Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Adviezen ›
  3. W08.01.0303/V

Voorstel van wet met memorie van toelichting houdende wijziging van de Wet geluidhinder, de Wet milieubeheer en diverse andere wetten (modernisering instrumentarium geluidbeleid).

Kenmerk
W08.01.0303/V
Datum advies
22 maart 2002
Vindplaats
Niet gepubliceerd
  • Infrastructuur en Waterstaat
  • Wet

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

Voorstel van wet met memorie van toelichting houdende wijziging van de Wet geluidhinder, de Wet milieubeheer en diverse andere wetten (modernisering instrumentarium geluidbeleid).

Bij Kabinetsmissive van 5 juli 2001, no.01.003324, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet met memorie van toelichting houdende wijziging van de Wet geluidhinder, de Wet milieubeheer en diverse andere wetten (modernisering instrumentarium geluidbeleid).

Het wetsvoorstel vloeit voort uit de in mei 1998 aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal gezonden beleidsnota "Vernieuwing Geluidhinderbeleid".(zie noot 1) Het beoogt de daarin aangekondigde modernisering van het instrumentarium voor het geluidhinderbeleid (stelsel-MIG) tot stand te brengen.
Aangesloten wordt bij het uitgangspunt om de milieuwetgeving zoveel mogelijk te integreren in de Wet milieubeheer (Wm). Ten gevolge van dit wetsvoorstel komt de Wet geluidhinder (Wgh) dan ook grotendeels te vervallen.
Het wetsvoorstel dient tevens ter implementatie, zij het voor één onderdeel, van de nog in procedure verkerende richtlijn voor omgevingslawaai van het Europese Parlement en de Raad van de Europese Unie (hierna ook: richtlijn (omgevingslawaai)). Het wetsvoorstel beoogt te komen tot een vereenvoudiging van de regeling van het voorkomen en tegengaan van geluidhinder. Anders dan de huidige Wet geluidhinder, die uitgaat van over het gehele land geldende wettelijke voorkeursgrenswaarden, voorziet het wetsvoorstel in een bevoegdheid voor de gemeenteraden om gemeentelijke geluidbeleidsplannen vast te stellen, waarin per gebied geluidbeschermingsniveaus worden opgenomen.
De Raad van State maakt in de eerste plaats een opmerking over het feit dat in het wetsvoorstel in één onderdeel wordt vooruitgelopen op de nog in ontwerpvorm verkerende richtlijn Omgevingslawaai. Verder plaatst hij kanttekeningen bij de ingrijpende stelselwijziging voor de regeling van geluidhinder, waarin het wetsvoorstel voorziet, de argumentatie voor en de omvang van de daarin opgenomen decentralisatie van bevoegdheden, de aansluiting van het stelsel-MIG op de uitgangspunten van de Wm en bij het te verwachten functioneren van het stelsel-MIG in de praktijk.

1. Ontwerprichtlijn Omgevingslawaai
Het wetsvoorstel strekt er in hoofdzaak toe het nieuwe geluidsrecht wettelijk te regelen overeenkomstig de nota MIG. Daarnaast is in het wetsvoorstel rekening gehouden met de in voorbereiding zijnde richtlijn Omgevingslawaai, terwijl op één
punt een verbinding wordt gelegd met een essentieel onderdeel van deze richtlijn. Dit betreft de in de richtlijn voorziene nieuwe dosismaat. De Raad gaat op de implicaties van deze dosismaat nader in onder 3c. De implementatie van de richtlijn zal voor het overige naar verwachting nog deels plaatsvinden in de Wgh, omdat er rekening mee wordt gehouden dat de wettelijke regeling van het stelsel-MIG niet tijdig gereed zal zijn. Ook kan implementatie van de richtlijn leiden tot aanpassing van het onderhavige wetsvoorstel.
De Raad onderkent dat de voorgestelde methode als voordeel heeft dat het ontwerp-MIG wordt gepresenteerd in de beoogde "definitieve" contouren, zodat direct duidelijk is hoe het nieuwe recht, met inbegrip van de aanstaande implementatie van de richtlijn (voorzover daarvoor de MIG nodig is), er komt uit te zien. Hij wijst echter op enkele nadelen die aan deze opzet zijn verbonden.
In de eerste plaats kan het verwarring wekken dat één wetsvoorstel zowel "autonome" onderdelen bevat als bepalingen, waarin rekening wordt gehouden met of vooruit wordt gelopen op een ontwerprichtlijn. De Raad is dan ook niet overtuigd van de noodzaak om in het onderhavige wetsvoorstel wat betreft een nieuwe dosismaat, waarop ernstige kritiek mogelijk is, vooruit te lopen op de totstandkoming van de richtlijn.
De Raad adviseert duidelijk aan te geven in welke onderdelen van het wetsvoorstel rekening is gehouden met de ontwerprichtlijn en welke onderdelen een autonoom karakter dragen. De Raad ontraadt om bij het opnemen van een nieuwe dosismaat in een algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 1.1b vooruit te lopen op definitieve besluitvorming hierover in het kader van de vaststelling van de richtlijn Omgevingslawaai.

2 Opportuniteit van het wetsvoorstel
Het feit dat een richtlijn Omgevingslawaai in voorbereiding is roept een vraag op naar de timing van het wetsvoorstel. Omzetting van de uitgangspunten van de nota MIG uit 1998 in het voorliggende wetsvoorstel heeft, hoewel deze door de Tweede Kamer breed werden onderschreven, toch nog geruime tijd gevraagd. De Raad wijst er overigens op dat hij, nu het een nota betrof, niet eerder in de gelegenheid is geweest over deze uitgangspunten een standpunt te bepalen. Met de huidige Wgh is inmiddels gedurende ruim twintig jaar ervaring opgedaan; de bestuurspraktijk is op het stelsel van de wet ingespeeld; aanloopmoeilijkheden en begripsverwarring, waarover in de beginfase van de wet werd geklaagd, doen zich naar het inzicht van de Raad weinig meer voor. Hoewel de wet een aantal beperkingen kan opleveren voor bestuurlijk gewenste ontwikkelingen, heeft de Raad niet de indruk dat hierbij van zeer ernstige knelpunten sprake is. Hij betrekt hierbij dat de Experimentenwet Stad en Milieu onder procedurele waarborgen mogelijkheden biedt tot afwijking van onder meer de normen van de Wgh in situaties waarin deze als te knellend worden ervaren. De indruk bestaat dat de gemeentebesturen gebruikmaken van de mogelijkheden die de wet biedt, maar een goed beeld van het functioneren ervan ontbreekt. Verder zal implementatie van de richtlijn Omgevingslawaai, wanneer deze is vastgesteld, vermoedelijk toch weer om vervolgwetgeving vragen, hoewel bij dit voorstel al met de richtlijn rekening is gehouden. Dit alles roept de vraag op of het opportuun is om nu te komen met een wettelijke regeling van het stelsel-MIG.
De Raad adviseert nader uiteen te zetten waarom introductie van een wetsvoorstel tot regeling van het stelsel-MIG nu opportuun wordt geoordeeld.

