Ontwerpbesluit met nota van toelichting houdende implementatie van richtlijn nr.2000/53/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 18 september 2000 betreffende autowrakken (PbEG L 269) (Besluit beheer autowrakken).
- Kenmerk
- W08.01.0588/V
- Datum advies
- 22 maart 2002
- Vindplaats
- Bijvoegsel Staatscourant 9 juli 2002, nr 128
- Infrastructuur en Waterstaat
- Algemene maatregel van bestuur
Toon inhoud
Volledige tekst
Ontwerpbesluit met nota van toelichting houdende implementatie van richtlijn nr.2000/53/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 18 september 2000 betreffende autowrakken (PbEG L 269) (Besluit beheer autowrakken).
Bij Kabinetsmissive van 9 november 2001, no.01.005330, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit met nota van toelichting houdende implementatie van richtlijn nr.2000/53/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 18 september 2000 betreffende autowrakken (PbEG L 269) (Besluit beheer autowrakken).
Het ontwerpbesluit strekt tot implementatie van richtlijn nr.2000/53/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 18 september 2000 betreffende autowrakken (PbEG L 269) (hierna: autowrakkenrichtlijn). In dit besluit worden producenten en importeurs van voertuigen verplicht preventieve maatregelen te nemen teneinde het ontstaan of de verwijdering van voertuigafval te voorkomen of te beperken. Daarnaast worden deze producenten en importeurs verplicht om een inname- en verwerkingssysteem, inclusief een systeem van informatieverstrekking en registratie, op te zetten voor de door hen op de markt gebrachte voertuigen die in Nederland in het afvalstadium zijn beland. Dit dient op zodanige wijze te geschieden dat de laatste eigenaar zijn voertuig zonder kosten kan afgeven aan een erkend autodemontage-, garage- of autoschadeherstelbedrijf en dat daarmee uiteindelijk 95% producthergebruik en nuttige toepassing en 85% product- en materiaalhergebruik wordt gerealiseerd. In het besluit worden tevens technische voorschriften gesteld aan inrichtingen voor het opslaan, bewerken, verwerken, vernietigen of overslaan van autowrakken teneinde de milieuprestaties van deze bedrijven te verbeteren. Deze implementatie van de autowrakkenrichtlijn geeft de Raad van State aanleiding tot het maken van de volgende opmerkingen.
1. De implementatie
Zoals in hoofdstuk 4 van de toelichting wordt beschreven, stelt het ontwerpbesluit op een aantal punten strengere eisen dan de autowrakkenrichtlijn. Terecht wordt opgemerkt dat zulks, aangezien de autowrakkenrichtlijn is gebaseerd op artikel 175 van het EG-Verdrag, is toegestaan. Artikel 176 van het EG-Verdrag bepaalt immers:
De beschermende maatregelen die worden vastgesteld uit hoofde van artikel 175 van het EG-Verdrag, beletten niet dat een lidstaat verdergaande beschermingsmaatregelen handhaaft en treft. Zulke maatregelen moeten verenigbaar zijn met dit Verdrag. Zij worden ter kennis van de Commissie gebracht.
Hieruit blijkt echter ook dat een aantal voorwaarden geldt:
1°. Het moet gaan om (verdergaande) beschermingsmaatregelen. Gelet op de context van dit artikel moet het daarbij gaan om verdergaande bescherming van het milieu.
2°. De maatregelen moeten verenigbaar zijn met het EG-Verdrag. Daarbij moet vooral aan het vrije verkeer, de mededinging en de staatssteun worden gedacht.
3°. De maatregelen moeten ter kennis worden gebracht van de Commissie.
Ad 1°
a. In het bijzonder met betrekking tot de technische voorschriften voor het opslaan, bewerken, verwerken, vernietigen of overslaan van autowrakken is de toets aan het criterium van verdergaande bescherming van het milieu van belang. In dit geval gaat het niet om versnelde implementatie maar om permanente toepassing van strengere voorschriften. In de toelichting wordt niet duidelijk gemaakt dat deze strengere voorschriften leiden tot een verdergaande bescherming van het milieu. Dat is in het bijzonder ook van belang ten aanzien van het verbod op het verhandelen van gedeeltelijk gedemonteerde autowrakken (voortvloeiend uit voorschrift C.6, dat verwijdering van alle daarin genoemde soorten onderdelen binnen één inrichting voorschrijft). Blijkens de toelichting (hoofdstuk 4, bladzijden 3-4) heeft dat voorschrift voornamelijk de doelmatige verwijdering en handhaving en fraudepreventie tot doel. De Raad adviseert in ieder geval de toelichting op dit punt aan te vullen.
b. Ingevolge artikel 7, aanhef en onder a, dient de producent zorg te dragen voor een landelijk dekkend inname- en verwerkingssysteem voor autowrakken. Deze plicht vloeit, waar het gaat om de inzameling, voort uit de autowrakkenrichtlijn. In de autowrakkenrichtlijn wordt het opzetten van een inzamelingssysteem voorgeschreven (artikel 5, eerste lid, van de autowrakkenrichtlijn). Dat geldt niet voor de verwerking van autowrakken (artikel 6 van de autowrakkenrichtlijn). Ook in dit opzicht gaat het ontwerpbesluit dus verder dan de autowrakkenrichtlijn. Strikt genomen behoeft de verplichting een verwerkingssysteem op te zetten niet te worden beschouwd als een maatregel die het milieu verdergaand beschermt. Als verdergaande maatregel behoeft ook deze verplichting ten minste motivering in de nota van toelichting.
Ad 2°
a. Zowel in het kader van versnelde implementatie als in het kader van artikel 176 van het EG-Verdrag dienen de desbetreffende maatregelen in overeenstemming te zijn met het EG-Verdrag, in het bijzonder het vrije verkeer, de mededinging en de staatssteun. Blijkens hoofdstuk 9 van de toelichting treft Nederland strengere maatregelen in vergelijking met Duitsland, België, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk. De motivering in de toelichting waarom de verdergaande voorschriften niet tot concurrentieverstoringen zullen leiden is niet goed te doorgronden.
Begrijpelijk is dat Nederland geen strengere voorschriften stelt ten aanzien van de productie en samenstelling van voertuigen. In dat opzicht is er dan ook geen probleem. Wel leiden strengere voorschriften, als voorschrift C.6 (demontage en verwerking van de daarin genoemde onderdelen binnen één inrichting), wellicht tot hogere afvalbeheersbijdragen (vergelijk hoofdstuk 4, bladzijde 3). Een algemeenverbindendverklaring moet blijkens de toelichting nog wel goedgekeurd worden door de Commissie in het kader van het mededingingsrecht (zie paragraaf 7.2.1, bladzijde 11).
Met betrekking tot de technische voorschriften wordt gesteld dat de ons omringende landen de bijlage van de autowrakkenrichtlijn rechtstreeks zullen overnemen, terwijl Nederland strengere eisen stelt. Vervolgens wordt gesteld dat in die landen (met uitzondering van het Verenigd Koninkrijk) nu al moet worden voldaan aan strengere voorschriften en dat deze - anders dan in Nederland - worden opgelegd aan de demontagebedrijven (bladzijde 17). Aangezien de voorschriften van het ontwerpbesluit voor een belangrijk deel betrekking hebben op demontage, adviseert de Raad in de toelichting te verduidelijken in welk opzicht Nederland strengere eisen stelt dan de omringende lidstaten.
b. De eerdergenoemde verplichting van de producent om zorg te dragen voor de opzet van een landelijk dekkend inname- en verwerkingssysteem voor autowrakken (artikel 7, aanhef en onder a) houdt zeker waar die verder gaat dan de autowrakkenrichtlijn (verwerkingssysteem) het risico in dat zij een negatieve uitwerking heeft op de mededinging (vrijheid contracten tussen individuele dealers en verwerkingsbedrijven). In paragraaf 7.1.2 van de toelichting (bladzijde 10) wordt dit gevaar onderkend. De opgezette systemen mogen niet in strijd komen met artikel 6 van de Mededingingswet en artikel 5, juncto artikel 81 van het EG-Verdrag. Volgens vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (HvJ EG) mogen lidstaten geen maatregelen treffen, ook niet van wettelijke en bestuurlijke aard, welke het nuttig effect van de (op ondernemingen toepasselijke) mededingingsregels ongedaan kunnen maken. Dat is het geval - aldus het HvJ EG - wanneer een lidstaat het totstandkomen van met artikel 81 van het EG-Verdrag strijdige afspraken oplegt of begunstigt dan wel de werking daarvan versterkt of aan zijn eigen regeling het overheidskarakter ontneemt door de verantwoordelijkheid voor het nemen van besluiten over te dragen aan particuliere ondernemingen (Zaak C-2/91, Meng, Jurisprudentie 1993, I-5751). Tegen die achtergrond is het in ieder geval van belang dat bij de toetsing door de minister van de mededeling van de producent over het opgezette inzamelings- en verwerkingssysteem (in de artikelen 11 en 12) wordt gelet op de verenigbaarheid van de betrokken systemen met artikel 6 van de Mededingswet en artikel 5, juncto artikel 81 van het EG-Verdrag. Die toets zal (ook) noodzakelijk zijn bij het gezamenlijk doen door producenten en importeurs van de mededeling en de verslaglegging met het oog op een vergaande kostenreductie (hoofdstuk 6, paragraaf 7.1.1, van de toelichting), in geval van afspraken van producenten en importeurs van auto's en die van wit- en bruingoed over de onderlinge afstemming bij de uitvoering van de inname- en verwerkingssystemen (toelichting op artikel 2, tweede lid), ten aanzien van het in overleg met autodemontagebedrijven vaststellen van de vergoedingen met het oog op de kosteloze inname van autowrakken door autodemontagebedrijven (toelichting op artikel 7, onder b), en in de gevallen waarin tussen producenten en importeurs met leveranciers van onderdelen en materialen wordt samengewerkt, waar het gaat om het aanbrengen van de coderingsnormen. In de toelichting zal op dit aspect moeten worden ingegaan.
Ad 3°
Blijkens de toelichting (hoofdstuk 9) is het ontwerpbesluit genotificeerd in het kader van richtlijn nr.98/34/EEG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 juni betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften (PbEG L 204) (hierna: richtlijn 98/34/EEG) (in verband met technische voorschriften in de zin van die richtlijn). Daarmee is echter nog niet voldaan aan de meldingsplicht met betrekking tot strengere voorschriften in het kader van artikel 176 van het EG-Verdrag. Daarbij is ook van belang dat niet alle strengere voorschriften technische voorschriften in de zin van richtlijn 98/34/EG bevatten. De Raad adviseert duidelijk te maken hoe aan de verplichting van artikel 176, derde volzin, van het EG-Verdrag wordt voldaan.
2. Handhaafbaarheid
Veel van wat in de autowrakkenrichtlijn en in dit ontwerpbesluit is voorgeschreven is, zo blijkt uit de nota van toelichting, overgenomen van convenanten die reeds over preventie, opzetten van een inname- en verwerkingssysteem, percentage van hergebruik van autowrakken en onderdelen daarvan waren gesloten. Dat kan verklaren waarom de hierop betrekking hebbende artikelen in de autowrakkenrichtlijn (de artikelen 4, 5 en 7) en in het ontwerpbesluit (de artikelen 3, 7 en 8) het karakter hebben van zorgplichtbepalingen. Deze kunnen zowel bestuursrechtelijk als strafrechtelijk via de Wet op de economische delicten worden gehandhaafd. In de toelichting wordt gewezen op de noodzaak van samenwerking in de keten om het ontwerpbesluit op deze en andere onderdelen uit te kunnen voeren. Eigenlijk gaat het om taakstellingen die door verschillende actoren (fabrikanten, importeurs en garagehouders) moeten worden gerealiseerd. De vraag is hoe dat op grond van de artikelen 3, 7 en 8 kan worden afgedwongen. Door gebrek aan concreetheid lenen deze bepalingen zich moeilijk voor strafrechtelijke en bestuursrechtelijke handhaving. De wijze waarop uitvoering aan deze verplichtingen zal worden gegeven moet ingevolge artikel 11 worden aangegeven in een mededeling aan de minister. Wanneer deze met de inhoud daarvan heeft ingestemd, is de producent verplicht de verplichtingen overeenkomstig die mededeling uit te voeren (artikel 13). De handhaving zal zich dus in het bijzonder op de naleving van die verplichtingen concentreren, zoals ook wordt aangegeven in paragraaf 8.1 van de nota van toelichting. Voor een vergelijkbare opzet is eerder gekozen in het Besluit verwijdering wit- en bruingoed (artikel 12 van dat besluit).
In de gevallen waarin de minister niet met de mededeling heeft ingestemd of in het geheel geen mededeling is gedaan, blijft de handhaving van vorengenoemde zorgplichten echter moeilijk. De mededeling in de toelichting op artikel 12, vijfde lid, dat dan niet aan de verplichtingen van dit besluit wordt voldaan en het handhavingsinstrumentarium zal worden ingezet, schenkt niet voldoende aandacht aan de effectiviteit daarvan, gelet op het karakter van de betrokken bepalingen, namelijk zorgverplichtingen. In die gevallen zou de producent kunnen aanvoeren dat hij ondanks het niet voldoen aan de voorwaarden voor een instemming van de minister toch in voldoende mate uitvoering geeft aan de zorgplichtbepalingen van dit besluit.
In ieder geval zal in de nota van toelichting nader op deze handhavingsaspecten moeten worden ingegaan.
3. Uitvoerbaarheid in verband met het begrip afvalstof
Zoals in de toelichting op artikel 1, aanhef en onder b, wordt gesteld, is in de begripsomschrijving van autowrak het begrip afvalstof, met het oog op de handhaving van het besluit uitgewerkt. De definitie van het begrip afvalstof in de Wet milieubeheer (Wm) is in het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet milieubeheer (structuur verwijdering afvalstoffen)(zie noot 1) naar aanleiding van het advies van de Raad(zie noot 2) en de in dat advies vermelde jurisprudentie van het HvJ EG aangepast in die zin dat daarin rechtstreeks wordt verwezen naar de definitie van afvalstof in de Kaderrichtlijn afvalstoffen.(zie noot 3) In de Kaderrichtlijn afvalstoffen is "afvalstof" gedefinieerd als "elke stof of elk voorwerp behorende tot de in bijlage I genoemde categorieën waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen". Uit die bijlage blijkt dat het onder meer kan gaan om stoffen en voorwerpen die onbruikbaar zijn geworden of niet meer (aan de geldende normen) voldoen. Bovendien vallen onder dit begrip alle stoffen, materialen of producten die niet onder de eerder in die bijlage genoemde categorieën vallen. In artikel 1, aanhef en onder b, van het ontwerpbesluit wordt bepaald dat een autowrak een voertuig is dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud verkeert, in Nederland niet op een rendabele wijze in voldoende staat van onderhoud kan worden gebracht en een afvalstof is in de zin van artikel 1.1, eerste lid, Wm. Blijkens de nota van toelichting wordt op deze wijze het "zich ontdoen-criterium" op autowrakken toegesneden. Uit de jurisprudentie van het HvJ EG(zie noot 4) valt af te leiden dat de vaststelling of een stof een afvalstof is, uitsluitend geschiedt door toetsing aan de in de Kaderrichtlijn afvalstoffen opgenomen definitie. Nu in de definitie van autowrak in de autowrakkenrichtlijn op die definitie, inclusief het open einde-karakter daarvan, wordt aangesloten, is er gelet op vorenbedoelde jurisprudentie geen ruimte om daaraan een nationale uitwerking te geven.
In het verlengde van zijn advies over eerdergenoemd wetsvoorstel adviseert de Raad de definitie van "autowrak" in de autowrakkenrichtlijn te volgen. Een andersluidende begripsomschrijving zou slechts schijnzekerheid geven. In plaats daarvan heeft het de voorkeur in de toelichting aan te geven hoe in de praktijk met betrekking tot het verwijderen, nuttig toepassen en vernietigen van de autowrakken met dit begrip zal worden gewerkt. De daarbij gegeven interpretatie zal dan binnen de contouren van de definitie van afvalstof in de Kaderrichtlijn afvalstoffen dienen te blijven. Het ontwerpbesluit en de toelichting waren in deze zin aan te passen.
Overige opmerkingen
4. Ingevolge artikel 3, vijfde lid, van de autowrakkenrichtlijn geldt de verslagverplichting van ondernemingen in artikel 9 van die richtlijn niet ten aanzien van driewielige motorvoertuigen. In het ontwerpbesluit vallen deze voertuigen onder de definitie in artikel 1, aanhef en onder a, 1. In artikel 2, eerste lid, van het ontwerpbesluit worden ten aanzien van deze voertuigen de verslagverplichtingen van artikel 14, eerste, tweede en derde lid, niet uitgezonderd. Wel de verplichting om gegevens daaruit op te nemen in reclamemateriaal (artikel 14, vierde lid). Wellicht is hier sprake van een omissie. Indien dat niet het geval is, behoeft deze beperkte uitzondering als verdergaande maatregel nadere toelichting en rechtvaardiging.
5. In artikel 1, aanhef en onder c, worden zowel de producent (fabrikant) als de importeur begrepen onder de definitie van "producent". In met dit besluit verwante besluiten worden de begrippen "producent" en "importeur" naast elkaar gebruikt, bijvoorbeeld in het Besluit verwijdering wit- en bruingoed en het Besluit verwijdering personenwagenbanden. Het gebruik van het woord "producent" in twee verschillende betekenissen in dezelfde kleine wetsfamilie wekt verwarring. Bovendien wordt het begrip "producent" in de toelichting meestal in de beperkte betekenis van fabrikant gebruikt, bijvoorbeeld in de hoofdstukken 3 en 7.1.1. In verband hiermee adviseert de Raad in artikel 1 twee afzonderlijke definities voor producent en importeur op te nemen.
6. In artikel 9 wordt gesproken van materialen en onderdelen die bij ministeriële regeling ter uitvoering van de door de Commissie van de Europese Gemeenschappen op grond van artikel 8, tweede lid, van de autowrakkenrichtlijn gestelde regels zijn aangewezen. Ter vermijding van misverstanden omtrent de basis van deze ministeriële regeling (namelijk niet in dit ontwerpbesluit) verdient het aanbeveling dat daarbij wordt verwezen naar artikel 10.16, derde lid, Wm.
7. In paragraaf 8.1 van de nota van toelichting wordt ervan uitgegaan dat in hoofdstuk 18 Wm ook de bevoegdheid voor het opleggen van een bestuurlijke boete is geregeld. In de geldende Wm is die bevoegdheid niet opgenomen, ook niet, voorzover het college bekend, in nog lopende wetsvoorstellen tot wijziging van die wet. Deze passage in de toelichting behoeft daarom aanpassing.
8. In de toelichting op onderdeel A van de voorschriften van de bijlage bij dit ontwerpbesluit wordt erop gewezen dat, indien de voorgeschreven overkapping voor de opslag van afgetapte vloeistoffen enzovoort om planologische redenen niet mogelijk is, kan worden volstaan met een gelijkwaardige voorziening, zoals het afdoende afdekken van opslagmiddelen met een dekzeil. Mede gelet op aanwijzing 214 van de Aanwijzingen voor de regelgeving, dient deze regel in de voorschriften zelf te worden opgenomen.
9. Voor redactionele kanttekeningen verwijst het college naar de bij het advies behorende bijlage.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De Vice-President van de Raad van State
Bijlage bij het advies van de Raad van State van 22 maart 2002, no.W08.01.0588/V, met redactionele kanttekeningen die de Raad in overweging geeft.
- Het deel van artikel 14 dat overgangsrecht bevat in een afzonderlijk artikel onderbrengen.
- Artikel 17 beginnen met: Het Inrichtingen- en vergunningenbesluit wordt als volgt gewijzigd:
In de onderdelen B en C telkens Bijlage I van dat besluit vermelden.
- Het in artikel 18, onderdeel B, voorgestelde voorschrift in twee leden verdelen (aanwijzing 99 van de Aanwijzingen voor de regelgeving (Ar)).
- In artikel 19, onderdeel C, de gewijzigde tekst van artikel 9 eerst door de aanduiding van dit artikel laten voorafgaan (aanwijzing 233, derde lid, Ar).
- In de passage over historische voertuigen in de toelichting op artikel 1, onder b (bladzijde 20, onderaan) verwijzen naar overweging 10 van richtlijn nr.2000/53/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 18 september 2000 betreffende autowrakken (PbEG L 269).
- De toelichting op artikel 16 wordt abusievelijk gegeven bij artikel 20.
Nader rapport (reactie op het advies) van 22 mei 2002
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met zijn opmerkingen rekening zal zijn gehouden.
1.1°.a. Naar aanleiding van de opmerking van de Raad is in de nota van toelichting verduidelijkt dat de daarin genoemde strengere voorschriften tot een verdergaande bescherming van het milieu leiden.
In navolging van het advies van de Raad is in de nota van toelichting de motivering van voorschrift C.6 van de bijlage bij het ontwerpbesluit uitgebreid. In de nota van toelichting was met betrekking tot dit voorschrift reeds als milieudoelstelling opgenomen de doelmatige verwijdering van afvalstoffen. In aansluiting op de nieuwe terminologie in de Wet milieubeheer zoals die wet na de inwerkingtreding van de Wet van 21 juni 2001 tot wijziging van de Wet milieubeheer (Stb. 346) luidt, is in de nota van toelichting de samenstelling "de doelmatige verwijdering" gewijzigd in "het doelmatig beheer". De zorg voor het doelmatig beheer van afvalstoffen wordt ingevolge artikel 1.1, tweede lid, van de Wet milieubeheer mede begrepen onder de bescherming van het milieu. In de nota van toelichting is een andere milieudoelstelling aan de onderbouwing van dit voorschrift toegevoegd. Deze doelstelling betreft het voorkomen van onnodig transport van gevaarlijke afvalstoffen, en van de daarmee samenhangende milieurisico's.
1.1°.b. De Raad merkt terecht op dat richtlijn nr. 2000/53/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 18 september 2000 betreffende autowrakken (PbEG L 269) (hierna: de autowrakkenrichtlijn) het opzetten van een verwerkingssysteem niet voorschrijft. Ik merk hier het volgende over op. Een autowrak heeft doorgaans een negatieve waarde als gevolg van het feit dat het overeenkomstig de regelgeving moet worden verwerkt. Ingevolge de artikelen 8, onder b, en 9 van het ontwerpbesluit ligt de verantwoordelijkheid voor de financiering en organisatie van de maatregelen die moeten worden genomen om de in artikel 9 genoemde doelstelling te bereiken, bij de producent of importeur. Om aan de verplichtingen die zijn gesteld krachtens de hiervoor genoemde artikelen te kunnen voldoen, zal de producent of importeur een verwerkingssysteem moeten opzetten.
De hiervoor genoemde artikelen van het ontwerpbesluit zijn een uitwerking van artikel 5, vierde lid, onderscheidenlijk 7, tweede lid, van de autowrakkenrichtlijn. Hoewel de autowrakkenrichtlijn het opzetten van een verwerkingssysteem niet voorschrijft, vloeit uit de hiervoor genoemde bepalingen van de autowrakkenrichtlijn - om dezelfde reden als hiervoor aangegeven - eveneens voort dat een verwerkingssysteem zal moeten worden opgezet.
In het ontwerpbesluit wordt het opzetten van een verwerkingssysteem in tegenstelling tot de autowrakkenrichtlijn expliciet voorgeschreven. Dit voorschrift dient daarom, zoals de Raad terecht constateert, te worden aangemerkt als een verdergaande maatregel. In navolging van het advies van de Raad is in de nota van toelichting deze verplichting als verdergaande maatregel nader toegelicht. Daarnaast is artikel 7 (thans artikel 8) zodanig aangepast dat de verplichting om een landelijk dekkend systeem op te zetten uitsluitend betrekking heeft op het systeem van inname van autowrakken en niet op het systeem van verwerking van autowrakken.
1.2°.a. Mede naar aanleiding van de opmerkingen van de Raad zijn de tweede en derde alinea van hoofdstuk 9 van de nota van toelichting volledig herzien. Als gevolg van nieuwe ontwikkelingen zijn de verwachtingen omtrent de omzetting van de autowrakkenrichtlijn door de Nederland omringende landen gewijzigd.
In de nieuwe tekst wordt thans aangegeven dat nog niet duidelijk is hoe de Nederland omringende landen (België, Duitsland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk) de autowrakkenrichtlijn zullen omzetten, maar dat het gezien het reeds bestaande milieubeschermingsniveau in België en Duitsland de verwachting is dat ook die landen op een aantal punten verder zullen gaan dan waartoe de autowrakkenrichtlijn verplicht. Voor het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk is dat minder duidelijk, maar de in- en uitvoer van autowrakken tussen die twee landen is verwaarloosbaar, onder andere omdat transport van autowrakken naar die landen logistiek en financieel niet aantrekkelijk is. De Raad stelt dat strengere voorschriften, als voorschrift C.6, wellicht tot hogere afvalbeheersbijdragen leiden. Deze stelling acht ik op zich juist. Hogere afvalbeheersbijdragen leiden echter niet tot verstoring van de internationale concurrentie. Een afvalbeheersbijdrage geldt immers voor elk in Nederland op de markt gebracht voertuig, ongeacht soort of herkomst.
Het advies van de Raad om in de nota van toelichting te verduidelijken in welk opzicht Nederland strengere eisen aan autodemontagebedrijven stelt dan de Nederland omringende landen heb ik niet overgenomen. Bij nader inzien is het - zoals ik hiervoor heb aangegeven - nog niet duidelijk hoe de omringende landen de autowrakkenrichtlijn zullen omzetten, en derhalve evenmin of en in hoeverre Nederland strengere eisen aan zodanige bedrijven zal stellen dan de Nederland omringende landen.
1.2°.b. Bij de uitvoering van de verplichtingen die zijn gesteld krachtens het ontwerpbesluit, is het denkbaar dat de producent of importeur afspraken maakt of gedragingen vertoont die onder het verbod van artikel 6 van de Mededingingswet kunnen vallen en waarvoor mogelijk op grond van artikel17 van die wet ontheffing kan worden gevraagd. De Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) is belast met de uitvoering en handhaving van de Mededingingswet. Het is aan de directeur-generaal NMa om te beoordelen of een systeem aan de mededingingsregels voldoet. Er zijn afspraken gemaakt door de directeur-generaal Milieubeheer met de directeur-generaal NMa over de procedurele afstemming van de besluiten van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer ten aanzien van de mededelingen enerzijds en de besluiten van de directeur-generaal NMa ten aanzien van ontheffingsverzoeken anderzijds. Als gevolg van deze afspraken zal een producent of importeur die een mededeling doet bij de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer erop gewezen worden zo spoedig mogelijk de mededeling en de daaraan ten grondslag liggende afspraken en overeenkomsten ter ontheffing aan de NMa voor te leggen. In lijn met het advies van de Raad is aan het bovenstaande aandacht besteed in de nota van toelichting (hoofdstuk 6).
1.3°. In reactie op het advies van de Raad merk ik op dat overeenkomstig artikel 176 van het EG-verdrag de verdergaande milieubeschermingsmaatregelen zullen worden gemeld aan de Europese Commissie nadat het Besluit beheer autowrakken is vastgesteld.
2. Aangezien de artikelen 7 en 8 (thans de artikelen 8 en 9) resultaatsverplichtingen bevatten, zijn die bepalingen naar mijn mening op zichzelf handhaafbaar. Achteraf kan immers gecontroleerd worden of er met betrekking tot de voertuigen van een producent of importeur een landelijk dekking innamesyteem is opgezet, de inname van autowrakken kosteloos geschiedt, alsmede of de in artikel 9 genoemde percentages met betrekking tot hergebruik of nuttige toepassing ten minste zijn behaald. Artikel 3 bevat daarentegen een inspanningsverplichting waarvan de naleving nauwelijks controleerbaar en daarmee moeilijk handhaafbaar is.
Zoals in paragraaf 8.1 van de nota van toelichting is aangegeven, zal de handhaving van het ontwerpbesluit zich met name concentreren op de mededelingsverplichting.
Ingevolge artikel 12 van het ontwerpbesluit dient in de mededeling te worden aangegeven hoe de producent of importeur uitvoering zal geven aan de krachtens het ontwerpbesluit op hem van toepassing zijnde verplichtingen. Hij zal hierin ingevolge het tweede lid van artikel 12 van het ontwerpbesluit onder meer moeten aangeven welke maatregelen hij ter bevordering van preventie zal treffen. Daarnaast zal hij gegevens moeten opnemen omtrent de wijze van de inname van autowrakken en de wijze van de financiering van het inname- en verwerkingssysteem. Op grond van artikel 14 van het ontwerpbesluit dient de producent of importeur die verplichtingen uit te voeren overeenkomstig de mededeling, zoals de minister daarmee heeft ingestemd. Ik acht het niet waarschijnlijk dat zich in de praktijk de situatie zal voordoen dat een producent of importeur geen mededeling zal doen. In de toelichting op artikel 11 (thans artikel 12) is aangegeven dat de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer met betrekking tot het opstellen van een mededeling een leidraad zal vaststellen waardoor het indienen van een mededeling wordt vergemakkelijkt en de producent of importeur weet op welke wijze de mededeling getoetst wordt.
Artikel 14 is niet van toepassing, indien de minister niet met een mededeling heeft ingestemd. In die situatie kan derhalve uitsluitend gehandhaafd worden op nakoming van de andere krachtens het ontwerpbesluit voor de producent of importeur geldende verplichtingen. In navolging van het advies van de Raad is aan het bovenstaande aandacht geschonken in de nota van de toelichting en is de toelichting op artikel 12, vijfde lid (thans artikel 13, vijfde lid) aangepast.
3. Het ontwerpbesluit en de nota van toelichting zijn overeenkomstig de opmerkingen van de Raad aangepast.
4. In het ontwerpbesluit houden -evenals in andere vergelijkbare productbesluiten, zoals het Besluit beheer wit- en bruingoed en het Besluit beheer batterijen- de mededelingsplicht (artikel 12) en de verslagleggingsplicht (artikel 15) verband met elkaar. Indien een mededeling dient te worden gedaan, moet achteraf verslag worden gedaan over de uitvoering van hetgeen in de mededeling is vermeld. Aangezien ten aanzien van driewielige voertuigen maar een beperkt aantal verplichtingen gelden, heeft de verslagleggingsplicht ook slechts betrekking op die verplichtingen. In artikel 2, eerste lid, van het ontwerpbesluit is derhalve geen sprake van een omissie. Naar aanleiding van de opmerkingen van de Raad is in de nota van toelichting nader op het bovenstaande ingegaan (hoofdstuk 4).
5. Het ontwerpbesluit is overeenkomstig het advies van de Raad aangepast. In verband met de opname in het ontwerpbesluit van twee afzonderlijke definities voor producent en importeur is in de overige bepalingen, met uitzondering van artikel 3, het begrip "producent" gewijzigd in "producent of importeur". Artikel 3 is niet gewijzigd, omdat maatregelen ter bevordering van preventie uitsluitend genomen kunnen worden door de producent.
6. Het ontwerpbesluit is overeenkomstig de opmerkingen van de Raad aangepast.
7. De nota van toelichting is overeenkomstig de opmerkingen van de Raad aangepast.
8. Het ontwerpbesluit en de nota van toelichting zijn overeenkomstig de opmerkingen van de Raad aangepast.
9. De door de Raad gemaakte redactionele kanttekeningen zijn gevolgd.
10. Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om in het ontwerpbesluit en de nota van toelichting nog de volgende aanpassingen aan te brengen.
- Als gevolg van de onder punt 1.1o .a van dit nader rapport genoemde wijziging van de Wet milieubeheer is in artikel 1.1. van de Wet milieubeheer het begrip autowrakken met de daarbij behorende omschrijving vervallen. In het Besluit inbeslaggenomen voorwerpen en het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen werd nog verwezen naar de in de Wet milieubeheer opgenomen definitie van autowrakken. In het ontwerpbesluit is thans voorzien in een wijziging van het Besluit inbeslaggenomen voorwerpen en het Besluit stortplaatsen en stortverboden, die erin voorziet dat ten aanzien van autowrakken thans verwezen wordt naar de omschrijving daarvan in het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer. De aanhef van het ontwerpbesluit is in verband met deze wijzigingen tevens aangepast.
- In verband met de inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 9 april 2002 tot aanpassing van enkele besluiten aan de gewijzigde bepalingen en terminologie inzake afvalstoffen in de Wet milieubeheer (Stb. 189) zijn in artikel 2 en artikel 19 (thans artikel 20) de citeertitels van de daarin aangehaalde koninklijke besluiten aangepast.
- Omdat batterijen eveneens onderdeel kunnen zijn van een voertuig is in artikel 2 tevens voorzien in een afbakeningsbepaling met betrekking tot het Besluit beheer batterijen.
- Er is een nieuw artikel (artikel 7) ingevoegd. In dit artikel is bepaald dat artikel 10.22, eerste lid, van de Wet milieubeheer buiten toepassing blijft met betrekking tot autowrakken. Een autowrak dat bij een particulier huishouden vrijkomt wordt aangemerkt als (grof) huishoudelijk afval. Op grond van artikel 10.22, eerste lid, van de Wet milieubeheer is een gemeente verantwoordelijk voor het inzamelen van grof huishoudelijk afval. Er zou een onwenselijke situatie ontstaan indien zowel gemeenten als producenten en importeurs verantwoordelijk zijn voor de inname van autowrakken bij particuliere huishoudens. Om die reden is in het ontwerpbesluit erin voorzien dat de inzamelplicht voor gemeenten niet geldt met betrekking tot autowrakken.
- Aan artikel 11, eerste lid, (thans artikel 12, eerste lid,) is een verwijzing naar de krachtens artikel 15, eerste lid, gestelde verplichting toegevoegd.
- In de in artikel 18, onderdeel B, (thans artikel 19, onderdeel B,) opgenomen wijziging van onderdeel 2.2.12 van het Besluit inrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer is onderdeel a, onder 2o, in die zin aangepast, dat de in het hiervoor bedoelde onderdeel a geregelde uitzondering niet geldt in het geval dat een garage- of schadeherstelbedrijf heeft verzocht om demontage van onderdelen. Daarnaast is in dat onderdeel het begrip "onderdelen" vervangen door "accessoires" omdat deze bepaling uitsluitend bedoeld is voor onderdelen die als aanvulling van een voertuig dienen.
- De inwerkingtredingsbepaling (thans artikel 24) is gewijzigd.
- Aan de bijlage bij het ontwerpbesluit is een nieuw onderdeel G toegevoegd. De in dat onderdeel opgenomen voorschriften dienen ter omzetting van Beschikking nr. 2002/151/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 19 februari 2002 inzake minimumeisen voor het certificaat van vernietiging overeenkomstig artikel 5, derde lid, van de autowrakkenrichtlijn (PbEG L 50).
- Voorschrift A.4 van de bijlage is aangepast, omdat het bij nader inzien niet mogelijk bleek oliefilters rechtop op te slaan.
- Tenslotte is een aantal artikelen van het ontwerpbesluit en een aantal voorschriften van de bijlage bij het ontwerpbesluit in redactioneel opzicht verbeterd.
Ik moge U hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
(1) Kamerstukken II 1998/99, 26 638.
(2) Kamerstukken II 1998/99, 26 638, A, punt 2a.
(3) Richtlijn nr.75/442/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen (PbEG L 194); de definitie in artikel 1.1 Wm luidt: alle stoffen, preparaten, of andere producten die behoren tot de categorieën die zijn genoemd in bijlage I bij richtlijn nr.75/442/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen, waarvan de houder zich ontdoet, voornemens zich te ontdoen of zich moet ontdoen.
(4) Arrest van het Hof van 18 december 1997, C-129/96, Inter-Environnement Wallonië ASBL (Jurisprudentie 1997, bladzijden 1-7411).
Het ontwerpbesluit strekt tot implementatie van richtlijn nr.2000/53/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 18 september 2000 betreffende autowrakken (PbEG L 269) (hierna: autowrakkenrichtlijn). In dit besluit worden producenten en importeurs van voertuigen verplicht preventieve maatregelen te nemen teneinde het ontstaan of de verwijdering van voertuigafval te voorkomen of te beperken. Daarnaast worden deze producenten en importeurs verplicht om een inname- en verwerkingssysteem, inclusief een systeem van informatieverstrekking en registratie, op te zetten voor de door hen op de markt gebrachte voertuigen die in Nederland in het afvalstadium zijn beland. Dit dient op zodanige wijze te geschieden dat de laatste eigenaar zijn voertuig zonder kosten kan afgeven aan een erkend autodemontage-, garage- of autoschadeherstelbedrijf en dat daarmee uiteindelijk 95% producthergebruik en nuttige toepassing en 85% product- en materiaalhergebruik wordt gerealiseerd. In het besluit worden tevens technische voorschriften gesteld aan inrichtingen voor het opslaan, bewerken, verwerken, vernietigen of overslaan van autowrakken teneinde de milieuprestaties van deze bedrijven te verbeteren. Deze implementatie van de autowrakkenrichtlijn geeft de Raad van State aanleiding tot het maken van de volgende opmerkingen.
1. De implementatie
Zoals in hoofdstuk 4 van de toelichting wordt beschreven, stelt het ontwerpbesluit op een aantal punten strengere eisen dan de autowrakkenrichtlijn. Terecht wordt opgemerkt dat zulks, aangezien de autowrakkenrichtlijn is gebaseerd op artikel 175 van het EG-Verdrag, is toegestaan. Artikel 176 van het EG-Verdrag bepaalt immers:
De beschermende maatregelen die worden vastgesteld uit hoofde van artikel 175 van het EG-Verdrag, beletten niet dat een lidstaat verdergaande beschermingsmaatregelen handhaaft en treft. Zulke maatregelen moeten verenigbaar zijn met dit Verdrag. Zij worden ter kennis van de Commissie gebracht.
Hieruit blijkt echter ook dat een aantal voorwaarden geldt:
1°. Het moet gaan om (verdergaande) beschermingsmaatregelen. Gelet op de context van dit artikel moet het daarbij gaan om verdergaande bescherming van het milieu.
2°. De maatregelen moeten verenigbaar zijn met het EG-Verdrag. Daarbij moet vooral aan het vrije verkeer, de mededinging en de staatssteun worden gedacht.
3°. De maatregelen moeten ter kennis worden gebracht van de Commissie.
Ad 1°
a. In het bijzonder met betrekking tot de technische voorschriften voor het opslaan, bewerken, verwerken, vernietigen of overslaan van autowrakken is de toets aan het criterium van verdergaande bescherming van het milieu van belang. In dit geval gaat het niet om versnelde implementatie maar om permanente toepassing van strengere voorschriften. In de toelichting wordt niet duidelijk gemaakt dat deze strengere voorschriften leiden tot een verdergaande bescherming van het milieu. Dat is in het bijzonder ook van belang ten aanzien van het verbod op het verhandelen van gedeeltelijk gedemonteerde autowrakken (voortvloeiend uit voorschrift C.6, dat verwijdering van alle daarin genoemde soorten onderdelen binnen één inrichting voorschrijft). Blijkens de toelichting (hoofdstuk 4, bladzijden 3-4) heeft dat voorschrift voornamelijk de doelmatige verwijdering en handhaving en fraudepreventie tot doel. De Raad adviseert in ieder geval de toelichting op dit punt aan te vullen.
b. Ingevolge artikel 7, aanhef en onder a, dient de producent zorg te dragen voor een landelijk dekkend inname- en verwerkingssysteem voor autowrakken. Deze plicht vloeit, waar het gaat om de inzameling, voort uit de autowrakkenrichtlijn. In de autowrakkenrichtlijn wordt het opzetten van een inzamelingssysteem voorgeschreven (artikel 5, eerste lid, van de autowrakkenrichtlijn). Dat geldt niet voor de verwerking van autowrakken (artikel 6 van de autowrakkenrichtlijn). Ook in dit opzicht gaat het ontwerpbesluit dus verder dan de autowrakkenrichtlijn. Strikt genomen behoeft de verplichting een verwerkingssysteem op te zetten niet te worden beschouwd als een maatregel die het milieu verdergaand beschermt. Als verdergaande maatregel behoeft ook deze verplichting ten minste motivering in de nota van toelichting.
Ad 2°
a. Zowel in het kader van versnelde implementatie als in het kader van artikel 176 van het EG-Verdrag dienen de desbetreffende maatregelen in overeenstemming te zijn met het EG-Verdrag, in het bijzonder het vrije verkeer, de mededinging en de staatssteun. Blijkens hoofdstuk 9 van de toelichting treft Nederland strengere maatregelen in vergelijking met Duitsland, België, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk. De motivering in de toelichting waarom de verdergaande voorschriften niet tot concurrentieverstoringen zullen leiden is niet goed te doorgronden.
Begrijpelijk is dat Nederland geen strengere voorschriften stelt ten aanzien van de productie en samenstelling van voertuigen. In dat opzicht is er dan ook geen probleem. Wel leiden strengere voorschriften, als voorschrift C.6 (demontage en verwerking van de daarin genoemde onderdelen binnen één inrichting), wellicht tot hogere afvalbeheersbijdragen (vergelijk hoofdstuk 4, bladzijde 3). Een algemeenverbindendverklaring moet blijkens de toelichting nog wel goedgekeurd worden door de Commissie in het kader van het mededingingsrecht (zie paragraaf 7.2.1, bladzijde 11).
Met betrekking tot de technische voorschriften wordt gesteld dat de ons omringende landen de bijlage van de autowrakkenrichtlijn rechtstreeks zullen overnemen, terwijl Nederland strengere eisen stelt. Vervolgens wordt gesteld dat in die landen (met uitzondering van het Verenigd Koninkrijk) nu al moet worden voldaan aan strengere voorschriften en dat deze - anders dan in Nederland - worden opgelegd aan de demontagebedrijven (bladzijde 17). Aangezien de voorschriften van het ontwerpbesluit voor een belangrijk deel betrekking hebben op demontage, adviseert de Raad in de toelichting te verduidelijken in welk opzicht Nederland strengere eisen stelt dan de omringende lidstaten.
b. De eerdergenoemde verplichting van de producent om zorg te dragen voor de opzet van een landelijk dekkend inname- en verwerkingssysteem voor autowrakken (artikel 7, aanhef en onder a) houdt zeker waar die verder gaat dan de autowrakkenrichtlijn (verwerkingssysteem) het risico in dat zij een negatieve uitwerking heeft op de mededinging (vrijheid contracten tussen individuele dealers en verwerkingsbedrijven). In paragraaf 7.1.2 van de toelichting (bladzijde 10) wordt dit gevaar onderkend. De opgezette systemen mogen niet in strijd komen met artikel 6 van de Mededingingswet en artikel 5, juncto artikel 81 van het EG-Verdrag. Volgens vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (HvJ EG) mogen lidstaten geen maatregelen treffen, ook niet van wettelijke en bestuurlijke aard, welke het nuttig effect van de (op ondernemingen toepasselijke) mededingingsregels ongedaan kunnen maken. Dat is het geval - aldus het HvJ EG - wanneer een lidstaat het totstandkomen van met artikel 81 van het EG-Verdrag strijdige afspraken oplegt of begunstigt dan wel de werking daarvan versterkt of aan zijn eigen regeling het overheidskarakter ontneemt door de verantwoordelijkheid voor het nemen van besluiten over te dragen aan particuliere ondernemingen (Zaak C-2/91, Meng, Jurisprudentie 1993, I-5751). Tegen die achtergrond is het in ieder geval van belang dat bij de toetsing door de minister van de mededeling van de producent over het opgezette inzamelings- en verwerkingssysteem (in de artikelen 11 en 12) wordt gelet op de verenigbaarheid van de betrokken systemen met artikel 6 van de Mededingswet en artikel 5, juncto artikel 81 van het EG-Verdrag. Die toets zal (ook) noodzakelijk zijn bij het gezamenlijk doen door producenten en importeurs van de mededeling en de verslaglegging met het oog op een vergaande kostenreductie (hoofdstuk 6, paragraaf 7.1.1, van de toelichting), in geval van afspraken van producenten en importeurs van auto's en die van wit- en bruingoed over de onderlinge afstemming bij de uitvoering van de inname- en verwerkingssystemen (toelichting op artikel 2, tweede lid), ten aanzien van het in overleg met autodemontagebedrijven vaststellen van de vergoedingen met het oog op de kosteloze inname van autowrakken door autodemontagebedrijven (toelichting op artikel 7, onder b), en in de gevallen waarin tussen producenten en importeurs met leveranciers van onderdelen en materialen wordt samengewerkt, waar het gaat om het aanbrengen van de coderingsnormen. In de toelichting zal op dit aspect moeten worden ingegaan.
Ad 3°
Blijkens de toelichting (hoofdstuk 9) is het ontwerpbesluit genotificeerd in het kader van richtlijn nr.98/34/EEG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 juni betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften (PbEG L 204) (hierna: richtlijn 98/34/EEG) (in verband met technische voorschriften in de zin van die richtlijn). Daarmee is echter nog niet voldaan aan de meldingsplicht met betrekking tot strengere voorschriften in het kader van artikel 176 van het EG-Verdrag. Daarbij is ook van belang dat niet alle strengere voorschriften technische voorschriften in de zin van richtlijn 98/34/EG bevatten. De Raad adviseert duidelijk te maken hoe aan de verplichting van artikel 176, derde volzin, van het EG-Verdrag wordt voldaan.
2. Handhaafbaarheid
Veel van wat in de autowrakkenrichtlijn en in dit ontwerpbesluit is voorgeschreven is, zo blijkt uit de nota van toelichting, overgenomen van convenanten die reeds over preventie, opzetten van een inname- en verwerkingssysteem, percentage van hergebruik van autowrakken en onderdelen daarvan waren gesloten. Dat kan verklaren waarom de hierop betrekking hebbende artikelen in de autowrakkenrichtlijn (de artikelen 4, 5 en 7) en in het ontwerpbesluit (de artikelen 3, 7 en 8) het karakter hebben van zorgplichtbepalingen. Deze kunnen zowel bestuursrechtelijk als strafrechtelijk via de Wet op de economische delicten worden gehandhaafd. In de toelichting wordt gewezen op de noodzaak van samenwerking in de keten om het ontwerpbesluit op deze en andere onderdelen uit te kunnen voeren. Eigenlijk gaat het om taakstellingen die door verschillende actoren (fabrikanten, importeurs en garagehouders) moeten worden gerealiseerd. De vraag is hoe dat op grond van de artikelen 3, 7 en 8 kan worden afgedwongen. Door gebrek aan concreetheid lenen deze bepalingen zich moeilijk voor strafrechtelijke en bestuursrechtelijke handhaving. De wijze waarop uitvoering aan deze verplichtingen zal worden gegeven moet ingevolge artikel 11 worden aangegeven in een mededeling aan de minister. Wanneer deze met de inhoud daarvan heeft ingestemd, is de producent verplicht de verplichtingen overeenkomstig die mededeling uit te voeren (artikel 13). De handhaving zal zich dus in het bijzonder op de naleving van die verplichtingen concentreren, zoals ook wordt aangegeven in paragraaf 8.1 van de nota van toelichting. Voor een vergelijkbare opzet is eerder gekozen in het Besluit verwijdering wit- en bruingoed (artikel 12 van dat besluit).
In de gevallen waarin de minister niet met de mededeling heeft ingestemd of in het geheel geen mededeling is gedaan, blijft de handhaving van vorengenoemde zorgplichten echter moeilijk. De mededeling in de toelichting op artikel 12, vijfde lid, dat dan niet aan de verplichtingen van dit besluit wordt voldaan en het handhavingsinstrumentarium zal worden ingezet, schenkt niet voldoende aandacht aan de effectiviteit daarvan, gelet op het karakter van de betrokken bepalingen, namelijk zorgverplichtingen. In die gevallen zou de producent kunnen aanvoeren dat hij ondanks het niet voldoen aan de voorwaarden voor een instemming van de minister toch in voldoende mate uitvoering geeft aan de zorgplichtbepalingen van dit besluit.
In ieder geval zal in de nota van toelichting nader op deze handhavingsaspecten moeten worden ingegaan.
3. Uitvoerbaarheid in verband met het begrip afvalstof
Zoals in de toelichting op artikel 1, aanhef en onder b, wordt gesteld, is in de begripsomschrijving van autowrak het begrip afvalstof, met het oog op de handhaving van het besluit uitgewerkt. De definitie van het begrip afvalstof in de Wet milieubeheer (Wm) is in het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet milieubeheer (structuur verwijdering afvalstoffen)(zie noot 1) naar aanleiding van het advies van de Raad(zie noot 2) en de in dat advies vermelde jurisprudentie van het HvJ EG aangepast in die zin dat daarin rechtstreeks wordt verwezen naar de definitie van afvalstof in de Kaderrichtlijn afvalstoffen.(zie noot 3) In de Kaderrichtlijn afvalstoffen is "afvalstof" gedefinieerd als "elke stof of elk voorwerp behorende tot de in bijlage I genoemde categorieën waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen". Uit die bijlage blijkt dat het onder meer kan gaan om stoffen en voorwerpen die onbruikbaar zijn geworden of niet meer (aan de geldende normen) voldoen. Bovendien vallen onder dit begrip alle stoffen, materialen of producten die niet onder de eerder in die bijlage genoemde categorieën vallen. In artikel 1, aanhef en onder b, van het ontwerpbesluit wordt bepaald dat een autowrak een voertuig is dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud verkeert, in Nederland niet op een rendabele wijze in voldoende staat van onderhoud kan worden gebracht en een afvalstof is in de zin van artikel 1.1, eerste lid, Wm. Blijkens de nota van toelichting wordt op deze wijze het "zich ontdoen-criterium" op autowrakken toegesneden. Uit de jurisprudentie van het HvJ EG(zie noot 4) valt af te leiden dat de vaststelling of een stof een afvalstof is, uitsluitend geschiedt door toetsing aan de in de Kaderrichtlijn afvalstoffen opgenomen definitie. Nu in de definitie van autowrak in de autowrakkenrichtlijn op die definitie, inclusief het open einde-karakter daarvan, wordt aangesloten, is er gelet op vorenbedoelde jurisprudentie geen ruimte om daaraan een nationale uitwerking te geven.
In het verlengde van zijn advies over eerdergenoemd wetsvoorstel adviseert de Raad de definitie van "autowrak" in de autowrakkenrichtlijn te volgen. Een andersluidende begripsomschrijving zou slechts schijnzekerheid geven. In plaats daarvan heeft het de voorkeur in de toelichting aan te geven hoe in de praktijk met betrekking tot het verwijderen, nuttig toepassen en vernietigen van de autowrakken met dit begrip zal worden gewerkt. De daarbij gegeven interpretatie zal dan binnen de contouren van de definitie van afvalstof in de Kaderrichtlijn afvalstoffen dienen te blijven. Het ontwerpbesluit en de toelichting waren in deze zin aan te passen.
Overige opmerkingen
4. Ingevolge artikel 3, vijfde lid, van de autowrakkenrichtlijn geldt de verslagverplichting van ondernemingen in artikel 9 van die richtlijn niet ten aanzien van driewielige motorvoertuigen. In het ontwerpbesluit vallen deze voertuigen onder de definitie in artikel 1, aanhef en onder a, 1. In artikel 2, eerste lid, van het ontwerpbesluit worden ten aanzien van deze voertuigen de verslagverplichtingen van artikel 14, eerste, tweede en derde lid, niet uitgezonderd. Wel de verplichting om gegevens daaruit op te nemen in reclamemateriaal (artikel 14, vierde lid). Wellicht is hier sprake van een omissie. Indien dat niet het geval is, behoeft deze beperkte uitzondering als verdergaande maatregel nadere toelichting en rechtvaardiging.
5. In artikel 1, aanhef en onder c, worden zowel de producent (fabrikant) als de importeur begrepen onder de definitie van "producent". In met dit besluit verwante besluiten worden de begrippen "producent" en "importeur" naast elkaar gebruikt, bijvoorbeeld in het Besluit verwijdering wit- en bruingoed en het Besluit verwijdering personenwagenbanden. Het gebruik van het woord "producent" in twee verschillende betekenissen in dezelfde kleine wetsfamilie wekt verwarring. Bovendien wordt het begrip "producent" in de toelichting meestal in de beperkte betekenis van fabrikant gebruikt, bijvoorbeeld in de hoofdstukken 3 en 7.1.1. In verband hiermee adviseert de Raad in artikel 1 twee afzonderlijke definities voor producent en importeur op te nemen.
6. In artikel 9 wordt gesproken van materialen en onderdelen die bij ministeriële regeling ter uitvoering van de door de Commissie van de Europese Gemeenschappen op grond van artikel 8, tweede lid, van de autowrakkenrichtlijn gestelde regels zijn aangewezen. Ter vermijding van misverstanden omtrent de basis van deze ministeriële regeling (namelijk niet in dit ontwerpbesluit) verdient het aanbeveling dat daarbij wordt verwezen naar artikel 10.16, derde lid, Wm.
7. In paragraaf 8.1 van de nota van toelichting wordt ervan uitgegaan dat in hoofdstuk 18 Wm ook de bevoegdheid voor het opleggen van een bestuurlijke boete is geregeld. In de geldende Wm is die bevoegdheid niet opgenomen, ook niet, voorzover het college bekend, in nog lopende wetsvoorstellen tot wijziging van die wet. Deze passage in de toelichting behoeft daarom aanpassing.
8. In de toelichting op onderdeel A van de voorschriften van de bijlage bij dit ontwerpbesluit wordt erop gewezen dat, indien de voorgeschreven overkapping voor de opslag van afgetapte vloeistoffen enzovoort om planologische redenen niet mogelijk is, kan worden volstaan met een gelijkwaardige voorziening, zoals het afdoende afdekken van opslagmiddelen met een dekzeil. Mede gelet op aanwijzing 214 van de Aanwijzingen voor de regelgeving, dient deze regel in de voorschriften zelf te worden opgenomen.
9. Voor redactionele kanttekeningen verwijst het college naar de bij het advies behorende bijlage.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De Vice-President van de Raad van State
Bijlage bij het advies van de Raad van State van 22 maart 2002, no.W08.01.0588/V, met redactionele kanttekeningen die de Raad in overweging geeft.
- Het deel van artikel 14 dat overgangsrecht bevat in een afzonderlijk artikel onderbrengen.
- Artikel 17 beginnen met: Het Inrichtingen- en vergunningenbesluit wordt als volgt gewijzigd:
In de onderdelen B en C telkens Bijlage I van dat besluit vermelden.
- Het in artikel 18, onderdeel B, voorgestelde voorschrift in twee leden verdelen (aanwijzing 99 van de Aanwijzingen voor de regelgeving (Ar)).
- In artikel 19, onderdeel C, de gewijzigde tekst van artikel 9 eerst door de aanduiding van dit artikel laten voorafgaan (aanwijzing 233, derde lid, Ar).
- In de passage over historische voertuigen in de toelichting op artikel 1, onder b (bladzijde 20, onderaan) verwijzen naar overweging 10 van richtlijn nr.2000/53/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 18 september 2000 betreffende autowrakken (PbEG L 269).
- De toelichting op artikel 16 wordt abusievelijk gegeven bij artikel 20.
Nader rapport (reactie op het advies) van 22 mei 2002
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met zijn opmerkingen rekening zal zijn gehouden.
1.1°.a. Naar aanleiding van de opmerking van de Raad is in de nota van toelichting verduidelijkt dat de daarin genoemde strengere voorschriften tot een verdergaande bescherming van het milieu leiden.
In navolging van het advies van de Raad is in de nota van toelichting de motivering van voorschrift C.6 van de bijlage bij het ontwerpbesluit uitgebreid. In de nota van toelichting was met betrekking tot dit voorschrift reeds als milieudoelstelling opgenomen de doelmatige verwijdering van afvalstoffen. In aansluiting op de nieuwe terminologie in de Wet milieubeheer zoals die wet na de inwerkingtreding van de Wet van 21 juni 2001 tot wijziging van de Wet milieubeheer (Stb. 346) luidt, is in de nota van toelichting de samenstelling "de doelmatige verwijdering" gewijzigd in "het doelmatig beheer". De zorg voor het doelmatig beheer van afvalstoffen wordt ingevolge artikel 1.1, tweede lid, van de Wet milieubeheer mede begrepen onder de bescherming van het milieu. In de nota van toelichting is een andere milieudoelstelling aan de onderbouwing van dit voorschrift toegevoegd. Deze doelstelling betreft het voorkomen van onnodig transport van gevaarlijke afvalstoffen, en van de daarmee samenhangende milieurisico's.
1.1°.b. De Raad merkt terecht op dat richtlijn nr. 2000/53/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 18 september 2000 betreffende autowrakken (PbEG L 269) (hierna: de autowrakkenrichtlijn) het opzetten van een verwerkingssysteem niet voorschrijft. Ik merk hier het volgende over op. Een autowrak heeft doorgaans een negatieve waarde als gevolg van het feit dat het overeenkomstig de regelgeving moet worden verwerkt. Ingevolge de artikelen 8, onder b, en 9 van het ontwerpbesluit ligt de verantwoordelijkheid voor de financiering en organisatie van de maatregelen die moeten worden genomen om de in artikel 9 genoemde doelstelling te bereiken, bij de producent of importeur. Om aan de verplichtingen die zijn gesteld krachtens de hiervoor genoemde artikelen te kunnen voldoen, zal de producent of importeur een verwerkingssysteem moeten opzetten.
De hiervoor genoemde artikelen van het ontwerpbesluit zijn een uitwerking van artikel 5, vierde lid, onderscheidenlijk 7, tweede lid, van de autowrakkenrichtlijn. Hoewel de autowrakkenrichtlijn het opzetten van een verwerkingssysteem niet voorschrijft, vloeit uit de hiervoor genoemde bepalingen van de autowrakkenrichtlijn - om dezelfde reden als hiervoor aangegeven - eveneens voort dat een verwerkingssysteem zal moeten worden opgezet.
In het ontwerpbesluit wordt het opzetten van een verwerkingssysteem in tegenstelling tot de autowrakkenrichtlijn expliciet voorgeschreven. Dit voorschrift dient daarom, zoals de Raad terecht constateert, te worden aangemerkt als een verdergaande maatregel. In navolging van het advies van de Raad is in de nota van toelichting deze verplichting als verdergaande maatregel nader toegelicht. Daarnaast is artikel 7 (thans artikel 8) zodanig aangepast dat de verplichting om een landelijk dekkend systeem op te zetten uitsluitend betrekking heeft op het systeem van inname van autowrakken en niet op het systeem van verwerking van autowrakken.
1.2°.a. Mede naar aanleiding van de opmerkingen van de Raad zijn de tweede en derde alinea van hoofdstuk 9 van de nota van toelichting volledig herzien. Als gevolg van nieuwe ontwikkelingen zijn de verwachtingen omtrent de omzetting van de autowrakkenrichtlijn door de Nederland omringende landen gewijzigd.
In de nieuwe tekst wordt thans aangegeven dat nog niet duidelijk is hoe de Nederland omringende landen (België, Duitsland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk) de autowrakkenrichtlijn zullen omzetten, maar dat het gezien het reeds bestaande milieubeschermingsniveau in België en Duitsland de verwachting is dat ook die landen op een aantal punten verder zullen gaan dan waartoe de autowrakkenrichtlijn verplicht. Voor het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk is dat minder duidelijk, maar de in- en uitvoer van autowrakken tussen die twee landen is verwaarloosbaar, onder andere omdat transport van autowrakken naar die landen logistiek en financieel niet aantrekkelijk is. De Raad stelt dat strengere voorschriften, als voorschrift C.6, wellicht tot hogere afvalbeheersbijdragen leiden. Deze stelling acht ik op zich juist. Hogere afvalbeheersbijdragen leiden echter niet tot verstoring van de internationale concurrentie. Een afvalbeheersbijdrage geldt immers voor elk in Nederland op de markt gebracht voertuig, ongeacht soort of herkomst.
Het advies van de Raad om in de nota van toelichting te verduidelijken in welk opzicht Nederland strengere eisen aan autodemontagebedrijven stelt dan de Nederland omringende landen heb ik niet overgenomen. Bij nader inzien is het - zoals ik hiervoor heb aangegeven - nog niet duidelijk hoe de omringende landen de autowrakkenrichtlijn zullen omzetten, en derhalve evenmin of en in hoeverre Nederland strengere eisen aan zodanige bedrijven zal stellen dan de Nederland omringende landen.
1.2°.b. Bij de uitvoering van de verplichtingen die zijn gesteld krachtens het ontwerpbesluit, is het denkbaar dat de producent of importeur afspraken maakt of gedragingen vertoont die onder het verbod van artikel 6 van de Mededingingswet kunnen vallen en waarvoor mogelijk op grond van artikel17 van die wet ontheffing kan worden gevraagd. De Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) is belast met de uitvoering en handhaving van de Mededingingswet. Het is aan de directeur-generaal NMa om te beoordelen of een systeem aan de mededingingsregels voldoet. Er zijn afspraken gemaakt door de directeur-generaal Milieubeheer met de directeur-generaal NMa over de procedurele afstemming van de besluiten van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer ten aanzien van de mededelingen enerzijds en de besluiten van de directeur-generaal NMa ten aanzien van ontheffingsverzoeken anderzijds. Als gevolg van deze afspraken zal een producent of importeur die een mededeling doet bij de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer erop gewezen worden zo spoedig mogelijk de mededeling en de daaraan ten grondslag liggende afspraken en overeenkomsten ter ontheffing aan de NMa voor te leggen. In lijn met het advies van de Raad is aan het bovenstaande aandacht besteed in de nota van toelichting (hoofdstuk 6).
1.3°. In reactie op het advies van de Raad merk ik op dat overeenkomstig artikel 176 van het EG-verdrag de verdergaande milieubeschermingsmaatregelen zullen worden gemeld aan de Europese Commissie nadat het Besluit beheer autowrakken is vastgesteld.
2. Aangezien de artikelen 7 en 8 (thans de artikelen 8 en 9) resultaatsverplichtingen bevatten, zijn die bepalingen naar mijn mening op zichzelf handhaafbaar. Achteraf kan immers gecontroleerd worden of er met betrekking tot de voertuigen van een producent of importeur een landelijk dekking innamesyteem is opgezet, de inname van autowrakken kosteloos geschiedt, alsmede of de in artikel 9 genoemde percentages met betrekking tot hergebruik of nuttige toepassing ten minste zijn behaald. Artikel 3 bevat daarentegen een inspanningsverplichting waarvan de naleving nauwelijks controleerbaar en daarmee moeilijk handhaafbaar is.
Zoals in paragraaf 8.1 van de nota van toelichting is aangegeven, zal de handhaving van het ontwerpbesluit zich met name concentreren op de mededelingsverplichting.
Ingevolge artikel 12 van het ontwerpbesluit dient in de mededeling te worden aangegeven hoe de producent of importeur uitvoering zal geven aan de krachtens het ontwerpbesluit op hem van toepassing zijnde verplichtingen. Hij zal hierin ingevolge het tweede lid van artikel 12 van het ontwerpbesluit onder meer moeten aangeven welke maatregelen hij ter bevordering van preventie zal treffen. Daarnaast zal hij gegevens moeten opnemen omtrent de wijze van de inname van autowrakken en de wijze van de financiering van het inname- en verwerkingssysteem. Op grond van artikel 14 van het ontwerpbesluit dient de producent of importeur die verplichtingen uit te voeren overeenkomstig de mededeling, zoals de minister daarmee heeft ingestemd. Ik acht het niet waarschijnlijk dat zich in de praktijk de situatie zal voordoen dat een producent of importeur geen mededeling zal doen. In de toelichting op artikel 11 (thans artikel 12) is aangegeven dat de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer met betrekking tot het opstellen van een mededeling een leidraad zal vaststellen waardoor het indienen van een mededeling wordt vergemakkelijkt en de producent of importeur weet op welke wijze de mededeling getoetst wordt.
Artikel 14 is niet van toepassing, indien de minister niet met een mededeling heeft ingestemd. In die situatie kan derhalve uitsluitend gehandhaafd worden op nakoming van de andere krachtens het ontwerpbesluit voor de producent of importeur geldende verplichtingen. In navolging van het advies van de Raad is aan het bovenstaande aandacht geschonken in de nota van de toelichting en is de toelichting op artikel 12, vijfde lid (thans artikel 13, vijfde lid) aangepast.
3. Het ontwerpbesluit en de nota van toelichting zijn overeenkomstig de opmerkingen van de Raad aangepast.
4. In het ontwerpbesluit houden -evenals in andere vergelijkbare productbesluiten, zoals het Besluit beheer wit- en bruingoed en het Besluit beheer batterijen- de mededelingsplicht (artikel 12) en de verslagleggingsplicht (artikel 15) verband met elkaar. Indien een mededeling dient te worden gedaan, moet achteraf verslag worden gedaan over de uitvoering van hetgeen in de mededeling is vermeld. Aangezien ten aanzien van driewielige voertuigen maar een beperkt aantal verplichtingen gelden, heeft de verslagleggingsplicht ook slechts betrekking op die verplichtingen. In artikel 2, eerste lid, van het ontwerpbesluit is derhalve geen sprake van een omissie. Naar aanleiding van de opmerkingen van de Raad is in de nota van toelichting nader op het bovenstaande ingegaan (hoofdstuk 4).
5. Het ontwerpbesluit is overeenkomstig het advies van de Raad aangepast. In verband met de opname in het ontwerpbesluit van twee afzonderlijke definities voor producent en importeur is in de overige bepalingen, met uitzondering van artikel 3, het begrip "producent" gewijzigd in "producent of importeur". Artikel 3 is niet gewijzigd, omdat maatregelen ter bevordering van preventie uitsluitend genomen kunnen worden door de producent.
6. Het ontwerpbesluit is overeenkomstig de opmerkingen van de Raad aangepast.
7. De nota van toelichting is overeenkomstig de opmerkingen van de Raad aangepast.
8. Het ontwerpbesluit en de nota van toelichting zijn overeenkomstig de opmerkingen van de Raad aangepast.
9. De door de Raad gemaakte redactionele kanttekeningen zijn gevolgd.
10. Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om in het ontwerpbesluit en de nota van toelichting nog de volgende aanpassingen aan te brengen.
- Als gevolg van de onder punt 1.1o .a van dit nader rapport genoemde wijziging van de Wet milieubeheer is in artikel 1.1. van de Wet milieubeheer het begrip autowrakken met de daarbij behorende omschrijving vervallen. In het Besluit inbeslaggenomen voorwerpen en het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen werd nog verwezen naar de in de Wet milieubeheer opgenomen definitie van autowrakken. In het ontwerpbesluit is thans voorzien in een wijziging van het Besluit inbeslaggenomen voorwerpen en het Besluit stortplaatsen en stortverboden, die erin voorziet dat ten aanzien van autowrakken thans verwezen wordt naar de omschrijving daarvan in het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer. De aanhef van het ontwerpbesluit is in verband met deze wijzigingen tevens aangepast.
- In verband met de inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 9 april 2002 tot aanpassing van enkele besluiten aan de gewijzigde bepalingen en terminologie inzake afvalstoffen in de Wet milieubeheer (Stb. 189) zijn in artikel 2 en artikel 19 (thans artikel 20) de citeertitels van de daarin aangehaalde koninklijke besluiten aangepast.
- Omdat batterijen eveneens onderdeel kunnen zijn van een voertuig is in artikel 2 tevens voorzien in een afbakeningsbepaling met betrekking tot het Besluit beheer batterijen.
- Er is een nieuw artikel (artikel 7) ingevoegd. In dit artikel is bepaald dat artikel 10.22, eerste lid, van de Wet milieubeheer buiten toepassing blijft met betrekking tot autowrakken. Een autowrak dat bij een particulier huishouden vrijkomt wordt aangemerkt als (grof) huishoudelijk afval. Op grond van artikel 10.22, eerste lid, van de Wet milieubeheer is een gemeente verantwoordelijk voor het inzamelen van grof huishoudelijk afval. Er zou een onwenselijke situatie ontstaan indien zowel gemeenten als producenten en importeurs verantwoordelijk zijn voor de inname van autowrakken bij particuliere huishoudens. Om die reden is in het ontwerpbesluit erin voorzien dat de inzamelplicht voor gemeenten niet geldt met betrekking tot autowrakken.
- Aan artikel 11, eerste lid, (thans artikel 12, eerste lid,) is een verwijzing naar de krachtens artikel 15, eerste lid, gestelde verplichting toegevoegd.
- In de in artikel 18, onderdeel B, (thans artikel 19, onderdeel B,) opgenomen wijziging van onderdeel 2.2.12 van het Besluit inrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer is onderdeel a, onder 2o, in die zin aangepast, dat de in het hiervoor bedoelde onderdeel a geregelde uitzondering niet geldt in het geval dat een garage- of schadeherstelbedrijf heeft verzocht om demontage van onderdelen. Daarnaast is in dat onderdeel het begrip "onderdelen" vervangen door "accessoires" omdat deze bepaling uitsluitend bedoeld is voor onderdelen die als aanvulling van een voertuig dienen.
- De inwerkingtredingsbepaling (thans artikel 24) is gewijzigd.
- Aan de bijlage bij het ontwerpbesluit is een nieuw onderdeel G toegevoegd. De in dat onderdeel opgenomen voorschriften dienen ter omzetting van Beschikking nr. 2002/151/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 19 februari 2002 inzake minimumeisen voor het certificaat van vernietiging overeenkomstig artikel 5, derde lid, van de autowrakkenrichtlijn (PbEG L 50).
- Voorschrift A.4 van de bijlage is aangepast, omdat het bij nader inzien niet mogelijk bleek oliefilters rechtop op te slaan.
- Tenslotte is een aantal artikelen van het ontwerpbesluit en een aantal voorschriften van de bijlage bij het ontwerpbesluit in redactioneel opzicht verbeterd.
Ik moge U hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
(1) Kamerstukken II 1998/99, 26 638.
(2) Kamerstukken II 1998/99, 26 638, A, punt 2a.
(3) Richtlijn nr.75/442/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen (PbEG L 194); de definitie in artikel 1.1 Wm luidt: alle stoffen, preparaten, of andere producten die behoren tot de categorieën die zijn genoemd in bijlage I bij richtlijn nr.75/442/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen, waarvan de houder zich ontdoet, voornemens zich te ontdoen of zich moet ontdoen.
(4) Arrest van het Hof van 18 december 1997, C-129/96, Inter-Environnement Wallonië ASBL (Jurisprudentie 1997, bladzijden 1-7411).