Ontwerpbesluit houdende de aanwijzing van onroerende zaken ter onteigening ten algemenen nutte ten behoeve van de aanleg van een omleiding van rijksweg 773 (N273), Maaseik-Venlo, gelegen tussen km 52.640 en km 50.240, met bijkomende werken, in de gemeente Haelen.
- Kenmerk
- W09.01.0552/V
- Datum advies
- 9 november 2001
- Vindplaats
- Bijvoegsel Staatscourant 12 februari 2002, nr 30
- Infrastructuur en Waterstaat
- Onteigening
Toon inhoud
Volledige tekst
Ontwerpbesluit houdende de aanwijzing van onroerende zaken ter onteigening ten algemenen nutte ten behoeve van de aanleg van een omleiding van rijksweg 773 (N273), Maaseik-Venlo, gelegen tussen km 52.640 en km 50.240, met bijkomende werken, in de gemeente Haelen.
Krachtens machtiging van Uwe Majesteit heeft de Minister van Verkeer en Waterstaat met een schrijven van 24 oktober 2001, no.HKW/R 2001/9761, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt een voordracht met ontwerpbesluit, houdende de aanwijzing van onroerende zaken ter onteigening ten algemenen nutte ten behoeve van de aanleg van een omleiding van rijksweg 773 (N273), Maaseik-Venlo, gelegen tussen km 52.640 en km 50.240, met bijkomende werken, in de gemeente Haelen.
1. Reclamanten sub 5 hebben onder meer naar voren gebracht dat zij beroep hebben aangetekend tegen het besluit tot goedkeuring van het bestemmingsplan "Omleiding Maascentrale" van de gemeente Haelen. Zij menen dat de uitkomst van de planologische procedure dient te worden afgewacht alvorens de onteigeningsprocedure kan worden gestart, omdat het volstrekt onzeker is of te zijner tijd een wettelijke basis zal bestaan om de voorgenomen onteigening ook daadwerkelijk te effectueren. De Raad van State adviseert in het besluit de overweging op te nemen dat niet tot dagvaarding zal worden overgegaan dat nadat de Afdeling bestuursrechtspraak uitspraak zal hebben gedaan over het ingestelde beroep.
2. Voor redactionele kanttekeningen verwijst het college naar de bij het advies behorende bijlage.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat aan het vorenstaande aandacht zal zijn geschonken.
De Vice-President van de Raad van State
Bijlage bij het advies van de Raad van State van 9 november 2001, no.W09.01.0552/V, met redactionele kanttekeningen die de Raad in overweging geeft.
- Op de lijst "Bijlage G1" schrappen.
- De tenaamstelling bij grondplannummer 6 zo nodig aanpassen in verband met het feit dat volgens de kadastrale gegevens de eigendom van het perceel B 1479 is gesplitst.
Nader rapport (reactie op het advies) van 22 november 2001
De Raad wijst in voornoemd advies op het volgende. Reclamanten sub 5 hebben onder meer naar voren gebracht dat zij beroep hebben aangetekend tegen het besluit tot goedkeuring van het bestemmingsplan "Omleiding Maascentrale" van de gemeente Haelen. Zij menen dat de uitkomst van de planologische procedure dient te worden afgewacht alvorens de onteigeningsprocedure kan worden gestart, omdat het volstrekt onzeker is of te zijner tijd een wettelijke basis zal bestaan om de voorgenomen onteigening ook daadwerkelijk te effectueren. De Raad adviseert in het besluit de overweging op te nemen dat niet tot dagvaarding zal worden overgegaan dan nadat de Afdeling bestuursrechtspraak uitspraak zal hebben gedaan over het ingestelde beroep.
Naar aanleiding van het advies van de Raad wil ik de volgende opmerkingen maken. In de onteigeningen op grond van de Titels II, IIa of IIc van de onteigeningswet is sprake van een zogenoemd tweesporenbeleid: een administratieve onteigeningsprocedure kan worden opgestart nadat zicht is verkregen op spoedige planologische inpassing van het werk waartoe om onteigening wordt verzocht. Meer specifiek geldt als vereiste voor de start van een procedure op grond van genoemde titels dat een aanvang is genomen met de planologische inpassing van het project. Hierbij geldt dat een anticipatieprocedure als bedoeld in de artikelen 19 en 19a van de Wet op de Ruimtelijke Ordening dan wel een bestemmingsplanprocedure op grond van deze wet moet zijn gestart. Hierbij geldt bovendien, dat belanghebbenden moeten hebben tot het naar voren brengen van zienswijzen in een planologische procedure voorafgaand aan of ten minste gelijktijdig met de mogelijkheid tot het naar voren brengen van zienswijzen in het kader van de onteigening. Deze figuur biedt tezamen met de te voeren gerechtelijke onteigeningsprocedure bij het uitblijven van minnelijke overeenstemming de nodige waarborgen voor belanghebbenden. In dit kader wil ik tevens wijzen op het arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van 10 augustus 2001, nr.1317, waarin onder meer aan de orde is gekomen dat niet aangenomen mag worden dat niet aan voornoemde toetsingscriteria (planologische grondslag) is voldaan in de gevallen waarin bedenkingen in de planologische procedures worden ingebracht.
Bovenbeschreven beleid is, overigens in samenspraak met onder meer de Raad van State, ontwikkeld. Ik merk in dit verband op, dat de onteigeningswet niet ziet op de planologische inpasbaarheid van het werk waartoe het onteigeningsinstrument wordt ingezet. De onteigeningswet dwingt er derhalve niet toe om op dit punt verdergaande eisen te stellen. Het lijkt me op deze plaats van belang om hieraan toe te voegen, dat de wetgever sedert de wijziging van de Tracéwet van 6 september 2000 (26 343, inwerking getreden 15 oktober 2000) in artikel 20a voor tracéwetplichtige projecten bepaalt dat reeds met dagvaarding van eigenaren van benodigde gronden kan worden aangevangen nadat een tracébesluit is vastgesteld. conformering van de huidige onteigeningspraktijk aan het advies van de Raad wordt hierdoor mijns inziens bemoeilijkt en zal bovendien tot een (verdere) versnippering en ondoorzichtelijkheid van deze praktijk leiden.
Gelet op het bovenstaande kom ik tot de conclusie dat het ontwerpbesluit geen wijziging behoeft.
Naar aanleiding van de door de Raad in zijn advies gemaakte redactionele kanttekeningen is het ontwerpbesluit aangepast.
Ik moge U hierbij het ontwerpbesluit doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Minister van Verkeer en Waterstaat
1. Reclamanten sub 5 hebben onder meer naar voren gebracht dat zij beroep hebben aangetekend tegen het besluit tot goedkeuring van het bestemmingsplan "Omleiding Maascentrale" van de gemeente Haelen. Zij menen dat de uitkomst van de planologische procedure dient te worden afgewacht alvorens de onteigeningsprocedure kan worden gestart, omdat het volstrekt onzeker is of te zijner tijd een wettelijke basis zal bestaan om de voorgenomen onteigening ook daadwerkelijk te effectueren. De Raad van State adviseert in het besluit de overweging op te nemen dat niet tot dagvaarding zal worden overgegaan dat nadat de Afdeling bestuursrechtspraak uitspraak zal hebben gedaan over het ingestelde beroep.
2. Voor redactionele kanttekeningen verwijst het college naar de bij het advies behorende bijlage.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat aan het vorenstaande aandacht zal zijn geschonken.
De Vice-President van de Raad van State
Bijlage bij het advies van de Raad van State van 9 november 2001, no.W09.01.0552/V, met redactionele kanttekeningen die de Raad in overweging geeft.
- Op de lijst "Bijlage G1" schrappen.
- De tenaamstelling bij grondplannummer 6 zo nodig aanpassen in verband met het feit dat volgens de kadastrale gegevens de eigendom van het perceel B 1479 is gesplitst.
Nader rapport (reactie op het advies) van 22 november 2001
De Raad wijst in voornoemd advies op het volgende. Reclamanten sub 5 hebben onder meer naar voren gebracht dat zij beroep hebben aangetekend tegen het besluit tot goedkeuring van het bestemmingsplan "Omleiding Maascentrale" van de gemeente Haelen. Zij menen dat de uitkomst van de planologische procedure dient te worden afgewacht alvorens de onteigeningsprocedure kan worden gestart, omdat het volstrekt onzeker is of te zijner tijd een wettelijke basis zal bestaan om de voorgenomen onteigening ook daadwerkelijk te effectueren. De Raad adviseert in het besluit de overweging op te nemen dat niet tot dagvaarding zal worden overgegaan dan nadat de Afdeling bestuursrechtspraak uitspraak zal hebben gedaan over het ingestelde beroep.
Naar aanleiding van het advies van de Raad wil ik de volgende opmerkingen maken. In de onteigeningen op grond van de Titels II, IIa of IIc van de onteigeningswet is sprake van een zogenoemd tweesporenbeleid: een administratieve onteigeningsprocedure kan worden opgestart nadat zicht is verkregen op spoedige planologische inpassing van het werk waartoe om onteigening wordt verzocht. Meer specifiek geldt als vereiste voor de start van een procedure op grond van genoemde titels dat een aanvang is genomen met de planologische inpassing van het project. Hierbij geldt dat een anticipatieprocedure als bedoeld in de artikelen 19 en 19a van de Wet op de Ruimtelijke Ordening dan wel een bestemmingsplanprocedure op grond van deze wet moet zijn gestart. Hierbij geldt bovendien, dat belanghebbenden moeten hebben tot het naar voren brengen van zienswijzen in een planologische procedure voorafgaand aan of ten minste gelijktijdig met de mogelijkheid tot het naar voren brengen van zienswijzen in het kader van de onteigening. Deze figuur biedt tezamen met de te voeren gerechtelijke onteigeningsprocedure bij het uitblijven van minnelijke overeenstemming de nodige waarborgen voor belanghebbenden. In dit kader wil ik tevens wijzen op het arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van 10 augustus 2001, nr.1317, waarin onder meer aan de orde is gekomen dat niet aangenomen mag worden dat niet aan voornoemde toetsingscriteria (planologische grondslag) is voldaan in de gevallen waarin bedenkingen in de planologische procedures worden ingebracht.
Bovenbeschreven beleid is, overigens in samenspraak met onder meer de Raad van State, ontwikkeld. Ik merk in dit verband op, dat de onteigeningswet niet ziet op de planologische inpasbaarheid van het werk waartoe het onteigeningsinstrument wordt ingezet. De onteigeningswet dwingt er derhalve niet toe om op dit punt verdergaande eisen te stellen. Het lijkt me op deze plaats van belang om hieraan toe te voegen, dat de wetgever sedert de wijziging van de Tracéwet van 6 september 2000 (26 343, inwerking getreden 15 oktober 2000) in artikel 20a voor tracéwetplichtige projecten bepaalt dat reeds met dagvaarding van eigenaren van benodigde gronden kan worden aangevangen nadat een tracébesluit is vastgesteld. conformering van de huidige onteigeningspraktijk aan het advies van de Raad wordt hierdoor mijns inziens bemoeilijkt en zal bovendien tot een (verdere) versnippering en ondoorzichtelijkheid van deze praktijk leiden.
Gelet op het bovenstaande kom ik tot de conclusie dat het ontwerpbesluit geen wijziging behoeft.
Naar aanleiding van de door de Raad in zijn advies gemaakte redactionele kanttekeningen is het ontwerpbesluit aangepast.
Ik moge U hierbij het ontwerpbesluit doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Minister van Verkeer en Waterstaat