3. Gemeentelijk geluidbeleid
Het wetsvoorstel legt nieuwe verantwoordelijkheden op aan de gemeentebesturen. In dit verband onderstreept de Raad het belang van de in paragaaf 4.4 van de memorie van toelichting aangekondigde activiteiten ter begeleiding van de invoering van het nieuwe recht. Hij neemt aan dat de Vereniging van Nederlandse Gemeenten daarbij zal worden betrokken en dat met deze activiteiten tijdig zal worden begonnen.

Hierna gaat de Raad meer in het bijzonder in op de volgende aspecten van het gemeentelijke beleid:
a. de uitgangspunten die ten grondslag liggen aan de in het wetsvoorstel voorziene decentralisatie en de gevolgen daarvan voor de beleidsruimte van gemeenten;
b. de geluidbeleidsplannen, de daarin opgenomen gebiedsaanwijzingen en de daarvoor geldende geluidswaarden;
c. de daarop betrekking hebbende algemene maatregel van bestuur-bevoegdheid;

a. Volgens de memorie van toelichting gaat het in het stelsel-MIG primair om beheersing van geluid, waarbij een gebiedsgerichte benadering centraal staat. Ieder gebied moet zo worden beheerst dat het een passende geluidskwaliteit heeft. Dit vertaalt zich volgens de toelichting in decentralisatie en beleidsvrijheid. Als argumentatie daarvoor wordt naar voren gebracht dat geluid een lokaal verschijnsel is en dat het daarom primair tot de verantwoordelijkheid van het lokaal bestuur dient te worden gerekend. Nu is geluid in zijn effecten inderdaad een lokaal verschijnsel, in die zin dat naarmate men zich verder van de bron verwijdert de geluidsoverlast afneemt. In dit opzicht is geluid vergelijkbaar met lokale luchtverontreiniging, stank en externe veiligheid. Evenals deze vormen van milieuhinder doet geluidhinder zich echter overal voor, waar menselijke activiteiten zich in een zekere concentratie afspelen. Dit laatste is voor grote delen van ons land het geval. Dit gegeven werpt een relativerend licht op het uitgangspunt dat
geluid een lokaal verschijnsel is en dat om die reden de geluidsnormering behoort tot de verantwoordelijkheid van de lokale overheid. Geluid is naar zijn effecten een lokaal, maar naar zijn voorkomen in ons land een landelijk milieuprobleem. De in artikel 5.1a van het wetsvoorstel opgenomen landelijke grenswaarde en richtwaarde houden dan ook terecht een bandbreedte in voor de lokale beleidsvrijheid op het punt van normering.
De lokale beleidsvrijheid krijgt vorm in de volgens artikel 4.19a op te stellen gemeentelijke geluidbeleidsplannen. Het wetsvoorstel stelt deze plannen verplicht. De beleidsvrijheid waarover de gemeenteraad bij het vaststellen van het plan, het daarin aanwijzen van gebieden en het daarvoor vaststellen van geluidswaarden beschikt, is echter in feite nogal beperkt. Volgens artikel 4.19c neemt de gemeenteraad bij het vaststellen van geluidswaarden voor gebieden de door de Minister van Verkeer en Waterstaat op grond van artikel 11.4 vastgestelde hoogste toelaatbare geluidsproductie van rijkswegen en spoorwegen en van bij algemene maatregel van bestuur aangewezen andere geluidsbronnen in acht. Dit geldt eveneens voor de door gedeputeerde staten op grond van artikel 11.7 vastgestelde geluidsproductie van provinciale wegen en van bij provinciale milieuverordening aangewezen regionale bedrijventerreinen en voor de door besturen van waterschappen op grond van artikel 11.8 vastgestelde geluidsproductie van onder hun beheer staande wegen. Ook de toegestane geluidsproductie van bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 8.39a aangewezen nationale inrichtingen moet in acht worden genomen. De memorie van toelichting spreekt in dit verband in de paragrafen 5.4 en 7.1 ten onrechte over "meenemen" en "rekening houden met". Met de door burgemeester en wethouders op grond van artikel 11.11 vastgestelde geluidsproductie van gemeentelijke wegen, lokale spoorwegen en bedrijventerreinen zal wel rekening worden gehouden. Omgekeerd geldt niet dat de niet-gemeentelijke beheerders van wegen, spoorwegen of bedrijventerreinen bij de vaststelling van de geluidsproductie van de onder hun beheer staande geluidsbronnen rekening dienen te houden met geluidswaarden voor gebieden waarvoor deze bronnen geluidbelasting veroorzaken. Voorzover gemeentebesturen hoogst toelaatbare geluidsproductieniveaus voor onder hun beheer staande wegen of spoorwegen en andere geluidsbronnen vaststellen, moeten zij wel rekening houden met de vastgestelde geluidswaarden van gebieden. Dit betekent dat op veel plaatsen de beleidsvrijheid bij het vaststellen van geluidbeleidsplannen en in het bijzonder van geluidswaarden in gebieden zal worden begrensd door externe factoren. Verder zal het tot stand brengen van gemeentelijke geluidbeleidsplannen praktisch niet eerder op gang komen dan nadat voor de belangrijke bronnen de hoogst toelaatbare geluidsproductie zal zijn vastgesteld.
Het vaststellen van gemeentelijke geluidbeleidsplannen, het daarbij besluiten over de keuze en afbakening van gebieden, het besluiten over de voor deze gebieden geldende waarden van geluidbelasting en het beslissen over de positie van de referentiepunten in deze gebieden voor het bepalen van deze waarden zal naar verwachting veel bestuurlijke inspanning vergen. Voor de vaststelling zal de nieuwe procedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gaan gelden, die voorziet in participatie door belanghebbende burgers en bedrijven. Van een beroepsrecht tegen de vaststelling van geluidbeleidsplannen wordt overigens door een wijziging van artikel 20.2 Wm afgezien. De bestuurlijke inspanning zal zich voor een deel vertalen in financiële lasten voor het opstellen van geluidbeleidsplannen en het volgen van de daarbijbehorende besluitvormingsprocedures.
Hier staat tegenover dat de juridische en bestuurlijke betekenis van geluidbeleidsplannen en geluidswaarden voor gebieden beperkt is. Dit komt mede tot uiting in de reeds gememoreerde uitsluiting van beroep tegen besluiten tot vaststelling van deze plannen. De memorie van toelichting spreekt wat de geluidswaarde betreft over "ambitieniveaus". Bij de vergunningverlening voor inrichtingen zal volgens een aanpassing van artikel 8.8, tweede lid, rekening moeten worden gehouden met het geldende geluidbeleidsplan. Voor het overige biedt het wetsvoorstel belanghebbenden geen directe aanknopingspunten om naleving of handhaving van de gebiedsgerichte geluidswaarden af te dwingen. Te verwachten valt dan ook dat gemeenteraden niet of met grote vertraging zullen overgaan tot het vaststellen van geluidbeleidsplannen.
De sanctie die het wetsvoorstel daarop stelt is niet effectief. De regeling (een combinatie van artikel 5.1a, vierde lid, Wm, en artikel IX, tweede lid) houdt in dat indien niet tijdig een nieuw geluidbeleidsplan wordt vastgesteld, voor het nemen van besluiten waarbij rekening moet worden gehouden met het geluidbeleidsplan, een grenswaarde van 55 dB in acht moet worden genomen. Deze grenswaarde zal in het algemeen voor het buitengebied tot een verhoging van de daar toegestane geluidbelasting kunnen leiden. Voor de stedelijke gebieden, waar feitelijk een hogere geluidbelasting heerst, zou rekening houdend met de grenswaarde bij de vergunningverlening voor inrichtingen een mate van geluidbelasting moeten worden vergund, die onder het referentieniveau van het omgevingsgeluid komt te liggen. Het valt niet te verwachten dat bevoegde gezagsinstanties daadwerkelijk daartoe zullen over gaan. Verder zal deze grenswaarde voor de algemene maatregel van bestuur-inrichtingen waarvoor vaste geluidbelastingsnormen gelden, geen effect kunnen hebben.
De beperkte betekenis die geluidbeleidsplannen volgens het wetsvoorstel zullen hebben, roept de vraag op naar de noodzaak van een wettelijke verplichting voor gemeenteraden om een geluidbeleidsplan vast te stellen. De Raad wijst er hierbij op dat de Handreiking Industrielawaai en Vergunningverlening reeds nu rekening houdt met de mogelijkheid van een gemeentelijke geluidsnota, waarin gemeentelijke geluidbelastingsnormen kunnen worden opgenomen. De ervaring tot nu toe is dat een uiterst klein aantal gemeentebesturen tot het opstellen van een dergelijke nota is overgegaan.
Ten slotte rijst de vraag hoe het gemeentelijke geluidbeleidsplan met de daarin opgenomen waarden zich verhoudt tot het gemeentelijk bestemmingsplan. Het wetsvoorstel legt deze relatie niet, terwijl daarentegen de toelichting bij het wetsvoorstel tot een fundamentele herziening van de Wet op de Ruimtelijke Ordening voorziet in de mogelijkheid om milieukwaliteitseisen in bestemmingsplannen op te nemen. Te verwachten valt dat bij het vaststellen van bestemmingsplannen de bestaande geluidswaarden maatgevend moeten zijn. Indien dit niet het geval zou zijn, zouden bouwaanvragen voor bouwwerken die niet passen bij de bestaande waarde of deze in gevaar brengen, in zoverre niet kunnen worden geweigerd. Dit roept de moeilijke vraag op of een plan met zeer beperkte rechtsgevolgen en een daarmee corresponderende procedure van totstandkoming maatgevend kan zijn voor een plan met sterke rechtsgevolgen en daarbij behorende rechtsbeschermingsmogelijkheid.

