Ontwerpbesluit met nota van toelichting tot wijziging van het Arbeidstijdenbesluit (wekelijkse rusttijd voor personeel in handelsondernemingen en kantoren).
- Kenmerk
- W12.02.0159/IV
- Datum advies
- 24 april 2002
- Vindplaats
- Bijvoegsel Staatscourant 11 maart 2003, nr 49
- Sociale zaken en Werkgelegenheid
- Algemene maatregel van bestuur
Toon inhoud
Volledige tekst
Ontwerpbesluit met nota van toelichting tot wijziging van het Arbeidstijdenbesluit (wekelijkse rusttijd voor personeel in handelsondernemingen en kantoren).
Bij Kabinetsmissive van 12 april 2002, no.02.001836, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit met nota van toelichting tot wijziging van het Arbeidstijdenbesluit (wekelijkse rusttijd voor personeel in handelsondernemingen en kantoren).
Met het voorstel tot wijziging van het Arbeidstijdenbesluit wordt beoogd om de Nederlandse wetgeving op het gebied van de arbeidstijden in overeenstemming te brengen met het Verdrag betreffende de wekelijkse rusttijd in de handel en op kantoren.(zie noot 1) De Raad van State maakt naar aanleiding van het voorstel twee opmerkingen. Hij is van oordeel dat in verband daarmee enige aanpassing van het voorstel wenselijk is.
1. Artikel 5.12, eerste lid, van de Arbeidstijdenwet (ATW) biedt de mogelijkheid om bij algemene maatregel van bestuur afwijkende of aanvullende regels te stellen van hetgeen bij paragraaf 5.2 van de wet is bepaald. Het voorgestelde nieuwe artikel 2.1:14 van het Arbeidstijdenbesluit berust op dit artikel van de ATW. In artikel I, onder A, van het ontwerpbesluit wordt bepaald dat artikel 2.1:14 wordt opgenomen in hoofdstuk 2 van het Arbeidstijdenbesluit. In hoofdstuk 2 van het Arbeidstijdenbesluit zijn de bepalingen opgenomen die berusten op de artikelen 2:1, eerste lid, en 2:7, eerste lid, ATW. De bepalingen die hun grondslag vinden in artikel 5:12, eerste lid, ATW zijn opgenomen in de hoofdstukken 4 en 5 van het Arbeidstijdenbesluit. Meer in het bijzonder worden in hoofdstuk 5 van het Arbeidstijdenbesluit de afwijkingen en aanvullingen gegeven voor nader omschreven arbeidssituaties. De Raad adviseert om het in artikel I, onder A, voorgestelde artikel op te nemen in hoofdstuk 5 van het Arbeidstijdenbesluit.
2. In de toelichting is aangegeven dat de Internationale Arbeidsorganisatie is geraadpleegd over de omschrijving van de begrippen handelsonderneming en kantoor. Het begrip kantoor is vervolgens in de memorie van toelichting omschreven. De termen handelsonderneming en kantoor zijn, ook gezien de noodzaak om de Internationale Arbeidsorganisatie te consulteren, te weinig bepaald. De Raad adviseert om, mede gelet op aanwijzing 121 van de Aanwijzingen voor de regelgeving, een definitie van de begrippen handelsonderneming en kantoor in het besluit op te nemen.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De waarmenend Vice-President van de Raad van State
Nader rapport (reactie op het advies) van 28 januari 2003
De Raad van State maakt naar aanleiding van het ontwerp-besluit een tweetal opmerkingen en geeft in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat daarmee rekening zal zijn gehouden.
In verband met voornoemd advies merk ik het volgende op:
1. De Raad adviseert om het in artikel I, onder A, voorgestelde artikel op te nemen in hoofdstuk 5 van het Arbeidstijdenbesluit, in plaats van in hoofdstuk 2. De Raad merkt in dit kader op dat in de aanhef van het ontwerp-besluit wordt bepaald dat voornoemd artikel is gebaseerd op artikel 5:12, eerste lid, van de Arbeidstijdenwet. Dit berust op een misverstand. In artikel 2:1 van de Arbeidstijdenwet is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de wet geheel of gedeeltelijk niet van toepassing is voor bij die maatregel omschreven arbeid of arbeid onder daarbij omschreven omstandigheden. Dat is exact wat wordt geregeld in artikel 2.1:14. Er wordt een bepaalde regeling aangaande de wekelijkse rusttijd niet van toepassing verklaard in bepaalde omstandigheden en dat maakt dat de plaatsing in hoofdstuk 2 van het Arbeidstijdenbesluit terecht is. Wel is de aanhef van het besluit gewijzigd. De verwijzing naar artikel 4:3, derde lid, is onjuist en is vervangen door artikel 2:1, eerste lid, van de Arbeidstijdenwet.
2. De Raad adviseert vervolgens om een definitie van de begrippen handelsonderneming en kantoor in het besluit op te nemen. De betekenis van het begrip kantoor is in de nota van toelichting gegeven. Over de omschrijving van het begrip handelsonderneming moet worden opgemerkt dat aan dit begrip geen andere betekenis moet worden toegekend dan in het dagelijks taalgebruik gangbaar is, namelijk een onderneming met als doel om handel te drijven. Dit zal in het artikelsgewijze deel van de nota van toelichting worden verwoord. Het is in deze niet opportuun om een definitie van de begrippen kantoor en handelsonderneming in het besluit op te nemen. Een vastomlijnde definitie van de beide begrippen is moeilijk te geven en ook het ILO-verdrag nr. 106 definieert deze begrippen niet, noch biedt het hiervoor duidelijke aanknopingspunten.
