Voorstel van wet met memorie van toelichting houdende wijziging van de Wet voorkeursrecht gemeenten (verbreding reikwijdte).
- Kenmerk
- W08.02.0010/V
- Datum advies
- 31 januari 2002
- Vindplaats
- Kamerstukken II 2001/02, 28 236, nr A
- Infrastructuur en Waterstaat
- Wet
Toon inhoud
Volledige tekst
Voorstel van wet met memorie van toelichting houdende wijziging van de Wet voorkeursrecht gemeenten (verbreding reikwijdte).
Bij Kabinetsmissive van 9 januari 2002, no.02.000130, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet met memorie van toelichting houdende wijziging van de Wet voorkeursrecht gemeenten (verbreding reikwijdte).
Het voorstel van wet voorziet in het laten vervallen van artikel 2a van de Wet voorkeursrecht gemeenten (Wvg). Daarmee wordt de mogelijkheid tot het vestigen van een voorkeursrecht voor gemeenten voor de aankoop van grond met een niet-agrarische bestemming uitgebreid naar alle gemeenten. Thans is die mogelijkheid slechts voorbehouden aan gemeenten met een zogenaamde uitbreidingstaakstelling. Deze wijziging wordt gewenst geacht met het oog op de invulling van het contourenbeleid dat is vastgelegd in de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening en beoogt de positie van gemeenten bij stedelijke herstructureringsprojecten te versterken.
1. In de Nota Grondbeleid is aangegeven dat de toepassing van het gemeentelijke voorkeursrecht mede afhankelijk is van een zodanige regeling van de exploitatievergunning, dat kan worden voorzien in verhaal van door de overheid gemaakte kosten voor onrendabele investeringen op alle grondexploitanten in een bepaald gebied.(zie noot 1) In samenhang daarmee zal door de gemeente een programma van eisen moeten worden opgesteld. Een verplichting daartoe zou als procedure-eis in de komende Grondexpoitatiewet kunnen worden geregeld.(zie noot 2) De regiefunctie van gemeenten wordt tevens langs die weg veiliggesteld. Van de toepassing van het voorkeursrecht in combinatie met een dergelijke exploitatievergunning wordt een dempende werking op de stijging van de prijs voor ruwe bouwgrond verwacht. Aan het slot van paragraaf 5.3 van het advies van de Sociaal-Economische Raad over de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening van 21 september 2001 wordt aldus op deze samenhang gewezen: "Het wettelijk voorkeursrecht van gemeenten is van belang voor gemeenten die een actief grondbeleid willen voeren. De noodzaak daartoe neemt echter af als de gemeentelijke regiefunctie en het kostenverhaal bij de (her)ontwikkeling van locaties wettelijk goed geregeld zijn. Met name kan daarbij gedacht worden aan de wettelijke invoering van het globale programma van eisen en de grondexploitatievergunning. Zolang deze regelingen nog niet zijn getroffen, is met het oog op de rol van de gemeente in een even wichtige publiek-private samenwerking een herbezinning op de effectiviteit van de Wvg nodig." Bij de parlementaire behandeling van deze nota heeft de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer een voorontwerp van wet voor de regeling van de exploitatievergunning aangekondigd dat naar verwachting in het eerste kwartaal aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal zal worden toegezonden.(zie noot 3) Nu met het onderhavige wetsvoorstel - om redenen die de Raad van State kan billijken - wordt vooruitgelopen op de totstandkoming van de nadere regeling van de exploitatievergunning, verdient het aanbeveling dat in paragraaf "Vervolgactie" van de toelichting al rekenschap wordt gegeven van de betekenis die de uitbreiding van het voorkeursrecht heeft in samenhang met dat instrument, inclusief de door de gemeenten op te stellen programma's van eisen.
2. Voor redactionele kanttekeningen verwijst het college naar de bij het advies behorende bijlage.
De Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, nadat aan het vorenstaande aandacht zal zijn geschonken.
De Vice-President van de Raad van State
Bijlage bij het advies van de Raad van State van 31 januari 2002, no.W08.02.0010/V, met redactionele kanttekeningen die de Raad in overweging geeft.
- In de paragraaf "Effecten" van de memorie van toelichting de mogelijkheid van zelfstandige vestiging van een gemeentelijke voorkeursrecht voor groenstructuren niet in het kader van de uitleg van en jurisprudentie op de huidige wet behandelen maar vermelden als effect van dit wetsvoorstel, waarin de koppeling met de uitbreidingstaakstelling komt te vervallen.
- In dezelfde paragraaf van de memorie van toelichting "de(ze) moederwet" telkens vervangen door: de bestaande wet.
Nader rapport (reactie op het advies) van 19 februari 2002
De Raad van State heeft hierin opgemerkt dat nu met het onderhavige wetsvoorstel - om redenen die de Raad kan billijken - wordt vooruitgelopen op de totstandkoming van de nadere regeling van de exploitatievergunning het aanbeveling verdient dat in de memorie van toelichting in de paragraaf "Vervolgacties" al rekenschap wordt gegeven van de betekenis die de uitbreiding van het voorkeursrecht heeft in samenhang met dat instrument, inclusief de door de gemeenten op te stellen programma's van eisen.
Wat dit laatste betreft wordt hierbij opgemerkt dat de Raad er blijkbaar van uit gaat dat het hier om een verplichting gaat van de gemeente. Dit is evenwel nog in beraad.
Voor het overige is aan de opmerking van de Raad tegemoet gekomen; de memorie van toelichting is aangevuld. De redactionele kanttekeningen van de Raad zijn eveneens verwerkt.
Ik moge U verzoeken het hierbij gevoegde voorstel van wet en de gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
(1) Paragraaf 2 van de samenvatting (bladzijden 5 en 6).
(2) Paragraaf 4.3 onder Integrale planontwikkeling (bladzijden 51 en 52).
(3) Kamerstukken II 2001/02, 27 581, nr.14, blz.3.
Het voorstel van wet voorziet in het laten vervallen van artikel 2a van de Wet voorkeursrecht gemeenten (Wvg). Daarmee wordt de mogelijkheid tot het vestigen van een voorkeursrecht voor gemeenten voor de aankoop van grond met een niet-agrarische bestemming uitgebreid naar alle gemeenten. Thans is die mogelijkheid slechts voorbehouden aan gemeenten met een zogenaamde uitbreidingstaakstelling. Deze wijziging wordt gewenst geacht met het oog op de invulling van het contourenbeleid dat is vastgelegd in de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening en beoogt de positie van gemeenten bij stedelijke herstructureringsprojecten te versterken.
1. In de Nota Grondbeleid is aangegeven dat de toepassing van het gemeentelijke voorkeursrecht mede afhankelijk is van een zodanige regeling van de exploitatievergunning, dat kan worden voorzien in verhaal van door de overheid gemaakte kosten voor onrendabele investeringen op alle grondexploitanten in een bepaald gebied.(zie noot 1) In samenhang daarmee zal door de gemeente een programma van eisen moeten worden opgesteld. Een verplichting daartoe zou als procedure-eis in de komende Grondexpoitatiewet kunnen worden geregeld.(zie noot 2) De regiefunctie van gemeenten wordt tevens langs die weg veiliggesteld. Van de toepassing van het voorkeursrecht in combinatie met een dergelijke exploitatievergunning wordt een dempende werking op de stijging van de prijs voor ruwe bouwgrond verwacht. Aan het slot van paragraaf 5.3 van het advies van de Sociaal-Economische Raad over de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening van 21 september 2001 wordt aldus op deze samenhang gewezen: "Het wettelijk voorkeursrecht van gemeenten is van belang voor gemeenten die een actief grondbeleid willen voeren. De noodzaak daartoe neemt echter af als de gemeentelijke regiefunctie en het kostenverhaal bij de (her)ontwikkeling van locaties wettelijk goed geregeld zijn. Met name kan daarbij gedacht worden aan de wettelijke invoering van het globale programma van eisen en de grondexploitatievergunning. Zolang deze regelingen nog niet zijn getroffen, is met het oog op de rol van de gemeente in een even wichtige publiek-private samenwerking een herbezinning op de effectiviteit van de Wvg nodig." Bij de parlementaire behandeling van deze nota heeft de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer een voorontwerp van wet voor de regeling van de exploitatievergunning aangekondigd dat naar verwachting in het eerste kwartaal aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal zal worden toegezonden.(zie noot 3) Nu met het onderhavige wetsvoorstel - om redenen die de Raad van State kan billijken - wordt vooruitgelopen op de totstandkoming van de nadere regeling van de exploitatievergunning, verdient het aanbeveling dat in paragraaf "Vervolgactie" van de toelichting al rekenschap wordt gegeven van de betekenis die de uitbreiding van het voorkeursrecht heeft in samenhang met dat instrument, inclusief de door de gemeenten op te stellen programma's van eisen.
2. Voor redactionele kanttekeningen verwijst het college naar de bij het advies behorende bijlage.
De Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, nadat aan het vorenstaande aandacht zal zijn geschonken.
De Vice-President van de Raad van State
Bijlage bij het advies van de Raad van State van 31 januari 2002, no.W08.02.0010/V, met redactionele kanttekeningen die de Raad in overweging geeft.
- In de paragraaf "Effecten" van de memorie van toelichting de mogelijkheid van zelfstandige vestiging van een gemeentelijke voorkeursrecht voor groenstructuren niet in het kader van de uitleg van en jurisprudentie op de huidige wet behandelen maar vermelden als effect van dit wetsvoorstel, waarin de koppeling met de uitbreidingstaakstelling komt te vervallen.
- In dezelfde paragraaf van de memorie van toelichting "de(ze) moederwet" telkens vervangen door: de bestaande wet.
Nader rapport (reactie op het advies) van 19 februari 2002
De Raad van State heeft hierin opgemerkt dat nu met het onderhavige wetsvoorstel - om redenen die de Raad kan billijken - wordt vooruitgelopen op de totstandkoming van de nadere regeling van de exploitatievergunning het aanbeveling verdient dat in de memorie van toelichting in de paragraaf "Vervolgacties" al rekenschap wordt gegeven van de betekenis die de uitbreiding van het voorkeursrecht heeft in samenhang met dat instrument, inclusief de door de gemeenten op te stellen programma's van eisen.
Wat dit laatste betreft wordt hierbij opgemerkt dat de Raad er blijkbaar van uit gaat dat het hier om een verplichting gaat van de gemeente. Dit is evenwel nog in beraad.
Voor het overige is aan de opmerking van de Raad tegemoet gekomen; de memorie van toelichting is aangevuld. De redactionele kanttekeningen van de Raad zijn eveneens verwerkt.
Ik moge U verzoeken het hierbij gevoegde voorstel van wet en de gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
(1) Paragraaf 2 van de samenvatting (bladzijden 5 en 6).
(2) Paragraaf 4.3 onder Integrale planontwikkeling (bladzijden 51 en 52).
(3) Kamerstukken II 2001/02, 27 581, nr.14, blz.3.