De Raad dringt erop aan om in een afzonderlijke beschouwing de daadwerkelijke beleidsruimte op lokaal niveau bij het opstellen van geluidbeleidsplannen uiteen te zetten waarin de noodzaak van een wettelijke verplichting om geluidbeleidsplannen in samenhang met de bestuurlijke kosten en baten van deze plannen nader wordt bezien. Daarbij ware aandacht te besteden aan de verhouding met de bestemmingsplannen.

b. Volgens het nieuwe artikel 4.19b, tweede lid, Wm (artikel II, onderdeel I, van het wetsvoorstel) wordt in een geluidbeleidsplan "per onderscheiden gebied ... het beoogde niveau van bescherming tegen geluidbelasting in een waarde" uitgedrukt.
Daarbij is de essentie van het voorstel - de toelichting wijst daarop in paragaaf 6.3 - dat het bestaande stelsel van zonering enerzijds en het werken met de geluidbelasting op de gevels van relevante gebouwen anderzijds, wordt vervangen door een stelsel waarin de kwaliteit van gebieden centraal staat. Een centraal punt in het stelsel-MIG is verder dat consequent wordt uitgegaan van de noodzaak om binnen woningen een geluidsniveau van maximaal 35 dB te handhaven. Deze norm wordt ontleend aan het nieuwe Bouwbesluit (artikel 3.1), dat naar verwachting binnenkort in werking zal treden. De Raad wijst er in de eerste plaats op dat deze norm slechts geldt voor nieuw te bouwen bouwwerken. Weliswaar wordt 35 dB beschouwd als een algemene grens voor aanvaardbare geluidbelasting binnen woningen, maar voor bestaande woningen ligt deze grenswaarde niet wettelijk vast. Dit behoeft voor de vaststelling van geluidswaarden in gebieden op zichzelf geen bezwaar te zijn, omdat deze ook kunnen worden gebaseerd op beleidsuitgangspunten of -regels. Omdat de wettelijke regeling van het stelsel van zonering, vaststelling van hogere waarden en eventueel sanering vervalt, dreigt voor bestaande woningen die nog niet zijn gesaneerd een lacune te ontstaan. Thans bevat de Wgh in artikel 111 een verplichting tot het treffen van maatregelen om te bevorderen dat de geluidbelasting binnen woningen waarden van 35 of 40 dB (A) niet overschrijdt. Deze bepaling komt te vervallen. Daar zou reden voor kunnen zijn wanneer over het gehele land de sanering van te zwaar belaste woningen is voltooid. Dit is echter nog niet het geval. In het toekomstige systeem zal sanering van nog overblijvende of overgebleven woningen een gemeentelijke beleidsaangelegenheid worden, waarvoor niet is gegarandeerd dat daarvoor adequate gemeentelijke financiële middelen beschikbaar zullen zijn en waarvoor geen wettelijk vastgelegd binnenniveau zal gelden.
Wil het in een plan te bepalen, beoogde niveau van bescherming tegen geluidbelasting in een gebied effectief kunnen zijn, dan is verder van groot belang welke beoordelings- of referentiepunten worden gekozen. Hierover kan in het overleg met belanghebbende burgers en bedrijven gemakkelijk verschil van opvatting ontstaan.
De Raad adviseert in de toelichting nader in te gaan op het vervallen van de saneringsregeling en op de keuze van referentiepunten voor het bepalen van geluidswaarden in gebieden, en eventueel in het nieuwe artikel 4.19d Wm te bepalen dat de daar voorziene algemene maatregel van bestuur voor dit laatste onderwerp regels geeft.