3. Van de gelegenheid is tevens gebruik gemaakt om artikel 5.6:6 van het Arbeidstijdenbesluit te laten vervallen. Dit hangt ten nauwste samen met de wijziging van artikel 2:4, derde lid, van de Arbeidstijdenwet bij de Veegwetten SZW 1997 en 1998. Daartoe is tevens de nota van toelichting aangepast.
Ik moge u hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
(1) ILO-verdrag nr.106,Trb. 1964, 61.
Met het voorstel tot wijziging van het Arbeidstijdenbesluit wordt beoogd om de Nederlandse wetgeving op het gebied van de arbeidstijden in overeenstemming te brengen met het Verdrag betreffende de wekelijkse rusttijd in de handel en op kantoren.(zie noot 1) De Raad van State maakt naar aanleiding van het voorstel twee opmerkingen. Hij is van oordeel dat in verband daarmee enige aanpassing van het voorstel wenselijk is.
1. Artikel 5.12, eerste lid, van de Arbeidstijdenwet (ATW) biedt de mogelijkheid om bij algemene maatregel van bestuur afwijkende of aanvullende regels te stellen van hetgeen bij paragraaf 5.2 van de wet is bepaald. Het voorgestelde nieuwe artikel 2.1:14 van het Arbeidstijdenbesluit berust op dit artikel van de ATW. In artikel I, onder A, van het ontwerpbesluit wordt bepaald dat artikel 2.1:14 wordt opgenomen in hoofdstuk 2 van het Arbeidstijdenbesluit. In hoofdstuk 2 van het Arbeidstijdenbesluit zijn de bepalingen opgenomen die berusten op de artikelen 2:1, eerste lid, en 2:7, eerste lid, ATW. De bepalingen die hun grondslag vinden in artikel 5:12, eerste lid, ATW zijn opgenomen in de hoofdstukken 4 en 5 van het Arbeidstijdenbesluit. Meer in het bijzonder worden in hoofdstuk 5 van het Arbeidstijdenbesluit de afwijkingen en aanvullingen gegeven voor nader omschreven arbeidssituaties. De Raad adviseert om het in artikel I, onder A, voorgestelde artikel op te nemen in hoofdstuk 5 van het Arbeidstijdenbesluit.
2. In de toelichting is aangegeven dat de Internationale Arbeidsorganisatie is geraadpleegd over de omschrijving van de begrippen handelsonderneming en kantoor. Het begrip kantoor is vervolgens in de memorie van toelichting omschreven. De termen handelsonderneming en kantoor zijn, ook gezien de noodzaak om de Internationale Arbeidsorganisatie te consulteren, te weinig bepaald. De Raad adviseert om, mede gelet op aanwijzing 121 van de Aanwijzingen voor de regelgeving, een definitie van de begrippen handelsonderneming en kantoor in het besluit op te nemen.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De waarmenend Vice-President van de Raad van State
Nader rapport (reactie op het advies) van 28 januari 2003
De Raad van State maakt naar aanleiding van het ontwerp-besluit een tweetal opmerkingen en geeft in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat daarmee rekening zal zijn gehouden.
In verband met voornoemd advies merk ik het volgende op:
1. De Raad adviseert om het in artikel I, onder A, voorgestelde artikel op te nemen in hoofdstuk 5 van het Arbeidstijdenbesluit, in plaats van in hoofdstuk 2. De Raad merkt in dit kader op dat in de aanhef van het ontwerp-besluit wordt bepaald dat voornoemd artikel is gebaseerd op artikel 5:12, eerste lid, van de Arbeidstijdenwet. Dit berust op een misverstand. In artikel 2:1 van de Arbeidstijdenwet is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de wet geheel of gedeeltelijk niet van toepassing is voor bij die maatregel omschreven arbeid of arbeid onder daarbij omschreven omstandigheden. Dat is exact wat wordt geregeld in artikel 2.1:14. Er wordt een bepaalde regeling aangaande de wekelijkse rusttijd niet van toepassing verklaard in bepaalde omstandigheden en dat maakt dat de plaatsing in hoofdstuk 2 van het Arbeidstijdenbesluit terecht is. Wel is de aanhef van het besluit gewijzigd. De verwijzing naar artikel 4:3, derde lid, is onjuist en is vervangen door artikel 2:1, eerste lid, van de Arbeidstijdenwet.
2. De Raad adviseert vervolgens om een definitie van de begrippen handelsonderneming en kantoor in het besluit op te nemen. De betekenis van het begrip kantoor is in de nota van toelichting gegeven. Over de omschrijving van het begrip handelsonderneming moet worden opgemerkt dat aan dit begrip geen andere betekenis moet worden toegekend dan in het dagelijks taalgebruik gangbaar is, namelijk een onderneming met als doel om handel te drijven. Dit zal in het artikelsgewijze deel van de nota van toelichting worden verwoord. Het is in deze niet opportuun om een definitie van de begrippen kantoor en handelsonderneming in het besluit op te nemen. Een vastomlijnde definitie van de beide begrippen is moeilijk te geven en ook het ILO-verdrag nr. 106 definieert deze begrippen niet, noch biedt het hiervoor duidelijke aanknopingspunten.
3. Van de gelegenheid is tevens gebruik gemaakt om artikel 5.6:6 van het Arbeidstijdenbesluit te laten vervallen. Dit hangt ten nauwste samen met de wijziging van artikel 2:4, derde lid, van de Arbeidstijdenwet bij de Veegwetten SZW 1997 en 1998. Daartoe is tevens de nota van toelichting aangepast.
Ik moge u hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
(1) ILO-verdrag nr.106,Trb. 1964, 61.