Ontwerpbesluit met nota van toelichting tot wijziging van het Bijdragebesluit zorg en het Administratiebesluit Bijzondere Ziektekostenverzekering in verband met invoering van het verzamelinkomen als grondslag voor de vaststelling van de eigen bijdrage bij verblijf in een instelling.
- Kenmerk
- W13.02.0109/III
- Datum advies
- 1 mei 2002
- Vindplaats
- Bijvoegsel Staatscourant 9 juli 2002, nr 128
- Volksgezondheid, Welzijn en Sport
- Algemene maatregel van bestuur
Toon inhoud
Volledige tekst
Ontwerpbesluit met nota van toelichting tot wijziging van het Bijdragebesluit zorg en het Administratiebesluit Bijzondere Ziektekostenverzekering in verband met invoering van het verzamelinkomen als grondslag voor de vaststelling van de eigen bijdrage bij verblijf in een instelling.
Bij Kabinetsmissive van 8 maart 2002, no.02.001204, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit met nota van toelichting tot wijziging van het Bijdragebesluit zorg en het Administratiebesluit Bijzondere Ziektekostenverzekering in verband met invoering van het verzamelinkomen als grondslag voor de vaststelling van de eigen bijdrage bij verblijf in een instelling.
Het ontwerpbesluit wijzigt de grondslag voor de vaststelling van de hoogte van de inkomensafhankelijke bijdrage van verzekerden die verblijven in een op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten toegelaten instelling. In plaats van de huidige omslachtige inkomensvaststelling door de zorginstelling op basis van informatie door de verzekerde wordt als basis voor de berekening van de bijdrage het verzamelinkomen gehanteerd, dat door de Belastingdienst beschikbaar wordt gesteld.
De Raad van State is van oordeel dat de voorgestelde regeling een vereenvoudiging betekent, maar wijst op enkele tekortkomingen en meent dat verdere vereenvoudiging mogelijk is.
1. Met de voorgestelde maatregel is volgens de toelichting allereerst uitvoering gegeven aan de beslissing van het kabinet in 1997 om, met het oog op harmonisatie, voor de inkomensafhankelijke regelingen het verzamelinkomen als uitgangspunt te nemen.(zie noot 1) Daarmee volgt het kabinet de aanbeveling van de commissie Harmonisatie Inkomensafhankelijke Regelingen (de commissie-Derksen). De Raad merkt op dat de commissie-Derksen niet het verzamelinkomen maar het belastbare inkomen hanteert. Het belastbare inkomen en het verzamelinkomen komen echter niet geheel met elkaar overeen. In de brieven aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal omtrent de nieuwe inkomensvaststelling en de onderzoeken die zijn gedaan naar de inkomenseffecten van de nieuwe opzet(zie noot 2), is steeds uitgegaan van het belastbare inkomen. Niet duidelijk is, hoe nu op het laatst de slag is gemaakt van belastbaar inkomen naar verzamelinkomen. De Raad wijst er in dit verband op, dat het verzamelinkomen ook fictieve inkomsten uit vermogen omvat. Voor zover beoogd wordt het bijdrageplichtig inkomen daadwerkelijk te laten bestaan uit reëel ontvangen inkomsten ligt een verdergaande "vertaalslag" tussen het verzamelinkomen en het bijdrageplichtig inkomen voor de hand. De Raad adviseert in de toelichting nader in te gaan op deze aspecten.
2. Volgens de toelichting is, om grote inkomensverschillen bij de overgang naar het nieuwe systeem te vermijden, ervoor gekozen om gedurende een periode van vier jaar het nieuwe systeem in beginsel alleen van toepassing te laten zijn op verzekerden die voor het eerst de bijdrage gaan betalen. Voor verzekerden die op 31 december 2002 in een instelling verblijven en al een bijdrage verschuldigd zijn, blijft de oude bijdrage gelden met dien verstande dat deze bijdrage slechts wordt geïndexeerd. Er treden, aldus de toelichting (zie noot 3), voor deze groep dus per 1 januari 2003 geen inkomenseffecten op.