c. Artikel II, onderdeel U, bevat de nieuwe afdeling 11.1 Wm. Artikel 11.2, eerste lid, bevat een blanco delegatiebepaling voor het stellen van nadere regels met betrekking tot het gemeentelijke geluidbeleid; het tweede lid, dat als in ieder geval te regelen onderwerpen het opstellen van geluidbelastingskaarten en de verplichting tot intergemeentelijke samenwerking in agglomeraties noemt, doet aan dit blanco karakter niet af.
Een dergelijke blanco bepaling acht de Raad in het algemeen niet wenselijk; hij wijst ook op aanwijzing 25 van de Aanwijzingen voor de regelgeving (Ar).
Naar het oordeel van de Raad zal deze delegatie materieel moeten worden beperkt en genormeerd; hij adviseert tot aanpassing van de bepaling.
De artikelen 11.11, 11.12 en 11.13 bevatten verschillende onderwerpen van het gemeentelijk geluidbeleid die bij gemeentelijke verordening kunnen of moeten worden geregeld. Voorgeschreven zijn regels over door de beheerders van een geluidsbron te treffen maatregelen om het overschrijden van de hoogst toelaatbare geluidsproductie zoveel mogelijk te voorkomen of ongedaan te maken. Facultatief zijn het bepalen dat burgemeester en wethouders de hoogst toelaatbare geluidsproductie van bij de verordening aangewezen lokale spoorwegen en bedrijven terreinen vaststellen en eveneens facultatief zijn regels over de aard, samenstelling, wijze van aanleg of gebruik van geluidsbronnen. De desbetreffende verordening krijgt hiermee ook wat de inhoud betreft een hybride karakter; enerzijds algemeen verbindend voorschrift en anderzijds besluit van algemene strekking zonder een algemeen verbindend karakter. Voorzover dit laatste het geval is, moet er rekening mee worden gehouden dat tegen bepalingen van de verordening beroep openstaat. Hierover ware duidelijkheid te verschaffen in de toelichting.

4. Geluidsnormering en geluidbelasting
De Raad merkt ten aanzien van de geluidsnormering en de geluidbelasting het volgende op.

a. Het voorgestelde artikel 5.1a Wm bepaalt de grenswaarde voor geluid op 70 dB, de richtwaarde op 50 dB. De huidige Wgh hanteert "A-gewogen" decibels - dB(A) -, dat wil zeggen dat wordt uitgegaan van het geluid dat hoorbaar is voor het menselijk oor. Dat maakt in de praktijk aanzienlijk verschil.
Uit paragaaf 2.4 van de memorie van toelichting blijkt dat het in de bedoeling ligt in de algemene maatregel van bestuur ter uitvoering van het nieuwe artikel 1.1b Wm, het gebruik van de dosismaat L*den voor te schrijven,(zie noot 2) die op haar beurt is afgeleid van de maat Lden, die de richtlijn omgevingslawaai naar verwachting zal introduceren. Daar de formule voor Lden als element wel de eenheid dB(A) kent en niet dB,(zie noot 3) mag worden aangenomen dat beoogd wordt onder de gewijzigde Wm ook te werken met de geluidseenheid dB(A).
De Raad adviseert die eenheid te gebruiken in artikel 5.1a Wm.

b. In de literatuur wordt gesteld dat de Lden-norm tot 3 db(A) meer geluidsruimte kan geven dan de tot voor kort algemeen gehanteerde norm Laeq;(zie noot 4) datzelfde zal dan ook gelden ten opzichte van de thans veelal gebruikte norm LAr,LT. Dit zou betekenen dat een verdubbeling van de geluidbelasting zou worden toegelaten.
De Raad adviseert in de toelichting uiteen te zetten wat de relatie tussen de verschillende normen is, en daaruit de eventueel noodzakelijke consequenties te trekken.

c. Door de algemene definiëring in artikel 1.1b zal de L*den norm niet alleen van toepassing zijn op de nu voorgestelde onderwerpen, maar ook op de vergunningverlening voor inrichtingen krachtens hoofdstuk 8 Wm. De dosismaat L*den is een jaarnorm. Dit heeft als eerste consequentie dat een in L*den uitgedrukte geluidsnorm - en hetzelfde geldt voor de bijbehorende normen L*day, Levening en Lnight - slechts een gebrekkige bescherming geeft tegen geluidsoverlast. Bij een activiteit waarvoor bijvoorbeeld een op zichzelf redelijk schijnende L*day-norm geldt, kan gedurende een belangrijk deel van het jaar betrekkelijk veel lawaai worden geproduceerd, mits dat in de rest van het jaar voldoende wordt gecompenseerd door veel minder lawaai te maken of de activiteit in het geheel niet te verrichten.
Dit kan niet worden opgevangen door middelvoorschriften of door voor diverse specifieke geluidsbronnen maximale emissieniveaus voor te schrijven: uit een oogpunt van bescherming van het milieu is (afgezien van piekgeluiden) per saldo alleen de totale geluidsemissie van een inrichting van belang. Verder schrijft art. 8.12, eerste lid, Wm voor dat vergunningsvoorschriften zoveel mogelijk het karakter van doelvoorschriften dienen te hebben; middelvoorschriften zijn slechts aanvullende hulpmiddelen. Aan dat uitgangspunt moet niet worden getornd.
Daarom acht de Raad het nodig dat de mogelijkheid wordt geopend voor bevoegde autoriteiten om bij wege van doelvoorschrift geluidsnormen te kunnen opleggen die uitgaan van veel kortere perioden dan een jaar. Aangezien het hier om een essentieel element van de regulering van geluidhinder gaat, adviseert de Raad in de wettekst zelf de nodige duidelijkheid te scheppen.

d. Een tweede consequentie van het gebruik van een norm die werkt met jaargemiddelden is dat de controle op de naleving van de normen sterk wordt bemoeilijkt. Wil men op enigszins betrouwbare wijze nagaan of een betrokkene zich aan de norm houdt, dan zal gedurende lange tijd moeten worden gemeten, soms zelfs bijna een jaar lang. Daarmee komen de naleving en de handhaving onder grote druk te staan.
Ook hierom adviseert de Raad als onder c.

