Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Adviezen ›
  3. W08.02.0047/V

Ontwerpbesluit met nota van toelichting tot wijziging van het Besluit genetisch gemodificeerde organismen Wet milieugevaarlijke stoffen (locatiewijziging en verkorting vergunningprocedure introductie in het milieu).

Kenmerk
W08.02.0047/V
Datum advies
30 mei 2002
Vindplaats
Bijvoegsel Staatscourant 8 april 2003, nr 69
  • Infrastructuur en Waterstaat
  • Algemene maatregel van bestuur

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

Ontwerpbesluit met nota van toelichting tot wijziging van het Besluit genetisch gemodificeerde organismen Wet milieugevaarlijke stoffen (locatiewijziging en verkorting vergunningprocedure introductie in het milieu).

Bij Kabinetsmissive van 30 januari 2002, no.02.000483, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, in overeenstemming met de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit met nota van toelichting tot wijziging van het Besluit genetisch gemodificeerde organismen Wet milieugevaarlijke stoffen (locatiewijziging en verkorting vergunningprocedure introductie in het milieu).

De voorgestelde wijziging van het ontwerpbesluit beoogt een oplossing te bieden voor de situatie, die is ontstaan als gevolg van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak(zie noot 1), waarin wordt geoordeeld dat de plaats en de omgeving waar veldproeven worden uitgevoerd nauwkeurig moeten zijn beschreven in de vergunning als bedoeld in artikel 23 van het Besluit genetisch gemodificeerde organismen Wet milieugevaarlijke stoffen (Besluit GGO). Nu de vergunninghouder in de praktijk vaak pas kort voor de aanvang van zijn werkzaamheden in staat is de locaties waar de veldproeven zullen plaatsvinden definitief aan te wijzen, biedt de voorgestelde wijziging de mogelijkheid de verleende vergunning onder bepaalde voorwaarden tevens te laten gelden voor een wijziging van de locatie mits deze is gemeld.

De toelichting bevat geen toetsing in meer algemene zin van de voorgestelde wijziging van het Besluit GGO aan Richtlijn 90/220/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 23 april 1990 inzake de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen in het milieu (PbEG L 117/15) (hierna: Richtlijn 90/220/EEG). Wel wordt naar aanleiding van een opmerking over het ontwerp van dit besluit, zoals voorgepubliceerd, gewezen op de Beschikking 94/730/EG van de Commissie van 4 november 1994 tot vaststelling van vereenvoudigde procedures voor de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde planten in het milieu overeenkomstig artikel 6, vijfde lid, van Richtlijn 90/220/EEG.
Op grond van onderdeel B. 1 van Bijlage IIA, onderdeel III, bij Richtlijn 90/220/EEG dient een kennisgeving als bedoeld in artikel 5 van de Richtlijn gegevens te bevatten over de geografische ligging en de coördinaten van het gebied c.q. de gebieden (in het geval van een kennisgeving op grond van deel C wordt onder introductiegebied het gebied c.q. de gebieden verstaan waarin het product volgens
plan zal worden gebruikt) waar de introductie zal plaatsvinden. Wel staat artikel 5, derde lid, van Richtlijn 90/220/EEG toe dat slechts één kennisgeving wordt gedaan voor introducties van hetzelfde GGO of een combinatie van GGO’s op dezelfde plaats of op verschillende plaatsen voor hetzelfde doel en binnen een beperkte tijdsduur. Ook kan door de ruime opzet van de risicobeoordeling, die voorafgaand aan een kennisgeving is vereist, worden ondervangen dat inzicht zou ontbreken over de risico’s die verbonden zijn aan het gebruik van een gewijzigde locatie. Verder houdt de beschikking van de Commissie in dat de kennisgever onder bepaalde voorwaarden in één enkele kennisgeving informatie verstrekt over verscheidene introducties van genetisch gemodificeerde plantensoorten die op verschillende plaatsen worden geïntroduceerd. Maar dit betreft in alle gevallen een wat andere situatie dan die waarin de wijziging van het ontwerpbesluit voorziet, namelijk het onder bepaalde voorwaarden en na melding een vergunning laten gelden voor andere locaties dan die in de vergunning zelf en/of in de aanvraag daartoe zijn vermeld.
De Raad van State bepleit dan ook om in de toelichting bij het ontwerpbesluit uitvoeriger in te gaan op de vraag of de voorgestelde wijziging blijft binnen de kaders die Richtlijn 90/220/EEG inhoudt.

De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat aan het vorenstaande aandacht zal zijn geschonken.

De Vice-President van de Raad van State



Nader rapport (reactie op het advies) van 3 februari 2003


De Raad van State geeft u in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat aan het vorenstaande aandacht zal zijn geschonken.

1. Het advies van de Raad betreft de introductie van de mogelijkheid de verleende vergunning tevens te laten gelden voor een gewijzigde locatie, mits deze gemeld is. In navolging van het advies van de Raad zal ik deze voorgestelde wijziging van het Besluit genetisch gemodificeerde organismen Wet milieugevaarlijke stoffen (hierna: Besluit GGO) hieronder in meer algemene zin toetsen aan richtlijn 90/220 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 23 april 1990 inzake de doelbewuste introductie van de genetisch gemodificeerde organismen in het milieu (Pb EG L 117/15) (hierna: richtlijn 90/220). Tevens zal ik kort aandacht besteden aan richtlijn 2001/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 maart 2001 inzake de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen in het milieu en tot intrekking van Richtlijn 90/90/220/EEG van de Raad (hierna: richtlijn 2001/18). Het Besluit GGO wordt ter uitvoering van deze richtlijn nog aangepast.

Artikel 24a van het ontwerpbesluit bepaalt dat een vergunning tevens geldt voor een wijziging van de locatie indien die niet leidt tot een andere of grotere risico’s voor mens en milieu dan die het gevolg kunnen zijn van de vergunde handeling mits aan een aantal voorwaarden is voldaan. Ondanks het feit dat de voorgestelde wijziging een andere situatie betreft dan de gevallen waarover de richtlijn gaat, blijft deze wijziging binnen de kaders van richtlijn 90/220 en richtlijn 2001/18.

In de eerste instantie zal ik aandacht besteden aan enkele relevante bepalingen uit de richtlijn en vervolgens aan onderdeel III. B.1. uit bijlage II bij de richtlijn, betreffende de over te leggen gegevens over de locatie. Hierbij merk ik op dat daar waar de richtlijn spreekt over kennisgeving en toestemming, in de Nederlandse context gelezen dient te worden: vergunningaanvraag respectievelijk vergunning.

a. Artikel 5, derde lid, van de richtlijn 90/220 bepaald onder andere dat "de bevoegde instantie mag toestaan dat voor introducties (...) van hetzelfde GGO op verschillende plaatsen voor een zelfde doel en binnen een beperkte periode, één enkele kennisgeving wordt gedaan". Deze bepaling komt overeen met artikel 6, vierde lid, van richtlijn 2001/18.
Het ontwerpbesluit wijkt af van artikel 5, derde lid, van richtlijn 90/220 in die zin dat deze bepaling gaat over de fase van kennisgeving. Het ontwerpbesluit gaat over de fase na vergunningverlening. Dit is niet bezwaarlijk nu de risicobeoordeling bij de vergunningaanvraag minimaal de gehele gemeente bestrijkt waarin de oorspronkelijke locatie ligt. Indien een melding van een gewijzigde locatie wordt gedaan binnen dezelfde gemeente, een van de voorwaarden van artikel 24a van het ontwerpbesluit, dan is ook voor die locatie al een risicobeoordeling uitgevoerd. Bovendien neemt Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer in overeenstemming met de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij een beslissing op de melding alvorens de vergunninghouder de nieuwe locatie in gebruik mag nemen. Dit is in overeenstemming met artikel 6, vierde lid, van richtlijn 90/220 en artikel 6, achtste lid, van richtlijn 2001/18, op grond waarvan een introductie alleen is toegestaan na schriftelijke toestemming van de bevoegde instantie. De nieuwe locatie moet namelijk voldoen aan de criteria voor locatiekeuze die in de vergunningvoorschriften zijn opgenomen. Tegen dit besluit op de melding kan bezwaar worden gemaakt en vervolgens beroep worden aangetekend.
Verder zijn in artikel 5, derde lid, van richtlijn 90/220 de begrippen "beperkte periode" en "een zelfde doel" van belang. Het ontwerpbesluit maakt het mogelijk dat gedurende de vergunningduur (is gemiddeld zeven jaren) de locatie via de meldingsprocedure wordt gewijzigd. De gemiddelde vergunningduur van zeven jaren is een beperkte periode. Het is duidelijk dat het hier om introducties gaat die "een zelfde doel" hebben. De introducties van het GGO op verschillende locaties maken deel uit van hetzelfde onderzoeksprogramma.
Ook artikel 5, vijfde lid, van richtlijn 90/220 levert in zekere zin ook nog een argument voor de voorgestelde wijziging. Deze bepaling betreft "een volgende introductie van eenzelfde GGO of een combinatie van GGO’s waarvoor in het kader van hetzelfde onderzoeksprogramma al eerder een kennisgeving is gedaan (...)". In dat geval is een nieuwe kennisgeving nodig. De kennisgever mag wel verwijzen naar gegevens uit voorgaande kennisgevingen of resultaten van voorgaande introducties. In het kader van het ontwerpbesluit vindt immers vóór een locatiewijziging, zoals hierboven al aangegeven, altijd een beoordeling door eerdergenoemde ministers plaats van de nieuwe locatie aan de in de vergunningvoorschriften opgenomen criteria voor locatiekeuze. Ook hier wordt in wezen gebruik gemaakt van gegevens van een voorgaande vergunningaanvraag, namelijk de in het kader van de oorspronkelijke aanvraag uitgevoerde risicobeoordeling die ook voor de nieuwe locatie geldt. Deze bepaling komt overigens in richtlijn 2001/18 niet meer voor.
In het geval op het moment van een locatiewijziging nieuwe gegevens over de risico’s voor mens en milieu beschikbaar komen, blijft het ontwerpbesluit binnen de grenzen van artikel 5, zesde lid, van de richtlijn. Daarin is bepaald dat "in het geval van een wijziging bij een doelbewuste introductie van een GGO of een combinatie van GGO’s die mogelijk consequenties heeft wat betreft risico’s voor mens of milieu of indien (...) na de schriftelijke toestemming nieuwe gegevens ten aanzien van deze risico’s aan het licht komen", de kennisgever onmiddellijk, allerlei maatregelen moet nemen, waaronder het op de hoogte stellen van de minister. Deze bepaling komt overeen met artikel 8, eerste lid, van richtlijn 2001/18. Indien blijkt dat er daadwerkelijke andere of grotere risico’s voor mens en milieu ontstaan door wijziging van een locatie, dan kan de vergunning niet gelden voor de gewijzigde locatie en zal tevens moeten worden nagegaan of de vergunning moet worden aangepast. Dit aspect is verwoord in artikel 24a, onderdeel f, "(...) de voorgenomen wijziging van de locatie waar de handeling wordt uitgevoerd, voldoet aan de voorwaarden van dit artikellid (lees: artikel 24a, eerste lid) en de wijziging van de locatie naar zijn (de Minister van VROM in overeenstemming met de Minister van LNV) oordeel geen aanleiding geeft tot wijziging van de vergunning, bedoeld in artikel 24, vijfde lid."
Indien de locatiewijziging geen gevolgen heeft voor de risico’s voor mens of milieu dat wordt het voornemen tot die wijziging eveneens gemeld aan de Minister van VROM en kan de vergunning ook voor die locatie gelden.

b. Op basis van Bijlage IIA, onderdeel III, B.1, van richtlijn 90/220 dient de "geografische ligging en coördinaten van het gebied c.q. de gebieden (in het geval van een kennisgeving op grond van deel C wordt onder het introductiegebied het gebied c.q. de gebieden verstaan waarin het product volgens plan zal worden gebruikt)" te worden aangegeven. Dit onderdeel komt overeen met Bijlage IIIA, onder III, B1, van richtlijn 2001/8. Dit betekent dat de vergunningaanvraag gegevens moet bevatten over de geografische ligging van het gebied waar de veldproeven zullen plaatsvinden. In de praktijk wordt de geografische ligging aangegeven waar de veldproeven zullen plaatsvinden. Op grond van artikel 24a, tweede lid, onderdeel c, moet ook bij de melding een beschrijving van de locatie worden gegeven die aan bijlage 3, onderdeel 2, onder a, voldoet. Dit onderdeel komt overeen met de hiervoor genoemde onderdelen van de bijlagen bij de richtlijnen.

Ten overvloede merk ik nog op dat het ontwerpbesluit ook voldoet aan overweging 9 van richtlijn 90/220 en overweging 19 van richtlijn 2001/18: "Overwegende dat vóór een dergelijke introductie (van GGO’s in het milieu) altijd een milieurisicobeoordeling van geval tot geval dient plaats te vinden;". Nadat een vergunning is afgegeven voor een bepaalde in de vergunningaanvraag aangegeven locatie, waarvoor een risicobeoordeling is uitgevoerd die de gehele gemeente beslaat waarin die locatie ligt, wordt de nieuwe locatie opnieuw getoetst aan de criteria voor locatiekeuze die in de vergunning zijn opgenomen. Deze nieuwe locatie moet immers binnen dezelfde gemeente zijn gelegen als de oorspronkelijke locatie. Een ander element dan de locatie mag niet gewijzigd worden en de locatie wordt naar aanleiding van een melding nogmaals getoetst, gevolgd door een beslissing van eerdergenoemde minister.
De verwijzing naar Beschikking 94/730/EG van de Commissie van 4 november 1994 tot vaststelling van vereenvoudigde procedures voor de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde planten in het milieu overeenkomstig artikel 6, lid 5, van Richtlijn 90/220/EEG van de Raad heb ik laten vervallen. Deze verwijzing heeft bij nader inzien geen functie voor de "overweging met betrekking tot punt 3" (van de inspraakreactie) in de nota van toelichting. Ook voor de onderbouwing van de meldingsprocedure kan deze beschikking niet als argument worden gebruikt. De vereenvoudigde procedures van deze beschikking kunnen enkel worden gebruikt in het geval het gaat over genetisch gemodificeerde planten waarmee heel veel ervaring is opgedaan en die als veilig worden vrijgegeven. Er wordt slechts een globale risicobeoordeling gemaakt. Een risicobeoordeling ten aanzien van verschillen tussen locaties is hier niet nodig. Het ontwerpbesluit daarentegen ziet niet op genetisch gemodificeerde planten waarmee heel veel ervaring is opgedaan. De beschikking van de Commissie gaat dus over veldproeven onder geheel andere omstandigheden.
De nota van toelichting bij het ontwerpbesluit is in bovenstaande zin aangevuld.

2. Naar aanleiding van het advies van de Raad, heb ik nog enkele aanpassingen in punt 3 van de nota van toelichting aangebracht.
a. Aangegeven is dat de Minister van VROM en in voorkomende gevallen de andere betrokken ministers het ontwerpbesluit paraferen.
b. Verder is aangegeven dat de minimale adviestermijn van de COGEM vier weken is, namelijk de periode dat het besluit ter inzage ligt. De Minister van VROM zal het ontwerpbesluit echter zo snel mogelijk aan de COGEM voorleggen, zodat de maximale termijn zes weken kan zijn.
c. De Minister begint maximaal twaalf weken na ontvangst van de aanvraag met het opstellen van het ontwerpbesluit. Abusievelijk was hier een termijn van elf weken opgenomen.
d. Tot slot is een aanpassing aangebracht naar aanleiding van een wijziging van de werkafspraken met de COGEM. De COGEM kan na ontvangst van een afschrift van een vergunningaanvraag een advies uitbrengen of gemotiveerd aangeven dat zij aanvullende informatie nodig acht om de vergunningaanvraag te kunnen beoordelen.

Ik moge U hierbij, in overeenstemming met Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.

De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer



(1) Uitspraak van 16 november 2000 van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en de uitspraak van 1 augustus 2001 van de Afdeling bestuursrechtspraak in dezelfde zaken.

  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon