Voorstel van wet tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering strekkende tot het openstellen van beroep in cassatie tegen vrijspraken.
- Kenmerk
- W03.01.0497/I
- Datum advies
- 20 december 2001
- Vindplaats
- Kamerstukken II 2001–2002, 28 204, B (alleen nader rapport)
- Justitie en Veiligheid
- Wet
Toon inhoud
Volledige tekst
Voorstel van wet tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering strekkende tot het openstellen van beroep in cassatie tegen vrijspraken.
Dit advies is een zogenoemd advies conform.
Dit betekent dat de tekst van het advies "zonder meer instemmend luidt, dan wel uitsluitend opmerkingen van redactionele aard bevat". Openbaarmaking van een advies conform blijft achterwege (artikel 25a, vierde lid, van de Wet op de Raad van State). De tekst van het advies wordt dus nergens gepubliceerd, niet in het Bijvoegsel van de Staatscourant en niet in de Kamerstukken.
Nader rapport (reactie op het advies) van 21 januari 2002
De Raad van State kan zich met het voorstel van wet verenigen en geeft U mitsdien in overweging dit te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Gelet op artikel 25, vijfde lid jo vierde lid, onder b van de Wet op de Raad van State is het college van oordeel, dat openbaarmaking van dit advies achterwege dient te blijven.
Na toezending van het wetsvoorstel aan de Raad van State is het verzoek van de Hoge Raad ontvangen tot het bevorderen van een wijziging van technische aard. Ik heb uit doelmatigheidsoverwegingen een voorstel daartoe aan het onderhavige wetsvoorstel toegevoegd. De achtergrond van dit voorstel is de volgende. Bij de wet van 28 oktober 1999, Stb. 467, in werking getreden op 1 oktober 2000, is de cassatieprocedure in die zin aangepast dat de verdachte door of namens wie beroep in cassatie is ingesteld, op straffe van niet-ontvankelijkheid verplicht is door zijn raadsman bij de Hoge Raad een schriftuur te doen indienen binnen twee maanden nadat de in het eerste lid van artikel 435 bedoelde aanzegging is betekend (artikel 437, tweede lid, Sv).
De reden van deze wetswijziging was gelegen in de overbelasting van de Hoge Raad. De eerste ervaringen wijzen uit, dat de schriftuurverplichting in een groot deel van de zaken waarin cassatieberoep is ingesteld, (nog) niet wordt nageleefd. In de eerste 44 weken van 2001 zijn, volgens gegevens van de strafadministratie van de Hoge Raad, in 1549 zaken (66%) niet tijdig door een raadsman middelen ingediend. De geldende cassatieprocedure schrijft ook in die gevallen verwijzing van de enkelvoudige naar de meervoudige kamer voor. Dat impliceert een beslag op de meervoudige kamer alsmede de ondersteuning daarvan dat niet gerechtvaardigd wordt door de ingewikkeldheid van de te nemen beslissing die, bij de verwijzing naar de meervoudige kamer, feitelijk al in sterke mate door de enkelvoudige kamer is voorbereid. De vaststelling of de procureur-generaal de in artikel 435, eerste lid, Sv bedoelde aanzegging correct heeft betekend, en of binnen twee maanden nadien, behoudens uitstel, een schriftuur houdende middelen van cassatie is ingediend, kan zeer wel alleen aan de enkelvoudige kamer van de Hoge Raad worden toevertrouwd. De voorgestelde wijzigingen van de artikelen 438 en 440 Sv strekken daartoe.
Ik moge U verzoeken het hierbij gewijzigde voorstel van wet en de gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.
De Minister van Justitie
Dit betekent dat de tekst van het advies "zonder meer instemmend luidt, dan wel uitsluitend opmerkingen van redactionele aard bevat". Openbaarmaking van een advies conform blijft achterwege (artikel 25a, vierde lid, van de Wet op de Raad van State). De tekst van het advies wordt dus nergens gepubliceerd, niet in het Bijvoegsel van de Staatscourant en niet in de Kamerstukken.
Nader rapport (reactie op het advies) van 21 januari 2002
De Raad van State kan zich met het voorstel van wet verenigen en geeft U mitsdien in overweging dit te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Gelet op artikel 25, vijfde lid jo vierde lid, onder b van de Wet op de Raad van State is het college van oordeel, dat openbaarmaking van dit advies achterwege dient te blijven.
Na toezending van het wetsvoorstel aan de Raad van State is het verzoek van de Hoge Raad ontvangen tot het bevorderen van een wijziging van technische aard. Ik heb uit doelmatigheidsoverwegingen een voorstel daartoe aan het onderhavige wetsvoorstel toegevoegd. De achtergrond van dit voorstel is de volgende. Bij de wet van 28 oktober 1999, Stb. 467, in werking getreden op 1 oktober 2000, is de cassatieprocedure in die zin aangepast dat de verdachte door of namens wie beroep in cassatie is ingesteld, op straffe van niet-ontvankelijkheid verplicht is door zijn raadsman bij de Hoge Raad een schriftuur te doen indienen binnen twee maanden nadat de in het eerste lid van artikel 435 bedoelde aanzegging is betekend (artikel 437, tweede lid, Sv).
De reden van deze wetswijziging was gelegen in de overbelasting van de Hoge Raad. De eerste ervaringen wijzen uit, dat de schriftuurverplichting in een groot deel van de zaken waarin cassatieberoep is ingesteld, (nog) niet wordt nageleefd. In de eerste 44 weken van 2001 zijn, volgens gegevens van de strafadministratie van de Hoge Raad, in 1549 zaken (66%) niet tijdig door een raadsman middelen ingediend. De geldende cassatieprocedure schrijft ook in die gevallen verwijzing van de enkelvoudige naar de meervoudige kamer voor. Dat impliceert een beslag op de meervoudige kamer alsmede de ondersteuning daarvan dat niet gerechtvaardigd wordt door de ingewikkeldheid van de te nemen beslissing die, bij de verwijzing naar de meervoudige kamer, feitelijk al in sterke mate door de enkelvoudige kamer is voorbereid. De vaststelling of de procureur-generaal de in artikel 435, eerste lid, Sv bedoelde aanzegging correct heeft betekend, en of binnen twee maanden nadien, behoudens uitstel, een schriftuur houdende middelen van cassatie is ingediend, kan zeer wel alleen aan de enkelvoudige kamer van de Hoge Raad worden toevertrouwd. De voorgestelde wijzigingen van de artikelen 438 en 440 Sv strekken daartoe.
Ik moge U verzoeken het hierbij gewijzigde voorstel van wet en de gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.
De Minister van Justitie