5. Financiële gevolgen voor provincies en gemeenten
In paragraaf 17.1 (slot) van de memorie van toelichting wordt meegedeeld dat onderzoek gaande is naar de financiële gevolgen van het wetsvoorstel voor de provincies en de gemeenten. In paragaaf 17.2 wordt gesteld, onder verwijzing naar een brief van 24 september 1998 van de minister aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, dat het opzetten en uitvoeren van gemeentelijk beleid wordt beschouwd "als een normaal onderdeel van het gemeentelijk milieubeleid, waarbij de eventuele lastenverzwaring zal worden gecompenseerd door een afname van de lasten ten gevolge het vervallen van de Wgh". Daarom
zullen van rijkswege geen extra middelen ter beschikking worden gesteld, aldus de toelichting.
Nu reeds valt vast te stellen dat dit uitgangspunt voor de provincies niet zonder meer opgaat. Onder de huidige wettelijke regeling vervullen provinciebesturen in het kader van de geluidhinderbestrijding uitsluitend bestuurlijk-juridische taken. Volgens het voorgestelde stelsel dienen zij als beheerders van provinciale wegen de hoogste toelaatbare geluidbelasting van provinciale wegen vast te stellen. Als beheerder van deze wegen zijn zij er volgens het wetsvoorstel verantwoordelijk voor dat oplossingen worden geboden voor situaties waarin in woningen langs deze wegen een hoger binnenniveau optreedt dan 35 dB. Dit zelfde geldt voor de bij provinciale milieuverordening aan te wijzen regionale bedrijventerreinen. Vanwege deze consequentie bestaat het risico dat provinciale besturen zeer terughoudend zullen zijn bij het aanwijzen van regionale bedrijventerreinen.
De Raad wijst er verder op dat de in paragaaf 17.2 geuite veronderstelling van kostenneutraliteit-op-den-duur een slag in de lucht is tegen de achtergrond van de even daarvoor gedane mededeling dat er nog geen inzicht bestaat in de financiële consequenties voor de lagere overheden. In de tweede plaats herinnert hij aan artikel 108, derde lid, van de Gemeentewet (artikel 105, derde lid, is de overeenkomstige bepaling in de Provinciewet), dat bepaalt dat de kosten, verbonden aan de uitvoering van medebewind, door het Rijk aan de gemeenten worden vergoed voorzover die kosten anders ten laste van de gemeenten zouden blijven. Als het MIG-stelsel tot meerkosten voor de gemeenten (of ook de provincies) leidt, dan zullen die dus moeten worden vergoed.
Daarom adviseert de Raad, in paragaaf 17.2 van de toelichting mee te delen dat daarvoor zal worden gezorgd.

6. Inpassing in de Wet milieubeheer
De regeling van de bestrijding van geluidhinder wordt met dit voorstel opgenomen in de Wm, terwijl het overgrote deel van de bepalingen van de Wgh komt te vervallen. Uit overzichtelijkheid en hanteerbaarheid van wetgeving acht de Raad dit winst. Regeling in de Wm vereist echter wel dat het voorziene stelsel-MIG in overeenstemming is met de overige onderdelen van de wet. Bij de relatie met de vergunningverlening voor inrichtingen op grond van hoofdstuk 8, die al kort ter sprake kwam onder 2d, plaatst de Raad echter vraagtekens.
Het gebruikelijke beleidskader voor de vergunningverlening voor inrichtingen wat geluid betreft bestond tot voor kort uit de Circulaire Industrielawaai en bestaat nu uit de Handreiking Industrielawaai en Vergunningverlening. Uitgangspunt van beide richtlijnen is dat geen hinder vanwege industrielawaai wordt ondervonden wanneer de geluidbelasting overeenkomt met of minder is dan de ter plaatse geldende streefwaarde of het feitelijk voorkomende referentieniveau van het achtergrondgeluid. In het nieuwe stelsel zal de streefwaarde worden geconcretiseerd in de in het gemeentelijk geluidbeleidsplan opgenomen waarde per gebied. Deze waarde kan afwijken van de feitelijk optredende geluidbelasting. Zoals gezegd, spreekt de memorie van toelichting over een ambitieniveau. Met deze waarde moet rekening worden gehouden bij de vergunningverlening. Dit zou kunnen betekenen dat bij de vergunningverlening voor inrichtingen strengere geluidsnormen worden opgelegd dan overeenkomt met het bestaande referentieniveau. Dit vereist in ieder geval een verandering van beleid bij de vergunningverlenende bestuursorganen. Het betekent ook dat een vergunningaanvrager zich niet zonder meer kan oriënteren op het referentieniveau, maar rekening moet houden met de geluidswaarde van het gebied waarop zijn inrichting een geluidbelasting veroorzaakt. De geluidswaarde is echter niet van betekenis voor de vestiging van algemene maatregel van bestuur-inrichtingen, waarvoor vaste geluidbelastingsnormen gelden. Tevens wordt er geen relatie gelegd met de vergunningverlening voor inrichtingen waarvoor gedeputeerde staten het bevoegd gezag zijn. De voorgestelde wijziging van artikel 8.8 brengt niet met zich dat gedeputeerde staten rekening moeten houden met de waarden van het gemeentelijk geluidbeleidsplan.
Ook op een ander punt wordt de situatie voor een vergunningaanvrager minder zeker. Het stelsel van zonering rond industrieterreinen verdwijnt. Het huidige stelsel biedt niet alleen bescherming tegen geluidhinder vanwege het industrieterrein, maar biedt tevens een bepaalde zekerheid aan inrichtingen op een gezoneerd industrieterrein. Voor hen is bepalend dat door hun geluidproducerende activiteiten de waarde van 50 dB(A) op de zonegrens niet wordt overschreden. Met inachtneming daarvan hebben zij op het industrieterrein een zekere ruimte om geluid te produceren. Met het vervallen van de geluidzonering rond industrieterreinen valt deze zekerheid weg. Daarvoor in de plaats komt de vastgestelde geluidsproductie van het industrieterrein. Bij de vaststelling daarvan zijn bedrijven op het terrein afhankelijk van besluitvorming door het bevoegde gezag, zij het dat deze naar valt te verwachten niet sterk zal afwijken van de bestaande geluidbelasting vanwege het terrein.
De Raad adviseert in de toelichting nader in te gaan op de consequenties van het stelsel-MIG voor de vergunningverlening voor inrichtingen, zowel buiten als op de huidige gezoneerde industrieterreinen en op de relatie daarvan met de vaste geluidsnormen voor algemene maatregel van bestuur-inrichtingen en met de vergunningverlening voor inrichtingen waarvoor niet het gemeentebestuur bevoegd gezag is.

7. Verwachtingen voor de praktijk; toelaatbare geluidsproductie
Het stelsel-MIG is opgebouwd uit drie componenten:
a. een grens voor het binnenniveau voor woningen en andere gebouwen van 35 of 30 dB. Zoals al opgemerkt legt het nieuwe Bouwbesluit deze grens alleen wettelijk vast voor te bouwen gebouwen;
b. de vaststelling van ten hoogste toelaatbare geluidsproducties van wegen, spoorwegen en bedrijventerreinen;
c. het gemeentelijk geluidbeleidsplan.
In het voorgaande zijn de onderdelen a en b al aan de orde gekomen. In deze paragraaf gaat de Raad in op de bijzondere bepalingen inzake geluid, zoals voorzien in de nieuwe afdeling 11.1.

a. Geluidsproductieplafonds
Uit paragraaf 8.1 van de memorie van toelichting blijkt dat de geluidsproductieplafonds als bedoeld onder b zich richten tot de bronbeheerder. Deze dient het geluidsproductieplafond na te leven; op hem rust een verplichting ten aanzien van het binnenniveau van geluidsgevoelige gebouwen in de omgeving van zijn bron; voor hem kunnen regels gelden over de aard, samenstelling, wijze van aanleg of gebruik van de bron en op hem rust een monitorings- en verslagleggingsverplichting.
Het wetsvoorstel is wel duidelijk over de vraag wie bronbeheerder zal zijn voor wegen; dat is het orgaan bij wie de weg in beheer is. Voor bedrijventerreinen is dit echter veel minder duidelijk. Bij bestaande terreinen is er veelal geen sprake van een gemeenschappelijke organisatie van de bedrijven op het terrein die als bronbeheerder kan optreden, terwijl de korte beschouwing op bladzijde 94 van de memorie van toelichting over nieuwe terreinen weinig duidelijkheid schept. Overigens blijft in het algemeen onduidelijk wat de bevoegdheden zullen zijn van een bronbeheerder van een bedrijventerrein ten opzichte van de zich daarop bevindende bedrijven en waarop deze bevoegdheden kunnen berusten.
Meer algemeen is naar de mening van de Raad evenmin duidelijk wat de bestuurlijke en juridische betekenis is van een beslissing tot vaststelling van een hoogst toegelaten geluidsproductie. Evenals dit tot op zekere hoogte nu het geval is bij het vaststellen van een zone rond een nieuw industrieterrein, heeft een bronbeheerder in het nieuwe stelsel een zekere beleidsvrijheid. Uitgangspunt in de praktijk zal veelal zijn de bestaande geluidsproductie van de bron. Overigens doet zich hier weer een onzekerheid voor, omdat deze geluidsproductie in het nieuwe stelsel niet zonder meer behoeft te worden bepaald aan de gevel van geluidsgevoelige gebouwen, maar op representatieve referentiepunten. Bij het bepalen wordt rekening gehouden met het effect van geluidafschermende voorzieningen. Indien een bron zich leent voor sanering, bijvoorbeeld door het aanbrengen van een geluidarm wegdek, het treffen van afschermende maatregelen of anderszins, kan de hoogst toegelaten geluidsproductie op een lager niveau worden vastgesteld dan de bestaande geluidsproductie. Op de bronbeheerder berust de verantwoordelijkheid om de geluidreducerende maatregelen daadwerkelijk te treffen. Valt te verwachten dat de geluidsproductie van een bron in de toekomst zal toenemen, bijvoorbeeld door intensivering van het verkeer, dan kan een bronbeheerder de hoogst toelaatbare geluidsproductie op een hoger niveau vaststellen, zij het dat hij ook weer verantwoordelijk is voor het handhaven van een binnenniveau van 35 dB binnen geluidsgevoelige gebouwen in de omgeving van zijn bron.

Vanuit een bestuurlijke invalshoek valt dit stelsel te begrijpen. De vraag is echter hoe het in de praktijk zal gaan functioneren, hoe het kan worden gehandhaafd en wat het karakter is van de beslissingen die in dit kader worden genomen.

b. Rechtskarakter besluit vaststelling geluidsproductieplafond
De memorie van toelichting gaat er in paragraaf 8.2 van uit dat een beslissing tot het vaststellen van een hoogste toelaatbare geluidsproductie voor beroep vatbaar is. De wenselijkheid daarvan kan wel worden onderschreven, maar de vraag is welke rechtsgevolgen een dergelijke beslissing meebrengt. Vooralsnog is het enige gevolg, dat gemeenteraden bij het vaststellen van geluidswaarden in gebieden de hoogste toelaatbare geluidsproductie in acht nemen of daar rekening mee houden. Verdere rechtsgevolgen verbindt het wetsvoorstel - voorzover de Raad dit kan zien - niet aan de vaststelling. Daarmee is niet zeker of er wel sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb, waarop de regeling van beroep van hoofdstuk 20 Wm van toepassing is.

c. Naleving geluidsproductieplafonds
De memorie van toelichting stelt dat de bronbeheerder verantwoordelijk is voor de naleving van het vastgestelde geluidplafond. Wettelijk krijgt dit zijn vertaling in de verplichting van artikel 11.16 voor een bronbeheerder om er voor zorg te dragen dat de grenswaarden voor het binnenniveau niet worden overschreden. Op deze verplichting biedt artikel 11.16 overigens nog weer ruime uitzonderingsmogelijkheden. Hoe een dergelijke verplichting moet worden afgedwongen wanneer een bronbeheerder op dit punt nalatig blijft, regelt het wetsvoorstel niet. De burger zal dan zijn aangewezen op een actie uit onrechtmatige daad bij de burgerlijke rechter, nu naleving van de verplichting van artikel 11.6 in beginsel zal bestaan uit het treffen van feitelijke maatregelen. De verplichte jaarlijkse verslaglegging volgens artikel 11.17 kan daartoe de benodigde informatie bieden.
Het wetsvoorstel regelt niet wat er moet gebeuren wanneer uit deze verslaglegging blijkt dat de werkelijke geluidsproductie hoger ligt dan de hoogst toelaatbare geluidsproductie. Wel zullen bij algemene maatregel van bestuur en provinciale verordening op grond van respectievelijk de artikelen 11.6 en 11.10 regels worden gesteld over te treffen maatregelen om overschrijding ongedaan te maken of te voorkomen. Voor de bronbeheerder ontstaat nu een bestuurlijk dilemma; hij kan besluiten het geluidplafond te verhogen, maar hij blijft dan gebonden aan de verplichting van artikel 11.16, die betrekking heeft op het binnenniveau. Hij kan ook besluiten het geluidplafond te handhaven en voorzieningen te treffen aan zijn bron. Beide opties kosten geld. Of dit geld beschikbaar is hangt af van een financieel-bestuurlijke prioriteitstelling. Dit kan betekenen dat zich geruime tijd situaties kunnen voordoen, waarin hetzij de feitelijke geluidsproductie ligt boven de hoogst toelaatbare geluidsproductie, hetzij deze daar wel mee overeenstemt, maar maatregelen aan geluidsgevoelige gebouwen of aan de bron nog niet zijn getroffen. Erkend moet overigens worden dat dergelijke situaties onder het huidige wettelijke stelsel evenmin zijn uitgesloten en zich ook door het trage verloop van de vaststelling hogere waarden en het treffen van saneringsmaatregelen daadwerkelijk voordoen. Het verschil met het bestaande stelsel is echter, dat dit uitgaat van vaste, landelijk geldende voorkeursgrenswaarden, terwijl de hoogste toelaatbare geluidsproducties in het nieuwe stelsel eerst moeten worden vastgesteld, waarna de consequenties ervan in ogenschouw kunnen worden genomen.

De Raad adviseert nader in te gaan op het juridisch karakter van de beslissing tot vaststelling van een hoogst toelaatbare geluidsproductie, de juridische mogelijkheden tot handhaving ervan en dit instrument nader te bezien op de toepassing en naleving ervan in de bestuurspraktijk.

8. Overgangsrecht
Over het voorgestelde overgangsrecht merkt de Raad het volgende op.

a. Artikel XII regelt de overgang van het werken met emissieplafonds naar geluidsproductieplafonds. De consequenties van deze overgang voor bestaande
geluidzones zullen in de praktijk ongetwijfeld veel vragen oproepen. Thans wordt, min of meer verscholen in paragaaf 9.3, tweede alinea, slechts een summiere toelichting gegeven.
De Raad adviseert tot een duidelijke, goed vindbare toelichting op dit vraagstuk.

b. Artikel XXII gaat kennelijk uit van de gedachte dat de daar bedoelde besluiten slechts technische, volkomen gebonden en beleidsneutrale besluiten zullen zijn, waarbij de onder het oude recht bestaande toestand wordt vertaald in nieuw recht. Daarbij kunnen echter vergissingen worden gemaakt, ook kunnen soms beleidselementen binnensluipen, bijvoorbeeld omdat het bestuur tijdig gereed is om nieuw beleid in te voeren. Daarom zullen (ook) die besluiten in beroep moeten kunnen worden voorgelegd aan de rechter.
Overigens zou een uitsluiten van de mogelijkheid van beroep beter kunnen geschieden door de bedoelde besluiten op de bijlage bij artikel 8:5 Awb te plaatsen.
De Raad adviseert tot schrapping van artikel XXII.

Overige onderwerpen

9. Het is de Raad niet duidelijk waarom in artikel I van het wetsvoorstel, onderdeel C, naast artikel 145 Wgh niet ook artikel 146 wordt geschrapt.
Hij adviseert tot aanvulling of tot uitleg.

10. Artikel II, onder B, introduceert een nieuw artikel 1.1b Wm. In onderdeel b is niet duidelijk wat wordt bedoeld met "verantwoordelijkheid", noch waarvan verslag moet worden gedaan.
De Raad adviseert tot verduidelijking.

11. Het wetsvoorstel brengt diverse wijzigingen aan in de Wm, evenals - althans in de voorgelegde vorm - in de Wgh.
Daarom adviseert de Raad toepassing te geven aan aanwijzing 229 Ar en aan de memorie van toelichting een bijlage toe te voegen met de bestaande teksten en de betrokken bepalingen zoals die eruit komen te zien indien het voorstel wet wordt.

12. Voor redactionele kanttekeningen verwijst het college naar de bij het advies behorende bijlage.

De Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet niet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal dan nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.

De Vice-President van de Raad van State



Bijlage bij het advies van de Raad van State van 22 maart 2002, no.W08.01.0303/V, met redactionele kanttekeningen die de Raad in overweging geeft.

Voorstel van wet
- De invoeging van artikel 8.39a van de Wet milieubeheer (Wm) in paragraaf 8.1.3.4 (Vaststelling van de ten hoogste toelaatbare geluidsproductie voor bepaalde categorieën van inrichtingen) strookt niet met het reeds ingevoegde, maar nog niet in werking getreden, paragraaf 8.1.3.4. Wm (Stb.1998, 403).
- In het voorstel een omschrijving opnemen van het in artikel 11.2, tweede lid, onder a, Wm gebruikte begrip "geluidbelastingkaarten".
- In het voorgestelde artikel 11.14, eerste lid, "paragraaf 3.4" vervangen door: afdeling 3.4 .

Memorie van toelichting
- "Gemeente" en "provincie" telkens wanneer een bestuursorgaan is bedoeld, vervangen door "gemeentebestuur" enz.; zo mogelijk het bevoegde orgaan noemen.
- In het algemeen deel veel meer verwijzen naar de wetsbepalingen die aan de orde zijn; eveneens in deel III, overgangsrecht.
- In paragraaf 4.3, tweede alinea, de term "verlaagde grenswaarde" kort toelichten.
- In paragraaf 5.4, onder het kopje "Gebieden", is de zesde volzin ("De minimale indeling … kom.") onjuist, nu de stelling niet berust op een wettelijke regel.
- In paragraaf 5.5, tweede alinea, "functioneren" vervangen door: geluidbeleid.
- In paragraaf 6.2, tweede alinea, de volzin die begint met "Een verschil is wel" de wettelijke basis van de daar genoemde motiveringsplicht vermelden; vermoedelijk gaat het om de consequentie van het "richting geven" van artikel 4.19a, eerste lid, Wm. Iets soortgelijks geldt voor de volzin "Beleidskeuzen moeten worden gemotiveerd ten opzichte van de richtwaarde.", ongeveer een halve bladzijde verder.
- In paragraaf 7.1 de indruk vermijden dat het gemeentelijke beleidsproces zou moeten verlopen zoals geschetst; de tekst heeft slechts adhortatieve betekenis.
- In diezelfde paragraaf, onder het hoofdje "Eerste fase: beleidsvisie", de voorlaatste alinea aanvullen met de mogelijkheid dat lawaaiige activiteiten in een bepaald gebied worden geconcentreerd.
- Paragraaf 7.2, tweede tekstblok, voorlaatste zin, toelichten met de mededeling dat veel afhangt van de rechtsgevolgen die de provinciale milieuverordening verbindt aan een aanwijzing als stiltegebied.
- In paragraaf 11 de tweede volzin schrappen.
- In diezelfde paragraaf, waar wordt gesproken van rechterlijke toetsing van gemeentelijke geluidsambities, laten doorklinken dat het bepalen van die ambitie bij uitstek een beleidskeuze is, zodat de rechterlijke toetsing nogal formeel en terughoudend zal zijn.
- Verderop in die paragraaf, onder het kopje "Het vaststellen van het geluidsproductieplafond van geluidsbronnen", de laatste bijzin van het derde tekstblok ("en zal ook het beroep ontvankelijk zijn") ofwel schrappen ofwel nader toelichten.
- In de artikelsgewijze toelichting (artikel II, onderdeel A) vermelden dat de begrippen "grenswaarde" en "richtwaarde" ongewijzigd zijn overgenomen van artikel 5.1, derde lid, Wm en niet uit artikel 5.3, derde lid, Wm.



Nader rapport (reactie op het advies) van 6 februari 2003

De Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet niet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal dan nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.

Naar aanleiding van het advies van de Raad merk ik het volgende op.

Een belangrijk onderdeel van het wetsvoorstel is de bevoegdheid voor gemeenteraden om geluidbeleidsplannen vast te stellen, waarin per gebied geluidbeschermingsniveaus worden opgenomen. De Raad van State plaatst onder andere kritische kanttekeningen bij de ingrijpende stelselwijziging voor de regeling van geluidhinder, waarin het wetsvoorstel voorziet. Daarnaast stelt de Raad met name de opportuniteit van het wetsvoorstel ter discussie. Volgens de Raad leidt de wet geluidhinder niet tot grote knelpunten in de praktijk en is het tevens nog niet duidelijk hoe de implementatie van richtlijn 2002/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 juni 2002 inzake de evaluatie en beheersing van omgevingslawaai (PbEG L 189) vorm zal krijgen.

Het advies van de Raad heeft geleid tot heroverweging van het voorstel. Daarbij is het kabinet tot de conclusie gekomen dat het aanbeveling verdient om op dit moment van indiening van het wetsvoorstel af te zien. De reden daarvoor is het feit dat bovengenoemde richtlijn inzake de evaluatie en beheersing van omgevingslawaai inmiddels is vastgesteld en voor 18 juli 2004 in de Nederlandse wetgeving moet zijn geïmplementeerd. Het kabinet deelt daarmee de mening van de Raad dat indiening van het wetsvoorstel bij de Tweede Kamer op dit moment onduidelijkheid kan doen ontstaan over de vraag hoe het wetsvoorstel zich verhoudt met de komende implementatie van de richtlijn. Het kabinet is dan ook van mening dat indiening van het wetsvoorstel thans niet opportuun is. Dit betekent dat het kabinet voorrang wil geven aan de implementatie van de richtlijn omgevingslawaai.

Wel blijft het voornemen bestaan de geluidregelgeving te moderniseren en in nauwe relatie te brengen met de ruimtelijke ordening. Tevens is er het voornemen de Wet geluidhinder uiteindelijk te laten opgaan in de Wet milieubeheer. Dit zal echter stapsgewijs ter hand worden genomen. Hierdoor kan een aantal duidelijke knelpunten van de Wet geluidhinder, zoals bijvoorbeeld de procedure tot vaststelling van hogere waarden voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting, bij voorrang worden opgelost. Door de modernisering stapsgewijs ter hand te nemen kan tevens beter worden aangesloten bij de bredere beleidsvoornemens inzake het gebiedsgerichte milieubeleid, zoals de beleidsvernieuwing voor het bodembeleid (BEVER), het gebiedsgericht beleid in landelijk gebied, de fundamentele herziening van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, de op basis van het vierde nationale milieubeleidsplan beoogde bestuursafspraken tussen de overheidspartijen over de kwaliteit van de leefomgeving en de discussienota "Met recht verantwoordelijk" over de toekomst van de milieuwetgeving (Kamerstukken II 2001/02, 27 664 nr.2), waarin nader wordt ingegaan op de ontwikkeling om lokale overheden meer bevoegdheden te geven ten aanzien van het bepalen van de lokale milieukwaliteit.

Daartoe gemachtigd door de ministerraad moge ik U in overweging geven het hierbij gevoegde voorstel van wet overeenkomstig het advies van de Raad van State niet aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden en goed te vinden dat het onderhavige nader rapport tezamen met het advies van de Raad van State en het voorstel van wet en de daarbij behorende memorie van toelichting zoals deze aan de Raad zijn voorgelegd, openbaar wordt gemaakt.

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer



(1) Kamerstukken II 1997/98, 26 057, nr.1 ("nota MIG").
(2) Daarin staat den voor day - evening - night.
(3) De formule is opgenomen in bijlage 1 bij de ontwerprichtlijn.
(4) P.H. de Vos, De Europese dosismaten Lden en Lnight, Geluid, nr.4, september 2001, bladzijden 128-133.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon