verder om een nadere toelichting op de stelling dat een fusie leidt tot verhoging van de efficiëntie en daarmee tot een betere doelmatigheid.
De Afdeling geeft aan dat uit een studie(zie noot 43) blijkt dat gefuseerde bedrijven geen lagere kosten hebben dan niet-gefuseerde bedrijven. In de betreffende studie is gekeken naar effecten van fusies op efficiëntie en op schaalvoordelen. Wat efficiëntie betreft, wordt geconcludeerd dat gefuseerde bedrijven niet efficiënter zijn dan niet-gefuseerde bedrijven. Wat schaalvoordelen betreft, wordt geconcludeerd dat hiervoor geen overtuigend bewijs uit de analyse volgt, maar dat schaalvoordelen evenmin zijn uit te sluiten. Daarbij is aangegeven dat deze onzekerheid wordt veroorzaakt door het gering aantal waarnemingen van bedrijven met een grotere schaalgrootte. In het rapport wordt verder aangegeven dat schaalvoordelen eerder te verwachten zijn bij fusies van kleinere bedrijven.
De Afdeling constateert dat het criterium van de zinvolle prestatievergelijking, opgenomen in onderdeel c van het eerste lid van artikel 11 van het ontwerpbesluit, een relevante maatstaf kan zijn. Zonder nadere toelichting kan dit criterium volgens de Afdeling evenwel hetzij als een absoluut verbod worden aangemerkt, hetzij als een inhoudsloos criterium.
Daarover wil ik het volgende opmerken. Omdat ik met de Afdeling van mening ben dat dit criterium zinvol kan zijn bij de fusietoets, zal ik dit criterium in het ontwerpbesluit handhaven. Het uitgangspunt bij de toepassing van dit criterium is dat er na de fusie voldoende bedrijven over moeten blijven om een zinvolle vergelijking te kunnen uitvoeren. In het derde lid is naar aanleiding van het advies opgenomen dat bij ministeriële regeling de omstandigheden kunnen worden bepaald die na een fusie de mogelijkheid van een zinvolle prestatievergelijking kunnen beperken. Daarbij kan onder meer worden gedacht aan de bepaling wat het minimum aantal drinkwaterbedrijven moet zijn om een zinvolle prestatievergelijking te kunnen uitvoeren. Reden voor deze subdelegatie is dat op dit moment niet uitgesloten is dat de inzichten met betrekking tot de in het derde lid bedoelde omstandigheden in de loop van de tijd kunnen veranderen, en daarom is subdelegatie ten aanzien van deze omstandigheden wenselijk. De artikelsgewijze toelichting bij artikel 11, opgenomen in de nota van toelichting bij het ontwerpbesluit, is overeenkomstig het bovenstaande aangepast.
De Afdeling merkt op dat met betrekking tot fusieverzoeken de minister wellicht advies zou kunnen vragen aan de raad van bestuur van de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa).
Dit advies is overgenomen door artikel 8a, eerste lid, aan te vullen met de mogelijkheid om advies aan de raad van bestuur van de Nederlandse Mededingingsautoriteit te vragen over een fusieverzoek, met dien verstande dat in de bepaling zo expliciet mogelijk is gemaakt op welke aspecten de adviesaanvraag betrekking heeft (met name de financieel-economische aspecten van de fusie).
b. Gevolgen aanvullende toetsingscriteria
Het advies van de Afdeling om artikel 11, tweede lid, te laten vervallen is overgenomen, in die zin dat de subdelegatie verplaatst is naar het derde lid van artikel 11. De subdelegatie in het nieuwe derde lid van artikel 11 is zodanig geconcretiseerd dat de nadere regels moeten gaan over de omstandigheden die de mogelijkheid tot het uitvoeren van een zinvolle prestatievergelijking kunnen beperken.
2. Subdelegatie en deregulering
De Afdeling merkt op dat in de nota van toelichting geen aandacht wordt besteed aan de keuze voor (het grote aantal) delegatiebepalingen noch aan het verschil met het Waterleidingbesluit.
Naar aanleiding daarvan kan worden opgemerkt dat de Waterleidingwet en het Waterleidingbesluit voor een groot deel dateren uit de jaren ’50 en ’60 van de vorige eeuw. Onder meer vanwege de schaalvergroting van de drinkwaterbedrijven en de technische ontwikkeling biedt de Waterleidingwet en het Waterleidingbesluit te weinig handvatten om bepaalde onderwerpen met betrekking tot drinkwater nader te kunnen reguleren. Bovendien omvatten de Waterleidingwet en het Waterleidingbesluit een veel minder breed scala aan onderwerpen dan de Drinkwaterwet en het Drinkwaterbesluit, waarin onder meer de volgende onderwerpen worden geregeld: huishoudwater, warm tapwater, tarieven (inclusief aspecten zoals de berekening van de gewogen gemiddelde vemogenskostenvoet), fusies, advisering door de NMa, kwaliteitsmanagementsystemen, prestatievergelijking en de bezoldiging van bestuurders van drinkwaterbedrijven. Veel van die onderwerpen vereisen dat er nadere regels ter uitwerking van die onderwerpen gesteld kunnen worden. Het betreft in de meeste gevallen een uitwerking van technische regels of van details.
Voor een groot deel van deze onderwerpen geldt dat deze op uitdrukkelijk verzoek van de Tweede Kamer gereguleerd worden.
Ten aanzien van de opmerking van de Afdeling dat er in de nota van toelichting voor wat betreft de delegatiegrondslagen geen aandacht wordt besteed aan het verschil met het Waterleidingbesluit wil ik het volgende opmerken. Bij de Drinkwaterwet heeft er een dereguleringsslag plaatsgevonden ten aanzien van de Waterleidingwet. Verschillende onderwerpen die in de Waterleidingwet waren geregeld komen in de Drinkwaterwet niet meer voor. Ik verwijs voor meer informatie over deze dereguleringsoperatie naar de memorie van toelichting bij die wet (Kamerstukken II 2006/07, 30 895, nr. 3. par. 2.3).
De Afdeling merkt op dat de aangekondigde vier ministeriële regelingen haaks staan op het streven van de regering om de regeldruk verder te verminderen.
Allereerst wil ik hierover opmerken dat de Waterleidingwet in verschillende artikelen een rechtstreekse delegatie aan de minister kent voor het stellen van regels, artikelen 4, vijfde, negende en tiende lid, en artikel 15e, vierde lid, van de Waterleidingwet. Op grond van de Waterleidingwet en het Waterleidingbesluit zijn twee ministeriële regelingen gebaseerd. Op grond van artikel 3j, tweede lid, onder a, van de Waterleidingwet is de Regeling distributiegebieden waterleidingbedrijven gebaseerd. Op artikel 4, tweede en tiende lid, en artikel 15 a, tweede lid, en 15e, vierde lid, van de Waterleidingwet is de Regeling materialen en chemicaliën leidingwatervoorziening opgesteld.
Op grond van het Drinkwaterbesluit zullen drie ministeriële regelingen worden gebaseerd.
De in voorbereiding zijnde Regeling materialen en chemicaliën drinkwater zal een voortzetting zijn van de Regeling materialen en chemicaliën leidingwatervoorziening.
In de Regeling legionellapreventie in drinkwater worden de meer technische regels ten aanzien van de preventie van legionella opgenomen die op dit moment nog in het Waterleidingbesluit zijn opgenomen. Ten aanzien van het Drinkwaterbesluit is er voor gekozen om de norm voor legionella in het Drinkwaterbesluit op te nemen en de meer technische regels, over de wijze van meten van legionella en de frequentie van die metingen, in een ministeriële regeling. Die splitsing heeft de voorkeur omdat veel van die technische regels regelmatig moeten worden aangepast vanwege de verwijzingen naar verschillende NEN-normen en ISO-normen.
Tevens zal er een regeling opgesteld worden waarin ten aanzien van verschillende deelonderwerpen meer technische details worden uitgewerkt. Het zal dan onder meer gaan om de frequentie en wijze waarop het drinkwater en de gebruikte grondstof moeten worden bemonsterd en geanalyseerd, de kwaliteit van de gebruikte grondstof, de eisen die worden gesteld aan laboratoria die voor drinkwaterbedrijven analyses uitvoeren en de versies van NEN-normen en andere documenten die in het Drinkwaterbesluit van toepassing worden verklaard alsmede de aanduiding van de distributiegebieden van drinkwaterbedrijven en de berekening van de (gewogen gemiddelde) vermogenskostenvoet. Deze regeling zal worden aangeduid als de Drinkwaterregeling.
Op grond van artikel 9 van de Drinkwaterwet zullen er regels gesteld gaan worden over hoe drinkwaterbedrijven moeten handelen in het geval van wanbetaling door kleinverbruikers. Mogelijk worden die regels opgenomen in de Regeling afsluiten elektriciteit en gas van kleinverbruikers. Op dit moment bestaan dergelijke regels niet De Tweede Kamer heeft om die regels verzocht.
De Afdeling is van oordeel dat in het ontwerpbesluit niet in alle gevallen aan de vereisten voor delegatie aan de minister wordt voldaan. De Afdeling illustreert dit aan de hand van een aantal bepalingen uit het ontwerpbesluit.
Op al deze voorbeelden zal ik afzonderlijk ingaan.
- Artikel 11, tweede lid
Het advies van de Afdeling om de delegatiegrondslag in artikel 11, tweede lid, zoals opgenomen in het aan de Afdeling voorgelegde ontwerpbesluit, te laten vervallen, is overgenomen. Zoals aangegeven onder 1b "Gevolgen aanvullende toetsingscriteria" van dit nader rapport, bevat artikel 11 van het onderhavige ontwerpbesluit een delegatiegrondslag maar die grondslag is zodanig geconcretiseerd dat de nadere regels moeten gaan over de omstandigheden die de mogelijkheid tot het uitvoeren van een zinvolle prestatievergelijking kunnen beperken.
- Artikel 20, tweede lid
Het advies ten aanzien van artikel 20, tweede lid, is overgenomen. In artikel 20, tweede lid, is het woord 'opheffing' geschrapt en in de nota van toelichting is ingegaan op de noodzaak van subdelegatie op dit punt.
- Artikelen 14 en 42
In de nota van toelichting zal worden toegelicht waarom subdelegatie in de artikelen 14 en 41 van het ontwerpbesluit noodzakelijk wordt geacht. Ten aanzien van het ontwerpbesluit is de keuze gemaakt om de kwaliteitseisen in het besluit op te nemen en de meer technische voorschriften (zoals de wijze van monsterneming, eisen aan analysemethoden, meetfrequenties) in een regeling op te nemen. Die keuze is gemaakt omdat voor de invulling van de technische eisen verwezen wordt naar NEN- en ISO-normen en dergelijke normen regelmatig gewijzigd kunnen worden.
De zinsnede 'in elk geval' in artikel 14 is geschrapt.
Ten aanzien van de overige delegatiebepalingen heb ik in de nota van toelichting aangegeven waarom subdelegatie naar mijn oordeel geoorloofd is. Bij elke delegatiebepaling is aangegeven of de regels van administratieve aard zijn, het uitwerking van de details van een regeling betreft, het voorschriften zijn die dikwijls wijziging behoeven of dat het voorschriften zijn waarvan te voorzien is dat zij mogelijk met grote spoed moeten worden vastgesteld.
Ten aanzien van de delegatiebepalingen, van artikel 10, vijfde lid, en 30, vierde lid, zoals opgenomen in het ontwerpbesluit, zoals voorgelegd aan de Afdeling, wil ik opmerken dat die bepalingen zijn komen te vervallen in het onderhavige ontwerpbesluit. Omdat die delegatiebepalingen bij nader inzien niet noodzakelijk worden geacht.
3. Certificering
a. Uitoefening wettelijke taak
Ik deel de opvatting van de Afdeling dat voldoende gewaarborgd moet worden dat de taken, die de certificatie-instellingen in het ontwerpbesluit toebedeeld krijgen, adequaat worden uitgevoerd. De aanwijzing van deze certificatie-instellingen door de minister en de informatieverplichtingen jegens de minister kunnen bijdragen aan een dergelijke adequate uitvoering. In de door de Afdeling aangehaalde arbeidsomstandighedenregelgeving is op wetsniveau, de Arbeidsomstandighedenwet, voorzien in de bevoegdheid van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid om een certificatie-instelling aan te wijzen. In die wet is tevens bepaald dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels gesteld kunnen worden over de wijze waarop die aanwijzing wordt gedaan. De Drinkwaterwet voorziet echter op dit moment niet in een bevoegdheid voor de minister om dergelijke instellingen aan te wijzen en om bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur regels te stellen over die aanwijzing. Ik zal daarom een wijziging van de Drinkwaterwet in gang zetten om te voorzien in een wettelijke verankering van de bevoegdheid van de minister van Infrastructuur en Milieu om certificatie-instellingen aan te wijzen.
b. Maximering tarieven certificatie-instellingen
Het ontwerpbesluit voorziet niet in een mogelijkheid om de tarieven van de certificatie-instellingen te maximeren. Een dergelijke mogelijkheid wordt niet noodzakelijk geacht omdat, hoewel Kiwa op dit moment in een aantal situaties de enige certificerende instelling is, het een markt is waarin concurrentie mogelijk is. Mijn verwachting is dat de mogelijkheid van concurrentie de kans op het stellen van torenhoge tarieven beperkt, omdat dergelijke tarieven de concurrentie uitlokken.
De Drinkwaterwet bevat geen grondslag om bij of krachtens algemene maatregel van bestuur maximumtarieven vast te stellen. Vanwege de aankondiging in mijn reactie op de opmerking van de Afdeling onder 3a uit het advies, om de Drinkwaterwet te gaan aanpassen, zal ik bij die wijziging van de Drinkwaterwet tevens voorzien in een mogelijkheid om maximumtarieven bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te kunnen vaststellen. De mogelijkheid om maximumtarieven vast te stellen zal alleen gebruikt worden, indien ondanks mijn verwachtingen hierover, de tarieven van de certificerende instellingen onacceptabel hoog worden.
4. Berekening gewogen gemiddelde vermogenskostenvoet
Naar aanleiding van de vraag van de Afdeling over de gevolgen van de systematiek voor het financieel management van drinkwaterbedrijven op grond van de ervaringen in de energiesector, waar een vergelijkbare systematiek wordt gehanteerd, wil ik het volgende opmerken. Bij het bepalen van de waarden van de parameters uit de formule in bijlage C het uitgangspunt is om zoveel mogelijk aan te sluiten bij de methode die de NMa hanteert voor het bepalen van de zogenaamde Weighted Average Cost of Capital, in het kader van de regulering in de energiesector. Substantiële wijzigingen in de methode worden niet voorzien. Dit is ook de ervaring van de NMa. Dit neemt niet weg dat het wenselijk is dat er ruimte bestaat voor het doorvoeren van verbeteringen. Vanwege deze gewenste flexibiliteit is gekozen om de uitgangspunten bij de bepaling van de waarden van de parameters bij ministeriële regeling vast te stellen. Voor de energiesector stelt de raad van bestuur van de NMa voor elke reguleringsperiode de methode in een besluit vast.
Hoewel tegen het besluit tot vaststelling van de gewogen gemiddelde vermogenskostenvoet geen bezwaar of beroep mogelijk is, zal de mogelijkheid worden gegeven tot inspraak op een voorgenomen besluit tot vaststelling van de gewogen gemiddelde vermogenskostenvoet.
De artikelsgewijze toelichting bij artikel 6 van de nota van toelichting is vanwege het advies van de Afdeling op dit punt aangepast en aangevuld.
5. De redactionele kanttekeningen zijn, met uitzondering van de tweede redactionele kanttekening, overgenomen. Over deze tweede redactionele kanttekening wil ik het volgende opmerken:
- Het advies van de Afdeling om de kopjes bij de artikelen te schrappen is niet overgenomen omdat de toegankelijkheid van het ontwerpbesluit gebaat is bij die kopjes. In Ar 98 staat dat artikelen slechts van een opschrift worden voorzien, indien dit voor de toegankelijkheid van de regeling noodzakelijk is.
Van de gelegenheid is gebruikgemaakt om het ontwerpbesluit op de volgende punten aan te passen:
Aan de artikelen 5 en 34 van het onderhavige ontwerpbesluit inzake voorschriften over een mijnbouwinstallatie als bedoeld in artikel 1, onderdeel o, van de Mijnbouwwet, wordt toegevoegd dat het naast een minbouwinstallatie gelegen binnen het Nederlandse territoir ook een dergelijke installatie, gelegen in het Nederlandse deel van het continentale plat, kan betreffen.
Artikel 8, derde lid, van het ontwerpbesluit is zodanig aangepast dat daarmee beter aangesloten wordt bij de motie van de Tweede Kamerleden, Jansen, Lucas-Smeerdijk, Koppejan (Kamerstukken II, 2009/10, 30 895, nr. 58). In het derde lid is vastgelegd dat de kosten voor buitenlandse projecten in mindering worden gebracht op de vermogenskostenvergoeding die maximaal is toegestaan op basis van de vastgestelde vermogenskostenvoet.
De formulering van artikel 36 van het ontwerpbesluit is zodanig aangepast dat de kwaliteitseis (bevat minder dan 100 kolonie vormende eenheden legionellabacteriën per liter) alleen van toepassing is op de bij ministeriële regeling aangewezen soorten. In het ontwerpbesluit, zoals aan de Afdeling is voorgelegd, was bepaald dat dezelfde kwaliteiteis niet van toepassing was op bij regeling aangewezen soorten. De gewijzigde formulering sluit beter aan bij de werkwijze in de praktijk.
Door het onderhavige ontwerpbesluit (artikelen 60, 61 en 63 tot en met 68) worden enkele algemene maatregelen van bestuur gewijzigd vanwege de daarin opgenomen verwijzingen naar (onderdelen van) de Waterleidingwet of het Waterleidingbesluit. In verband met deze wijzigingen is tevens de aanhef van het ontwerpbesluit aangevuld met de wettelijke grondslagen van deze door middel van het ontwerpbesluit aangepaste algemene maatregelen van bestuur.
Voorts is in het ontwerpbesluit en de nota van toelichting een aantal redactionele onvolkomenheden gecorrigeerd.
Ik moge U hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Staatssecretaris van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu
(1) Amendement van het lid Wiegman-Van Meppelen c.s., d.d. 30 mei 2008 (Kamerstukken II 2007/08, 30 895, nr. 35).
(2) Toelichting bij het amendement van het lid Wiegman-Van Meppelen c.s., a.w.
(3) Zie de definitie in artikel 1, eerste lid, van de Drinkwaterwet.
(4) In het ontwerpbesluit, zoals dat op 9 december 2009 werd voorgehangen bij de Tweede Kamer, stond in artikel 11, eerste lid, onder b, "nadelige gevolgen voor de leveringszekerheid". Het woord "nadelig" is bij nader inzien door de Minister geschrapt, omdat het kijken naar alleen nadelige gevolgen door haar te beperkt werd geacht (Kamerstukken II 2009/10, 30 895, nr. 57, blz. 7).
(5) Zie Hoofdstuk V van de Drinkwaterwet en de memorie van toelichting, § 3.2 (Kamerstukken II 2006/07, 30895, nr. 3, blz. 31).
(6) Kamerstukken II 2009/10, 30 895, nr. 57, blz. 8.
(7) In de periode 1996 tot en met 2006 is het aantal drinkwaterbedrijven gehalveerd van 20 naar 10 bedrijven.
(8) In de volgende landen hebben eveneens onderzoeken naar fusies van drinkwaterbedrijven in ontwikkelde landen plaats gevonden: Australië, Duitsland, Engeland, Frankrijk, Italië, Japan, Portugal, Verenigde Staten en Wales.
(9) E. Dijkgraaf, M. Varkevisser, "Analyse kosteneffect fusies drinkwatersector", Rotterdam, 2007, blz. 27.
(10) E. Dijkgraaf, M. Varkevisser, a.w., blz. 27. Zie ook B. Baarsma, "Fusietoezicht op Not for Profits", in: TPEdigitaal, 2008, 2 (4), blz. 62 en E. Dijkgraaf c.s., "Fusies saboteren eerlijke prijs op drinkwatermarkt", in: Het Financiële Dagblad, 2 juli 2002, opiniepagina.
(11) Kamerstukken II 2009/10, 30 895, nr. 57, blz. 7.
(12) Fusies van drinkwaterbedrijven vallen op dit moment afhankelijk van de omzetgegevens van de betreffende bedrijven, ingevolge de artikelen 27 juncto 29 van de Mededingingswet, onder het concentratietoezicht van de NMa. Fusies van drinkwaterbedrijven leiden zelden of nooit tot een weigering van de vergunning, omdat fusies van drinkwaterbedrijven - door hun wettelijk geregelde monopolieposities - niet leidden tot versterking van de machtspositie op de drinkwatermarkt. Zie bijvoorbeeld het besluit van de Directeur-Generaal van de NMa van 26 april 2002, nr. 2866/10, inzake de fusie van Nuon Water - Waterbedrijf Gelderland - Waterleiding Maatschappij Overijssel, r.o. 29 - 30.
(13) Motie Lucas-Smeerdijk, Koppejan, Jansen en Samson (Kamerstukken II 2009/10, 30 895, nr. 62). De motie is met algemene stemmen aangenomen op 1 juli 2010 (Handelingen II 2009/10, blz. 94-7843).
(14) Volgens de Minister van I&M is de Mededingingswet na inwerkingtreding van de Drinkwaterwet niet meer van toepassing op drinkwaterbedrijven voor zover deze zorgdragen voor de openbare drinkwatervoorziening, omdat dit in Europeesrechtelijke zin als 'dienst van algemeen belang' kan worden aangemerkt en dus niet als economische activiteit (Kamerstukken II 2006/07, 30 895, nr. 3, blz. 25). Voor zover drinkwaterbedrijven andere activiteiten verrichten (bijv. de levering van industriewater) kan dit mogelijkerwijs wel onder de Mededingingswet vallen en daarmee onder het concentratietoezicht van de NMa. In dat geval ligt een samenloopregeling tussen de NMa en de Minister van I&M voor de hand, zoals bijvoorbeeld geregeld in de artikelen 18, eerste lid, en 70, tweede lid, van de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg) voor de samenloop van bevoegdheden tussen de NMa en de Nederlandse Zorgautoriteit.
(15) Zie het verslag van het debat van 1 juli 2010 over het ontwerp-Drinkwaterbesluit (Handelingen II 2009/10, blz. 94-7799).
(16) Er wordt in de literatuur ook wel gesuggereerd de fusietoets voor drinkwaterbedrijven alleen door een kamer van de NMa te laten verrichten. Politieke inmenging in het fusieproces wordt onwenselijk geacht, omdat het toezicht dan te dicht bij het politieke proces terecht komt en doorkruist wordt met allerlei partijpolitieke belangen en politieke beïnvloeding: waterbedrijven zouden via lobbies het toezicht kunnen beïnvloeden. Zie B. Baarsma, "Geen politisering mededingingstoezicht", in: ESB 26 juni 2009, blz. 413 en B. Baarsma, "Moeilijke marktwerking en meedogenloze mededinging", Amsterdam, 2010, blz. 16.
(17) Zie ook Aanwijzing 101 van de Aanwijzingen voor de regelgeving (Ar.). Het gebruik van 'in ieder geval' benadrukt het niet-limitatieve karakter van een opsomming.
(18) In punt 2 van het advies wordt ook aandacht besteed aan dit artikellid in relatie tot de vereisten voor subdelegatie.
(19) C.A.J.M. Kortmann, Constitutioneel recht, Deventer 2008, blz. 52: "Bij de bespreking van het constitutionalisme zagen wij dat een van de kenmerkende trekken ervan is verdeling van onderscheiden bevoegdheden over onderscheiden ambten. Voor de rechtsstaatsconceptie is dit uitgangspunt ook van groot belang. De regelsteller en de uitvoerder van de regel dienen niet in een ambt verenigd te zijn, daar de uitvoerder anders de regel die hij moet uitvoeren naar goeddunken kan wijzigen".
(20) Deze 31 bepalingen staan verspreid over 24 artikelen, t.w. de artikelen 1, 3, eerste lid, 6, tweede lid, 8, vierde lid, 8a, derde lid, 10, vijfde lid, 11, tweede lid, 14, 15, eerste lid, 18, 20, eerste en tweede lid, 26, vijfde lid, 27, tweede lid, 30, eerste, vierde, vijfde en zesde lid, 34, derde lid, 35, eerste en tweede lid, 36, eerste en derde lid, 37, eerste en tweede lid, 42, 43, derde lid, 44, zesde lid, 55, 57, eerste lid, en 59.
(21) Nota van toelichting, paragraaf 2. Inleiding.
(22) "De regeldruk, met name voor professionals en burgers, en de interbestuurlijke lasten worden verder verminderd."("Vrijheid en verantwoordelijkheid", Regeerakkoord VVD-CDA, blz. 5).
(23) Zie Aanwijzing 26 Ar.
(24) Zie Aanwijzing 25 Ar. Voor de begrenzing kan worden gedacht aan het concretiseren van de omstandigheden waarin van de gedelegeerde bevoegdheid gebruik mag worden gemaakt, aan de te regelen onderwerpen en aan de doeleinden waartoe zij mag worden gebruikt. Voorbeelden van niet concrete delegatiebepalingen zijn de artikelen 10, vijfde lid, en 44, zesde lid. Op grond van artikel 10, vijfde lid, en artikel 44, zesde lid, kunnen dan wel worden nadere voorschriften gesteld met betrekking tot de toepassing van het eerste tot en met vierde lid onderscheidenlijk het eerste tot en met vijfde lid.
(25) De commissie is belast met de afgifte van kwaliteitsverklaringen aangaande het gebruik van materialen en chemicaliën bij de winning, de bereiding, de behandeling, de opslag, het transport of de distributie van drinkwater.
(26) Toelichting bij artikel 20.
(27) Zie artikel 6, 6a en 10, met bijbehorende bijlagen, onderscheidenlijk artikel 17p van het Waterleidingbesluit.
(28) Op grond van artikel 15, eerste lid, van het ontwerpbesluit dienen eigenaren van een drinkwaterbedrijf over een kwaliteitsmanagementsysteem te beschikken.
(29) Indien uit een legionella-risicoanalyse blijkt dat er een risico is dat niet wordt voldaan aan de kwaliteitsvereisten voor drinkwater of warm tapwater.
(30) Zie artikel 20 van de Arbeidsomstandighedenwet, Afdeling 1A van het Arbeidsomstandighedenbesluit en paragraaf 1.1a van de Arbeidsomstandighedenregeling.
(31) Aqua Nederland is de branchevereniging voor de waterbehandelingssector (advies van 15-02-2010, blz. 2, 3).
(32) Zie de nota van toelichting, Algemeen deel, paragraaf 3.2 Inspraak op het ontwerpbesluit.
(33) Zie artikel 1.5 e, derde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit ('regels met betrekking tot de vergoeding die voor de afgifte van een certificaat de hoogste verschuldigd is') en artikel 6.4 van de Arbeidsomstandighedenregeling ('voor de afgifte van een certificaat (...) is een vergoeding verschuldigd van ten hoogste €273').
(34) Zie over het maximeren van tarieven ook het Kabinetsstandpunt over het gebruik van certificatie en accreditatie in het kader van overheidsbeleid (Kamerstukken II 2003/04 29 304, nr. 1, blz. 21).
(35) Zie de slotzin van artikel 10, derde lid, van de Drinkwaterwet.
(36) Amendement van de leden Boelhouwer en Koppejan, d.d. 11 juni 2008 (Kamerstukken II 2007/2008, 30 895, nr. 45). De motie is met algemene stemmen aangenomen op 1 juli 2008 (Handelingen II 2009/10, blz. 103-7344).
(37) Zie de toelichting bij het amendement van de leden Boelhouwer en Koppejan, d.d. 11 juni 2008 (Kamerstukken II 2007/2008, 30 895, nr. 45, blz. 3).
(38) Zie de nota van toelichting, toelichting bij artikel 6.
(39) Zie het advies van VEMW, Vereniging Eigen Huis en Consumentenbond, d.d. 11 februari 2010, nr. 10400b04HB/kb, blz. 3, en de VNG, d.d. 16 februari 2010, nr. ECGF/U201000297, blz. 1.
(40) Zie Kamerstukken II 2009/10, 30895, nr. 55.
(41) Zie artikel 6, tweede lid, van het ontwerpbesluit en de nota van toelichting, paragraaf 3.2, blz. 4.
(42) Zie ook punt 2 van het advies.
(43) E. Dijkgraaf, M. Varkevisser, Analyse kosteneffect fusies drinkwatersector, Rotterdam, 2007.