Ontwerpbesluit met nota van toelichting houdende bepalingen inzake het treffen van een inkomensvoorziening voor oudere gewezen zelfstandigen, MKZ-geruimden en MKZ-getroffenen in de veehouderij (Tijdelijk besluit gewezen zelfstandigen in de veehouderij).
- Kenmerk
- W12.02.0195/IV
- Datum advies
- 11 juni 2002
- Vindplaats
- Bijvoegsel Staatscourant 10 september 2002, nr 173
- Sociale zaken en Werkgelegenheid
- Algemene maatregel van bestuur
Toon inhoud
Volledige tekst
Ontwerpbesluit met nota van toelichting houdende bepalingen inzake het treffen van een inkomensvoorziening voor oudere gewezen zelfstandigen, MKZ-geruimden en MKZ-getroffenen in de veehouderij (Tijdelijk besluit gewezen zelfstandigen in de veehouderij).
Bij Kabinetsmissive van 15 mei 2002, no.02.002173, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit met nota van toelichting houdende bepalingen inzake het treffen van een inkomensvoorziening voor oudere gewezen zelfstandigen, MKZ-geruimden en MKZ-getroffenen in de veehouderij (Tijdelijk besluit gewezen zelfstandigen in de veehouderij).
Met het besluit worden twee categorieën zelfstandigen aangewezen die zijn vrijgesteld van de voorwaarden bedoeld in artikel 5, tweede en derde lid, van de Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ). Het betreft in de eerste plaats veehouders die tot en met 31 december 2002 een bijdrage krijgen op grond van de Regeling inkomensvoorziening voor oudere gewezen zelfstandigen in de veehouderij (hierna: Iozv) en in de tweede plaats de MKZ-getroffenen en de MKZ-geruimden die tot en met 31 december 2003 een bijdrage op grond van de Iozv krijgen. De Raad van State maakt naar aanleiding van het ontwerpbesluit een opmerking over een onduidelijkheid in de in artikel 1 gebruikte formulering. Hij is van oordeel dat in verband daarmee aanpassing van het voorstel wenselijk is.
1. Door het voorgestelde artikel 1, aanhef en onder a, wordt met ingang van 1 januari 2003 vrijgesteld "de gewezen zelfstandige die tot uiterlijk 31 december 2002 een bijdrage als bedoeld in artikel 6 van de Regeling inkomensvoorziening voor oudere gewezen zelfstandigen in de veehouderij ontvangt". In de toelichting wordt aangegeven dat het moet gaan om gewezen veehouders die in het jaar 2002 een bedrijfsbeëindigingsuitkering hebben ontvangen.
Onduidelijk is of de Iovz-bijdrage moet zijn ontvangen gedurende de volle periode, dus tot en met 31 december 2002. Als dit wel het geval is, rijst de vraag of daarmee recht wordt gedaan aan de gewezen zelfstandigen voor wie geldt dat de aan hen gegeven beschikking tot verlening of vaststelling van de Iozv-bijdrage op enig moment weer is ingetrokken omdat ze, mogelijk tijdelijk, niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 9 Iozv.
Mutatis mutandis geldt hetzelfde voor artikel 1, aanhef en onder b.
De Raad adviseert om artikel 1 en de toelichting op dit punt te verduidelijken.
2. Voor een redactionele kanttekening verwijst het college naar de bij het advies behorende bijlage.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De Vice-President van de Raad van State
Bijlage bij het advies van de Raad van State van no.W12.02.0195/IV, met een redactionele kanttekening die de Raad in overweging geeft.
- De werkingsduur van de tijdelijke regeling opnemen in artikel 2 (aanwijzing 181 van de Aanwijzingen voor de regelgeving).
Nader rapport (reactie op het advies) van 11 juli 2002
De Raad van State maakt naar aanleiding van het besluit enkele opmerkingen, waarop hierna wordt ingegaan.
1. De aanbeveling van de Raad van State om artikel 1 en de toelichting te verduidelijken, omdat onduidelijk is of de Iozv-bijdrage moet zijn ontvangen gedurende de volle periode, dus tot 31 december 2002 respectievelijk 31 december 2003, om in aanmerking te komen voor vrijstelling, is deels overgenomen. De tekst van artikel 1 is niet aangepast; wel is de toelichting op dit punt verduidelijkt.
