Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Adviezen ›
  3. W12.01.0565/IV

Herziene Europese Code inzake sociale zekerheid; Rome, 6 november 1990 (Trb.1993, 123) , met toelichtende nota.

Kenmerk
W12.01.0565/IV
Datum advies
1 maart 2002
Vindplaats
Kamerstukken II 2007/08, 31 283, nr 4 (bijlage)
  • Sociale zaken en Werkgelegenheid
  • Verdrag

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

Herziene Europese Code inzake sociale zekerheid; Rome, 6 november 1990 (Trb.1993, 123) , met toelichtende nota.

Bij Kabinetsmissive van 2 november 2001, no.01.005238, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Buitenlandse Zaken, mede namens de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.F. Hoogervorst, en de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt de Herziene Europese Code inzake sociale zekerheid; Rome, 6 november 1990 (Trb.1993, 123) , met toelichtende nota.

De Herziene Europese Code inzake sociale zekerheid van 6 november 1990 is, evenals de oorspronkelijke Europese Code, een verdrag met minimumnormen. Met de vervanging van de Europese Code van 16 april 1964 en het bijbehorende Protocol in één nieuw verdrag, de Herziene Europese Code, is beoogd recht te doen aan de ontwikkelingen in wetgeving en maatschappij in de verschillende lidstaten van de Raad van Europa. Doelstelling van de herziening was de normen te verbeteren en een grotere flexibiliteit te introduceren.
Voor ieder van de negen deelgebieden van het terrein van de sociale zekerheid bevat de Herziene Europese Code een afzonderlijk deel (II - X). Landen die Partij willen worden bij het nieuwe verdrag hebben een zekere keuzevrijheid ten aanzien van deze reeks. Deel I bevat algemene bepalingen, en de delen XI-XV formele en administratieve bepalingen. Bekrachtiging van delen uit de reeks II-X dient steeds vergezeld te gaan van het bekrachtigen van de delen I en XI-XV.
Op 8 april 1993 had de Rijksministerraad reeds besloten tot bekrachtiging van de gehele Herziene Europese Code; de Raad van State heeft daarover op 11 januari 1994 een positief advies uitgebracht.(zie noot 1) Vervolgens is de bekrachtigingsprocedure echter opgeschort, in verband met ontwikkelingen in de wetgeving voor enkele gebieden die door de Herziene Europese Code worden bestreken, en in afwachting van het toelichtend rapport bij de Herziene Europese Code.
Negen jaar na de publicatie van de Herziene Europese Code in het Tractatenblad ligt er thans een voorstel, met een toelichtende nota, tot het overleggen van het verdrag ter stilzwijgende goedkeuring aan de beide Kamers der Staten-Generaal. Het voorstel voorziet in bekrachtiging door Nederland van vrijwel de gehele Herziene Europese Code. Het voorstel kondigt aan dat deel IV - uitkering bij werkloosheid - niet zal worden bekrachtigd. Ingevolge artikel 3, derde lid, van de Herziene Europese Code betekent het voorstel om de delen II, III, V, VII, VIII en IX te bekrachtigen dat Nederland automatisch wordt geacht eveneens te voldoen aan de verplichtingen in deel VI (Arbeidsongevallen en beroepsziekten) en deel X (Uitkeringen aan nagelaten betrekkingen).

Het voorstel roept bij de Raad een aantal vragen op, die naar zijn oordeel in de toelichtende nota aandacht verdienen.

1. Blijkens paragraaf VII van de toelichtende nota acht de regering het niet wenselijk om "thans reeds" met betrekking tot het deel werkloosheidsuitkeringen de verplichtingen van de Herziene Europese Code aan te gaan. De uitleg maakt duidelijk dat artikel 24 van de Herziene Europese Code hier als obstakel wordt gezien. Ingevolge artikel 24, eerste lid, kan bij volledige werkloosheid de uitkeringsduur worden beperkt tot hetzij 39 weken binnen een tijdvak van 24 maanden, hetzij 39 weken per geval van werkloosheid. Daarnaast geldt ingevolge het tweede lid van artikel 24 een bijzondere regeling die van belang is voor landen zoals Nederland met een stelsel waarin de maximale uitkeringsduur afhankelijk is gesteld van de verzekeringsduur. In zo’n geval dient de gemiddelde uitkeringsduur van alle uitkeringen ten minste 39 weken of de helft van de duur van de "wachttijd"(zie noot 2) te bedragen.
Blijkens de toelichtende nota is bij het opstellen van het toelichtend rapport bij de Herziene Europese Code gebleken dat er geen overeenstemming bestaat over de interpretatie van de hiervoor bedoelde middelingsproblematiek. Het verschil van inzicht betreft de vraag of het gaat om de feitelijke duur van de uitkering, of om de maximale wettelijke uitkeringsduur. De regering acht de eerste interpretatie onjuist, en meent dat deze een beleid om werklozen zo snel mogelijk terug te leiden naar het arbeidsproces zou ontmoedigen. Bovendien zou het de vraag zijn of Nederland volgens deze interpretatie aan de desbetreffende norm zou kunnen voldoen. Gezien het ontbreken van duidelijke conclusies terzake acht de regering het niet wenselijk om over te gaan tot bekrachtiging van - ook - deel IV.
De Raad acht het hiervoor aangehaalde gedeelte uit de toelichtende nota onvoldoende inzichtelijk, en, bij ontbreken van nadere onderbouwing, onvoldoende overtuigend. In dit verband wijst hij op het volgende.
Het tweede lid van artikel 24 bevat de keuze uit twee normen: 39 weken of de helft van de duur van de "wachttijd".
Niet duidelijk is of onder het begrip "wachttijd" de zogeheten arbeidsverledeneis(zie noot 3) dan wel de zogeheten referteperiode(zie noot 4) moet worden verstaan. Verder is niet duidelijk uit welke bewoordingen van het toelichtend rapport de regering afleidt dat bij toetsing van een nationaal bestel voor uitkeringen bij werkloosheid de feitelijke en niet de maximale wettelijke uitkeringsduur in aanmerking zou moeten worden genomen. De Raad adviseert de toelichtende nota op de vermelde punten te verduidelijken.
Voorts is het om te kunnen beoordelen of er werkelijk een beletsel zou moeten worden aangenomen voor bekrachtiging van deel IV in het geval dat voor de genoemde middeling zou moeten worden uitgegaan van de feitelijke uitkeringsduur, wenselijk dat de toelichtende nota cijfers presenteert die, voor beide hiervoor genoemde normen, inzicht geven in de Nederlandse gemiddelden. De Raad kan zich voorstellen dat een aanhoudend succes in het herplaatsen van werklozen in banen leidt tot een zodanige bekorting van de feitelijke uitkeringsperioden dat Nederland niet meer zou voldoen aan één van beide normen. Echter, of dat het geval is, zou uit desbetreffend cijfermateriaal moeten blijken.
In een publicatie van de Stichting Centrum voor Onderzoek van het Sociaal Zekerheidsrecht (SCOSZ) uit 1992 is al onderkend dat het ontbreken van een precies cijfermatig inzicht in de weg staat aan een stellig antwoord op de vraag of Nederland voldoet aan dit onderdeel van de Herziene Europese Code.(zie noot 5) Gelet op de intussen verstreken tijd mag worden verwacht dat intussen het voor een goed inzicht vereiste cijfermateriaal beschikbaar is. De Raad adviseert de toelichtende nota in vorenbedoelde zin aan te vullen.
Het college geeft tevens in overweging om in de toelichtende nota in te gaan op het "thans reeds" aan het slot van dit gedeelte van de toelichtende nota en te vermelden, wanneer naar verwachting van de regering wèl het moment aanbreekt om ook deel IV te bekrachtigen, en welke stappen daartoe van haar kant zullen worden gezet.

2. In de artikelen 79, twaalfde lid, 85 en 89 van de Herziene Europese Code wordt rekening gehouden met de mogelijkheid dat de Europese Gemeenschap (EG) als Partij toetreedt tot de Herziene Europese Code. De Raad meent dat de toelichtende nota een goede gelegenheid biedt om inzicht te geven in de ontwikkelingen terzake. Dit geldt temeer nu geruime tijd is verstreken sinds het opstellen van de Herziene Europese Code, in 1990, en de EG sindsdien belangrijke ontwikkelingen heeft doorgemaakt. Daarbij zou ook dienen te worden ingegaan op de vraag naar de verhouding en de afstemming tussen de regelingen en activiteiten van de Raad van Europa op het terrein van de sociale zekerheid en die van de EG. Ook is het volgens de Raad zinvol dat de Nederlandse regering haar zienswijze op de hiervoor bedoelde ontwikkelingen kenbaar maakt.
Met het oog op het voorgaande adviseert de Raad de toelichtende nota aan te vullen.

3. De toelichtende nota refereert onder I aan het verwerpen door de Tweede Kamer der Staten-Generaal (op 19 februari 1998) van het voorstel tot opzegging van deel VI (arbeidsongevallen en beroepsziekten) van de oude Code. De Herziene Europese Code vormt voor dit onderdeel niet langer een probleem, doordat, ingevolge artikel 3, derde lid, de bekrachtiging van de delen II (medische zorg), III (uitkeringen bij ziekte), IX (uitkeringen bij invaliditeit) en X (uitkeringen aan nagelaten betrekkingen) met zich brengt dat staten zonder meer geacht worden te voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit deel VI. Inhoudelijke toetsing of de nationale wetgeving voldoet aan de normen in deel VI blijft dan achterwege.
De regering heeft thans, gelet op de tekst van de toelichtende nota, vastgesteld dat de meest adequate wijze voor de oplossing van de problemen die Nederland ondervindt met de huidige Europese Code de bekrachtiging vormt van alle delen met uitzondering van deel IV (uitkering bij werkloosheid). In verband daarmee, en mede gelet op de voorgeschiedenis, meent de Raad dat het passend is dat het verdrag in aanmerking wordt gebracht voor de procedure van uitdrukkelijke goedkeuring door de beide Kamers der Staten-Generaal. Hij adviseert daartoe, dan wel om althans in de toelichtende nota de keuze voor de procedure van stilzwijgende goedkeuring te motiveren.

4. Voor redactionele kanttekeningen verwijst het college naar de bij het advies behorende bijlage.

De Raad van State geeft U in overweging goed te vinden dat bedoeld Verdrag wordt overgelegd aan de beide Kamers der Staten-Generaal, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.

De Vice-President van de Raad van State



Bijlage bij het advies van de Raad van State van 1 maart 2002, no.W12.01.0565/IV, met redactionele kanttekeningen die de Raad in overweging geeft.

Herziene Europese Code (Nederlandse vertaling)
- In artikel 2, tweede lid, onder b: "een" vervangen door: drie (dit conform de Franse en Engelse tekst).
- Boven artikel 26 "DEEL III" vervangen door: DEEL V.
- In de tabel na artikel 73 in rij IX de percentages correct plaatsen.

Toelichtende nota
- De Romeinse cijfers boven de paragrafen vervangen door een andere aanduiding, om verwarring te voorkomen met de nummering met Romeinse cijfers van de delen van de Herziene Europese Code.
- In hoofdstuk IV, voorlaatste alinea, "gratis" vervangen door: automatisch.
- De (verkorte) inhoud van het toelichtend rapport vermelden, dan wel dit rapport alsnog bij de toelichtende nota voegen.



Nader rapport (reactie op het advies) van 16 november 2007


Dit advies is gepubliceerd als bijlage bij het nader rapport op het advies van 28 september 2007, nr W12.07.0317/III.



(1) Zie kamerstukken II 1997/98, 25 524, nr.7.
(2) Onder "wachttijd" (in de oorspronkelijke Engelse tekst "qualifying period") wordt volgens artikel 1, onderdeel e, van de Herziene Europese Code verstaan: hetzij een tijdvak van premiebetaling, hetzij een tijdvak van arbeid, hetzij een tijdvak van wonen, met inbegrip van ieder tijdvak dat als zodanig wordt aangemerkt, of een combinatie van deze tijdvakken, naar gelang is voorgeschreven voor de opening van het recht op prestaties.
(3) De arbeidsverledeneis, ofwel de vier-uit-vijf-eis, is vermeld in artikel 17, onderdeel b, 1(, van de Werkloosheidswet (WW), en betreft de periode van vijf jaar direct voorafgaand aan de eerste werkloosheidsdag, waarin ten minste vier jaren voorkomen met ieder minstens 52 dagen waarover loon is ontvangen.
(4) De referteperiode is vermeld in artikel 17, onderdeel a, WW, en betreft de 39 weken direct voorafgaand aan de eerste werkloosheidsdag waarin ten minste 26 weken arbeid zijn verricht.
(5) Het Nederlandse sociale zekerheidsrecht en de minimumnormen van de IAO en de Raad van Europa, deel 9, bladzijde 102. T.a.p. wordt gesteld, maar dan uitgaande van de situatie van begin jaren negentig, dat het waarschijnlijk is dat Nederland (ook) voldoet aan de Herziene Europese Code.




  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon