Ontwerpbesluit met nota van toelichting houdende voorschriften omtrent het bouwen waarvoor het vereiste van een bouwvergunning niet geldt, en omtrent het bouwen waarvoor een lichte bouwvergunning vereist is (Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken).
- Kenmerk
- W08.02.0016/V
- Datum advies
- 30 mei 2002
- Vindplaats
- Bijvoegsel Staatscourant 8 oktober 2002, nr 193
- Infrastructuur en Waterstaat
- Algemene maatregel van bestuur
Toon inhoud
Volledige tekst
Ontwerpbesluit met nota van toelichting houdende voorschriften omtrent het bouwen waarvoor het vereiste van een bouwvergunning niet geldt, en omtrent het bouwen waarvoor een lichte bouwvergunning vereist is (Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken).
Bij Kabinetsmissive van 8 januari 2002, no.02.000046, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit met nota van toelichting houdende voorschriften omtrent het bouwen waarvoor het vereiste van een bouwvergunning niet geldt, en omtrent het bouwen waarvoor een lichte bouwvergunning vereist is (Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken).
Het ontwerpbesluit strekt ter uitvoering van de artikelen 43, eerste lid, onderdeel c, en 44, tweede lid, van de Woningwet en vervangt daarmee het Besluit meldingplichtige bouwwerken en de opsomming van bouwvergunningvrije bouwwerken.
De Raad van State maakt een opmerking over de opzet en de mate van detaillering van het ontwerpbesluit (hierna: het Besluit), doet enkele voorstellen tot aanvulling en wijst op een aantal onvolkomenheden.
1. De opzet van het Besluit
Volgens de nota van toelichting (bladzijde 1) wordt met het ontwerpbesluit beoogd een limitatieve en uitputtende opsomming te geven van vergunningvrije en licht-vergunningplichtige bouwwerken. Gemeenten hebben, aldus de toelichting, niet de bevoegdheid om van het besluit af te wijken. Derhalve mogen zij niet meer of minder bouwwerken als vergunningsvrij of licht-vergunningplichtig aanmerken dan in het besluit is bepaald.
In dit verband kan worden gewezen op het bij de Wet van 18 oktober 2001, Stb. 518, gewijzigde artikel 20 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, dat onder meer bepaalt dat de voorschriften van het bestemmingsplan buiten toepassing blijven voorzover deze betrekking hebben op het bouwen dat voldoet aan de voorschriften van het ontwerpbesluit. Met deze opzet wordt beoogd een uniforme regeling te geven die zo concreet mogelijk aangeeft welke bouwwerken vergunningvrij, licht-vergunningplichtig dan wel vergunningplichtig zijn, zodat de burger weet waar hij aan toe is. Dit houdt in dat het ontwerpbesluit zo min mogelijk aanleiding mag geven tot interpretatiegeschillen.
De Raad betwijfelt of de gekozen opzet van het Besluit aan deze voorwaarde voldoet en kan voldoen. Het college constateert enerzijds dat het Besluit een groot aantal zeer gedetailleerde voorschriften bevat, waardoor de regeling ingewikkeld en moeilijk te doorgronden is, en anderzijds dat het Besluit nog vragen openlaat over de interpretatie en toepassing van de voorschriften die bij handhaving van het Besluit tot geschillen aanleiding kunnen geven. Tal van detailvragen zullen dan door de rechter moeten worden beantwoord. Daarbij dient te worden bedacht dat in veel gevallen er geschillen kunnen ontstaan tussen degene die het bouwwerk heeft opgericht en zijn buren of andere omwonenden, welke geschillen ook aan de burgerlijke rechter zullen worden voorgelegd. Indien het gemeentebestuur wordt verzocht handhavend op te treden, zal een daaruit voortvloeiend geschil aan de bestuursrechter moeten worden voorgelegd. Het conflict kan dan niet alleen gaan over meters maar ook over centimeters, in welk geval het erop aankomt dat duidelijk moet zijn op welke manier zal moeten worden gemeten. Het is de vraag of met een verdere aanvulling en detaillering van de voorschriften dit probleem kan worden opgelost. Verdere detaillering betekent een nog ingewikkelder regeling en kan bovendien nieuwe interpretatievragen oproepen.
De Raad adviseert de opzet van de regeling nader te bezien.
2. Bijlage
Aan het slot van de nota van toelichting bij het ontwerpbesluit is een bijlage opgenomen, die een overzicht bevat van de verschillende typen bouwwerken en de kenmerken waaronder zij respectievelijk vergunningvrij, licht vergunningplichtig of regulier vergunningplichtig zijn. Voor de praktijk zal dit overzicht van groot belang zijn, omdat daarin beknopt valt af te lezen welke vereisten van toepassing zijn. Het verdient dan ook overweging de bijlage op te zetten als een schema, aan de hand waarvan de bouwer van stap tot stap kan nagaan of zijn voorgenomen bouwactiviteit vergunningplichtig, licht vergunningplichtig of vrij zal zijn.
De tekst van het Besluit en het overzicht in de bijlage zullen nauwkeurig met elkaar moeten overeenstemmen. Aan deze eis voldoet de nu voorgelegde versie niet in alle opzichten. Bij de artikelsgewijze behandeling wordt hieraan aandacht geschonken.(zie noot 1)
Voorts verdient het aanbeveling er in de bijlage duidelijk op te wijzen dat de kenmerken voor vergunningvrij bouwen van aan- of uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen en het veranderen van kozijnen, vensters en dergelijke alleen gelden voor het bouwen aan of bij woningen en woongebouwen. Met het oog op het voorkomen van brandgevaar mogen deze bouwactiviteiten niet vergunningvrij worden uitgevoerd aan of bij bedrijfsgebouwen.
3. Artikel 1
In de toelichting op artikel 1 wordt met betrekking tot het begrip "erf" opgemerkt dat aangesloten wordt bij het spraakgebruik. Om die reden is dan ook een definitie achterwege gelaten. Daarbij wordt tevens onder verwijzing naar de jurisprudentie erop gewezen dat bij grotere percelen niet het gehele perceel wordt aangemerkt als erf.
Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 15 september 1997(zie noot 2) blijkt dat voor de interpretatie van het begrip erf wordt uitgegaan van hetgeen in de toelichting bij artikel 43 van de Woningwet is opgemerkt, te weten de grond die blijkens de kadastrale gegevens behoort tot de kavel waarop de woning of een ander gebouw is geplaatst. In redelijkheid valt evenwel, aldus de Afdeling, niet aan te nemen dat het de bedoeling van de wetgever is geweest om een kavel in zijn geheel als erf aan te merken, ongeacht de feitelijke situatie en de bestemming van de grond.
In de hiervoor genoemde uitspraak is over het begrip "erf" onder meer het volgende overwogen.
"Een redelijke, met de uit de wetsgeschiedenis blijkende bedoeling van de wetgever overeenkomende en tevens bij het spraakgebruik aansluitende uitleg van het begrip "erf" in artikel 43, eerste lid, onder d, van de Woningwet, brengt met zich dat daaronder dient te worden verstaan een al of niet omheind stuk grond, in ruimtelijk opzicht direct behorende bij, in functioneel opzicht ten dienste van, en in feitelijk opzicht direct aansluitend aan een woning of een ander gebouw, dat in beginsel behoort tot de kavel(s) waarop de woning of het andere gebouw is geplaatst, zoals dat blijkt uit de kadastrale gegevens."
De omvang van het erf wordt dus door de feitelijke omstandigheden van het geval bepaald en verder mag de bestemming van de grond zich evenmin tegen het aanmerken van een perceelsgedeelte als erf in de hiervoor bedoelde zin verzetten.
Nu een omschrijving van het begrip erf voorhanden is en hieraan in het Besluit ook behoefte bestaat in verband met de wel in artikel 1 opgenomen omschrijvingen van achtererf en zijerf, die op hun beurt refereren aan het begrip erf, onderschrijft de Raad het voornemen van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer om alsnog een definitie in het Besluit op te nemen.(zie noot 3)
4. Artikel 2
a. De in artikel 2, onderdeel a, onder 7, opgenomen beperkingen met betrekking tot het achtererf komen niet overeen met het overzicht in de bijlage (bladzijde 1, eerste kolom). Onderlinge vergelijking levert het volgende op:
- volgens artikel 2, onderdeel a, onder 7, van het Besluit mag een aan- of uitbouw vergunningvrij op het achtererf worden gebouwd, wanneer niet minder dan 3 meter achter de zijgevellijn wordt gebouwd indien de desbetreffende zijgevel direct grenst aan de weg of aan het openbaar groen of direct grenst aan een zijerf dat direct grenst aan een weg of het openbaar groen;
- volgens de bijlage, bladzijde 1, vergunningvrije kolom onder 7, bij bouwen op achtererf: afstand tot zijgevellijn> 3 meter (geldt alleen indien zijgevel ligt op een zijerf dat direct grenst aan weg/openbaar groen).
Het is verwarrend om te spreken van een zijgevel, die ligt op een zijerf in plaats van grenst aan een zijerf en verder komt in de bijlage niet de situatie van het artikel tot uiting dat de zijgevel zelf direct grenst aan de weg/openbaar groen.
Ook op andere plaatsten in de bijlage wordt gesproken van op het zijerf.
b. De in artikel 2, onderdeel b, onder 6, opgenomen afstand van 1,5 meter kan ertoe leiden dat bijvoorbeeld schuurtjes in achtertuinen van "rijtjeswoningen" alleen vergunningvrij mogen worden gebouwd als ze midden in de tuin worden gezet. Ook is geen mogelijkheid geboden voor gevallen waarin buren in onderling overleg een bijgebouw of overkapping (afzonderlijk of gezamenlijk) onmiddellijk grenzend aan hun erfafscheiding zouden willen aanbrengen. Voor deze bouwwerken is altijd een vergunning nodig (artikel 4, tweede lid).
Uit het antwoord van de staatssecretaris aan de Eerste Kamer der Staten-Generaal(zie noot 4) blijkt dat de maat van 1,5 meter enigszins arbitrair is. De bepaling is uit burenrechtelijke overweging opgenomen. Hierbij is in aanmerking genomen dat artikel 50, van Boek 5, van het Burgerlijk Wetboek een afstand hanteert van 2 meter van de grenslijn voor het aanbrengen van vensters en balkons zonder toestemming van de naburige eigenaar. Het hanteren van deze maat zou bij een gangbare beukmaat van 5 meter voor woningen het plaatsen van een bijgebouw bij een middenwoning vrijwel onmogelijk maken. Daarom is gekozen voor een wat kortere afstand.
Gelet op de praktische uitwerking van het voorschrift, zoals hiervoor geschetst, is de Raad van oordeel dat het opnemen van dit vereiste, dat op dit moment niet geldt (artikel 43, eerste lid, onderdeel d, van de Woningwet en artikel 2, onderdeel a, van het Besluit meldingplichtige bouwwerken) geen aanbeveling verdient.
c. In artikel 2, onderdeel b, onder 8, sub a, houdt het gebruik van "of" de mogelijkheid van een keuze in, terwijl uit de tabel blijkt dat aan beide vereisten moet worden voldaan. De inconsistentie dient opgeheven te worden.
d. Ingevolge artikel 2, onderdeel d, onder 8, kan een dakkapel op het achterdakvlak van een hoekwoning indien deze woning of het zijerf grenst aan de openbare weg of het openbaar groen, alleen op 3 meter afstand vanuit de zijgevellijn worden aangebracht. Niet alleen is het de vraag of dit vereiste noodzakelijk is, maar ook uit hoofde van uniformiteit en rechtsgelijkheid met andere (midden) woningen lijkt deze eis niet juist.
e. In de bijlage is met betrekking tot een dakkapel (bladzijde 3, onder 8), in de eerste kolom niet tot uitdrukking gebracht dat er ook gebouwen zijn die niet beschikken over een zijerf en waarvan de zijgevel derhalve direct grenst aan de weg of het openbaar groen. De kolom dient gecorrigeerd te worden.
In subonderdeel 9 van dezelfde kolom is achterwege gelaten dat het erf direct kan grenzen aan de weg of het openbaar groen.
f. In de bijlage dient het laatste onderdeel dat betrekking heeft op de niet-permanente woningen als volgt in overeenstemming gebracht te worden met de tekst van artikel 2: is geen tijdelijk bouwwerk en evenmin een niet voor permanente bewoning bestemde woning. De nu voorgestelde tekst zou juist de hier bedoelde recreatiewoningen ontzien.
Dit geldt voor het bouwen van aan- of uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen, en van dakkapellen (bladzijden 1, 2 en 3, subonderdelen 9 respectievelijk 11).
g. Voor de toepassing van verschillende onderdelen van artikel 2 is van belang of de zijgevel of het zijerf direct grenzen aan een weg of het openbaar groen. De vraag is of deze omschrijving niet zou moeten worden uitgebreid met openbaar water. De Raad geeft in overweging deze uitbreiding in het Besluit op te nemen.
5. Artikel 3
a. De in het eerste lid, onderdeel c, genoemde categorie betreft de veranderingen van niet-ingrijpende aard.
Zoals in de artikelsgewijze toelichting wordt opgemerkt gaat het om een restcategorie, die onder de geldende Woningwet (artikel 43, eerste lid, onderdeel e) een belangrijke plaats inneemt, omdat hieronder allerlei niet met name genoemde kleinere typen bouwwerken kunnen worden gebracht. Omdat een aantal hiervan reeds in het ontwerpbesluit vermelding heeft gevonden, zoals gevelwijzigingen, kozijnvervanging, zonnecollectoren, zal deze categorie minder omvatten dan op dit moment.
Het wordt evenwel niet wenselijk geoordeeld nadere concretisering aan te brengen, omdat daarmee kleine bouwactiviteiten uitgesloten zouden kunnen worden, die blijkens de bedoeling van de regeling daaronder wel gebracht zouden moeten worden. Om diezelfde reden is ook afgezien van definiëring.(zie noot 5)
De jurisprudentie heeft echter wel een aantal aanwijzingen opgeleverd, aan de hand waarvan kan worden bepaald of gesproken kan worden van veranderingen van niet-ingrijpende aard. De Raad adviseert de hoofdlijnen van deze jurisprudentie ter verduidelijking in de toelichting bij het Besluit op te nemen.
b. In onderdeel j van het eerste lid van artikel 3 komt het begrip "uitwendige scheidingsconstructie" voor. Bedoeld zal zijn de uitwendige scheidingsconstructie zoals gedefinieerd in artikel 1 van het Bouwbesluit.(zie noot 6) Het verdient aanbeveling een verwijzing van die aard op te nemen in dit onderdeel dan wel in artikel 1 van het ontwerpbesluit.
c. In de toelichting op het derde lid, dient ook aandacht besteed te worden aan de onderdelen d en f, waarbij verwezen kan worden naar artikel 43, eerste lid, onderdeel j, van de Woningwet en artikel 2, onderdeel g, van het Besluit meldingplichtige bouwwerken.
6. Artikel 4
a. In artikel 4, tweede lid, dienen de onderdelen a en b uitgesplitst te worden, omdat het vereiste van oppervlakte alleen met betrekking tot onderdeel b geldt en samenvoeging tot niet beoogde verzwaring van eisen zou kunnen leiden.
b. De bijlage voorzover deze betrekking heeft op artikel 4, tweede lid, (bladzijde 1, tweede kolom) is niet correct waar dit het vereiste betreft van een bruto oppervlakte van 15 m2. Hieruit kan immers worden afgeleid dat in het daarmee direct in verband staande artikel 2, onderdeel a, eveneens een oppervlaktevereiste is opgenomen. Aangezien dit niet het geval is, dienen de tekst van artikel 2, onderdeel a, en de tabel in overeenstemming met elkaar gebracht te worden.
7. Toelichting
De toelichting dient op onvolledigheden en onduidelijkheden nader bezien te worden naar aanleiding van de behandeling van de concepttekst in de Eerste Kamer. Als voorbeeld kan gewezen worden op de passage met betrekking tot dakkapellen (bladzijde 17).(zie noot 7)
Ook de uitleg met betrekking tot aan- en uitbouwen die ertoe leiden dat een vide wordt gerealiseerd behoeft opneming in de toelichting.(zie noot 8)
Mede gelet op het feit dat deze regeling van groot belang zal zijn voor het gebruik in de praktijk dient de toelichting zelfstandig leesbaar te zijn en zo volledig mogelijk.
8. Voor redactionele kanttekeningen verwijst het college naar de bij het advies behorende bijlage.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen geen besluit te nemen dan nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De Vice-President van de Raad van State
Bijlage bij het advies van de Raad van State van 30 mei 2002, no.W08.02.0016/V, met redactionele kanttekeningen die de Raad in overweging geeft.
- In artikel 1 een definitie opnemen van het begrip "eerste verdieping" die als volgt komt te luiden: de onderste bouwlaag van de woning of het woongebouw, niet zijnde een souterrain of kelder, dan wel begane grond.
- In artikel 3, eerste lid, onderdeel k, subonderdeel 1, na "hoogte" invoegen: gemeten vanaf de voet.
- In de bijlage, bladzijde 2, met betrekking tot "veranderen van kozijn, venster, raam, deur of gevelpaneel" in de tweede kolom aan het slot toevoegen: subonderdelen 1e tot en met 4e.
- In de bijlage, bladzijde 3, met betrekking tot "dakkapel" vermelden dat deze wordt aangebracht op een gebouw en voorts ook "bouwwerk" wijzigen in: gebouw; voorts met betrekking tot "erf- en perceelafscheiding" de aanduiding < 3 wijzigen in: > 3.
- In de bijlage, bladzijde 4, met betrekking tot "dakraam" vermelden dat deze wordt aangebracht in een bouwwerk.
- In de bijlage, bladzijde 4, met betrekking tot "verandering van niet-ingrijpende aard" vermelden dat deze wordt aangebracht aan een bouwwerk. Voorts in de tweede kolom aan het slot toevoegen: subonderdelen 1e en 2e .
- In de bijlage, bladzijde 5, met betrekking tot "zonnecollector" en "zonnepaneel" vermelden dat deze wordt aangebracht in, op, aan of bij een bouwwerk. Voorts in de tweede kolom "gebouw" wijzigen in: bouwwerk.
- In de bijlage, bladzijde 5, met betrekking tot "antenne t.b.v. mobiele telecommunicatie" de hoogte < 0,5m - > 5m wijzigen in: > 0,5m - < 5m.
- In de bijlage, bladzijde 6, met betrekking tot "andere antenne-installatie dan bedoeld onder f, niet zijnde C2000-antenne", in de tweede kolom "zonnepaneel "wijzigen in: antenne-installatie.
- In de bijlage, bladzijde 6, met betrekking tot "gebouw t.b.v. nutsvoorziening, telecommunicatieverkeer, openbaar vervoer en wegverkeer" in de tweede kolom de vermelding van 3,25 meter wijzigen in: 3 meter. Voorts de verwijzing naar artikel 5, tweede lid, onderdelen b en c, wijzigen in: artikel 5, tweede lid, onderdeel c.
- In de bijlage, bladzijde 6, met betrekking tot "rolhek, luik of rolluik" in de tweede en derde kolom "bouwwerk" wijzigen in: gebouw.
- In de bijlage, bladzijde 7, met betrekking tot "magazijnstelling" in de tweede kolom "bouwwerk" wijzigen in: gebouw.
- In de bijlage, bladzijde 8, met betrekking tot de vermelding van "luik" in de eerste kolom overeenstemming aanbrengen met de tekst van artikel 3, derde lid, onderdeel f, nu deze categorie geen vermelding heeft gevonden.
Nader rapport (reactie op het advies) van 12 juli 2002
De Raad van State geeft u in overweging in dezen geen besluit te nemen dan nadat met zijn opmerkingen rekening zal zijn gehouden.
1. De opzet van het besluit
De Raad van State constateert enerzijds dat het ontwerp-besluit een groot aantal zeer gedetailleerde voorschriften bevat, waardoor de regeling ingewikkeld en moeilijk te doorgronden is, en anderzijds dat het ontwerp-besluit nog vragen openlaat over de interpretatie en toepassing van de voorschriften die bij de handhaving van het besluit tot geschillen aanleiding kunnen geven. De Raad adviseert dan ook de opzet van de regeling nader te bezien.
Aan deze opmerkingen van de Raad is zoveel mogelijk tegemoetgekomen door vereenvoudiging en verduidelijking van het ontwerp-besluit en de nota van toelichting. Daarnaast zal de praktische toepasbaarheid van de regeling worden ondersteund door (op professionals en op het publiek gerichte) voorlichting. Ter toelichting hierop merk ik het volgende op.
Bij de door de Raad geconstateerde complexiteit moet naar mijn oordeel onderscheid gemaakt worden tussen complexiteit op het niveau van de regeling, op het niveau van de afzonderlijke artikelen en op het niveau van de afzonderlijke typen bouwwerk, en onderscheid tussen die complexiteit en de consequenties daarvan voor de praktische toepasbaarheid van het besluit. Op het niveau van de regeling acht ik een zekere mate van complexiteit onvermijdelijk gegeven de aard van het onderwerp van de regeling. De regeling omvat immers een concretisering van het zeer brede, veelomvattende begrip "bouwen", hetgeen meebrengt dat in het ontwerp-besluit allerlei verschijningsvormen van dat begrip worden beschreven. In die zin is de regeling de weerspiegeling van een complexe werkelijkheid. Conform de wens van de bouwpraktijk zijn de diverse typen bouwwerken in de regeling bovendien uitputtend en zo concreet en geobjectiveerd mogelijk benoemd. In combinatie resulteert dat inderdaad in een lange, gedetailleerde opsomming maar daar staat tegenover dat aldus interpretatiegeschillen in de praktijk zoveel mogelijk worden voorkomen en dat de rechtszekerheid en rechtsgelijkheid op die manier het best zijn gewaarborgd. Verder is de situatie voor de regeltoepasser en de burger onder het besluit in wezen niet complexer dan onder de huidige regelgeving. De opsomming van bouwvergunningsvrije bouwwerken in de artikelen 2 en 3 van het ontwerp-besluit is namelijk goeddeels "de optelsom" van hetgeen onder de huidige Woningwet is opgenomen in artikel 43, eerste lid, van de wet en artikel 2 van het Besluit meldingplichtige bouwwerken. In feite is de situatie na de inwerkingtreding van dit besluit dus zelfs iets minder complex omdat men straks - door het vervallen van die laatstbedoelde opsommingen - te maken heeft met één opsomming in één besluit dat bepaalt of een bepaald type bouwwerk in een bepaalde situatie bouwvergunningsvrij (of licht-bouwvergunningplichtig of regulier-bouwvergunningplichtig) mag worden gerealiseerd, terwijl men daarvoor in de huidige situatie meerdere documenten moet raadplegen.
Verder mag worden verwacht dat de complexiteit die met de lengte en gedetailleerdheid van de opsomming samenhangt, in de praktijk niet of nauwelijks een beperking zal opleveren voor de toepasbaarheid van de regeling. Verreweg de meeste burgers zullen immers niet zozeer geïnteresseerd zijn in de regeling als zodanig maar alleen in het juridisch regime dat betrekking heeft op "hun" type bouwwerk. Op dat niveau van de afzonderlijke typen bouwwerk acht ik de regeling in het algemeen niet erg complex. Bovendien zal de praktische toepasbaarheid van de regeling door (op professionals en op het publiek gerichte) voorlichting worden ondersteund. Onderdeel van deze voorlichting zijn vraaggestuurde stroomschema's die snel duidelijk maken of een bepaald type bouwwerk in een bepaalde situatie bouwvergunningsvrij (of licht-bouwvergunningplichtig of regulier-bouwvergunningplichtig) mag worden gerealiseerd. Dit voorlichtingsmateriaal zal zowel op papier als elektronisch (internet) beschikbaar zijn.
Ook op artikelniveau acht ik de regeling in zijn algemeenheid niet erg complex. Uitzondering daarop is wellicht artikel 2, waarin de zogenoemde "voor- en achterkantbenadering" voor het bouwvergunningsvrij kunnen bouwen van een vijftal typen bouwwerk is uitgewerkt. Dit artikel is naar aanleiding van de opmerkingen van de Raad van State evenwel integraal herzien. Dat is geschied door:
- een aantal redactionele vereenvoudigingen,
- alsnog af te zien van introductie van het (nieuwe) begrip "(voor-, zij- en achter)gevellijn",
- meer eenheid in de maatvoering in dat artikel aan te brengen,
- de regeling ten aanzien van hoekwoningen zoveel mogelijk gelijk te trekken met die ten aanzien van tussenwoningen,
- minder randvoorwaarden te stellen aan het bouwvergunningsvrij bouwen van kleinere bijgebouwen/overkappingen,
- in artikel 1, eerste lid, een (door de jurisprudentie ingegeven) omschrijving van het begrip, "erf" op te nemen, en
- in een (nieuw) tweede lid van artikel 1 meetvoorschriften op te nemen.
Als onderdeel van de voorlichting zal daarnaast voor elk van de in artikel 2 bedoelde typen bouwwerken een aparte brochure voor het publiek verschijnen (inclusief vraaggestuurd stroomschema), die de praktische toepasbaarheid van dat artikel verder zal ondersteunen.
Naast de complexiteit betreffen de opmerkingen van de Raad ook de interpretatieruimte die de voorschriften van het ontwerp-besluit bevatten. Zoals hiervoor al opgemerkt, is de regeling op onderdelen verduidelijkt (omschrijving van "erf" toegevoegd aan artikel1, eerste lid; meetvoorschriften toegevoegd in het nieuwe tweede lid van artikel 1) en vereenvoudigd (alsnog afgezien van introductie van het nieuwe begrip "(voor-, zij- en achter)gevellijn" in artikel 2). Conform het advies van de Raad is verder in de nota van toelichting een beschrijving opgenomen van de hoofdlijnen van de jurisprudentie inzake "het aanbrengen van een verandering van niet-ingrijpende aard aan een bestaand bouwwerk". Bovendien zal in het kader van de voorlichting ook voor dat type bouwwerk een brochure verschijnen, waarin tevens op die jurisprudentie wordt ingegaan. Gegeven de uitputtende, gedetailleerde en geobjectiveerde vorm waarin die voorschriften zijn gegoten, bevatten de voorschriften van het ontwerp-besluit naar mijn oordeel in het algemeen niet veel interpretatieruimte en is die, wanneer wel sprake is van zo'n ruimte, hetzij gewenst dan wel onvermijdelijk. Bovendien acht ik de interpretatieruimte van de voorschriften van het ontwerp-besluit zeker niet groter dan onder de huidige wet- en regelgeving ter zake het geval is.
2. Bijlage
Veel opmerkingen van de Raad betreffen de bijlage die aan het slot van de nota van
toelichting was opgenomen en waarin een overzicht werd gegeven van de verschillende typen bouwwerk en de kenmerken waaronder zij bouwvergunningsvrij, licht- bouwvergunningplichtig of regulier-bouwvergunningplichtig zijn. De Raad onderkent het grote belang dat zo'n overzicht voor de praktijk kan hebben en adviseert de bijlage nauwkeurig met de tekst van het ontwerp-besluit in overeenstemming te brengen.
Naar aanleiding van deze opmerkingen van de Raad heb ik mij nader over de gewenste status van het overzicht in de bijlage beraden. Dat heeft mij tot de conclusie gebracht dat het overzicht (in voldoende op de inhoud van het besluit afgestemde vorm) weliswaar een belangrijk instrument kan zijn om de praktijktoepassing van het besluit te vergemakkelijken maar dat het bij nader inzien niet gewenst is om dat overzicht onderdeel te laten zijn van de nota van toelichting. Het primaire doel van het overzicht is namelijk om de uitvoerings- en bouwpraktijk en de burger als het ware in één oogopslag een goede indruk te geven wanneer een bepaald type bouwwerk bouwvergunningsvrij, licht-bouwvergunningplichtig of regulier-bouwvergunningplichtig is. Daarmee heeft het overzicht meer een voorlichtende dan een juridische functie; de juridische regeling is immers in de tekst van het besluit zelve opgenomen. Wanneer het overzicht als bijlage bij de nota van toelichting gevoegd zou blijven, zou de bijlage wel een, zij het beperkte, juridische betekenis kunnen worden toegekend; de tekst van het ontwerp-besluit blijft immers bepalend. Alsdan doen zich echter enkele problemen voor. De tekst van het overzicht zou één-op-één op de tekst van het besluit moeten zijn afgestemd. Dat zou ertoe leiden dat op twee verschillende plaatsen in de regeling precies hetzelfde zou worden gesteld (zij het in een andere vorm gerangschikt). Een dergelijke "dubbel-op-benadering" in één en dezelfde regeling lijkt mij overbodig en dus ongewenst. Het levert ook het risico op dat de tekst van het overzicht op onderdelen toch iets afwijkt van de tekst van het besluit, hetgeen in de praktijk zou leiden tot misverstanden. Bovendien noopt de één-op-één-aansluiting van de tekst van het overzicht op die van het besluit tot juridisch taalgebruik in het overzicht, hetgeen de (primaire) voorlichtingsfunctie van het overzicht in de praktijk vermindert. Om deze redenen heb ik besloten het overzicht te gebruiken als zelfstandig hulpmiddel in het kader van de voorlichting en dat overzicht dus niet op te nemen als bijlage bij het ontwerp-besluit.
Deze beslissing brengt met zich dat ik niet inhoudelijk zal ingaan op opmerkingen van de Raad voorzover die uitsluitend op de (tekst van de) bijlage betrekking hebben. Met die opmerkingen zal rekening worden gehouden bij het opstellen van het overzicht ten behoeve van het voorlichtingsmateriaal. Het gaat hier om de opmerkingen die in het advies zijn opgenomen in punt 4, onderdelen a, e en f, en punt 6, onderdeel b, en de redactionele opmerkingen vanaf het derde gedachtestreepje.
3. Artikel 1
De Raad onderschrijft mijn eerder aan de Eerste Kamer kenbaar gemaakte voornemen om alsnog een definitie van het begrip "erf" in het ontwerp-besluit op te nemen.
De betreffende definitie is inmiddels toegevoegd aan artikel 1, eerste lid. In die definitie is aansluiting gezocht bij de jurisprudentie waarnaar de Raad in zijn advies verwijst.
4. Artikel 2
a. Deze opmerking van de Raad is besproken onder 2 (slot).
b. Naar aanleiding van de praktische uitwerking van enkele maatvoeringen in artikel 2
oordeelt de Raad dat het opnemen van een aantal afstandsvereisten als voorwaarde voor het bouwvergunningsvrij mogen bouwen van enkele in dat artikel genoemde typen bouwwerk, geen aanbeveling verdient.
Mede in reactie op deze opmerkingen van de Raad is in artikel 2 meer eenheid in de maatvoering aangebracht en is voorts het regime ten aanzien van het bouwvergunningsvrij kunnen bouwen van kleinere bijgebouwen (zoals tuinschuurtjes) en kleinere overkappingen (zoals carports) iets verlicht. De door de Raad gesignaleerde problematiek van de nagenoeg praktische onmogelijkheid om een tuinschuurtje in de achtertuin van een "rijtjeswoning" te realiseren, doet zich daardoor niet meer voor: bijgebouwen en overkappingen mogen bouwvergunningsvrij tot op de grens met het naburig erf worden gebouwd mits hun bruto-oppervlakte niet meer dan 10 m2 bedraagt. Voor dergelijke typen bouwwerk van deze maximale grootte is die aanpassing conform het advies van de Raad. Dat is niet het geval voor zover een bouwwerk van zo'n type een bruto-oppervlakte > 10 m2 < 30 m2 heeft. Voor die gevallen is een afstandsmaat ten opzichte van het burenerf gehandhaafd (zij het dat die uit het oogpunt van uniformiteit in de regeling thans op 1 m in plaats van 1,5 m is gesteld). Reden daarvan is dat ik het ongewenst acht dat bijgebouwen en overkappingen van die grootte zonder voorafgaande gemeentelijke toets aan de bebouwingsvoorschriften van het bestemmingsplan tot op de grens met het naburige erf zouden kunnen worden gerealiseerd. In tegenstelling tot hetgeen de Raad stelt, vindt zo'n gemeentelijke toets onder de huidige wet- en regelgeving overigens ook al plaats voorzover het betreft een thans meldingplichtig of bouwvergunningplichtig bijgebouw (zie artikel 2, onderdeel a, van het Besluit meldingplichtige bouwwerken juncto de artikelen 42, derde en vierde lid, en 44, eerste lid, onderdeel c, huidige Woningwet) of een thans bouwvergunningplichtige overkapping met een bruto-oppervlakte > 20 m2 (zie artikel 43, eerste lid, onderdeel d, juncto artikel 44, eerste lid, onderdeel c, huidige Woningwet). Bij mijn beslissing om een afstandsmaat te handhaven speelt ook een rol dat de burenrechtelijke bescherming van de afstandsmaat van artikel 50 van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek (= 2 m) geen soulaas biedt ingeval in het betreffende bouwwerk geen vensters (of balkons) worden aangebracht. Zonder afstandsmaat in de regeling zou zo'n bouwwerk met een bruto-oppervlakte > 10 m2 < 30 m2 dan tot op de grens met het naburig erf mogen worden gerealiseerd, hetgeen ik onwenselijk acht.
c. De door de Raad geconstateerde inconsistentie in de redactie van onderdeel b van artikel 2 is opgeheven.
d. Conform het advies is - vanuit het oogpunt van uniformiteit en rechtsgelijkheid met andere (midden)woningen - in artikel 2, onderdeel d, de door de Raad bedoelde afstand die bij een bouwvergunningsvrije dakkapel op een achterdakvlak van een hoekwoning minimaal ten opzichte van de rand van het dakvlak in acht moet worden genomen, gelijkgetrokken met de afstandsmaat die op dat punt voor andere woningen geldt (= ten minste 0,5 m).
e en f. Deze opmerkingen van de Raad hebben betrekking op de (inmiddels vervallen) bijlage bij de nota van toelichting. Onder 2 (slot) ben ik daar in procedurele zin op ingegaan.
g. De Raad geeft in overweging zijgevels en zijerven die direct aan het openbaar water grenzen op dezelfde wijze te behandelen als zijgevels en zijerven die aan de weg of het openbaar groen grenzen. Ik heb daaraan geen gevolg gegeven. Nog daargelaten de poly- interpreteerbaarheid van het begrip "openbaar water" zouden naar mijn oordeel in ons waterrijke land de mogelijkheden voor de burger om bouwvergunningsvrij aan- en uitbouwen, bijgebouwen/overkappingen, kozijn-/gevelwijzigingen, dakkapellen en erf- /perceelafscheidingen te realiseren teveel worden ingeperkt wanneer daarvoor ook deze door de Raad voorgestelde beperking zou worden aangebracht.
5. Artikel 3
a. Het advies van de Raad om het begrip "aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende aard" (artikel 3, eerste lid, onderdeel c) te verduidelijken door in de nota van toelichting een beschrijving op te nemen van de hoofdlijnen van de jurisprudentie over dat begrip, heb ik gevolgd. Bovendien zal de praktische toepasbaarheid van dat artikelonderdeel worden ondersteund door een op het publiek gerichte brochure, waarin tevens op die jurisprudentie wordt ingegaan.
b. Conform het advies van de Raad is in artikel 3, eerste lid, onderdeel j, ten aanzien van het begrip "uitwendige scheidingsconstructie" een verwijzing opgenomen naar artikel 1 van het Bouwbesluit en is die verwijzing in de artikelsgewijze toelichting toegelicht.
c. Conform het advies van de Raad is in de toelichting op de onderdelen d en f van het derde lid een verwijzing opgenomen naar artikel 43, eerste lid, onderdeel j, van de huidige Woningwet respectievelijk artikel 2, onderdeel g, van het huidige Besluit meldingplichtige bouwwerken.
6. Artikel 4
a. Conform het advies van de Raad zijn de onderdelen a en b van het tweede lid uitgesplitst.
b. Deze opmerking van de Raad heeft betrekking op de (inmiddels vervallen) bijlage bij de nota van toelichting en blijft hier derhalve verder buiten beschouwing. Zie mijn opmerking onder 2 (slot).
7. Toelichting
Conform het advies van de Raad is de nota van toelichting mede aan de hand van de schriftelijke en mondelinge behandeling van de concept-tekst door de Eerste Kamer nader op onvolledigheden en onduidelijkheden bezien. Dit heeft onder meer tot aanpassingen met betrekking tot dakkapellen en vides geleid. Ook de door mij hiervoor, onder 1, 3, 4b en 4d, aangegeven aanpassingen vloeien geheel of gedeeltelijk uit die behandeling door de Eerste Kamer voort.
8. Redactionele kanttekeningen
- Conform het advies van de Raad is aan de begripsomschrijvingen in artikel 1 een omschrijving van het begrip "eerste verdieping" toegevoegd.
- Conform het advies van de Raad is in artikel 3, eerste lid, onderdeel k, subonderdeel 1o, na "hoogte" ingevoegd: gemeten vanaf de voet.
- De overige redactionele kanttekeningen van de Raad hebben betrekking op de (inmiddels vervallen) bijlage bij de nota van toelichting en blijven hier derhalve verder buiten bespreking. Zie mijn slotopmerking onder 2.
9. Welstandscriteria
Aan het ontwerp-besluit is een artikel 7 inzake de welstandscriteria toegevoegd met
dezelfde tekst als het ingevolge artikel VII van het besluit van 9 april 2002 tot wijziging van het Besluit huurprijzen woonruimte, het Besluit beheer sociale-huursector en enkele
andere besluiten (Stb. 2002, 193) ingevoegde artikel 6a. Hierdoor zijn alle bepalingen van dit besluit in een doorlopende tekst samengebracht. De genoemde invoeging van artikel 6a wordt door het nieuwe artikel 11 ongedaan gemaakt.
10. Reparatie in verband met eerdere inwerkingtreding van enkele voorschriften
Tevens is van de gelegenheid gebruik gemaakt een aantal reparatiebepalingen op te nemen. Teneinde het mogelijk te maken de onderdelen, verband houdende met de voorschriften inzake enkele typen antennes, eerder in werking te laten treden, hetgeen recentelijk als dringende wens vanuit de praktijk op tafel is gelegd, is het nodig de artikelen 4 en 43, eerste lid, van de wet van 18 oktober 2001 tot wijziging van de Woningwet (zie noot 9) ook vervroegd in werking te laten treden. In artikel 43, eerste lid, onder c, (nieuw) is de grondslag opgenomen voor de voorschriften ter zake van antennes (het bouwen van beperkte betekenis). Door deze vervroegde inwerkingtreding zou de grondslag voor het bouwvergunningsvrij bouwen zoals deze thans in artikel 43, eerste lid, is opgenomen, wegvallen terwijl de overeenkomstige voorschriften in het ontwerp-besluit nog niet in werking zijn getreden. Om dit gat te dichten is de tekst van het huidige artikel 43, eerste lid, als artikel 8 in dit ontwerp-besluit opgenomen. De laatste volzin van dit eerste lid is echter niet opgenomen omdat uit artikel 4 (nieuw) al volgt dat het Bouwbesluit op dergelijk bouwen van toepassing is.
Voorts is aan het ontwerp-besluit een artikel 9 toegevoegd waarin een overgangsbepaling is opgenomen voor die gevallen waarin op het tijdstip waarop met het bouwen is begonnen, geen bouwvergunning is vereist en na inwerkingtreding van (een deel van) het besluit wel.
De inwerkingtredingsbepaling (artikel 13) is in die zin aangepast dat inwerkingtreding plaatsvindt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat artikel 8 op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip vervalt.
11. Intrekken Besluit meldingplichtige bouwwerken (zie noot 10)
Voorts is van de gelegenheid gebruik gemaakt in het ontwerp-besluit een bepaling inzake het intrekken van het Besluit meldingplichtige bouwwerken op te nemen (het nieuwe artikel 12).
Ik moge U hierbij het gewijzigde ontwerp-besluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Staatssecretaris va Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
(1) De overig gesignaleerde onjuistheden zijn opgenomen in de redactionele bijlage.
(2) AB 1998, 8, zie ook ABRvS 25 april 2000, AB 2001. nr.36.
(3) Brief van de staatssecretaris van 10 januari 2002, Kamerstukken I 2001/02, 26 734, nr.31d, blz.59.
(4) Kamerstukken I 2001/02, 26 734, nr.31d, blz.57.
(5) Kamerstukken I 2001/02, 26 734, nr.31d, blz.58.
(6) Uitwendige scheidingsconstructie: constructie die de scheiding vormt tussen een voor mensen toegankelijke besloten ruimte van een gebouw en de buitenlucht, de grond of het water, waaronder begrepen de op die constructie aansluitende delen van andere constructies, voorzover die delen van invloed zijn op het voldoen van die scheidingsconstructie aan een bij of krachtens dit besluit gegeven voorschrift.
(7) Kamerstukken I 2002/02, 26 734, nr.31d, blz.62.
(8) T.a.p. blz.65.
(9) Stb. 2001, 518.
(10) Stb. 1992, 196.
Het ontwerpbesluit strekt ter uitvoering van de artikelen 43, eerste lid, onderdeel c, en 44, tweede lid, van de Woningwet en vervangt daarmee het Besluit meldingplichtige bouwwerken en de opsomming van bouwvergunningvrije bouwwerken.
De Raad van State maakt een opmerking over de opzet en de mate van detaillering van het ontwerpbesluit (hierna: het Besluit), doet enkele voorstellen tot aanvulling en wijst op een aantal onvolkomenheden.
1. De opzet van het Besluit
Volgens de nota van toelichting (bladzijde 1) wordt met het ontwerpbesluit beoogd een limitatieve en uitputtende opsomming te geven van vergunningvrije en licht-vergunningplichtige bouwwerken. Gemeenten hebben, aldus de toelichting, niet de bevoegdheid om van het besluit af te wijken. Derhalve mogen zij niet meer of minder bouwwerken als vergunningsvrij of licht-vergunningplichtig aanmerken dan in het besluit is bepaald.
In dit verband kan worden gewezen op het bij de Wet van 18 oktober 2001, Stb. 518, gewijzigde artikel 20 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, dat onder meer bepaalt dat de voorschriften van het bestemmingsplan buiten toepassing blijven voorzover deze betrekking hebben op het bouwen dat voldoet aan de voorschriften van het ontwerpbesluit. Met deze opzet wordt beoogd een uniforme regeling te geven die zo concreet mogelijk aangeeft welke bouwwerken vergunningvrij, licht-vergunningplichtig dan wel vergunningplichtig zijn, zodat de burger weet waar hij aan toe is. Dit houdt in dat het ontwerpbesluit zo min mogelijk aanleiding mag geven tot interpretatiegeschillen.
De Raad betwijfelt of de gekozen opzet van het Besluit aan deze voorwaarde voldoet en kan voldoen. Het college constateert enerzijds dat het Besluit een groot aantal zeer gedetailleerde voorschriften bevat, waardoor de regeling ingewikkeld en moeilijk te doorgronden is, en anderzijds dat het Besluit nog vragen openlaat over de interpretatie en toepassing van de voorschriften die bij handhaving van het Besluit tot geschillen aanleiding kunnen geven. Tal van detailvragen zullen dan door de rechter moeten worden beantwoord. Daarbij dient te worden bedacht dat in veel gevallen er geschillen kunnen ontstaan tussen degene die het bouwwerk heeft opgericht en zijn buren of andere omwonenden, welke geschillen ook aan de burgerlijke rechter zullen worden voorgelegd. Indien het gemeentebestuur wordt verzocht handhavend op te treden, zal een daaruit voortvloeiend geschil aan de bestuursrechter moeten worden voorgelegd. Het conflict kan dan niet alleen gaan over meters maar ook over centimeters, in welk geval het erop aankomt dat duidelijk moet zijn op welke manier zal moeten worden gemeten. Het is de vraag of met een verdere aanvulling en detaillering van de voorschriften dit probleem kan worden opgelost. Verdere detaillering betekent een nog ingewikkelder regeling en kan bovendien nieuwe interpretatievragen oproepen.
De Raad adviseert de opzet van de regeling nader te bezien.
2. Bijlage
Aan het slot van de nota van toelichting bij het ontwerpbesluit is een bijlage opgenomen, die een overzicht bevat van de verschillende typen bouwwerken en de kenmerken waaronder zij respectievelijk vergunningvrij, licht vergunningplichtig of regulier vergunningplichtig zijn. Voor de praktijk zal dit overzicht van groot belang zijn, omdat daarin beknopt valt af te lezen welke vereisten van toepassing zijn. Het verdient dan ook overweging de bijlage op te zetten als een schema, aan de hand waarvan de bouwer van stap tot stap kan nagaan of zijn voorgenomen bouwactiviteit vergunningplichtig, licht vergunningplichtig of vrij zal zijn.
De tekst van het Besluit en het overzicht in de bijlage zullen nauwkeurig met elkaar moeten overeenstemmen. Aan deze eis voldoet de nu voorgelegde versie niet in alle opzichten. Bij de artikelsgewijze behandeling wordt hieraan aandacht geschonken.(zie noot 1)
Voorts verdient het aanbeveling er in de bijlage duidelijk op te wijzen dat de kenmerken voor vergunningvrij bouwen van aan- of uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen en het veranderen van kozijnen, vensters en dergelijke alleen gelden voor het bouwen aan of bij woningen en woongebouwen. Met het oog op het voorkomen van brandgevaar mogen deze bouwactiviteiten niet vergunningvrij worden uitgevoerd aan of bij bedrijfsgebouwen.
3. Artikel 1
In de toelichting op artikel 1 wordt met betrekking tot het begrip "erf" opgemerkt dat aangesloten wordt bij het spraakgebruik. Om die reden is dan ook een definitie achterwege gelaten. Daarbij wordt tevens onder verwijzing naar de jurisprudentie erop gewezen dat bij grotere percelen niet het gehele perceel wordt aangemerkt als erf.
Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 15 september 1997(zie noot 2) blijkt dat voor de interpretatie van het begrip erf wordt uitgegaan van hetgeen in de toelichting bij artikel 43 van de Woningwet is opgemerkt, te weten de grond die blijkens de kadastrale gegevens behoort tot de kavel waarop de woning of een ander gebouw is geplaatst. In redelijkheid valt evenwel, aldus de Afdeling, niet aan te nemen dat het de bedoeling van de wetgever is geweest om een kavel in zijn geheel als erf aan te merken, ongeacht de feitelijke situatie en de bestemming van de grond.
In de hiervoor genoemde uitspraak is over het begrip "erf" onder meer het volgende overwogen.
"Een redelijke, met de uit de wetsgeschiedenis blijkende bedoeling van de wetgever overeenkomende en tevens bij het spraakgebruik aansluitende uitleg van het begrip "erf" in artikel 43, eerste lid, onder d, van de Woningwet, brengt met zich dat daaronder dient te worden verstaan een al of niet omheind stuk grond, in ruimtelijk opzicht direct behorende bij, in functioneel opzicht ten dienste van, en in feitelijk opzicht direct aansluitend aan een woning of een ander gebouw, dat in beginsel behoort tot de kavel(s) waarop de woning of het andere gebouw is geplaatst, zoals dat blijkt uit de kadastrale gegevens."
De omvang van het erf wordt dus door de feitelijke omstandigheden van het geval bepaald en verder mag de bestemming van de grond zich evenmin tegen het aanmerken van een perceelsgedeelte als erf in de hiervoor bedoelde zin verzetten.
Nu een omschrijving van het begrip erf voorhanden is en hieraan in het Besluit ook behoefte bestaat in verband met de wel in artikel 1 opgenomen omschrijvingen van achtererf en zijerf, die op hun beurt refereren aan het begrip erf, onderschrijft de Raad het voornemen van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer om alsnog een definitie in het Besluit op te nemen.(zie noot 3)
4. Artikel 2
a. De in artikel 2, onderdeel a, onder 7, opgenomen beperkingen met betrekking tot het achtererf komen niet overeen met het overzicht in de bijlage (bladzijde 1, eerste kolom). Onderlinge vergelijking levert het volgende op:
- volgens artikel 2, onderdeel a, onder 7, van het Besluit mag een aan- of uitbouw vergunningvrij op het achtererf worden gebouwd, wanneer niet minder dan 3 meter achter de zijgevellijn wordt gebouwd indien de desbetreffende zijgevel direct grenst aan de weg of aan het openbaar groen of direct grenst aan een zijerf dat direct grenst aan een weg of het openbaar groen;
- volgens de bijlage, bladzijde 1, vergunningvrije kolom onder 7, bij bouwen op achtererf: afstand tot zijgevellijn> 3 meter (geldt alleen indien zijgevel ligt op een zijerf dat direct grenst aan weg/openbaar groen).
Het is verwarrend om te spreken van een zijgevel, die ligt op een zijerf in plaats van grenst aan een zijerf en verder komt in de bijlage niet de situatie van het artikel tot uiting dat de zijgevel zelf direct grenst aan de weg/openbaar groen.
Ook op andere plaatsten in de bijlage wordt gesproken van op het zijerf.
b. De in artikel 2, onderdeel b, onder 6, opgenomen afstand van 1,5 meter kan ertoe leiden dat bijvoorbeeld schuurtjes in achtertuinen van "rijtjeswoningen" alleen vergunningvrij mogen worden gebouwd als ze midden in de tuin worden gezet. Ook is geen mogelijkheid geboden voor gevallen waarin buren in onderling overleg een bijgebouw of overkapping (afzonderlijk of gezamenlijk) onmiddellijk grenzend aan hun erfafscheiding zouden willen aanbrengen. Voor deze bouwwerken is altijd een vergunning nodig (artikel 4, tweede lid).
Uit het antwoord van de staatssecretaris aan de Eerste Kamer der Staten-Generaal(zie noot 4) blijkt dat de maat van 1,5 meter enigszins arbitrair is. De bepaling is uit burenrechtelijke overweging opgenomen. Hierbij is in aanmerking genomen dat artikel 50, van Boek 5, van het Burgerlijk Wetboek een afstand hanteert van 2 meter van de grenslijn voor het aanbrengen van vensters en balkons zonder toestemming van de naburige eigenaar. Het hanteren van deze maat zou bij een gangbare beukmaat van 5 meter voor woningen het plaatsen van een bijgebouw bij een middenwoning vrijwel onmogelijk maken. Daarom is gekozen voor een wat kortere afstand.
Gelet op de praktische uitwerking van het voorschrift, zoals hiervoor geschetst, is de Raad van oordeel dat het opnemen van dit vereiste, dat op dit moment niet geldt (artikel 43, eerste lid, onderdeel d, van de Woningwet en artikel 2, onderdeel a, van het Besluit meldingplichtige bouwwerken) geen aanbeveling verdient.
c. In artikel 2, onderdeel b, onder 8, sub a, houdt het gebruik van "of" de mogelijkheid van een keuze in, terwijl uit de tabel blijkt dat aan beide vereisten moet worden voldaan. De inconsistentie dient opgeheven te worden.
d. Ingevolge artikel 2, onderdeel d, onder 8, kan een dakkapel op het achterdakvlak van een hoekwoning indien deze woning of het zijerf grenst aan de openbare weg of het openbaar groen, alleen op 3 meter afstand vanuit de zijgevellijn worden aangebracht. Niet alleen is het de vraag of dit vereiste noodzakelijk is, maar ook uit hoofde van uniformiteit en rechtsgelijkheid met andere (midden) woningen lijkt deze eis niet juist.
e. In de bijlage is met betrekking tot een dakkapel (bladzijde 3, onder 8), in de eerste kolom niet tot uitdrukking gebracht dat er ook gebouwen zijn die niet beschikken over een zijerf en waarvan de zijgevel derhalve direct grenst aan de weg of het openbaar groen. De kolom dient gecorrigeerd te worden.
In subonderdeel 9 van dezelfde kolom is achterwege gelaten dat het erf direct kan grenzen aan de weg of het openbaar groen.
f. In de bijlage dient het laatste onderdeel dat betrekking heeft op de niet-permanente woningen als volgt in overeenstemming gebracht te worden met de tekst van artikel 2: is geen tijdelijk bouwwerk en evenmin een niet voor permanente bewoning bestemde woning. De nu voorgestelde tekst zou juist de hier bedoelde recreatiewoningen ontzien.
Dit geldt voor het bouwen van aan- of uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen, en van dakkapellen (bladzijden 1, 2 en 3, subonderdelen 9 respectievelijk 11).
g. Voor de toepassing van verschillende onderdelen van artikel 2 is van belang of de zijgevel of het zijerf direct grenzen aan een weg of het openbaar groen. De vraag is of deze omschrijving niet zou moeten worden uitgebreid met openbaar water. De Raad geeft in overweging deze uitbreiding in het Besluit op te nemen.
5. Artikel 3
a. De in het eerste lid, onderdeel c, genoemde categorie betreft de veranderingen van niet-ingrijpende aard.
Zoals in de artikelsgewijze toelichting wordt opgemerkt gaat het om een restcategorie, die onder de geldende Woningwet (artikel 43, eerste lid, onderdeel e) een belangrijke plaats inneemt, omdat hieronder allerlei niet met name genoemde kleinere typen bouwwerken kunnen worden gebracht. Omdat een aantal hiervan reeds in het ontwerpbesluit vermelding heeft gevonden, zoals gevelwijzigingen, kozijnvervanging, zonnecollectoren, zal deze categorie minder omvatten dan op dit moment.
Het wordt evenwel niet wenselijk geoordeeld nadere concretisering aan te brengen, omdat daarmee kleine bouwactiviteiten uitgesloten zouden kunnen worden, die blijkens de bedoeling van de regeling daaronder wel gebracht zouden moeten worden. Om diezelfde reden is ook afgezien van definiëring.(zie noot 5)
De jurisprudentie heeft echter wel een aantal aanwijzingen opgeleverd, aan de hand waarvan kan worden bepaald of gesproken kan worden van veranderingen van niet-ingrijpende aard. De Raad adviseert de hoofdlijnen van deze jurisprudentie ter verduidelijking in de toelichting bij het Besluit op te nemen.
b. In onderdeel j van het eerste lid van artikel 3 komt het begrip "uitwendige scheidingsconstructie" voor. Bedoeld zal zijn de uitwendige scheidingsconstructie zoals gedefinieerd in artikel 1 van het Bouwbesluit.(zie noot 6) Het verdient aanbeveling een verwijzing van die aard op te nemen in dit onderdeel dan wel in artikel 1 van het ontwerpbesluit.
c. In de toelichting op het derde lid, dient ook aandacht besteed te worden aan de onderdelen d en f, waarbij verwezen kan worden naar artikel 43, eerste lid, onderdeel j, van de Woningwet en artikel 2, onderdeel g, van het Besluit meldingplichtige bouwwerken.
6. Artikel 4
a. In artikel 4, tweede lid, dienen de onderdelen a en b uitgesplitst te worden, omdat het vereiste van oppervlakte alleen met betrekking tot onderdeel b geldt en samenvoeging tot niet beoogde verzwaring van eisen zou kunnen leiden.
b. De bijlage voorzover deze betrekking heeft op artikel 4, tweede lid, (bladzijde 1, tweede kolom) is niet correct waar dit het vereiste betreft van een bruto oppervlakte van 15 m2. Hieruit kan immers worden afgeleid dat in het daarmee direct in verband staande artikel 2, onderdeel a, eveneens een oppervlaktevereiste is opgenomen. Aangezien dit niet het geval is, dienen de tekst van artikel 2, onderdeel a, en de tabel in overeenstemming met elkaar gebracht te worden.
7. Toelichting
De toelichting dient op onvolledigheden en onduidelijkheden nader bezien te worden naar aanleiding van de behandeling van de concepttekst in de Eerste Kamer. Als voorbeeld kan gewezen worden op de passage met betrekking tot dakkapellen (bladzijde 17).(zie noot 7)
Ook de uitleg met betrekking tot aan- en uitbouwen die ertoe leiden dat een vide wordt gerealiseerd behoeft opneming in de toelichting.(zie noot 8)
Mede gelet op het feit dat deze regeling van groot belang zal zijn voor het gebruik in de praktijk dient de toelichting zelfstandig leesbaar te zijn en zo volledig mogelijk.
8. Voor redactionele kanttekeningen verwijst het college naar de bij het advies behorende bijlage.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen geen besluit te nemen dan nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De Vice-President van de Raad van State
Bijlage bij het advies van de Raad van State van 30 mei 2002, no.W08.02.0016/V, met redactionele kanttekeningen die de Raad in overweging geeft.
- In artikel 1 een definitie opnemen van het begrip "eerste verdieping" die als volgt komt te luiden: de onderste bouwlaag van de woning of het woongebouw, niet zijnde een souterrain of kelder, dan wel begane grond.
- In artikel 3, eerste lid, onderdeel k, subonderdeel 1, na "hoogte" invoegen: gemeten vanaf de voet.
- In de bijlage, bladzijde 2, met betrekking tot "veranderen van kozijn, venster, raam, deur of gevelpaneel" in de tweede kolom aan het slot toevoegen: subonderdelen 1e tot en met 4e.
- In de bijlage, bladzijde 3, met betrekking tot "dakkapel" vermelden dat deze wordt aangebracht op een gebouw en voorts ook "bouwwerk" wijzigen in: gebouw; voorts met betrekking tot "erf- en perceelafscheiding" de aanduiding < 3 wijzigen in: > 3.
- In de bijlage, bladzijde 4, met betrekking tot "dakraam" vermelden dat deze wordt aangebracht in een bouwwerk.
- In de bijlage, bladzijde 4, met betrekking tot "verandering van niet-ingrijpende aard" vermelden dat deze wordt aangebracht aan een bouwwerk. Voorts in de tweede kolom aan het slot toevoegen: subonderdelen 1e en 2e .
- In de bijlage, bladzijde 5, met betrekking tot "zonnecollector" en "zonnepaneel" vermelden dat deze wordt aangebracht in, op, aan of bij een bouwwerk. Voorts in de tweede kolom "gebouw" wijzigen in: bouwwerk.
- In de bijlage, bladzijde 5, met betrekking tot "antenne t.b.v. mobiele telecommunicatie" de hoogte < 0,5m - > 5m wijzigen in: > 0,5m - < 5m.
- In de bijlage, bladzijde 6, met betrekking tot "andere antenne-installatie dan bedoeld onder f, niet zijnde C2000-antenne", in de tweede kolom "zonnepaneel "wijzigen in: antenne-installatie.
- In de bijlage, bladzijde 6, met betrekking tot "gebouw t.b.v. nutsvoorziening, telecommunicatieverkeer, openbaar vervoer en wegverkeer" in de tweede kolom de vermelding van 3,25 meter wijzigen in: 3 meter. Voorts de verwijzing naar artikel 5, tweede lid, onderdelen b en c, wijzigen in: artikel 5, tweede lid, onderdeel c.
- In de bijlage, bladzijde 6, met betrekking tot "rolhek, luik of rolluik" in de tweede en derde kolom "bouwwerk" wijzigen in: gebouw.
- In de bijlage, bladzijde 7, met betrekking tot "magazijnstelling" in de tweede kolom "bouwwerk" wijzigen in: gebouw.
- In de bijlage, bladzijde 8, met betrekking tot de vermelding van "luik" in de eerste kolom overeenstemming aanbrengen met de tekst van artikel 3, derde lid, onderdeel f, nu deze categorie geen vermelding heeft gevonden.
Nader rapport (reactie op het advies) van 12 juli 2002
De Raad van State geeft u in overweging in dezen geen besluit te nemen dan nadat met zijn opmerkingen rekening zal zijn gehouden.
1. De opzet van het besluit
De Raad van State constateert enerzijds dat het ontwerp-besluit een groot aantal zeer gedetailleerde voorschriften bevat, waardoor de regeling ingewikkeld en moeilijk te doorgronden is, en anderzijds dat het ontwerp-besluit nog vragen openlaat over de interpretatie en toepassing van de voorschriften die bij de handhaving van het besluit tot geschillen aanleiding kunnen geven. De Raad adviseert dan ook de opzet van de regeling nader te bezien.
Aan deze opmerkingen van de Raad is zoveel mogelijk tegemoetgekomen door vereenvoudiging en verduidelijking van het ontwerp-besluit en de nota van toelichting. Daarnaast zal de praktische toepasbaarheid van de regeling worden ondersteund door (op professionals en op het publiek gerichte) voorlichting. Ter toelichting hierop merk ik het volgende op.
Bij de door de Raad geconstateerde complexiteit moet naar mijn oordeel onderscheid gemaakt worden tussen complexiteit op het niveau van de regeling, op het niveau van de afzonderlijke artikelen en op het niveau van de afzonderlijke typen bouwwerk, en onderscheid tussen die complexiteit en de consequenties daarvan voor de praktische toepasbaarheid van het besluit. Op het niveau van de regeling acht ik een zekere mate van complexiteit onvermijdelijk gegeven de aard van het onderwerp van de regeling. De regeling omvat immers een concretisering van het zeer brede, veelomvattende begrip "bouwen", hetgeen meebrengt dat in het ontwerp-besluit allerlei verschijningsvormen van dat begrip worden beschreven. In die zin is de regeling de weerspiegeling van een complexe werkelijkheid. Conform de wens van de bouwpraktijk zijn de diverse typen bouwwerken in de regeling bovendien uitputtend en zo concreet en geobjectiveerd mogelijk benoemd. In combinatie resulteert dat inderdaad in een lange, gedetailleerde opsomming maar daar staat tegenover dat aldus interpretatiegeschillen in de praktijk zoveel mogelijk worden voorkomen en dat de rechtszekerheid en rechtsgelijkheid op die manier het best zijn gewaarborgd. Verder is de situatie voor de regeltoepasser en de burger onder het besluit in wezen niet complexer dan onder de huidige regelgeving. De opsomming van bouwvergunningsvrije bouwwerken in de artikelen 2 en 3 van het ontwerp-besluit is namelijk goeddeels "de optelsom" van hetgeen onder de huidige Woningwet is opgenomen in artikel 43, eerste lid, van de wet en artikel 2 van het Besluit meldingplichtige bouwwerken. In feite is de situatie na de inwerkingtreding van dit besluit dus zelfs iets minder complex omdat men straks - door het vervallen van die laatstbedoelde opsommingen - te maken heeft met één opsomming in één besluit dat bepaalt of een bepaald type bouwwerk in een bepaalde situatie bouwvergunningsvrij (of licht-bouwvergunningplichtig of regulier-bouwvergunningplichtig) mag worden gerealiseerd, terwijl men daarvoor in de huidige situatie meerdere documenten moet raadplegen.
Verder mag worden verwacht dat de complexiteit die met de lengte en gedetailleerdheid van de opsomming samenhangt, in de praktijk niet of nauwelijks een beperking zal opleveren voor de toepasbaarheid van de regeling. Verreweg de meeste burgers zullen immers niet zozeer geïnteresseerd zijn in de regeling als zodanig maar alleen in het juridisch regime dat betrekking heeft op "hun" type bouwwerk. Op dat niveau van de afzonderlijke typen bouwwerk acht ik de regeling in het algemeen niet erg complex. Bovendien zal de praktische toepasbaarheid van de regeling door (op professionals en op het publiek gerichte) voorlichting worden ondersteund. Onderdeel van deze voorlichting zijn vraaggestuurde stroomschema's die snel duidelijk maken of een bepaald type bouwwerk in een bepaalde situatie bouwvergunningsvrij (of licht-bouwvergunningplichtig of regulier-bouwvergunningplichtig) mag worden gerealiseerd. Dit voorlichtingsmateriaal zal zowel op papier als elektronisch (internet) beschikbaar zijn.
Ook op artikelniveau acht ik de regeling in zijn algemeenheid niet erg complex. Uitzondering daarop is wellicht artikel 2, waarin de zogenoemde "voor- en achterkantbenadering" voor het bouwvergunningsvrij kunnen bouwen van een vijftal typen bouwwerk is uitgewerkt. Dit artikel is naar aanleiding van de opmerkingen van de Raad van State evenwel integraal herzien. Dat is geschied door:
- een aantal redactionele vereenvoudigingen,
- alsnog af te zien van introductie van het (nieuwe) begrip "(voor-, zij- en achter)gevellijn",
- meer eenheid in de maatvoering in dat artikel aan te brengen,
- de regeling ten aanzien van hoekwoningen zoveel mogelijk gelijk te trekken met die ten aanzien van tussenwoningen,
- minder randvoorwaarden te stellen aan het bouwvergunningsvrij bouwen van kleinere bijgebouwen/overkappingen,
- in artikel 1, eerste lid, een (door de jurisprudentie ingegeven) omschrijving van het begrip, "erf" op te nemen, en
- in een (nieuw) tweede lid van artikel 1 meetvoorschriften op te nemen.
Als onderdeel van de voorlichting zal daarnaast voor elk van de in artikel 2 bedoelde typen bouwwerken een aparte brochure voor het publiek verschijnen (inclusief vraaggestuurd stroomschema), die de praktische toepasbaarheid van dat artikel verder zal ondersteunen.
Naast de complexiteit betreffen de opmerkingen van de Raad ook de interpretatieruimte die de voorschriften van het ontwerp-besluit bevatten. Zoals hiervoor al opgemerkt, is de regeling op onderdelen verduidelijkt (omschrijving van "erf" toegevoegd aan artikel1, eerste lid; meetvoorschriften toegevoegd in het nieuwe tweede lid van artikel 1) en vereenvoudigd (alsnog afgezien van introductie van het nieuwe begrip "(voor-, zij- en achter)gevellijn" in artikel 2). Conform het advies van de Raad is verder in de nota van toelichting een beschrijving opgenomen van de hoofdlijnen van de jurisprudentie inzake "het aanbrengen van een verandering van niet-ingrijpende aard aan een bestaand bouwwerk". Bovendien zal in het kader van de voorlichting ook voor dat type bouwwerk een brochure verschijnen, waarin tevens op die jurisprudentie wordt ingegaan. Gegeven de uitputtende, gedetailleerde en geobjectiveerde vorm waarin die voorschriften zijn gegoten, bevatten de voorschriften van het ontwerp-besluit naar mijn oordeel in het algemeen niet veel interpretatieruimte en is die, wanneer wel sprake is van zo'n ruimte, hetzij gewenst dan wel onvermijdelijk. Bovendien acht ik de interpretatieruimte van de voorschriften van het ontwerp-besluit zeker niet groter dan onder de huidige wet- en regelgeving ter zake het geval is.
2. Bijlage
Veel opmerkingen van de Raad betreffen de bijlage die aan het slot van de nota van
toelichting was opgenomen en waarin een overzicht werd gegeven van de verschillende typen bouwwerk en de kenmerken waaronder zij bouwvergunningsvrij, licht- bouwvergunningplichtig of regulier-bouwvergunningplichtig zijn. De Raad onderkent het grote belang dat zo'n overzicht voor de praktijk kan hebben en adviseert de bijlage nauwkeurig met de tekst van het ontwerp-besluit in overeenstemming te brengen.
Naar aanleiding van deze opmerkingen van de Raad heb ik mij nader over de gewenste status van het overzicht in de bijlage beraden. Dat heeft mij tot de conclusie gebracht dat het overzicht (in voldoende op de inhoud van het besluit afgestemde vorm) weliswaar een belangrijk instrument kan zijn om de praktijktoepassing van het besluit te vergemakkelijken maar dat het bij nader inzien niet gewenst is om dat overzicht onderdeel te laten zijn van de nota van toelichting. Het primaire doel van het overzicht is namelijk om de uitvoerings- en bouwpraktijk en de burger als het ware in één oogopslag een goede indruk te geven wanneer een bepaald type bouwwerk bouwvergunningsvrij, licht-bouwvergunningplichtig of regulier-bouwvergunningplichtig is. Daarmee heeft het overzicht meer een voorlichtende dan een juridische functie; de juridische regeling is immers in de tekst van het besluit zelve opgenomen. Wanneer het overzicht als bijlage bij de nota van toelichting gevoegd zou blijven, zou de bijlage wel een, zij het beperkte, juridische betekenis kunnen worden toegekend; de tekst van het ontwerp-besluit blijft immers bepalend. Alsdan doen zich echter enkele problemen voor. De tekst van het overzicht zou één-op-één op de tekst van het besluit moeten zijn afgestemd. Dat zou ertoe leiden dat op twee verschillende plaatsen in de regeling precies hetzelfde zou worden gesteld (zij het in een andere vorm gerangschikt). Een dergelijke "dubbel-op-benadering" in één en dezelfde regeling lijkt mij overbodig en dus ongewenst. Het levert ook het risico op dat de tekst van het overzicht op onderdelen toch iets afwijkt van de tekst van het besluit, hetgeen in de praktijk zou leiden tot misverstanden. Bovendien noopt de één-op-één-aansluiting van de tekst van het overzicht op die van het besluit tot juridisch taalgebruik in het overzicht, hetgeen de (primaire) voorlichtingsfunctie van het overzicht in de praktijk vermindert. Om deze redenen heb ik besloten het overzicht te gebruiken als zelfstandig hulpmiddel in het kader van de voorlichting en dat overzicht dus niet op te nemen als bijlage bij het ontwerp-besluit.
Deze beslissing brengt met zich dat ik niet inhoudelijk zal ingaan op opmerkingen van de Raad voorzover die uitsluitend op de (tekst van de) bijlage betrekking hebben. Met die opmerkingen zal rekening worden gehouden bij het opstellen van het overzicht ten behoeve van het voorlichtingsmateriaal. Het gaat hier om de opmerkingen die in het advies zijn opgenomen in punt 4, onderdelen a, e en f, en punt 6, onderdeel b, en de redactionele opmerkingen vanaf het derde gedachtestreepje.
3. Artikel 1
De Raad onderschrijft mijn eerder aan de Eerste Kamer kenbaar gemaakte voornemen om alsnog een definitie van het begrip "erf" in het ontwerp-besluit op te nemen.
De betreffende definitie is inmiddels toegevoegd aan artikel 1, eerste lid. In die definitie is aansluiting gezocht bij de jurisprudentie waarnaar de Raad in zijn advies verwijst.
4. Artikel 2
a. Deze opmerking van de Raad is besproken onder 2 (slot).
b. Naar aanleiding van de praktische uitwerking van enkele maatvoeringen in artikel 2
oordeelt de Raad dat het opnemen van een aantal afstandsvereisten als voorwaarde voor het bouwvergunningsvrij mogen bouwen van enkele in dat artikel genoemde typen bouwwerk, geen aanbeveling verdient.
Mede in reactie op deze opmerkingen van de Raad is in artikel 2 meer eenheid in de maatvoering aangebracht en is voorts het regime ten aanzien van het bouwvergunningsvrij kunnen bouwen van kleinere bijgebouwen (zoals tuinschuurtjes) en kleinere overkappingen (zoals carports) iets verlicht. De door de Raad gesignaleerde problematiek van de nagenoeg praktische onmogelijkheid om een tuinschuurtje in de achtertuin van een "rijtjeswoning" te realiseren, doet zich daardoor niet meer voor: bijgebouwen en overkappingen mogen bouwvergunningsvrij tot op de grens met het naburig erf worden gebouwd mits hun bruto-oppervlakte niet meer dan 10 m2 bedraagt. Voor dergelijke typen bouwwerk van deze maximale grootte is die aanpassing conform het advies van de Raad. Dat is niet het geval voor zover een bouwwerk van zo'n type een bruto-oppervlakte > 10 m2 < 30 m2 heeft. Voor die gevallen is een afstandsmaat ten opzichte van het burenerf gehandhaafd (zij het dat die uit het oogpunt van uniformiteit in de regeling thans op 1 m in plaats van 1,5 m is gesteld). Reden daarvan is dat ik het ongewenst acht dat bijgebouwen en overkappingen van die grootte zonder voorafgaande gemeentelijke toets aan de bebouwingsvoorschriften van het bestemmingsplan tot op de grens met het naburige erf zouden kunnen worden gerealiseerd. In tegenstelling tot hetgeen de Raad stelt, vindt zo'n gemeentelijke toets onder de huidige wet- en regelgeving overigens ook al plaats voorzover het betreft een thans meldingplichtig of bouwvergunningplichtig bijgebouw (zie artikel 2, onderdeel a, van het Besluit meldingplichtige bouwwerken juncto de artikelen 42, derde en vierde lid, en 44, eerste lid, onderdeel c, huidige Woningwet) of een thans bouwvergunningplichtige overkapping met een bruto-oppervlakte > 20 m2 (zie artikel 43, eerste lid, onderdeel d, juncto artikel 44, eerste lid, onderdeel c, huidige Woningwet). Bij mijn beslissing om een afstandsmaat te handhaven speelt ook een rol dat de burenrechtelijke bescherming van de afstandsmaat van artikel 50 van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek (= 2 m) geen soulaas biedt ingeval in het betreffende bouwwerk geen vensters (of balkons) worden aangebracht. Zonder afstandsmaat in de regeling zou zo'n bouwwerk met een bruto-oppervlakte > 10 m2 < 30 m2 dan tot op de grens met het naburig erf mogen worden gerealiseerd, hetgeen ik onwenselijk acht.
c. De door de Raad geconstateerde inconsistentie in de redactie van onderdeel b van artikel 2 is opgeheven.
d. Conform het advies is - vanuit het oogpunt van uniformiteit en rechtsgelijkheid met andere (midden)woningen - in artikel 2, onderdeel d, de door de Raad bedoelde afstand die bij een bouwvergunningsvrije dakkapel op een achterdakvlak van een hoekwoning minimaal ten opzichte van de rand van het dakvlak in acht moet worden genomen, gelijkgetrokken met de afstandsmaat die op dat punt voor andere woningen geldt (= ten minste 0,5 m).
e en f. Deze opmerkingen van de Raad hebben betrekking op de (inmiddels vervallen) bijlage bij de nota van toelichting. Onder 2 (slot) ben ik daar in procedurele zin op ingegaan.
g. De Raad geeft in overweging zijgevels en zijerven die direct aan het openbaar water grenzen op dezelfde wijze te behandelen als zijgevels en zijerven die aan de weg of het openbaar groen grenzen. Ik heb daaraan geen gevolg gegeven. Nog daargelaten de poly- interpreteerbaarheid van het begrip "openbaar water" zouden naar mijn oordeel in ons waterrijke land de mogelijkheden voor de burger om bouwvergunningsvrij aan- en uitbouwen, bijgebouwen/overkappingen, kozijn-/gevelwijzigingen, dakkapellen en erf- /perceelafscheidingen te realiseren teveel worden ingeperkt wanneer daarvoor ook deze door de Raad voorgestelde beperking zou worden aangebracht.
5. Artikel 3
a. Het advies van de Raad om het begrip "aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende aard" (artikel 3, eerste lid, onderdeel c) te verduidelijken door in de nota van toelichting een beschrijving op te nemen van de hoofdlijnen van de jurisprudentie over dat begrip, heb ik gevolgd. Bovendien zal de praktische toepasbaarheid van dat artikelonderdeel worden ondersteund door een op het publiek gerichte brochure, waarin tevens op die jurisprudentie wordt ingegaan.
b. Conform het advies van de Raad is in artikel 3, eerste lid, onderdeel j, ten aanzien van het begrip "uitwendige scheidingsconstructie" een verwijzing opgenomen naar artikel 1 van het Bouwbesluit en is die verwijzing in de artikelsgewijze toelichting toegelicht.
c. Conform het advies van de Raad is in de toelichting op de onderdelen d en f van het derde lid een verwijzing opgenomen naar artikel 43, eerste lid, onderdeel j, van de huidige Woningwet respectievelijk artikel 2, onderdeel g, van het huidige Besluit meldingplichtige bouwwerken.
6. Artikel 4
a. Conform het advies van de Raad zijn de onderdelen a en b van het tweede lid uitgesplitst.
b. Deze opmerking van de Raad heeft betrekking op de (inmiddels vervallen) bijlage bij de nota van toelichting en blijft hier derhalve verder buiten beschouwing. Zie mijn opmerking onder 2 (slot).
7. Toelichting
Conform het advies van de Raad is de nota van toelichting mede aan de hand van de schriftelijke en mondelinge behandeling van de concept-tekst door de Eerste Kamer nader op onvolledigheden en onduidelijkheden bezien. Dit heeft onder meer tot aanpassingen met betrekking tot dakkapellen en vides geleid. Ook de door mij hiervoor, onder 1, 3, 4b en 4d, aangegeven aanpassingen vloeien geheel of gedeeltelijk uit die behandeling door de Eerste Kamer voort.
8. Redactionele kanttekeningen
- Conform het advies van de Raad is aan de begripsomschrijvingen in artikel 1 een omschrijving van het begrip "eerste verdieping" toegevoegd.
- Conform het advies van de Raad is in artikel 3, eerste lid, onderdeel k, subonderdeel 1o, na "hoogte" ingevoegd: gemeten vanaf de voet.
- De overige redactionele kanttekeningen van de Raad hebben betrekking op de (inmiddels vervallen) bijlage bij de nota van toelichting en blijven hier derhalve verder buiten bespreking. Zie mijn slotopmerking onder 2.
9. Welstandscriteria
Aan het ontwerp-besluit is een artikel 7 inzake de welstandscriteria toegevoegd met
dezelfde tekst als het ingevolge artikel VII van het besluit van 9 april 2002 tot wijziging van het Besluit huurprijzen woonruimte, het Besluit beheer sociale-huursector en enkele
andere besluiten (Stb. 2002, 193) ingevoegde artikel 6a. Hierdoor zijn alle bepalingen van dit besluit in een doorlopende tekst samengebracht. De genoemde invoeging van artikel 6a wordt door het nieuwe artikel 11 ongedaan gemaakt.
10. Reparatie in verband met eerdere inwerkingtreding van enkele voorschriften
Tevens is van de gelegenheid gebruik gemaakt een aantal reparatiebepalingen op te nemen. Teneinde het mogelijk te maken de onderdelen, verband houdende met de voorschriften inzake enkele typen antennes, eerder in werking te laten treden, hetgeen recentelijk als dringende wens vanuit de praktijk op tafel is gelegd, is het nodig de artikelen 4 en 43, eerste lid, van de wet van 18 oktober 2001 tot wijziging van de Woningwet (zie noot 9) ook vervroegd in werking te laten treden. In artikel 43, eerste lid, onder c, (nieuw) is de grondslag opgenomen voor de voorschriften ter zake van antennes (het bouwen van beperkte betekenis). Door deze vervroegde inwerkingtreding zou de grondslag voor het bouwvergunningsvrij bouwen zoals deze thans in artikel 43, eerste lid, is opgenomen, wegvallen terwijl de overeenkomstige voorschriften in het ontwerp-besluit nog niet in werking zijn getreden. Om dit gat te dichten is de tekst van het huidige artikel 43, eerste lid, als artikel 8 in dit ontwerp-besluit opgenomen. De laatste volzin van dit eerste lid is echter niet opgenomen omdat uit artikel 4 (nieuw) al volgt dat het Bouwbesluit op dergelijk bouwen van toepassing is.
Voorts is aan het ontwerp-besluit een artikel 9 toegevoegd waarin een overgangsbepaling is opgenomen voor die gevallen waarin op het tijdstip waarop met het bouwen is begonnen, geen bouwvergunning is vereist en na inwerkingtreding van (een deel van) het besluit wel.
De inwerkingtredingsbepaling (artikel 13) is in die zin aangepast dat inwerkingtreding plaatsvindt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat artikel 8 op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip vervalt.
11. Intrekken Besluit meldingplichtige bouwwerken (zie noot 10)
Voorts is van de gelegenheid gebruik gemaakt in het ontwerp-besluit een bepaling inzake het intrekken van het Besluit meldingplichtige bouwwerken op te nemen (het nieuwe artikel 12).
Ik moge U hierbij het gewijzigde ontwerp-besluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Staatssecretaris va Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
(1) De overig gesignaleerde onjuistheden zijn opgenomen in de redactionele bijlage.
(2) AB 1998, 8, zie ook ABRvS 25 april 2000, AB 2001. nr.36.
(3) Brief van de staatssecretaris van 10 januari 2002, Kamerstukken I 2001/02, 26 734, nr.31d, blz.59.
(4) Kamerstukken I 2001/02, 26 734, nr.31d, blz.57.
(5) Kamerstukken I 2001/02, 26 734, nr.31d, blz.58.
(6) Uitwendige scheidingsconstructie: constructie die de scheiding vormt tussen een voor mensen toegankelijke besloten ruimte van een gebouw en de buitenlucht, de grond of het water, waaronder begrepen de op die constructie aansluitende delen van andere constructies, voorzover die delen van invloed zijn op het voldoen van die scheidingsconstructie aan een bij of krachtens dit besluit gegeven voorschrift.
(7) Kamerstukken I 2002/02, 26 734, nr.31d, blz.62.
(8) T.a.p. blz.65.
(9) Stb. 2001, 518.
(10) Stb. 1992, 196.