Ontwerpbesluit houdende de aanwijzing van onroerende zaken ter onteigening ten algemenen nutte ten behoeve van de uitbreiding van de spoorbaan tussen Amsterdam en Utrecht, het gedeelte vanaf km 11.724 gelegen ongeveer 1 kilometer ten zuiden van het station Abcoude tot km 15.796 bij de grens met de gemeente Loenen, met bijkomende werken, in de gemeente Abcoude (Abcoude 1 e deel).
- Kenmerk
- W09.02.0118/V
- Datum advies
- 27 maart 2002
- Vindplaats
- Bijvoegsel Staatscourant 9 juli 2002, nr 128
- Infrastructuur en Waterstaat
- Onteigening
Toon inhoud
Volledige tekst
Ontwerpbesluit houdende de aanwijzing van onroerende zaken ter onteigening ten algemenen nutte ten behoeve van de uitbreiding van de spoorbaan tussen Amsterdam en Utrecht, het gedeelte vanaf km 11.724 gelegen ongeveer 1 kilometer ten zuiden van het station Abcoude tot km 15.796 bij de grens met de gemeente Loenen, met bijkomende werken, in de gemeente Abcoude (Abcoude 1 e deel).
Krachtens machtiging van Uwe Majesteit heeft de Minister van Verkeer en Waterstaat met een schrijven van 6 maart 2002, no. HKW/R 2002/1899, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt een voordracht met ontwerpbesluit, houdende de aanwijzing van onroerende zaken ter onteigening ten algemenen nutte ten behoeve van de uitbreiding van de spoorbaan tussen Amsterdam en Utrecht, het gedeelte vanaf km 11.724 gelegen ongeveer 1 kilometer ten zuiden van het station Abcoude tot km 15.796 bij de grens met de gemeente Loenen, met bijkomende werken, in de gemeente Abcoude (Abcoude 1 e deel).
1. Uit de overwegingen naar aanleiding van de zienswijzen van reclamante REMU Infra N.V. blijkt dat de kadastrale gegevens van een aantal ter onteigening aangewezen onroerende zaken ten tijde van de tervisielegging van de onteigeningsstukken niet meer actueel waren. In de lijst van ter onteigening aan te wijzen onroerende zaken was reclamante vermeld als eigenaresse van de onroerende zaak met het grondplannummer 1277. Deze onroerende zaak, die blijkens de lijst kadastraal bekend is als gemeente Baambrugge, sectie A, nummer 3289, is inmiddels vernummerd tot nummer 3552, welk perceel echter niet wordt geraakt door de spooruitbreiding. Als verklaring hiervoor wordt genoemd dat de wijzigingen in de kadastrale gegevens zijn opgetreden na de peildatum die voor het opmaken van de onteigeningsstukken is gehanteerd, namelijk 31 december 2000. Tussen die datum en de eerste dag van tervisielegging, 13 september 2001, ligt echter een periode van ruim negen maanden. Naar de mening van de Raad van State brengt een zorgvuldige toepassing van artikel 3:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 63 van de onteigeningswet mee dat voor de terinzagelegging van de lijst van te onteigenen percelen gebruik wordt gemaakt van de op dat moment meest actuele kadastrale gegevens. Daarvan kan in dit geval niet worden gesproken.
De Raad adviseert in de overwegingen van het ontwerpbesluit ten principale op dit punt in te gaan en daarbij tevens uitsluitsel te geven over de vraag of ook andere belanghebbenden mogelijk door de gevolgde handelwijze in hun belangen zijn geschaad.
2. Voorts blijkt dat de in het eerste punt genoemde reclamante of haar rechtsvoorgangers op een aantal van de voor onteigening aangewezen percelen een opstalrecht hebben gevestigd ten behoeve van de 150 kV-lijn Utrecht-Amsterdam. Het betreft hier een boven de percelen aanwezige hoogspanningslijn en een op één van de percelen staande mast. Reclamante verzet zich tegen het verlies van de opstalrechten bij onteigening van de onroerende zaken waarop deze rechten gevestigd zijn, omdat het zeer wel mogelijk is dat deze infrastructuur gehandhaafd kan blijven zodat van een noodzaak tot onteigening niet is gebleken. Naar aanleiding hiervan wordt in het ontwerpbesluit slechts opgemerkt dat de verzoeker om onteigening heeft aangegeven, dat bedoelde zakelijke rechten en bijbehorende voorwaarden veelal een belemmering vormen voor de uitvoering en instandhouding van het werk. De Raad is van mening dat uit het ontwerpbesluit onvoldoende blijkt dat er ook in dit geval sprake is van een zodanige belemmering die onteigening van de opstalrechten noodzakelijk maakt.
De Raad adviseert in het ontwerpbesluit nader op dit punt in te gaan.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat aan het vorenstaande aandacht zal zijn geschonken.
De Vice-president van de Raad van State
Nader rapport (reactie op het advies) van 10 april 2002
In genoemd advies brengt de Raad naar aanleiding van de door reclamante sub 1 (REMU Infra B.V.) ingediende zienswijze naar voren, dat de tijdspanne tussen het moment waarop deze gegevens bij aanvang van de onderhavige administratieve onteigeningsprocedure ter inzage gelegd worden circa negen maanden beslaat. Naar de mening van de Raad kan bij een dergelijke tijdspanne niet gesproken worden van een zorgvuldige toepassing van artikel 3:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, dat met zich mee brengt dat voor genoemde terinzagelegging gebruik wordt gemaakt van de meest actuele kadastrale gegevens. De Raad adviseert om nader te bezien of een dergelijke handelwijze betrokken rechthebbenden in hun belangen schaadt.
Naar aanleiding van de opmerking van de Raad van State merk ik het volgende op. Met de Raad ben ik van mening, dat voor een zorgvuldige toepassing van onderhavig onteigeningsinstrument de daartoe te gebruiken eigendomsgegevens van het Kadaster van zo recent mogelijke datum dienen te zijn. Technische ontwikkelingen op het vlak van de informatie- en communicatietechnologie maken dit ook in toenemende mate mogelijk.
Alvorens nader op de door de Raad vermeende onzorgvuldigheid in te gaan, lijkt het me goed om bedoelde tijdspanne van circa negen maanden nader te bezien. Hierbij is het van belang om aan te geven, dat de eigendomsgegevens van het Kadaster niet slechts deel uitmaken van de ter inzage te leggen onteigeningsbescheiden, maar een verstrekkender betekenis hebben. Deze gegevens liggen bijvoorbeeld ten grondslag aan de te maken grondtekeningen en vormen de basis voor het toekennen van grondplannummers en het opstellen van de lijst van ter onteigening aan te wijzen onroerende zaken.
Eigendomsgegevens zelf kunnen binnen zeer korte termijn opgevraagd worden. Echter het actualiseren van alle onteigeningsbescheiden zal gemiddeld zes tot negen weken in beslag nemen. De omvang van de onteigening en de aard van de wijzigingen in de openbare registers van het Kadaster ("slechts" de tenaamstelling van een onroerende zaak of een zakelijk recht, danwel bijvoorbeeld tevens de eigendomsgrenzen) zijn hierin uiteraard van belang.
Over de genoemde tijdspanne van negen maanden in het onderhavige geval voorts het volgende. De verzoeker om onteigening heeft ter voorbereiding van de onteigeningsprocedure de openbare registers van het Kadaster op 31 december 2000 geraadpleegd. Vervolgens is in februari 2001 gestart met het vervaardigen van de onteigeningsbescheiden. Dit proces is door de verzoeker om onteigening afgerond in april 2001, waarna deze bij brief van 21 juni 2001 een verzoek om onteigening met bijbehorende bescheiden heeft ingediend bij het bevoegd gezag in deze (de regionale directie Utrecht van het directoraat-generaal Rijkswaterstaat).
Ten dele parallel aan voorgaand proces heeft de verzoeker om onteigening eind maart 2001 ten eerste male enige onderdelen van de onteigeningsbescheiden aan het bevoegd gezag voorgelegd met de vraag om deze te bezien. Hierbij wordt opgemerkt, dat duidelijkheid over de exacte ligging van het werk kan leiden tot marginale aanpassing daarvan, bijvoorbeeld gelet op het verminderen van te schaden belangen. Na ontvangst van alle bescheiden zijn deze zoals te doen gebruikelijk getoetst voor de aanvang van de procedure. In augustus 2001 zijn deze definitief goed bevonden. Vervolgens is de procedure (Vanwege de zomervakantie eerst) gestart op 13 september 2001.
Gebleken is, dat de zakelijke rechten van reclamante per 24 augustus 2001 zijn opgenomen bij het Kadaster.
Voorts wil ik naar aanleiding van de opmerking van de Raad ingaan op de mogelijke onzorgvuldigheid die op kan treden als gevolg van een grote tijdspanne als in het voorgaande bedoeld. Hierbij kan een nader onderscheid gemaakt worden tussen onzorgvuldigheid die gerelateerd is aan de te doorlopen procedure: de bekendmaking daarvan, de start met de terinzagelegging overeenkomstig de relevante bepalingen uit de Algemene wet bestuursrecht en het (kunnen) indienen van zienswijzen over de plannen van het werk en van onteigening alsmede onzorgvuldigheid die voortkomt uit het door de verzoeker om onteigening te voeren minnelijk overleg met de belanghebbende.
Met betrekking tot de zogenoemde procedurele zorgvuldigheid is van belang dat een kortere tijdspanne niet automatisch leidt tot een grotere zorgvuldigheid in de zin van meer accurate onteigeningsbescheiden bij aanvang van de administratieve onteigeningsprocedure. Immers, wijzigingen in de openbare registers van het Kadaster zullen zich blijven voordoen, voor en tijdens een procedure. Hierbij merk ik op, dat zeker waar het gaat om rechtshandelingen ten aanzien van gedeelten van onroerende zaken de kadastrale tenaamstelling geruime tijd kan achterlopen op de actualiteit zoals verwoord in de openbare registers.
Voorts is in het onderhavige geval de bekendmaking van de start van de procedure (terinzagelegging) op juiste wijze aangekondigd in de "Staatscourant" van 6 september 2001, nr.172, en in de "Vecht-, amstel- en rijnstreek" van 6 september 2001. Belanghebbende zijn hierbij uitgenodigd voor een hoorzitting in de gemeente Abcoude op 15 oktober 2001.
Tot slot merk ik over eventuele procedurele onzorgvuldigheid nog op, dat het ter inzage gelegde plan van het werk als onderdeel van de onteigeningsbescheiden als vaststaand dient te worden beschouwd en daarmee geen onzorgvuldigheid in deze zin kan hebben opgeleverd.
Het voorgaande geeft al aan, dat de door de Raad gesignaleerde onzorgvuldigheid met betrekking tot verouderde onteigeningsbescheiden zich naar mijn mening in hoofdzaak zal doen gelden in (een gebrekkige) totstandkoming van het minnelijk overleg tussen partijen. Ik wijs er in dit verband op, dat het minnelijk overleg zelfstandig volgens vaste maatstaven getoetst wordt om de noodzaak van onteigening aan te tonen. Hierover verder het volgende.
Het werken met reeds ten dele verouderde onteigeningsbescheiden kan de desbetreffende belanghebbende niet worden aangerekend en kan daarmee geen rol spelen in de beoordeling van het minnelijk overleg tussen partijen voor de aanvang van de administratieve onteigeningsprocedure. Hierbij dient in ogenschouw genomen te worden, dat de verzoeker om onteigening gehouden is minnelijk overleg met belanghebbenden te voeren en daartoe naast het gebruik van genoemde kadastrale ge-gevens tevens met (in het veld) gebleken eigenaren in overleg treedt. Ik merk hierover tot slot nog op, dat in gevallen waarin wijziging in de eigendomsgegevens kort voor de procedure zijn ontstaan bij de toetsing van het minnelijk overleg tevens het overleg met de rechtsvoorganger relevant kan zijn.
In het onderhavige geval is gebleken, dat het reeds gevoerde minnelijk overleg tussen de verzoeker om onteigening en reclamante duidelijk maakt dat minnelijke overeenstem-ming over verwerving van de betrokken zakelijke rechten (of, zoals reeds in het ontwerpbesluit is verwoord het opheffen van daaruit voorkomende belemmeringen) vooralsnog niet mogelijk is gebleken en de noodzaak van onteigening in deze zin is komen vast te staan. Kortheidshalve verwijs ik op deze plaats naar de behandeling van de volgende opmerking van de Raad.
Alhoewel terugkomend op de opmerking van de Raad niet (zonder meer) gesproken kan worden van een handelwijze van de verzoeker om onteigening die rechthebbenden in hun belangen schaadt, blijft het werken met zo actueel mogelijke eigendomsgegevens zoals eerder gezegd, van belang. Hierop zal ik binnen mijn onteigeningspraktijk de aandacht vestigen. Gedacht kan worden aan het stellen van een maximale tijdspanne en bijvoorbeeld het verrichten van een actualisatie van eigendomsgegevens bij het Kadaster voor aanvang van de procedure ten behoeve van het te voeren minnelijk overleg.
Het ontwerpbesluit zal aangevuld worden met overwegingen uit voorgaande uiteenzetting.
De Raad van State maakt in genoemd advies tot slot de volgende opmerking. Voornoemde reclamante verzet zich tegen het verlies van de opstalrechten bij onteigening van de onroerende zaken waarbij deze rechten zijn gevestigd, omdat het zeer wel mogelijk is dat deze infrastructuur gehandhaafd kan blijven zodat de noodzaak van onteigening niet is gebleken. De Raad is van mening, dat uit het ontwerpbesluit onvoldoende blijkt dat er ook in dit geval sprake is van een zodanige belemmering dat onteigening van de opstalrechten noodzakelijk is, nu in dat besluit slechts wordt opgemerkt dat bedoelde zakelijke rechten en bijbehorende voorwaarden veelal een belemmering vormen voor de uitvoering en instandhouding van het werk.
Vooreerst merk ik met betrekking tot deze zienswijze op, dat in het ontwerpbesluit reeds nader staat beschreven op welke wijze de noodzaak van onteigening van bedoelde zakelijke rechten kan worden bezien. Hierbij wordt aangemerkt, dat deze problematiek recent met de inwerkingtreding van de Nadeelcompensatieregeling verleggen kabels en leidingen in en buiten rijkswaterstaatswerken en spoorwegwerken 1999 (Staatscourant 1999, nummer 97) in de onteigeningspraktijk nadrukkelijk aan de orde is.
Naar aanleiding van deze opmerking van de Raad merk ik voorts het volgende op. Gebleken is, dat voor de aanleg van het werk toestemming van reclamante nodig is. De verzoeker om onteigening heeft vanaf eind 1999 schriftelijk overleg gevoerd met reclamante over de technische voorwaarden die verbonden worden aan de uitbreiding van de spoorbaan ter hoogte van haar zakelijke rechten (en daarmee aan de toestemming van reclamante). Voorts is een andere invulling nodig van de relatie van reclamante als beperkt gerechtigde met de toekomstige eigenaar van de betrokken onroerende zaak (NS Railinfrabeheer B.V.). Beide partijen hebben dit overleg nog niet af kunnen ronden
Het ontwerpbesluit is in deze zin aangevuld.
Ik moge U hierbij het ontwerpbesluit doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Minister van Verkeer en Waterstaat
1. Uit de overwegingen naar aanleiding van de zienswijzen van reclamante REMU Infra N.V. blijkt dat de kadastrale gegevens van een aantal ter onteigening aangewezen onroerende zaken ten tijde van de tervisielegging van de onteigeningsstukken niet meer actueel waren. In de lijst van ter onteigening aan te wijzen onroerende zaken was reclamante vermeld als eigenaresse van de onroerende zaak met het grondplannummer 1277. Deze onroerende zaak, die blijkens de lijst kadastraal bekend is als gemeente Baambrugge, sectie A, nummer 3289, is inmiddels vernummerd tot nummer 3552, welk perceel echter niet wordt geraakt door de spooruitbreiding. Als verklaring hiervoor wordt genoemd dat de wijzigingen in de kadastrale gegevens zijn opgetreden na de peildatum die voor het opmaken van de onteigeningsstukken is gehanteerd, namelijk 31 december 2000. Tussen die datum en de eerste dag van tervisielegging, 13 september 2001, ligt echter een periode van ruim negen maanden. Naar de mening van de Raad van State brengt een zorgvuldige toepassing van artikel 3:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 63 van de onteigeningswet mee dat voor de terinzagelegging van de lijst van te onteigenen percelen gebruik wordt gemaakt van de op dat moment meest actuele kadastrale gegevens. Daarvan kan in dit geval niet worden gesproken.
De Raad adviseert in de overwegingen van het ontwerpbesluit ten principale op dit punt in te gaan en daarbij tevens uitsluitsel te geven over de vraag of ook andere belanghebbenden mogelijk door de gevolgde handelwijze in hun belangen zijn geschaad.
2. Voorts blijkt dat de in het eerste punt genoemde reclamante of haar rechtsvoorgangers op een aantal van de voor onteigening aangewezen percelen een opstalrecht hebben gevestigd ten behoeve van de 150 kV-lijn Utrecht-Amsterdam. Het betreft hier een boven de percelen aanwezige hoogspanningslijn en een op één van de percelen staande mast. Reclamante verzet zich tegen het verlies van de opstalrechten bij onteigening van de onroerende zaken waarop deze rechten gevestigd zijn, omdat het zeer wel mogelijk is dat deze infrastructuur gehandhaafd kan blijven zodat van een noodzaak tot onteigening niet is gebleken. Naar aanleiding hiervan wordt in het ontwerpbesluit slechts opgemerkt dat de verzoeker om onteigening heeft aangegeven, dat bedoelde zakelijke rechten en bijbehorende voorwaarden veelal een belemmering vormen voor de uitvoering en instandhouding van het werk. De Raad is van mening dat uit het ontwerpbesluit onvoldoende blijkt dat er ook in dit geval sprake is van een zodanige belemmering die onteigening van de opstalrechten noodzakelijk maakt.
De Raad adviseert in het ontwerpbesluit nader op dit punt in te gaan.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat aan het vorenstaande aandacht zal zijn geschonken.
De Vice-president van de Raad van State
Nader rapport (reactie op het advies) van 10 april 2002
In genoemd advies brengt de Raad naar aanleiding van de door reclamante sub 1 (REMU Infra B.V.) ingediende zienswijze naar voren, dat de tijdspanne tussen het moment waarop deze gegevens bij aanvang van de onderhavige administratieve onteigeningsprocedure ter inzage gelegd worden circa negen maanden beslaat. Naar de mening van de Raad kan bij een dergelijke tijdspanne niet gesproken worden van een zorgvuldige toepassing van artikel 3:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, dat met zich mee brengt dat voor genoemde terinzagelegging gebruik wordt gemaakt van de meest actuele kadastrale gegevens. De Raad adviseert om nader te bezien of een dergelijke handelwijze betrokken rechthebbenden in hun belangen schaadt.
Naar aanleiding van de opmerking van de Raad van State merk ik het volgende op. Met de Raad ben ik van mening, dat voor een zorgvuldige toepassing van onderhavig onteigeningsinstrument de daartoe te gebruiken eigendomsgegevens van het Kadaster van zo recent mogelijke datum dienen te zijn. Technische ontwikkelingen op het vlak van de informatie- en communicatietechnologie maken dit ook in toenemende mate mogelijk.
Alvorens nader op de door de Raad vermeende onzorgvuldigheid in te gaan, lijkt het me goed om bedoelde tijdspanne van circa negen maanden nader te bezien. Hierbij is het van belang om aan te geven, dat de eigendomsgegevens van het Kadaster niet slechts deel uitmaken van de ter inzage te leggen onteigeningsbescheiden, maar een verstrekkender betekenis hebben. Deze gegevens liggen bijvoorbeeld ten grondslag aan de te maken grondtekeningen en vormen de basis voor het toekennen van grondplannummers en het opstellen van de lijst van ter onteigening aan te wijzen onroerende zaken.
Eigendomsgegevens zelf kunnen binnen zeer korte termijn opgevraagd worden. Echter het actualiseren van alle onteigeningsbescheiden zal gemiddeld zes tot negen weken in beslag nemen. De omvang van de onteigening en de aard van de wijzigingen in de openbare registers van het Kadaster ("slechts" de tenaamstelling van een onroerende zaak of een zakelijk recht, danwel bijvoorbeeld tevens de eigendomsgrenzen) zijn hierin uiteraard van belang.
Over de genoemde tijdspanne van negen maanden in het onderhavige geval voorts het volgende. De verzoeker om onteigening heeft ter voorbereiding van de onteigeningsprocedure de openbare registers van het Kadaster op 31 december 2000 geraadpleegd. Vervolgens is in februari 2001 gestart met het vervaardigen van de onteigeningsbescheiden. Dit proces is door de verzoeker om onteigening afgerond in april 2001, waarna deze bij brief van 21 juni 2001 een verzoek om onteigening met bijbehorende bescheiden heeft ingediend bij het bevoegd gezag in deze (de regionale directie Utrecht van het directoraat-generaal Rijkswaterstaat).
Ten dele parallel aan voorgaand proces heeft de verzoeker om onteigening eind maart 2001 ten eerste male enige onderdelen van de onteigeningsbescheiden aan het bevoegd gezag voorgelegd met de vraag om deze te bezien. Hierbij wordt opgemerkt, dat duidelijkheid over de exacte ligging van het werk kan leiden tot marginale aanpassing daarvan, bijvoorbeeld gelet op het verminderen van te schaden belangen. Na ontvangst van alle bescheiden zijn deze zoals te doen gebruikelijk getoetst voor de aanvang van de procedure. In augustus 2001 zijn deze definitief goed bevonden. Vervolgens is de procedure (Vanwege de zomervakantie eerst) gestart op 13 september 2001.
Gebleken is, dat de zakelijke rechten van reclamante per 24 augustus 2001 zijn opgenomen bij het Kadaster.
Voorts wil ik naar aanleiding van de opmerking van de Raad ingaan op de mogelijke onzorgvuldigheid die op kan treden als gevolg van een grote tijdspanne als in het voorgaande bedoeld. Hierbij kan een nader onderscheid gemaakt worden tussen onzorgvuldigheid die gerelateerd is aan de te doorlopen procedure: de bekendmaking daarvan, de start met de terinzagelegging overeenkomstig de relevante bepalingen uit de Algemene wet bestuursrecht en het (kunnen) indienen van zienswijzen over de plannen van het werk en van onteigening alsmede onzorgvuldigheid die voortkomt uit het door de verzoeker om onteigening te voeren minnelijk overleg met de belanghebbende.
Met betrekking tot de zogenoemde procedurele zorgvuldigheid is van belang dat een kortere tijdspanne niet automatisch leidt tot een grotere zorgvuldigheid in de zin van meer accurate onteigeningsbescheiden bij aanvang van de administratieve onteigeningsprocedure. Immers, wijzigingen in de openbare registers van het Kadaster zullen zich blijven voordoen, voor en tijdens een procedure. Hierbij merk ik op, dat zeker waar het gaat om rechtshandelingen ten aanzien van gedeelten van onroerende zaken de kadastrale tenaamstelling geruime tijd kan achterlopen op de actualiteit zoals verwoord in de openbare registers.
Voorts is in het onderhavige geval de bekendmaking van de start van de procedure (terinzagelegging) op juiste wijze aangekondigd in de "Staatscourant" van 6 september 2001, nr.172, en in de "Vecht-, amstel- en rijnstreek" van 6 september 2001. Belanghebbende zijn hierbij uitgenodigd voor een hoorzitting in de gemeente Abcoude op 15 oktober 2001.
Tot slot merk ik over eventuele procedurele onzorgvuldigheid nog op, dat het ter inzage gelegde plan van het werk als onderdeel van de onteigeningsbescheiden als vaststaand dient te worden beschouwd en daarmee geen onzorgvuldigheid in deze zin kan hebben opgeleverd.
Het voorgaande geeft al aan, dat de door de Raad gesignaleerde onzorgvuldigheid met betrekking tot verouderde onteigeningsbescheiden zich naar mijn mening in hoofdzaak zal doen gelden in (een gebrekkige) totstandkoming van het minnelijk overleg tussen partijen. Ik wijs er in dit verband op, dat het minnelijk overleg zelfstandig volgens vaste maatstaven getoetst wordt om de noodzaak van onteigening aan te tonen. Hierover verder het volgende.
Het werken met reeds ten dele verouderde onteigeningsbescheiden kan de desbetreffende belanghebbende niet worden aangerekend en kan daarmee geen rol spelen in de beoordeling van het minnelijk overleg tussen partijen voor de aanvang van de administratieve onteigeningsprocedure. Hierbij dient in ogenschouw genomen te worden, dat de verzoeker om onteigening gehouden is minnelijk overleg met belanghebbenden te voeren en daartoe naast het gebruik van genoemde kadastrale ge-gevens tevens met (in het veld) gebleken eigenaren in overleg treedt. Ik merk hierover tot slot nog op, dat in gevallen waarin wijziging in de eigendomsgegevens kort voor de procedure zijn ontstaan bij de toetsing van het minnelijk overleg tevens het overleg met de rechtsvoorganger relevant kan zijn.
In het onderhavige geval is gebleken, dat het reeds gevoerde minnelijk overleg tussen de verzoeker om onteigening en reclamante duidelijk maakt dat minnelijke overeenstem-ming over verwerving van de betrokken zakelijke rechten (of, zoals reeds in het ontwerpbesluit is verwoord het opheffen van daaruit voorkomende belemmeringen) vooralsnog niet mogelijk is gebleken en de noodzaak van onteigening in deze zin is komen vast te staan. Kortheidshalve verwijs ik op deze plaats naar de behandeling van de volgende opmerking van de Raad.
Alhoewel terugkomend op de opmerking van de Raad niet (zonder meer) gesproken kan worden van een handelwijze van de verzoeker om onteigening die rechthebbenden in hun belangen schaadt, blijft het werken met zo actueel mogelijke eigendomsgegevens zoals eerder gezegd, van belang. Hierop zal ik binnen mijn onteigeningspraktijk de aandacht vestigen. Gedacht kan worden aan het stellen van een maximale tijdspanne en bijvoorbeeld het verrichten van een actualisatie van eigendomsgegevens bij het Kadaster voor aanvang van de procedure ten behoeve van het te voeren minnelijk overleg.
Het ontwerpbesluit zal aangevuld worden met overwegingen uit voorgaande uiteenzetting.
De Raad van State maakt in genoemd advies tot slot de volgende opmerking. Voornoemde reclamante verzet zich tegen het verlies van de opstalrechten bij onteigening van de onroerende zaken waarbij deze rechten zijn gevestigd, omdat het zeer wel mogelijk is dat deze infrastructuur gehandhaafd kan blijven zodat de noodzaak van onteigening niet is gebleken. De Raad is van mening, dat uit het ontwerpbesluit onvoldoende blijkt dat er ook in dit geval sprake is van een zodanige belemmering dat onteigening van de opstalrechten noodzakelijk is, nu in dat besluit slechts wordt opgemerkt dat bedoelde zakelijke rechten en bijbehorende voorwaarden veelal een belemmering vormen voor de uitvoering en instandhouding van het werk.
Vooreerst merk ik met betrekking tot deze zienswijze op, dat in het ontwerpbesluit reeds nader staat beschreven op welke wijze de noodzaak van onteigening van bedoelde zakelijke rechten kan worden bezien. Hierbij wordt aangemerkt, dat deze problematiek recent met de inwerkingtreding van de Nadeelcompensatieregeling verleggen kabels en leidingen in en buiten rijkswaterstaatswerken en spoorwegwerken 1999 (Staatscourant 1999, nummer 97) in de onteigeningspraktijk nadrukkelijk aan de orde is.
Naar aanleiding van deze opmerking van de Raad merk ik voorts het volgende op. Gebleken is, dat voor de aanleg van het werk toestemming van reclamante nodig is. De verzoeker om onteigening heeft vanaf eind 1999 schriftelijk overleg gevoerd met reclamante over de technische voorwaarden die verbonden worden aan de uitbreiding van de spoorbaan ter hoogte van haar zakelijke rechten (en daarmee aan de toestemming van reclamante). Voorts is een andere invulling nodig van de relatie van reclamante als beperkt gerechtigde met de toekomstige eigenaar van de betrokken onroerende zaak (NS Railinfrabeheer B.V.). Beide partijen hebben dit overleg nog niet af kunnen ronden
Het ontwerpbesluit is in deze zin aangevuld.
Ik moge U hierbij het ontwerpbesluit doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Minister van Verkeer en Waterstaat