Onwerpbesluit met nota van toelichting houdende de vaststelling van onder meer de voorschriften voor inrichting van de commissie voor de indicatiestelling en de landelijke commissie toezicht indicatiestelling (Besluit leerlinggebonden financiering).
- Kenmerk
- W05.02.0182/III
- Datum advies
- 9 juli 2002
- Vindplaats
- Bijvoegsel Staatscourant 8 april 2003, nr 69
- Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
- Algemene maatregel van bestuur
Toon inhoud
Volledige tekst
Onwerpbesluit met nota van toelichting houdende de vaststelling van onder meer de voorschriften voor inrichting van de commissie voor de indicatiestelling en de landelijke commissie toezicht indicatiestelling (Besluit leerlinggebonden financiering).
Bij Kabinetsmissive van 22 april 2002, no.02.002031, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, K.Y.I.J. Adelmund, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het onwerpbesluit met nota van toelichting, houdende de vaststelling van onder meer de voorschriften voor inrichting van de commissie voor de indicatiestelling en de landelijke commissie toezicht indicatiestelling (Besluit leerlinggebonden financiering).
Het voorstel strekt tot regeling van een aantal onderwerpen die samenhangen met de invoering van leerlinggebonden financiering (LGF).(zie noot 1) Deze bevordert dat gehandicapte leerlingen, die nu nog vaak scholen voor speciaal onderwijs bezoeken, deelnemen aan het reguliere onderwijs.
Het voorstel bevat bepalingen die de instelling van commissies voor de indicatiestelling (CvI) en een landelijke commissie voor de indicatiestelling (LCTI) regelen. Een CvI bepaalt of een leerling in aanmerking komt voor een LGF en/of toegelaten kan worden tot het speciaal onderwijs. Het budget van de LGF moet voor een deel verplicht besteed worden bij een Regionaal Expertisecentrum (REC). Dit is een regionaal samenwerkingsverband van scholen voor speciaal onderwijs die zich richten op kinderen met een bepaalde groep handicaps (clusters). Het voorstel bevat bepalingen die de indeling van REC’s in regio’s regelen en leerlingen met meerdere handicaps in een cluster indelen.
De Raad van State kan zich vinden in de voorgestelde regeling, maar plaatst enige kanttekeningen bij de formulering van regels voor de gebiedsindeling, de regels voor de samenstelling van de CvI’s en het jaarwerkplan. Hij is van oordeel dat in verband daarmee enige aanpassing van het ontwerpbesluit wenselijk is.
1. Gebiedsindeling REC’s
Artikel 2 bevat bepalingen die van toepassing zijn bij herindelingen, voorzover daarbij de gebiedsindeling van de REC’s niet wijzigt. De Raad heeft over deze bepalingen de volgende opmerkingen.
a. Het tweede en het derde lid van deze bepaling zijn overgenomen uit het eerste en het tweede lid van artikel 3 van het Besluit regionale verwijzingscommissies primair onderwijs. Het derde lid van dit Besluit, dat voorziet in de gevolgen van wijziging van de gemeentenaam, is echter niet overgenomen. De
Raad acht opname van een dergelijke bepaling óók in het onderhavige besluit van belang.
b. De Raad is voorts van oordeel dat de formulering van het tweede en het derde lid van artikel 2 onnodig gecompliceerd is. Het besluit kan volstaan met te bepalen dat, indien door een gemeentelijke herindeling de grenzen van een cluster niet wijzigen, de naam van de nieuwe gemeente dan wel de namen van de nieuwe gemeenten in de plaats treden van de naam dan wel van de namen van de gemeenten die bij de herindeling betrokken waren.
De Raad adviseert de voorgestelde bepalingen eenvoudiger te formuleren en tevens een bepaling op te nemen die voorziet in het geval dat de naam van een bestaande gemeente wordt gewijzigd.
2. De Commissie voor de Indicatiestelling
In het voorgestelde artikel 4 zijn regels voor de samenstelling van de CvI opgenomen. Volgens het eerste lid van artikel 4 bestaat een CvI uit een voorzitter en vier of meer andere leden. Volgens het tweede lid van dit artikel en de toelichting bestaat de CvI, wanneer deze een verzoek beoordeelt, altijd uit de vijf in dat lid genoemde leden.(zie noot 2) In cluster twee (dove en slechthorende kinderen en kinderen met andere spraakmoeilijkheden) maakt in plaats van een maatschappelijk werker een logopedist deel uit van de CvI.
Naar het oordeel van de Raad biedt deze regeling onvoldoende mogelijkheden om, indien dit voor een goede beoordeling noodzakelijk is, af te wijken van deze samenstelling. Het college denkt daarbij aan de volgende situaties.
a. De situatie is niet denkbeeldig dat binnen cluster twee in bepaalde gevallen de behoefte bestaat aan zowel het oordeel van een logopedist als aan het oordeel van een maatschappelijk werker. In dat geval zou de CvI met zes personen een verzoek moeten beoordelen. De Raad acht het van belang dat de mogelijkheid om een CvI óók uit meer dan vijf personen te laten bestaan in de bepaling wordt opgenomen.
b. De mogelijkheid bestaat dat de CvI bij de beoordeling van bijzondere gevallen behoefte heeft aan andere deskundigen dan de in deze bepaling opgesomde. De Raad acht het dan ook van belang dat in de bepaling de mogelijkheid wordt opgenomen om, indien daaraan behoefte bestaat, een andere deskundige deel uit te laten maken van de commissie.
De Raad adviseert in artikel 4 de mogelijkheid op te nemen dat een CvI ook met meer dan vijf personen een verzoek kan beoordelen en tevens de mogelijkheid op te nemen dat ook andere dan de in het eerste lid genoemde deskundigen van de commissie deel uit maken.
3 Artikel 4 bevat, anders dan de bepalingen voor de LCTI in artikel 5, geen bepalingen over benoeming, ontslag of schorsing van de leden van een CvI. Ook het wetsvoorstel dat aan dit besluit ten grondslag ligt bevat hierover geen bepalingen. Evenmin wordt hieraan in de toelichting bij het besluit aandacht besteed.
Naar het oordeel van de Raad verdient het aanbeveling om in de toelichting in te gaan op de wijze waarop de leden van een CvI worden benoemd, ontslagen of geschorst, aangezien de CvI in het systeem van de LGF een spilfunctie vervult.
De Raad adviseert in de toelichting aandacht te besteden aan de wijze waarop de leden van een CvI worden benoemd, geschorst of ontslagen.
4. Jaarwerkplan
Volgens het voorgestelde artikel 8 moet een jaarwerkplan van de LCTI de instemming van de minister krijgen.
In de tekst noch in de toelichting staat wat er gebeurt als de minister een jaarwerkplan niet goedkeurt.
De Raad adviseert in de toelichting nader in te gaan hoe in dat geval gehandeld moet worden.
5. Voor redactionele kanttekeningen verwijst het college naar de bij het advies behorende bijlage.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De Vice-President van de Raad van State
Bijlage bij het advies van de Raad van State van 9 juli 2002, no.W05.02.0182/III, met redactionele kanttekeningen die de Raad in overweging geeft.
Ontwerpbesluit
- In artikel 3, onder a, ter aanpassing van de benaming van de handicaps aan de terminologie van de Wet op de expertisecentrum, "blinde en slechtziende kinderen" vervangen door: visueel gehandicapte kinderen.
- In artikel 5, eerste lid, ter voorkoming van het misverstand dat de voorzitter geen lid is van de landelijke commissie voor de indicatiestelling (LCTI), na "in elk geval uit" invoegen: de voorzitter.
- In artikel 5, eerste lid, ter voorkoming van het misverstand dat de LCTI uit meer dan vijf leden kan bestaan, de woorden "in elk geval" schrappen.
- In artikel 5, tweede en vierde lid, ter voorkoming van het misverstand dat de voorzitter geen lid is van het LCTI telkens "de voorzitter en de leden" vervangen door: de voorzitter en de overige leden.
- In artikel 5, derde lid, ter voorkoming van het laatstgenoemde misverstand, "De voorzitter of een lid" vervangen door: de voorzitter of een ander lid.
Nota van toelichting
- In het algemeen deel, onder het kopje commissies voor de indicatiestelling, bladzijde 41, tweede alinea, om aan te sluiten bij de formulering in artikel 28b WEC, na "kamers van CvI’s" het woord "heeft" vervangen door: instandhoudt.
- In de toelichting bij artikel 11, om aan te sluiten bij de formulering in het besluit, het woord "schooljaar"telkens vervangen door: schooljaren.
Nader rapport (reactie op het advies) van 20 februari 2003
1. a/b. Artikel 2 van het ontwerpbesluit is aangepast overeenkomstig de adviezen van de Raad.
2. a/b. In het aangepaste ontwerpbesluit wordt de mogelijkheid geopend dat de commissie voor de indicatiestelling bestaande uit meer dan vijf leden beslist over het in aanmerking komen van een leerlinggebonden budget of de toelaatbaarheid tot (een van de onderwijssoorten in) een cluster (artikel 4, derde lid, juncto artikel 4, tweede lid). Van een commissie bestaande uit meer dan vijf leden kan alleen sprake zijn in uitzonderlijke gevallen. Onder de vijf leden zijn vertegenwoordigd de in het besluit bepaalde deskundigen, en voor het zesde en ieder volgende lid wordt de deskundigheid afhankelijk gesteld van hetgeen in een specifiek geval voor een adequate beoordeling nodig is.
3. De toelichting bij het ontwerpbesluit is naar aanleiding van het advies van de Raad, aangevuld.
4. De toelichting is uitgebreid op het punt van het jaarwerkplan.
5. Het ontwerpbesluit is aangepast in de door de Raad voorgestelde zin, behalve voor wat betreft zijn voorstel de redactie van artikel 5 aan te passen ter voorkoming van het misverstand dat de voorzitter van de landelijke commissie toezicht indicatiestelling (LCTI) geen lid zou zijn van de LCTI. Immers, op grond van artikel 28e, eerste lid, juncto zevende lid, van de Wet op de expertisecentra zoals gewijzigd door de Wet van 28 november 2002 terzake van de regeling leerlinggebonden financiering (Staatsblad 2002, 631) heeft de commissie vier leden, een voorzitter en een secretaris. In de toelichting wordt hier alsnog uitdrukkelijk op gewezen.
Voorts heb ik voor de goede orde in het ontwerpbesluit een redactionele en een inhoudelijke wijziging aangebracht. De inwerkingtredingsbepaling (artikel 12) duidt nu op de voorhangprocedure bij de Tweede Kamer en ten aanzien van de LCTI zijn de bepalingen met betrekking tot het jaarwerkplan en de begroting (artikelen 8 en 9) zo uitgebreid dat ze eveneens betrekking hebben op het jaar 2003.
Ik moge U hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen
(1) Kamerstukken II 2000/01, nr.27 728, A.
(2) Nota van toelichting, CvI, eerste tekstblok, laatste zin.
Het voorstel strekt tot regeling van een aantal onderwerpen die samenhangen met de invoering van leerlinggebonden financiering (LGF).(zie noot 1) Deze bevordert dat gehandicapte leerlingen, die nu nog vaak scholen voor speciaal onderwijs bezoeken, deelnemen aan het reguliere onderwijs.
Het voorstel bevat bepalingen die de instelling van commissies voor de indicatiestelling (CvI) en een landelijke commissie voor de indicatiestelling (LCTI) regelen. Een CvI bepaalt of een leerling in aanmerking komt voor een LGF en/of toegelaten kan worden tot het speciaal onderwijs. Het budget van de LGF moet voor een deel verplicht besteed worden bij een Regionaal Expertisecentrum (REC). Dit is een regionaal samenwerkingsverband van scholen voor speciaal onderwijs die zich richten op kinderen met een bepaalde groep handicaps (clusters). Het voorstel bevat bepalingen die de indeling van REC’s in regio’s regelen en leerlingen met meerdere handicaps in een cluster indelen.
De Raad van State kan zich vinden in de voorgestelde regeling, maar plaatst enige kanttekeningen bij de formulering van regels voor de gebiedsindeling, de regels voor de samenstelling van de CvI’s en het jaarwerkplan. Hij is van oordeel dat in verband daarmee enige aanpassing van het ontwerpbesluit wenselijk is.
1. Gebiedsindeling REC’s
Artikel 2 bevat bepalingen die van toepassing zijn bij herindelingen, voorzover daarbij de gebiedsindeling van de REC’s niet wijzigt. De Raad heeft over deze bepalingen de volgende opmerkingen.
a. Het tweede en het derde lid van deze bepaling zijn overgenomen uit het eerste en het tweede lid van artikel 3 van het Besluit regionale verwijzingscommissies primair onderwijs. Het derde lid van dit Besluit, dat voorziet in de gevolgen van wijziging van de gemeentenaam, is echter niet overgenomen. De
Raad acht opname van een dergelijke bepaling óók in het onderhavige besluit van belang.
b. De Raad is voorts van oordeel dat de formulering van het tweede en het derde lid van artikel 2 onnodig gecompliceerd is. Het besluit kan volstaan met te bepalen dat, indien door een gemeentelijke herindeling de grenzen van een cluster niet wijzigen, de naam van de nieuwe gemeente dan wel de namen van de nieuwe gemeenten in de plaats treden van de naam dan wel van de namen van de gemeenten die bij de herindeling betrokken waren.
De Raad adviseert de voorgestelde bepalingen eenvoudiger te formuleren en tevens een bepaling op te nemen die voorziet in het geval dat de naam van een bestaande gemeente wordt gewijzigd.
2. De Commissie voor de Indicatiestelling
In het voorgestelde artikel 4 zijn regels voor de samenstelling van de CvI opgenomen. Volgens het eerste lid van artikel 4 bestaat een CvI uit een voorzitter en vier of meer andere leden. Volgens het tweede lid van dit artikel en de toelichting bestaat de CvI, wanneer deze een verzoek beoordeelt, altijd uit de vijf in dat lid genoemde leden.(zie noot 2) In cluster twee (dove en slechthorende kinderen en kinderen met andere spraakmoeilijkheden) maakt in plaats van een maatschappelijk werker een logopedist deel uit van de CvI.
Naar het oordeel van de Raad biedt deze regeling onvoldoende mogelijkheden om, indien dit voor een goede beoordeling noodzakelijk is, af te wijken van deze samenstelling. Het college denkt daarbij aan de volgende situaties.
a. De situatie is niet denkbeeldig dat binnen cluster twee in bepaalde gevallen de behoefte bestaat aan zowel het oordeel van een logopedist als aan het oordeel van een maatschappelijk werker. In dat geval zou de CvI met zes personen een verzoek moeten beoordelen. De Raad acht het van belang dat de mogelijkheid om een CvI óók uit meer dan vijf personen te laten bestaan in de bepaling wordt opgenomen.
b. De mogelijkheid bestaat dat de CvI bij de beoordeling van bijzondere gevallen behoefte heeft aan andere deskundigen dan de in deze bepaling opgesomde. De Raad acht het dan ook van belang dat in de bepaling de mogelijkheid wordt opgenomen om, indien daaraan behoefte bestaat, een andere deskundige deel uit te laten maken van de commissie.
De Raad adviseert in artikel 4 de mogelijkheid op te nemen dat een CvI ook met meer dan vijf personen een verzoek kan beoordelen en tevens de mogelijkheid op te nemen dat ook andere dan de in het eerste lid genoemde deskundigen van de commissie deel uit maken.
3 Artikel 4 bevat, anders dan de bepalingen voor de LCTI in artikel 5, geen bepalingen over benoeming, ontslag of schorsing van de leden van een CvI. Ook het wetsvoorstel dat aan dit besluit ten grondslag ligt bevat hierover geen bepalingen. Evenmin wordt hieraan in de toelichting bij het besluit aandacht besteed.
Naar het oordeel van de Raad verdient het aanbeveling om in de toelichting in te gaan op de wijze waarop de leden van een CvI worden benoemd, ontslagen of geschorst, aangezien de CvI in het systeem van de LGF een spilfunctie vervult.
De Raad adviseert in de toelichting aandacht te besteden aan de wijze waarop de leden van een CvI worden benoemd, geschorst of ontslagen.
4. Jaarwerkplan
Volgens het voorgestelde artikel 8 moet een jaarwerkplan van de LCTI de instemming van de minister krijgen.
In de tekst noch in de toelichting staat wat er gebeurt als de minister een jaarwerkplan niet goedkeurt.
De Raad adviseert in de toelichting nader in te gaan hoe in dat geval gehandeld moet worden.
5. Voor redactionele kanttekeningen verwijst het college naar de bij het advies behorende bijlage.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De Vice-President van de Raad van State
Bijlage bij het advies van de Raad van State van 9 juli 2002, no.W05.02.0182/III, met redactionele kanttekeningen die de Raad in overweging geeft.
Ontwerpbesluit
- In artikel 3, onder a, ter aanpassing van de benaming van de handicaps aan de terminologie van de Wet op de expertisecentrum, "blinde en slechtziende kinderen" vervangen door: visueel gehandicapte kinderen.
- In artikel 5, eerste lid, ter voorkoming van het misverstand dat de voorzitter geen lid is van de landelijke commissie voor de indicatiestelling (LCTI), na "in elk geval uit" invoegen: de voorzitter.
- In artikel 5, eerste lid, ter voorkoming van het misverstand dat de LCTI uit meer dan vijf leden kan bestaan, de woorden "in elk geval" schrappen.
- In artikel 5, tweede en vierde lid, ter voorkoming van het misverstand dat de voorzitter geen lid is van het LCTI telkens "de voorzitter en de leden" vervangen door: de voorzitter en de overige leden.
- In artikel 5, derde lid, ter voorkoming van het laatstgenoemde misverstand, "De voorzitter of een lid" vervangen door: de voorzitter of een ander lid.
Nota van toelichting
- In het algemeen deel, onder het kopje commissies voor de indicatiestelling, bladzijde 41, tweede alinea, om aan te sluiten bij de formulering in artikel 28b WEC, na "kamers van CvI’s" het woord "heeft" vervangen door: instandhoudt.
- In de toelichting bij artikel 11, om aan te sluiten bij de formulering in het besluit, het woord "schooljaar"telkens vervangen door: schooljaren.
Nader rapport (reactie op het advies) van 20 februari 2003
1. a/b. Artikel 2 van het ontwerpbesluit is aangepast overeenkomstig de adviezen van de Raad.
2. a/b. In het aangepaste ontwerpbesluit wordt de mogelijkheid geopend dat de commissie voor de indicatiestelling bestaande uit meer dan vijf leden beslist over het in aanmerking komen van een leerlinggebonden budget of de toelaatbaarheid tot (een van de onderwijssoorten in) een cluster (artikel 4, derde lid, juncto artikel 4, tweede lid). Van een commissie bestaande uit meer dan vijf leden kan alleen sprake zijn in uitzonderlijke gevallen. Onder de vijf leden zijn vertegenwoordigd de in het besluit bepaalde deskundigen, en voor het zesde en ieder volgende lid wordt de deskundigheid afhankelijk gesteld van hetgeen in een specifiek geval voor een adequate beoordeling nodig is.
3. De toelichting bij het ontwerpbesluit is naar aanleiding van het advies van de Raad, aangevuld.
4. De toelichting is uitgebreid op het punt van het jaarwerkplan.
5. Het ontwerpbesluit is aangepast in de door de Raad voorgestelde zin, behalve voor wat betreft zijn voorstel de redactie van artikel 5 aan te passen ter voorkoming van het misverstand dat de voorzitter van de landelijke commissie toezicht indicatiestelling (LCTI) geen lid zou zijn van de LCTI. Immers, op grond van artikel 28e, eerste lid, juncto zevende lid, van de Wet op de expertisecentra zoals gewijzigd door de Wet van 28 november 2002 terzake van de regeling leerlinggebonden financiering (Staatsblad 2002, 631) heeft de commissie vier leden, een voorzitter en een secretaris. In de toelichting wordt hier alsnog uitdrukkelijk op gewezen.
Voorts heb ik voor de goede orde in het ontwerpbesluit een redactionele en een inhoudelijke wijziging aangebracht. De inwerkingtredingsbepaling (artikel 12) duidt nu op de voorhangprocedure bij de Tweede Kamer en ten aanzien van de LCTI zijn de bepalingen met betrekking tot het jaarwerkplan en de begroting (artikelen 8 en 9) zo uitgebreid dat ze eveneens betrekking hebben op het jaar 2003.
Ik moge U hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen
(1) Kamerstukken II 2000/01, nr.27 728, A.
(2) Nota van toelichting, CvI, eerste tekstblok, laatste zin.