De Raad heeft bedenkingen bij deze "overgangsregeling". De regeling bevat geen afbouwmechanisme, zodat de veronderstelde grote inkomensverschillen zich na die vier jaar alsnog zullen gaan voordoen. Bovendien geeft de toelichting geen inzicht in de mate waarin zich inkomensverschillen voordoen. Ook wordt er een ongelijkheid gecreëerd tussen oude en nieuwe gevallen waarvoor geen duidelijke rechtvaardiging wordt gegeven.
De Raad wijst in dit verband op de regelingen die in de Aanpassingswet inkomstenbelasting 2001 zijn neergelegd voor de berekening van het inkomen voor andere inkomensafhankelijke regelingen zoals de studiefinanciering en de huursubsidie, waarin niet het verzamelinkomen maar een gecorrigeerd verzamelinkomen tot uitgangspunt wordt genomen. Het gecorrigeerde verzamelinkomen is het verzamelinkomen verminderd met kort gezegd de aftrekposten waarop betrokkene zonder de belastingherziening 2001 recht zou hebben gehad. Dat gecorrigeerde verzamelinkomen is ook uitgangspunt voor de vaststelling van een bijdrage als bedoeld in artikel 16d van het Bijdragebesluit zorg.
De Raad adviseert in de toelichting aan te geven waarom in het ontwerpbesluit als overgangsmaatregel niet - behalve in de situatie van artikel 16d - is gekozen voor het gecorrigeerde verzamelinkomen, maar wordt volstaan met een "probleemverschuivende" indexering. De Raad beveelt in verband hiermee aan de overgangsregeling opnieuw te bezien en tevens inzicht te geven in de inkomensverschillen die zich kunnen voordoen.
3. Uitgangspunt van de nieuwe regeling is onder meer dat de gegevensuitvraag bij de verzekerde beperkt wordt. Voor de aftrekpost van 15% vrijlating van inkomen uit tegenwoordige arbeid blijft echter gegevensuitvraag bij de verzekerde nodig. De Raad adviseert ook voor deze post te bezien of een meer gestandaardiseerde regeling mogelijk is en toe te lichten waarom deze gegevens niet eveneens door de belastingdienst worden verstrekt. Daarbij zou kunnen worden gedacht aan de verwerking als standaardaftrekpost bij inkomsten uit tegenwoordige arbeid zoals ook bijvoorbeeld bij de huursubsidie is voorzien.
4. De hoogte van de bijdrage wordt jaarlijks opnieuw berekend met dien verstande dat het inkomen over het peiljaar verminderd met de belasting niet ieder jaar opnieuw wordt vastgesteld, maar op grond van artikel 7 slechts wordt geïndexeerd. Artikel 11 bepaalt vervolgens dat indien het inkomen over het peiljaar tweemaal het indexpercentage of meer is gedaald of gestegen ten opzichte van het inkomen van een jaar daarvoor, artikel 7 niet wordt toegepast. In dat geval wordt het bijdrageplichtig inkomen op de gebruikelijke manier vastgesteld. De Raad acht het niet opportuun dat van een geïndexeerd inkomen wordt uitgegaan. Voor de toetsing of de stijging of daling van het inkomen over het peiljaar ten opzichte van het inkomen van het jaar daarvoor binnen de aangegeven bandbreedte van tweemaal het indexpercentage blijft, is toch steeds nodig dat de gegevens over het inkomen over het peiljaar en de daarop in mindering te brengen belasting bij de Belastingdienst worden opgevraagd. Het ligt naar de mening van de Raad meer voor de hand om ieder jaar gewoon het inkomen vast te stellen. In verband hiermee adviseert de Raad de artikelen 1, onderdeel h, 7 en 11 te laten vervallen.
5. Voor redactionele kanttekeningen verwijst het college naar de bij het advies behorende bijlage.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De waarnemend Vice-President van de Raad van State
Bijlage bij het advies van de Raad van State van 1 mei 2002, no.W13.02.0109/III, met redactionele kanttekeningen die de Raad in overweging geeft.
- In artikel 6, tweede lid, een voorziening treffen voor de vaststelling van de belasting die met het daarbedoelde inkomen is gemoeid.
- Artikel 6, derde lid, minder ruim formuleren nu de inkomensgegevens rechtstreeks van de Belastingdienst worden verkregen.
- In de artikelen en 10, tweede lid, eerste volzin, en 15, vijfde lid, eerste volzin, nader aangeven aan de hand waarvan de definitieve vaststelling in dat geval geschiedt.
- In artikel 25 in de zinsnede "de bijdrage die op die datum verschuldigd was" "die datum" preciseren.
Nader rapport (reactie op het advies) van 14 juni 2002
1. Sinds de invoering van het belastingplan 2001 gaan alle inkomensafhankelijke regelingen die vóór 1 januari 2001 uitgingen van het belastbaar inkomen uit van het verzamelinkomen. Het verzamelinkomen is immers de opvolger van het belastbaar inkomen.
Hoewel in de diverse brieven aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal inderdaad het ingeburgerde begrip "belastbaar inkomen" nog is gehanteerd, blijkt uit meer recente brieven tevens dat het nieuwe systeem uitgaat van het nieuwe belastingsysteem (zie noot 4) en derhalve van het verzamelinkomen.
Het overgaan op het fiscale inkomstenbegrip betekent ten aanzien van de huidige situatie een veel grovere afstemming op de reëel ontvangen inkomsten van de verzekerde. Zo tellen niet meer mee de daadwerkelijke inkomsten uit vermogen, maar de fictieve inkomsten waar de fiscus ook van uitgaat.
De nota van toelichting is met vorenstaande informatie aangevuld.
2. Regelingen die vóór 1 januari 2001 reeds het belastbaar inkomen hanteerde als grondslag voor de vaststelling van de hoogte van een eigen bijdrage of subsidie ondervonden gevolgen van de belastingherziening 2001. Bij de belastingherziening zijn namelijk aftrekposten geschrapt in ruil voor lagere belastingtarieven. Enerzijds heeft dit geleid tot een hoger fiscaal inkomen maar anderzijds is het netto-inkomen niet gedaald omdat de belastingtarieven ook verlaagd zijn. De verhoging van het fiscale inkomen zou zonder maatregelen geleid hebben tot hogere eigen bijdragen of lagere subsidies op grond van regelingen die gebaseerd zijn op een fiscaal inkomensbegrip. Om dit te voorkomen heeft het kabinet het gecorrigeerd verzamelinkomen ingevoerd. Dit is het verzamelinkomen verminderd met de aftrekposten die vervallen zijn. Door deze maatregel werd de invloed van de belastingherziening op de hoogte van deze eigen bijdragen of subsidies gemitigeerd.
Er is geen aanleiding om bij het nieuwe AWBZ-bijdragesysteem het gecorrigeerde verzamelinkomen te gebruiken. In de eerste plaats is er geen sprake van het overgaan van het belastbaar inkomen naar het verzamelinkomen. Er gold immers een ander inkomsbegrip. Verder zijn bewoners die na 1 januari 2003 worden opgenomen, pas op het moment van opname voor het eerst een eigen bijdrage verschuldigd. Van een verandering in de eigen bijdrage als gevolg van de belastingherziening is dus geen sprake. Voor bewoners die op die datum al in de instelling verblijven, is gekozen voor een systeem waarbij de eigen bijdrage gedurende vier jaar slechts wordt geïndexeerd. Daarvoor is gekozen om in een enkel individueel geval een behoorlijke achteruitgang in het vrij besteedbaar inkomen (netto-inkomen na betalen van de eigen bijdrage) per 1 januari 2003 te voorkomen. Voor zorgkantoren is een dergelijke overgangsmaatregel het makkelijkst uit te voeren, omdat ze zo alleen maar het oude bedrag hoeven te indexeren. Een ander voordeel is dat de zorgkantoren zo geleidelijk het nieuwe systeem kunnen gaan toepassen omdat dit in eerste instantie alleen geldt voor verzekerden die vanaf 1 januari 2003 in de instelling worden opgenomen. Op deze wijze wordt het nieuwe systeem feitelijk gefaseerd ingevoerd. De periode van vier jaar is gekozen, omdat een aanzienlijk deel van de desbetreffende groep van verzekerden na vier jaar niet meer in de instelling verblijft. Deze personen zullen derhalve niet met de overgang naar het nieuwe bijdragesysteem worden geconfronteerd. Verder geeft de periode de gelegenheid om, zoals in de nota van toelichting is aangegeven, het nieuwe systeem goed te volgen, zodat inzicht verkregen wordt in de effecten voor de bijdrageplichtigen en de werking van dat nieuwe systeem. Pas op basis van die gegevens kan in de loop der tijd een oordeel gegeven worden of nadere overgangsmaatregelen nodig en gewenst zijn.
De nota van toelichting is aangepast, zodat de redenen voor de gekozen overgangsmaatregel beter zijn verwoord.
3. In het ontwerpbesluit zoals dat aan de Raad was voorgelegd, was geregeld dat het ging om het netto-inkomen in het voorafgaande kalenderjaar. Dat is thans veranderd in het lopende kalenderjaar zodat deze aftrek slechts geldt in de periode dat de verzekerde daadwerkelijk inkomen uit arbeid geniet dan wel loon- of salarisdoorbetaling wegens ziekte of een uitkering ingevolge de Ziektewet ontvangt. Het Cllege voor zorgverzekeringen, die op dit moment een goede invoering van de nieuwe regeling voorbereidt, heeft na consultatie van de zorgkantoren, aangegeven daarvoor de voorkeur te hebben, omdat dat tevens met zich brengt dat, zoals momenteel in de uitvoeringspraktijk gebruikelijk is, met inkomsten uit arbeid rekening gehouden kan worden direct vanaf het moment dat de verzekerde arbeid gaat verrichten. Verzekerden vinden dat het meest logisch en rechtvaardig. Het ontwerpbesluit is aldus aangepast.
Het advies van de Raad om te komen tot een meer gestandaardiseerde regeling waarbij de gegevens via de Belastingdienst zouden kunnen worden verstrekt, is niet gevolgd, omdat dergelijke gegevens dan altijd ten minste één jaar achterlopen bij de werkelijke situatie. In het voorgaande heb ik aangegeven waarom dat niet wenselijk is.
4. Het kabinet heeft voor indexering gekozen om zo voor de verzekerde de meest geleidelijke ontwikkeling van de eigen bijdrage te bereiken. De aanbeveling van de Raad is daarom niet overgenomen. Echter, ook hiervoor geldt dat het nieuwe systeem na invoering goed zal worden gevolgd.
Over de in de Bijlage bij het advies gemaakte redactionele kanttekeningen merk ik het volgende op.
Een voorziening (eerste gedachtestreepje) voor de vaststelling van de belasting is niet nodig omdat dergelijke gegevens alleen gebruikt worden indien de Belastingdienst die heeft. De redactionele kanttekening van de Raad onder het tweede gedachtestreepje is verwerkt. Uit de tweede volzin in de onder het derde gedachtestreepje genoemde bepalingen blijkt helder aan de hand waarvan de definitieve vaststelling plaatsvindt. Bovendien komt deze bepaling overeen met het reeds bestaande artikel 16e, vijfde lid, dat wat betreft de redactie in de uitvoering niet tot vragen leidt.
Verder heb ik het vierde gedachtestreepje zo geïnterpreteerd dat artikel 24 gewijzigd moest worden.
Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om artikel 1 te wijzigen, om te voorkomen dat de aftrek buitengewone uitgaven, bedoeld in afdeling 6.5 van de Wet inkomstenbelasting 2001, de eigen bijdrage beïnvloedt. Voorts is artikel 9, eerste lid, gecorrigeerd. Tevens bleek dat met het aan de Raad voorgelegde ontwerp de huidige artikelen 23 en 24 van het Bijdragebesluit zorg reeds per 1 juli 2002 zouden vervallen, terwijl dat per 1 januari 2003 moet zijn. Het ontwerp is ook op dit punt gecorrigeerd.
Ik moge U hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
(1) Kamerstukken II 1997/98, 24 515, nr.39).
(2) Kamerstukken II 1999-2000, 26 800 XVI, nr. 66 en nr. 112 en Kamerstukken II 2000/01, 27 400 XVI, nr.91.
(3) Nota van toelichting, paragraaf 1.1, voorlaatste alinea.
(4) (Kamerstukken II 1999/2000, 26 800 XVI, nr.91, blz.5 en Kamerstukken II, 2000/01, 27 4000, nr.103, blz.2).
Het ontwerpbesluit wijzigt de grondslag voor de vaststelling van de hoogte van de inkomensafhankelijke bijdrage van verzekerden die verblijven in een op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten toegelaten instelling. In plaats van de huidige omslachtige inkomensvaststelling door de zorginstelling op basis van informatie door de verzekerde wordt als basis voor de berekening van de bijdrage het verzamelinkomen gehanteerd, dat door de Belastingdienst beschikbaar wordt gesteld.
De Raad van State is van oordeel dat de voorgestelde regeling een vereenvoudiging betekent, maar wijst op enkele tekortkomingen en meent dat verdere vereenvoudiging mogelijk is.
1. Met de voorgestelde maatregel is volgens de toelichting allereerst uitvoering gegeven aan de beslissing van het kabinet in 1997 om, met het oog op harmonisatie, voor de inkomensafhankelijke regelingen het verzamelinkomen als uitgangspunt te nemen.(zie noot 1) Daarmee volgt het kabinet de aanbeveling van de commissie Harmonisatie Inkomensafhankelijke Regelingen (de commissie-Derksen). De Raad merkt op dat de commissie-Derksen niet het verzamelinkomen maar het belastbare inkomen hanteert. Het belastbare inkomen en het verzamelinkomen komen echter niet geheel met elkaar overeen. In de brieven aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal omtrent de nieuwe inkomensvaststelling en de onderzoeken die zijn gedaan naar de inkomenseffecten van de nieuwe opzet(zie noot 2), is steeds uitgegaan van het belastbare inkomen. Niet duidelijk is, hoe nu op het laatst de slag is gemaakt van belastbaar inkomen naar verzamelinkomen. De Raad wijst er in dit verband op, dat het verzamelinkomen ook fictieve inkomsten uit vermogen omvat. Voor zover beoogd wordt het bijdrageplichtig inkomen daadwerkelijk te laten bestaan uit reëel ontvangen inkomsten ligt een verdergaande "vertaalslag" tussen het verzamelinkomen en het bijdrageplichtig inkomen voor de hand. De Raad adviseert in de toelichting nader in te gaan op deze aspecten.
2. Volgens de toelichting is, om grote inkomensverschillen bij de overgang naar het nieuwe systeem te vermijden, ervoor gekozen om gedurende een periode van vier jaar het nieuwe systeem in beginsel alleen van toepassing te laten zijn op verzekerden die voor het eerst de bijdrage gaan betalen. Voor verzekerden die op 31 december 2002 in een instelling verblijven en al een bijdrage verschuldigd zijn, blijft de oude bijdrage gelden met dien verstande dat deze bijdrage slechts wordt geïndexeerd. Er treden, aldus de toelichting (zie noot 3), voor deze groep dus per 1 januari 2003 geen inkomenseffecten op.
De Raad heeft bedenkingen bij deze "overgangsregeling". De regeling bevat geen afbouwmechanisme, zodat de veronderstelde grote inkomensverschillen zich na die vier jaar alsnog zullen gaan voordoen. Bovendien geeft de toelichting geen inzicht in de mate waarin zich inkomensverschillen voordoen. Ook wordt er een ongelijkheid gecreëerd tussen oude en nieuwe gevallen waarvoor geen duidelijke rechtvaardiging wordt gegeven.
De Raad wijst in dit verband op de regelingen die in de Aanpassingswet inkomstenbelasting 2001 zijn neergelegd voor de berekening van het inkomen voor andere inkomensafhankelijke regelingen zoals de studiefinanciering en de huursubsidie, waarin niet het verzamelinkomen maar een gecorrigeerd verzamelinkomen tot uitgangspunt wordt genomen. Het gecorrigeerde verzamelinkomen is het verzamelinkomen verminderd met kort gezegd de aftrekposten waarop betrokkene zonder de belastingherziening 2001 recht zou hebben gehad. Dat gecorrigeerde verzamelinkomen is ook uitgangspunt voor de vaststelling van een bijdrage als bedoeld in artikel 16d van het Bijdragebesluit zorg.
De Raad adviseert in de toelichting aan te geven waarom in het ontwerpbesluit als overgangsmaatregel niet - behalve in de situatie van artikel 16d - is gekozen voor het gecorrigeerde verzamelinkomen, maar wordt volstaan met een "probleemverschuivende" indexering. De Raad beveelt in verband hiermee aan de overgangsregeling opnieuw te bezien en tevens inzicht te geven in de inkomensverschillen die zich kunnen voordoen.
3. Uitgangspunt van de nieuwe regeling is onder meer dat de gegevensuitvraag bij de verzekerde beperkt wordt. Voor de aftrekpost van 15% vrijlating van inkomen uit tegenwoordige arbeid blijft echter gegevensuitvraag bij de verzekerde nodig. De Raad adviseert ook voor deze post te bezien of een meer gestandaardiseerde regeling mogelijk is en toe te lichten waarom deze gegevens niet eveneens door de belastingdienst worden verstrekt. Daarbij zou kunnen worden gedacht aan de verwerking als standaardaftrekpost bij inkomsten uit tegenwoordige arbeid zoals ook bijvoorbeeld bij de huursubsidie is voorzien.
4. De hoogte van de bijdrage wordt jaarlijks opnieuw berekend met dien verstande dat het inkomen over het peiljaar verminderd met de belasting niet ieder jaar opnieuw wordt vastgesteld, maar op grond van artikel 7 slechts wordt geïndexeerd. Artikel 11 bepaalt vervolgens dat indien het inkomen over het peiljaar tweemaal het indexpercentage of meer is gedaald of gestegen ten opzichte van het inkomen van een jaar daarvoor, artikel 7 niet wordt toegepast. In dat geval wordt het bijdrageplichtig inkomen op de gebruikelijke manier vastgesteld. De Raad acht het niet opportuun dat van een geïndexeerd inkomen wordt uitgegaan. Voor de toetsing of de stijging of daling van het inkomen over het peiljaar ten opzichte van het inkomen van het jaar daarvoor binnen de aangegeven bandbreedte van tweemaal het indexpercentage blijft, is toch steeds nodig dat de gegevens over het inkomen over het peiljaar en de daarop in mindering te brengen belasting bij de Belastingdienst worden opgevraagd. Het ligt naar de mening van de Raad meer voor de hand om ieder jaar gewoon het inkomen vast te stellen. In verband hiermee adviseert de Raad de artikelen 1, onderdeel h, 7 en 11 te laten vervallen.
5. Voor redactionele kanttekeningen verwijst het college naar de bij het advies behorende bijlage.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De waarnemend Vice-President van de Raad van State
Bijlage bij het advies van de Raad van State van 1 mei 2002, no.W13.02.0109/III, met redactionele kanttekeningen die de Raad in overweging geeft.
- In artikel 6, tweede lid, een voorziening treffen voor de vaststelling van de belasting die met het daarbedoelde inkomen is gemoeid.
- Artikel 6, derde lid, minder ruim formuleren nu de inkomensgegevens rechtstreeks van de Belastingdienst worden verkregen.
- In de artikelen en 10, tweede lid, eerste volzin, en 15, vijfde lid, eerste volzin, nader aangeven aan de hand waarvan de definitieve vaststelling in dat geval geschiedt.
- In artikel 25 in de zinsnede "de bijdrage die op die datum verschuldigd was" "die datum" preciseren.
Nader rapport (reactie op het advies) van 14 juni 2002
1. Sinds de invoering van het belastingplan 2001 gaan alle inkomensafhankelijke regelingen die vóór 1 januari 2001 uitgingen van het belastbaar inkomen uit van het verzamelinkomen. Het verzamelinkomen is immers de opvolger van het belastbaar inkomen.
Hoewel in de diverse brieven aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal inderdaad het ingeburgerde begrip "belastbaar inkomen" nog is gehanteerd, blijkt uit meer recente brieven tevens dat het nieuwe systeem uitgaat van het nieuwe belastingsysteem (zie noot 4) en derhalve van het verzamelinkomen.
Het overgaan op het fiscale inkomstenbegrip betekent ten aanzien van de huidige situatie een veel grovere afstemming op de reëel ontvangen inkomsten van de verzekerde. Zo tellen niet meer mee de daadwerkelijke inkomsten uit vermogen, maar de fictieve inkomsten waar de fiscus ook van uitgaat.
De nota van toelichting is met vorenstaande informatie aangevuld.
2. Regelingen die vóór 1 januari 2001 reeds het belastbaar inkomen hanteerde als grondslag voor de vaststelling van de hoogte van een eigen bijdrage of subsidie ondervonden gevolgen van de belastingherziening 2001. Bij de belastingherziening zijn namelijk aftrekposten geschrapt in ruil voor lagere belastingtarieven. Enerzijds heeft dit geleid tot een hoger fiscaal inkomen maar anderzijds is het netto-inkomen niet gedaald omdat de belastingtarieven ook verlaagd zijn. De verhoging van het fiscale inkomen zou zonder maatregelen geleid hebben tot hogere eigen bijdragen of lagere subsidies op grond van regelingen die gebaseerd zijn op een fiscaal inkomensbegrip. Om dit te voorkomen heeft het kabinet het gecorrigeerd verzamelinkomen ingevoerd. Dit is het verzamelinkomen verminderd met de aftrekposten die vervallen zijn. Door deze maatregel werd de invloed van de belastingherziening op de hoogte van deze eigen bijdragen of subsidies gemitigeerd.
Er is geen aanleiding om bij het nieuwe AWBZ-bijdragesysteem het gecorrigeerde verzamelinkomen te gebruiken. In de eerste plaats is er geen sprake van het overgaan van het belastbaar inkomen naar het verzamelinkomen. Er gold immers een ander inkomsbegrip. Verder zijn bewoners die na 1 januari 2003 worden opgenomen, pas op het moment van opname voor het eerst een eigen bijdrage verschuldigd. Van een verandering in de eigen bijdrage als gevolg van de belastingherziening is dus geen sprake. Voor bewoners die op die datum al in de instelling verblijven, is gekozen voor een systeem waarbij de eigen bijdrage gedurende vier jaar slechts wordt geïndexeerd. Daarvoor is gekozen om in een enkel individueel geval een behoorlijke achteruitgang in het vrij besteedbaar inkomen (netto-inkomen na betalen van de eigen bijdrage) per 1 januari 2003 te voorkomen. Voor zorgkantoren is een dergelijke overgangsmaatregel het makkelijkst uit te voeren, omdat ze zo alleen maar het oude bedrag hoeven te indexeren. Een ander voordeel is dat de zorgkantoren zo geleidelijk het nieuwe systeem kunnen gaan toepassen omdat dit in eerste instantie alleen geldt voor verzekerden die vanaf 1 januari 2003 in de instelling worden opgenomen. Op deze wijze wordt het nieuwe systeem feitelijk gefaseerd ingevoerd. De periode van vier jaar is gekozen, omdat een aanzienlijk deel van de desbetreffende groep van verzekerden na vier jaar niet meer in de instelling verblijft. Deze personen zullen derhalve niet met de overgang naar het nieuwe bijdragesysteem worden geconfronteerd. Verder geeft de periode de gelegenheid om, zoals in de nota van toelichting is aangegeven, het nieuwe systeem goed te volgen, zodat inzicht verkregen wordt in de effecten voor de bijdrageplichtigen en de werking van dat nieuwe systeem. Pas op basis van die gegevens kan in de loop der tijd een oordeel gegeven worden of nadere overgangsmaatregelen nodig en gewenst zijn.
De nota van toelichting is aangepast, zodat de redenen voor de gekozen overgangsmaatregel beter zijn verwoord.
3. In het ontwerpbesluit zoals dat aan de Raad was voorgelegd, was geregeld dat het ging om het netto-inkomen in het voorafgaande kalenderjaar. Dat is thans veranderd in het lopende kalenderjaar zodat deze aftrek slechts geldt in de periode dat de verzekerde daadwerkelijk inkomen uit arbeid geniet dan wel loon- of salarisdoorbetaling wegens ziekte of een uitkering ingevolge de Ziektewet ontvangt. Het Cllege voor zorgverzekeringen, die op dit moment een goede invoering van de nieuwe regeling voorbereidt, heeft na consultatie van de zorgkantoren, aangegeven daarvoor de voorkeur te hebben, omdat dat tevens met zich brengt dat, zoals momenteel in de uitvoeringspraktijk gebruikelijk is, met inkomsten uit arbeid rekening gehouden kan worden direct vanaf het moment dat de verzekerde arbeid gaat verrichten. Verzekerden vinden dat het meest logisch en rechtvaardig. Het ontwerpbesluit is aldus aangepast.
Het advies van de Raad om te komen tot een meer gestandaardiseerde regeling waarbij de gegevens via de Belastingdienst zouden kunnen worden verstrekt, is niet gevolgd, omdat dergelijke gegevens dan altijd ten minste één jaar achterlopen bij de werkelijke situatie. In het voorgaande heb ik aangegeven waarom dat niet wenselijk is.
4. Het kabinet heeft voor indexering gekozen om zo voor de verzekerde de meest geleidelijke ontwikkeling van de eigen bijdrage te bereiken. De aanbeveling van de Raad is daarom niet overgenomen. Echter, ook hiervoor geldt dat het nieuwe systeem na invoering goed zal worden gevolgd.
Over de in de Bijlage bij het advies gemaakte redactionele kanttekeningen merk ik het volgende op.
Een voorziening (eerste gedachtestreepje) voor de vaststelling van de belasting is niet nodig omdat dergelijke gegevens alleen gebruikt worden indien de Belastingdienst die heeft. De redactionele kanttekening van de Raad onder het tweede gedachtestreepje is verwerkt. Uit de tweede volzin in de onder het derde gedachtestreepje genoemde bepalingen blijkt helder aan de hand waarvan de definitieve vaststelling plaatsvindt. Bovendien komt deze bepaling overeen met het reeds bestaande artikel 16e, vijfde lid, dat wat betreft de redactie in de uitvoering niet tot vragen leidt.
Verder heb ik het vierde gedachtestreepje zo geïnterpreteerd dat artikel 24 gewijzigd moest worden.
Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om artikel 1 te wijzigen, om te voorkomen dat de aftrek buitengewone uitgaven, bedoeld in afdeling 6.5 van de Wet inkomstenbelasting 2001, de eigen bijdrage beïnvloedt. Voorts is artikel 9, eerste lid, gecorrigeerd. Tevens bleek dat met het aan de Raad voorgelegde ontwerp de huidige artikelen 23 en 24 van het Bijdragebesluit zorg reeds per 1 juli 2002 zouden vervallen, terwijl dat per 1 januari 2003 moet zijn. Het ontwerp is ook op dit punt gecorrigeerd.
Ik moge U hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
(1) Kamerstukken II 1997/98, 24 515, nr.39).
(2) Kamerstukken II 1999-2000, 26 800 XVI, nr. 66 en nr. 112 en Kamerstukken II 2000/01, 27 400 XVI, nr.91.
(3) Nota van toelichting, paragraaf 1.1, voorlaatste alinea.
(4) (Kamerstukken II 1999/2000, 26 800 XVI, nr.91, blz.5 en Kamerstukken II, 2000/01, 27 4000, nr.103, blz.2).