De intrekking op enig moment van een beschikking tot verlening of vaststelling van de Ioaz-bijdrage, omdat een gewezen zelfstandige, mogelijke tijdelijk, niet voldoet aan de in artikel 9 Iozv opgenomen voorwaarden, staat op zichzelf niet in de weg aan de mogelijkheid om in de IOAZ te kunnen instromen op grond van het onderhavige besluit. Wel dient uiteraard voor instroming in de IOAZ te zijn voldaan aan de in de IOAZ opgenomen voorwaarden waarvoor geen vrijstelling wordt verleend op grond van het besluit.
2. De redactionele kanttekening van de Raad van State is verwerkt.
Ik moge u hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Met het besluit worden twee categorieën zelfstandigen aangewezen die zijn vrijgesteld van de voorwaarden bedoeld in artikel 5, tweede en derde lid, van de Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ). Het betreft in de eerste plaats veehouders die tot en met 31 december 2002 een bijdrage krijgen op grond van de Regeling inkomensvoorziening voor oudere gewezen zelfstandigen in de veehouderij (hierna: Iozv) en in de tweede plaats de MKZ-getroffenen en de MKZ-geruimden die tot en met 31 december 2003 een bijdrage op grond van de Iozv krijgen. De Raad van State maakt naar aanleiding van het ontwerpbesluit een opmerking over een onduidelijkheid in de in artikel 1 gebruikte formulering. Hij is van oordeel dat in verband daarmee aanpassing van het voorstel wenselijk is.
1. Door het voorgestelde artikel 1, aanhef en onder a, wordt met ingang van 1 januari 2003 vrijgesteld "de gewezen zelfstandige die tot uiterlijk 31 december 2002 een bijdrage als bedoeld in artikel 6 van de Regeling inkomensvoorziening voor oudere gewezen zelfstandigen in de veehouderij ontvangt". In de toelichting wordt aangegeven dat het moet gaan om gewezen veehouders die in het jaar 2002 een bedrijfsbeëindigingsuitkering hebben ontvangen.
Onduidelijk is of de Iovz-bijdrage moet zijn ontvangen gedurende de volle periode, dus tot en met 31 december 2002. Als dit wel het geval is, rijst de vraag of daarmee recht wordt gedaan aan de gewezen zelfstandigen voor wie geldt dat de aan hen gegeven beschikking tot verlening of vaststelling van de Iozv-bijdrage op enig moment weer is ingetrokken omdat ze, mogelijk tijdelijk, niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 9 Iozv.
Mutatis mutandis geldt hetzelfde voor artikel 1, aanhef en onder b.
De Raad adviseert om artikel 1 en de toelichting op dit punt te verduidelijken.
2. Voor een redactionele kanttekening verwijst het college naar de bij het advies behorende bijlage.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De Vice-President van de Raad van State
Bijlage bij het advies van de Raad van State van no.W12.02.0195/IV, met een redactionele kanttekening die de Raad in overweging geeft.
- De werkingsduur van de tijdelijke regeling opnemen in artikel 2 (aanwijzing 181 van de Aanwijzingen voor de regelgeving).
Nader rapport (reactie op het advies) van 11 juli 2002
De Raad van State maakt naar aanleiding van het besluit enkele opmerkingen, waarop hierna wordt ingegaan.
1. De aanbeveling van de Raad van State om artikel 1 en de toelichting te verduidelijken, omdat onduidelijk is of de Iozv-bijdrage moet zijn ontvangen gedurende de volle periode, dus tot 31 december 2002 respectievelijk 31 december 2003, om in aanmerking te komen voor vrijstelling, is deels overgenomen. De tekst van artikel 1 is niet aangepast; wel is de toelichting op dit punt verduidelijkt.
De intrekking op enig moment van een beschikking tot verlening of vaststelling van de Ioaz-bijdrage, omdat een gewezen zelfstandige, mogelijke tijdelijk, niet voldoet aan de in artikel 9 Iozv opgenomen voorwaarden, staat op zichzelf niet in de weg aan de mogelijkheid om in de IOAZ te kunnen instromen op grond van het onderhavige besluit. Wel dient uiteraard voor instroming in de IOAZ te zijn voldaan aan de in de IOAZ opgenomen voorwaarden waarvoor geen vrijstelling wordt verleend op grond van het besluit.
2. De redactionele kanttekening van de Raad van State is verwerkt.
Ik moge u hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid