Voorstel van wet met memorie van toelichting tot wijziging van de Wet op de loonbelasting 1964 (aanpassing fiscale behandeling VUT).
- Kenmerk
- W06.02.0161/IV
- Datum advies
- 12 juli 2002
- Vindplaats
- Bijvoegsel Staatscourant 19 oktober 2003, nr 198
- Financiën
- Wet
Toon inhoud
Volledige tekst
Voorstel van wet met memorie van toelichting tot wijziging van de Wet op de loonbelasting 1964 (aanpassing fiscale behandeling VUT).
Bij Kabinetsmissive van 12 april 2002, no.02.001824, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Financiën, mede namens de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.F. Hoogervorst, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet met memorie van toelichting tot wijziging van de Wet op de loonbelasting 1964 (aanpassing fiscale behandeling VUT).
Het voorstel geeft uitwerking aan het kabinetsstandpunt over de bevordering van de arbeidsdeelname van oudere werknemers voorzover het betreft het vervallen van de fiscale faciliëring van VUT-regelingen. Deze faciliteit bestaat uit de toepassing van de omkeerregeling.
De Raad van State stelt vast dat het voorstel weinig te maken heeft met het doen vervallen van de omkeerregeling, maar dat het tot een meervoudige heffing over de VUT-uitkeringen leidt die tot meer dan 100% van het bedrag van die uitkeringen kan oplopen. De Raad is van oordeel dat deze heffing niet te rechtvaardigen is en adviseert het voorstel zodanig aan te passen dat alleen de faciliteit, bestaande in de toepassing van de omkeerregel voor de VUT-regelingen, komt te vervallen.
1a. Het voorstel geeft uitwerking aan het kabinetsstandpunt over de bevordering van de arbeidsdeelname van oudere werknemers (Kamerstukken II 1999/2000, 27 046).
Het kabinet zet hierbij naast andere voorstellen in op een extra impuls voor het omzetten van VUT-regelingen in prepensioenregelingen door onder meer de fiscale faciliëring voor VUT-regelingen die na 1 januari 2003 tot stand zouden komen, direct, en voor bestaande VUT-regelingen na een ruime overgangsperiode te willen laten vervallen.
De fiscale faciliëring voor VUT-regelingen bestaat uit de toepassing van de zogenoemde omkeerregeling, hetgeen inhoudt dat de aanspraken ingevolge een VUT-regeling niet tot het loon worden gerekend, maar de VUT-uitkeringen als loon worden belast. Hiermee samenhangend is tevens bepaald, dat de bijdragen die van de werknemer voor een VUT-regeling worden ingehouden, aftrekbaar zijn.
De aanspraak op de VUT ontstaat voor werknemers op het tijdstip van invoering van een VUT-regeling of op het moment van het sluiten van een arbeidsovereenkomst indien tot de arbeidsvoorwaarden een VUT-regeling behoort, omdat het een voorziening is krachtens welke de werknemer het recht heeft om na verloop van tijd en onder bepaalde voorwaarden periodiek een uitkering te ontvangen. Hieraan doet niet af dat VUT-regelingen geen opbouw kennen zoals wel het geval is bij (pre-)pensioenregelingen; deze omstandigheid brengt niet mee dat de aanspraak in de zin van artikel 10, tweede lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB 1964) eerst ontstaat op het tijdstip van het ingaan van de VUT-uitkeringen. Het spraakgebruik werkt echter verwarring in de hand omdat het begrip aanspraak veelal gelijk wordt gesteld met een ingegaan recht; in paragraaf 3 van de toelichting lijkt de term "aanspraak" naar spraakgebruik gebruikt te worden.
Het voorgestelde regime, dat beoogt de huidige fiscale faciliëring voor VUT-regelingen te laten vervallen, bestaat uit de volgende elementen:
a. de aanspraken blijven vrijgesteld;
b. de VUT-uitkeringen blijven als loon (box I) belast bij de werknemer;
c. de werknemersbijdragen zijn niet langer aftrekbaar;
d. de VUT-uitkeringen die de werkgever doet, of de bijdragen die hij aan een VUT-fonds doet, worden bij hem belast tegen een tarief van 52%.
Het voorstel heeft weinig te maken met het laten vervallen van de omkeerregel, die door de elementen a en b volledig wordt gehandhaafd. Het houdt enkel een meervoudige heffing over de VUT-uitkeringen in die tot meer dan 100% van het bedrag van die uitkeringen kan oplopen door het gezamenlijke effect van element b met element c of d. Naar het oordeel van de Raad is een dergelijk heffing niet te rechtvaardigen.
Indien het kabinet van oordeel is, dat de nadelen van VUT-regelingen zodanig zijn dat deze regelingen dienen te worden tegengegaan, ligt het voor de hand in de eerste plaats het overeenkomen van deze regelingen arbeidsrechtelijk te verbieden of de bedingen met nietigheid te bedreigen. Wordt de inbreuk op de rechtsorde door het overeenkomen van VUT-regelingen zo groot geoordeeld dat een sanctie op haar plaats is, zou het treffen van de VUT-regeling als een economisch delict kunnen worden aangemerkt. Het kabinet heeft echter niet voor deze mogelijkheden gekozen. Door het opleggen van een meervoudige heffing die tot meer dan 100% kan oplopen, wordt het treffen van een VUT-regeling de facto bestraft. Naar het oordeel van de Raad is het onjuist het fiscale instrument op deze wijze in te zetten.
De Raad wijst erop dat na het vervallen van de omkeerregel het belasten van de aanspraak en het betrekken van het "VUT-recht" in de vermogensrendementsheffing, ook al worden die laag gewaardeerd in verband met de grote onzekerheid over het ontvangen van uitkeringen, reeds het treffen van nieuwe VUT-regelingen zullen ontmoedigen; het betalen van belasting over een toekomstig, maar zeer onzeker recht dat op geen enkele wijze liquide te maken is, wekt nu eenmaal weerstand.
De Raad adviseert het voorstel zodanig aan te passen, dat alleen de faciliteit bestaande in de toepassing van de omkeerregel voor de VUT-regelingen, komt te vervallen. Daarmee blijft het binnen de grenzen van een uitwerking van het eerder genoemde kabinetsstandpunt. Uit het overleg dat met de vaste commissie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is gevoerd, blijkt ook niet dat een aanscherping van dat standpunt aan de orde is geweest (Kamerstukken II 1999/2000, 27 046, nr.2).
b. De Raad is zich bewust van problemen bij de praktische uitvoerbaarheid van het laten vervallen van de omkeerregel.
Het laten vervallen van die regeling leidt ertoe, dat bij de werknemer de aanspraken uit hoofde van een VUT-regeling belast worden en dat zijn bijdragen aan de VUT-regeling niet meer aftrekbaar zijn. Het vervallen van de omkeerregeling houdt niet zonder meer in dat ook de afwikkeling van de VUT-regeling in de loonsfeer moet plaatsvinden, op grond waarvan de uitkeringen niet meer belast zouden kunnen worden. Het stelsel laat de ruimte - en gaat er thans bijna als hoofdregel van uit - dat na de heffing over de aanspraak een sfeerovergang plaatsvindt. De rechten uit hoofde van de VUT-regeling gaan dan vervolgens tot de "privé-sfeer" van die werknemer behoren en worden bij hem belast in box III, de vermogensrendementsheffing (hoofdstuk 5 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001)), zoals nu reeds geldt voor de onzuivere pensioenregelingen. De VUT-uitkeringen worden in dat geval in die box niet als zodanig belast, maar 4% van de waarde van het "VUT-recht" (de gekapitaliseerde waarde van de te verwachten uitkeringen) wordt gedurende de periode vanaf de toekenning van de aanspraak tot het einde van de uitkeringen tegen een vast tarief van 30% in de inkomstenbelastingheffing betrokken.
De waardering van de aanspraken uit hoofde de VUT-regeling en de waardering van het VUT-recht zijn zeer moeilijk en vergen wellicht een praktische, forfaitaire oplossing, omdat de effectuering van het recht afhankelijk is van de omstandigheid of de werknemer in de tien aan de VUT voorafgaande jaren in dienst van de desbetreffende werkgever is; zowel sterftekans als blijfkans moeten derhalve worden geschat. Bovendien is de effectuering van het VUT-recht afhankelijk van de keuze van de werknemer, zodat ook die omstandigheid bij de waardebepaling moet worden meegenomen. Aanknopingspunten voor die waarderingen zijn nog niet voor handen, aangezien de VUT thans in een omslagstelsel wordt gefinancierd; tarieven van verzekeraars om VUT-aanspraken te dekken zijn dus niet bekend. Naar het oordeel van de Raad zijn deze waarderingsproblemen echter niet onoplosbaar, zodat niet reeds op grond van uitvoeringsproblemen van het laten vervallen van de omkeerregel behoeft te worden afgezien.
De Raad adviseert op deze aspecten in te gaan.
2. In de toelichting op artikel I, onderdeel A, van het voorstel wordt gesteld dat het loonbegrip van artikel 10 dermate ruim is, dat uitkeringen ingevolge een onbelaste aanspraak tot het loon behoren, ook voorzover de aanspraak wordt gedekt door een bijdrage van de werknemer. Een overeenkomstige opmerking wordt gemaakt in de toelichting op artikel I, onderdeel B, van het voorstel.
De Raad merkt op, dat deze opmerkingen niet sporen met het wettelijke systeem. Loon dat de poort van de belastingheffing is doorgegaan, komt in de privé-sfeer van de werknemer. Indien hij dit aanwendt voor de verwerving van een recht om na verloop van tijd of onder een voorwaarde één of meer uitkeringen te ontvangen, belegt hij; hij opereert op het terrein van box III. De uitkeringen die zijn terug te voeren op de "after tax"-betalingen van de werknemer kunnen dan ook niet meer worden aangemerkt als loon (box I).
Uiteraard kan de wetgever het systeem doorbreken met een uitdrukkelijk daarop gerichte bepaling. In die zin is artikel 10, vierde lid, Wet LB 1964 op te vatten.
De Raad adviseert de toelichting aan te passen.
3. Het voorstel beperkt zich niet tot de VUT-regelingen maar betrekt ook de onzuivere pensioenregelingen (artikel 18, derde lid, Wet LB 1964) in het strafregime. Deze onzuivere pensioenregelingen bieden in het algemeen geen mogelijkheid om vervroegd het arbeidsproces te verlaten, maar zijn als zodanig gekwalificeerd omdat zij niet binnen de grenzen van de gefacilieerde pensioenregelingen zijn gebleven. Voor de onzuivere pensioenregelingen geldt zoals hiervoor reeds is opgemerkt, de omkeerregel niet. Er is geen reden aangegeven waarom deze onzuivere pensioenregelingen zonder enige beperking betrokken zouden dienen te worden bij maatregelen die de bevordering van de arbeidsdeelname van oudere werknemers ten doel hebben.
De omschrijving van hetgeen onder een regeling voor vervroegde uittreding wordt verstaan, zoals voorgesteld in artikel 32b, derde lid, Wet LB 1964 is te ruim, omdat de omschrijving zich niet beperkt tot regelingen die ten doel hebben voorafgaand aan het ingaan van uitkeringen ingevolge een pensioenregeling of de AOW te voorzien in periodieke uitkeringen.
De Raad adviseert de omschrijving van regelingen voor vervroegde uitkering zodanig aan te passen dat alleen regelingen die de mogelijkheid bieden om vervroegd het arbeidsproces te verlaten, onder die omschrijving vallen.
4. Voor redactionele kanttekeningen verwijst het college naar de bij het advies behorende bijlage.
De Raad van State heeft mitsdien bezwaar tegen het voorstel van wet en geeft U in overweging dit niet aldus te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal.
De Vice-President van de Raad van State
Bijlage bij het advies van de Raad van State van 12 juli 2002, no.W06.02.0161/IV, met redactionele kanttekeningen die de Raad in overweging geeft.
- De wijziging van artikel 19a, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB 1964) verbreekt de verbinding met hetgeen met de wijziging van artikel 19b, eerste lid, onderdeel c, Wet LB 1964 wordt beoogd. De bepalingen op elkaar laten aansluiten.
- Artikel 32b, derde lid, Wet LB 1964 omschrijft de regeling voor vervroegde uittreding waarbij alleen de pensioenregelingen als bedoeld in artikel 18 of 38a Wet LB 1964 buiten deze omschrijving blijven. Aangeven onder welke regime de zogenoemde aangewezen pensioenregelingen als bedoeld in artikel 19d Wet LB 1964 vallen.
Nader rapport (reactie op het advies) van 15 september 2003
Bij de totstandkoming van het Hoofdlijnenakkoord heeft een heroverweging plaatsgevonden van de uitgangspunten die aan dit wetsvoorstel ten grondslag lagen. Dit wetsvoorstel beoogde uitwerking te geven aan het kabinetsstandpunt Bevordering Arbeidsdeelname Ouderen (Kamerstukken II 1999/2000, 27 046). Een van de uitgangspunten daarbij was, dat de op omslagbasis gefinancierde VUT-regelingen zouden moeten worden omgezet in op basis van kapitaaldekking gefinancierde (pre)pensioenregelingen. Gelet op de demografische en maatschappelijke ontwikkelingen is in het Hoofdlijnenakkoord echter gekozen voor een bredere aanpak. Om de gevolgen van de vergrijzing op te kunnen vangen en de arbeidsparticipatie van ouderen te bevorderen, dient naast de fiscale behandeling van VUT-regelingen ook de fiscale behandeling van (pre)pensioenregelingen te worden aangepast. In het voorstel van wet houdende wijziging van enkele belastingwetten c.a. (Belastingplan 2004) is daartoe een samenhangend pakket aan maatregelen opgenomen, dat zowel de fiscale behandeling van VUT-regelingen als de fiscale behandeling van (pre)pensioenregelingen betreft. Het eerder ter advisering aan de Raad voorgelegde wetsvoorstel kan hiermee komen te vervallen.
Daartoe gemachtigd door de ministerraad moge ik U, mede namens de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verzoeken goed te vinden dat het advies van de Raad van State buiten verdere behandeling wordt gelaten en dat het onderhavige nader rapport tezamen met het advies van de Raad van State en het voorstel van wet en de daarbij behorende memorie van toelichting zoals deze aan de Raad van State zijn voorgelegd, openbaar wordt gemaakt
De Staatssecretaris van Financiën
Het voorstel geeft uitwerking aan het kabinetsstandpunt over de bevordering van de arbeidsdeelname van oudere werknemers voorzover het betreft het vervallen van de fiscale faciliëring van VUT-regelingen. Deze faciliteit bestaat uit de toepassing van de omkeerregeling.
De Raad van State stelt vast dat het voorstel weinig te maken heeft met het doen vervallen van de omkeerregeling, maar dat het tot een meervoudige heffing over de VUT-uitkeringen leidt die tot meer dan 100% van het bedrag van die uitkeringen kan oplopen. De Raad is van oordeel dat deze heffing niet te rechtvaardigen is en adviseert het voorstel zodanig aan te passen dat alleen de faciliteit, bestaande in de toepassing van de omkeerregel voor de VUT-regelingen, komt te vervallen.
1a. Het voorstel geeft uitwerking aan het kabinetsstandpunt over de bevordering van de arbeidsdeelname van oudere werknemers (Kamerstukken II 1999/2000, 27 046).
Het kabinet zet hierbij naast andere voorstellen in op een extra impuls voor het omzetten van VUT-regelingen in prepensioenregelingen door onder meer de fiscale faciliëring voor VUT-regelingen die na 1 januari 2003 tot stand zouden komen, direct, en voor bestaande VUT-regelingen na een ruime overgangsperiode te willen laten vervallen.
De fiscale faciliëring voor VUT-regelingen bestaat uit de toepassing van de zogenoemde omkeerregeling, hetgeen inhoudt dat de aanspraken ingevolge een VUT-regeling niet tot het loon worden gerekend, maar de VUT-uitkeringen als loon worden belast. Hiermee samenhangend is tevens bepaald, dat de bijdragen die van de werknemer voor een VUT-regeling worden ingehouden, aftrekbaar zijn.
De aanspraak op de VUT ontstaat voor werknemers op het tijdstip van invoering van een VUT-regeling of op het moment van het sluiten van een arbeidsovereenkomst indien tot de arbeidsvoorwaarden een VUT-regeling behoort, omdat het een voorziening is krachtens welke de werknemer het recht heeft om na verloop van tijd en onder bepaalde voorwaarden periodiek een uitkering te ontvangen. Hieraan doet niet af dat VUT-regelingen geen opbouw kennen zoals wel het geval is bij (pre-)pensioenregelingen; deze omstandigheid brengt niet mee dat de aanspraak in de zin van artikel 10, tweede lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB 1964) eerst ontstaat op het tijdstip van het ingaan van de VUT-uitkeringen. Het spraakgebruik werkt echter verwarring in de hand omdat het begrip aanspraak veelal gelijk wordt gesteld met een ingegaan recht; in paragraaf 3 van de toelichting lijkt de term "aanspraak" naar spraakgebruik gebruikt te worden.
Het voorgestelde regime, dat beoogt de huidige fiscale faciliëring voor VUT-regelingen te laten vervallen, bestaat uit de volgende elementen:
a. de aanspraken blijven vrijgesteld;
b. de VUT-uitkeringen blijven als loon (box I) belast bij de werknemer;
c. de werknemersbijdragen zijn niet langer aftrekbaar;
d. de VUT-uitkeringen die de werkgever doet, of de bijdragen die hij aan een VUT-fonds doet, worden bij hem belast tegen een tarief van 52%.
Het voorstel heeft weinig te maken met het laten vervallen van de omkeerregel, die door de elementen a en b volledig wordt gehandhaafd. Het houdt enkel een meervoudige heffing over de VUT-uitkeringen in die tot meer dan 100% van het bedrag van die uitkeringen kan oplopen door het gezamenlijke effect van element b met element c of d. Naar het oordeel van de Raad is een dergelijk heffing niet te rechtvaardigen.
Indien het kabinet van oordeel is, dat de nadelen van VUT-regelingen zodanig zijn dat deze regelingen dienen te worden tegengegaan, ligt het voor de hand in de eerste plaats het overeenkomen van deze regelingen arbeidsrechtelijk te verbieden of de bedingen met nietigheid te bedreigen. Wordt de inbreuk op de rechtsorde door het overeenkomen van VUT-regelingen zo groot geoordeeld dat een sanctie op haar plaats is, zou het treffen van de VUT-regeling als een economisch delict kunnen worden aangemerkt. Het kabinet heeft echter niet voor deze mogelijkheden gekozen. Door het opleggen van een meervoudige heffing die tot meer dan 100% kan oplopen, wordt het treffen van een VUT-regeling de facto bestraft. Naar het oordeel van de Raad is het onjuist het fiscale instrument op deze wijze in te zetten.
De Raad wijst erop dat na het vervallen van de omkeerregel het belasten van de aanspraak en het betrekken van het "VUT-recht" in de vermogensrendementsheffing, ook al worden die laag gewaardeerd in verband met de grote onzekerheid over het ontvangen van uitkeringen, reeds het treffen van nieuwe VUT-regelingen zullen ontmoedigen; het betalen van belasting over een toekomstig, maar zeer onzeker recht dat op geen enkele wijze liquide te maken is, wekt nu eenmaal weerstand.
De Raad adviseert het voorstel zodanig aan te passen, dat alleen de faciliteit bestaande in de toepassing van de omkeerregel voor de VUT-regelingen, komt te vervallen. Daarmee blijft het binnen de grenzen van een uitwerking van het eerder genoemde kabinetsstandpunt. Uit het overleg dat met de vaste commissie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is gevoerd, blijkt ook niet dat een aanscherping van dat standpunt aan de orde is geweest (Kamerstukken II 1999/2000, 27 046, nr.2).
b. De Raad is zich bewust van problemen bij de praktische uitvoerbaarheid van het laten vervallen van de omkeerregel.
Het laten vervallen van die regeling leidt ertoe, dat bij de werknemer de aanspraken uit hoofde van een VUT-regeling belast worden en dat zijn bijdragen aan de VUT-regeling niet meer aftrekbaar zijn. Het vervallen van de omkeerregeling houdt niet zonder meer in dat ook de afwikkeling van de VUT-regeling in de loonsfeer moet plaatsvinden, op grond waarvan de uitkeringen niet meer belast zouden kunnen worden. Het stelsel laat de ruimte - en gaat er thans bijna als hoofdregel van uit - dat na de heffing over de aanspraak een sfeerovergang plaatsvindt. De rechten uit hoofde van de VUT-regeling gaan dan vervolgens tot de "privé-sfeer" van die werknemer behoren en worden bij hem belast in box III, de vermogensrendementsheffing (hoofdstuk 5 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001)), zoals nu reeds geldt voor de onzuivere pensioenregelingen. De VUT-uitkeringen worden in dat geval in die box niet als zodanig belast, maar 4% van de waarde van het "VUT-recht" (de gekapitaliseerde waarde van de te verwachten uitkeringen) wordt gedurende de periode vanaf de toekenning van de aanspraak tot het einde van de uitkeringen tegen een vast tarief van 30% in de inkomstenbelastingheffing betrokken.
De waardering van de aanspraken uit hoofde de VUT-regeling en de waardering van het VUT-recht zijn zeer moeilijk en vergen wellicht een praktische, forfaitaire oplossing, omdat de effectuering van het recht afhankelijk is van de omstandigheid of de werknemer in de tien aan de VUT voorafgaande jaren in dienst van de desbetreffende werkgever is; zowel sterftekans als blijfkans moeten derhalve worden geschat. Bovendien is de effectuering van het VUT-recht afhankelijk van de keuze van de werknemer, zodat ook die omstandigheid bij de waardebepaling moet worden meegenomen. Aanknopingspunten voor die waarderingen zijn nog niet voor handen, aangezien de VUT thans in een omslagstelsel wordt gefinancierd; tarieven van verzekeraars om VUT-aanspraken te dekken zijn dus niet bekend. Naar het oordeel van de Raad zijn deze waarderingsproblemen echter niet onoplosbaar, zodat niet reeds op grond van uitvoeringsproblemen van het laten vervallen van de omkeerregel behoeft te worden afgezien.
De Raad adviseert op deze aspecten in te gaan.
2. In de toelichting op artikel I, onderdeel A, van het voorstel wordt gesteld dat het loonbegrip van artikel 10 dermate ruim is, dat uitkeringen ingevolge een onbelaste aanspraak tot het loon behoren, ook voorzover de aanspraak wordt gedekt door een bijdrage van de werknemer. Een overeenkomstige opmerking wordt gemaakt in de toelichting op artikel I, onderdeel B, van het voorstel.
De Raad merkt op, dat deze opmerkingen niet sporen met het wettelijke systeem. Loon dat de poort van de belastingheffing is doorgegaan, komt in de privé-sfeer van de werknemer. Indien hij dit aanwendt voor de verwerving van een recht om na verloop van tijd of onder een voorwaarde één of meer uitkeringen te ontvangen, belegt hij; hij opereert op het terrein van box III. De uitkeringen die zijn terug te voeren op de "after tax"-betalingen van de werknemer kunnen dan ook niet meer worden aangemerkt als loon (box I).
Uiteraard kan de wetgever het systeem doorbreken met een uitdrukkelijk daarop gerichte bepaling. In die zin is artikel 10, vierde lid, Wet LB 1964 op te vatten.
De Raad adviseert de toelichting aan te passen.
3. Het voorstel beperkt zich niet tot de VUT-regelingen maar betrekt ook de onzuivere pensioenregelingen (artikel 18, derde lid, Wet LB 1964) in het strafregime. Deze onzuivere pensioenregelingen bieden in het algemeen geen mogelijkheid om vervroegd het arbeidsproces te verlaten, maar zijn als zodanig gekwalificeerd omdat zij niet binnen de grenzen van de gefacilieerde pensioenregelingen zijn gebleven. Voor de onzuivere pensioenregelingen geldt zoals hiervoor reeds is opgemerkt, de omkeerregel niet. Er is geen reden aangegeven waarom deze onzuivere pensioenregelingen zonder enige beperking betrokken zouden dienen te worden bij maatregelen die de bevordering van de arbeidsdeelname van oudere werknemers ten doel hebben.
De omschrijving van hetgeen onder een regeling voor vervroegde uittreding wordt verstaan, zoals voorgesteld in artikel 32b, derde lid, Wet LB 1964 is te ruim, omdat de omschrijving zich niet beperkt tot regelingen die ten doel hebben voorafgaand aan het ingaan van uitkeringen ingevolge een pensioenregeling of de AOW te voorzien in periodieke uitkeringen.
De Raad adviseert de omschrijving van regelingen voor vervroegde uitkering zodanig aan te passen dat alleen regelingen die de mogelijkheid bieden om vervroegd het arbeidsproces te verlaten, onder die omschrijving vallen.
4. Voor redactionele kanttekeningen verwijst het college naar de bij het advies behorende bijlage.
De Raad van State heeft mitsdien bezwaar tegen het voorstel van wet en geeft U in overweging dit niet aldus te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal.
De Vice-President van de Raad van State
Bijlage bij het advies van de Raad van State van 12 juli 2002, no.W06.02.0161/IV, met redactionele kanttekeningen die de Raad in overweging geeft.
- De wijziging van artikel 19a, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB 1964) verbreekt de verbinding met hetgeen met de wijziging van artikel 19b, eerste lid, onderdeel c, Wet LB 1964 wordt beoogd. De bepalingen op elkaar laten aansluiten.
- Artikel 32b, derde lid, Wet LB 1964 omschrijft de regeling voor vervroegde uittreding waarbij alleen de pensioenregelingen als bedoeld in artikel 18 of 38a Wet LB 1964 buiten deze omschrijving blijven. Aangeven onder welke regime de zogenoemde aangewezen pensioenregelingen als bedoeld in artikel 19d Wet LB 1964 vallen.
Nader rapport (reactie op het advies) van 15 september 2003
Bij de totstandkoming van het Hoofdlijnenakkoord heeft een heroverweging plaatsgevonden van de uitgangspunten die aan dit wetsvoorstel ten grondslag lagen. Dit wetsvoorstel beoogde uitwerking te geven aan het kabinetsstandpunt Bevordering Arbeidsdeelname Ouderen (Kamerstukken II 1999/2000, 27 046). Een van de uitgangspunten daarbij was, dat de op omslagbasis gefinancierde VUT-regelingen zouden moeten worden omgezet in op basis van kapitaaldekking gefinancierde (pre)pensioenregelingen. Gelet op de demografische en maatschappelijke ontwikkelingen is in het Hoofdlijnenakkoord echter gekozen voor een bredere aanpak. Om de gevolgen van de vergrijzing op te kunnen vangen en de arbeidsparticipatie van ouderen te bevorderen, dient naast de fiscale behandeling van VUT-regelingen ook de fiscale behandeling van (pre)pensioenregelingen te worden aangepast. In het voorstel van wet houdende wijziging van enkele belastingwetten c.a. (Belastingplan 2004) is daartoe een samenhangend pakket aan maatregelen opgenomen, dat zowel de fiscale behandeling van VUT-regelingen als de fiscale behandeling van (pre)pensioenregelingen betreft. Het eerder ter advisering aan de Raad voorgelegde wetsvoorstel kan hiermee komen te vervallen.
Daartoe gemachtigd door de ministerraad moge ik U, mede namens de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verzoeken goed te vinden dat het advies van de Raad van State buiten verdere behandeling wordt gelaten en dat het onderhavige nader rapport tezamen met het advies van de Raad van State en het voorstel van wet en de daarbij behorende memorie van toelichting zoals deze aan de Raad van State zijn voorgelegd, openbaar wordt gemaakt
De Staatssecretaris van Financiën