Voorstel van wet met memorie van toelichting tot wijziging van de Mediawet (het vervallen van de verspreidingsbeperking voor de programma's van lokale en regionale omroepinstellingen, wijziging van de doorgifteplicht via omroepnetwerken van de programma's van lokale omroepinstellingen, alsmede wijziging van bepalingen inzake programmaraden).
- Kenmerk
- W05.02.0154/III
- Datum advies
- 17 juni 2002
- Vindplaats
- Kamerstukken II 2002/03, 28 639, B
- Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
- Wet
Toon inhoud
Volledige tekst
Voorstel van wet met memorie van toelichting tot wijziging van de Mediawet (het vervallen van de verspreidingsbeperking voor de programma's van lokale en regionale omroepinstellingen, wijziging van de doorgifteplicht via omroepnetwerken van de programma's van lokale omroepinstellingen, alsmede wijziging van bepalingen inzake programmaraden).
Bij Kabinetsmissive van 8 april 2002, no.02.001728, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, F. van der Ploeg, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet met memorie van toelichting tot wijziging van de Mediawet (het vervallen van de verspreidingsbeperking voor de programma's van lokale en regionale omroepinstellingen, wijziging van de doorgifteplicht via omroepnetwerken van de programma's van lokale omroepinstellingen, alsmede wijziging van bepalingen inzake programmaraden).
De voorgestelde wijziging van de Mediawet richt zich op de volgende onderwerpen:
- het opheffen van de in artikel 64a van de Mediawet opgenomen verspreidingbeperking voor de programma's van lokale en regionale omroepinstellingen;
- de wijziging van de doorgifteplicht via de kabel van de programma's van lokale omroepinstellingen;
- het verbeteren van het functioneren van de programmaraden.
De Raad van State heeft alleen opmerkingen over de wijziging van de doorgifteplicht van de programma's van lokale omroepinstellingen. De wet van 23 maart 2000 tot wijziging van de Mediawet in verband met de invoering van een vernieuwd concessiestelsel voor de landelijke publieke omroep (Concessiewet) regelde dat de doorgifteplicht van de kabel in ieder geval de hoofdtaakprogramma's van de landelijke, regionale en lokale omroepen betrof. De voorheen bestaande mogelijkheid dat het Commissariaat voor de Media (hierna: het Commissariaat) een lokale omroep toestemming verleende om naast het hoofdtaakprogramma een programma via de kabel te verzorgen zou komen te vervallen. Daarmee verviel ook de plicht voor kabelexploitanten om een dergelijk programma door te geven. De Tweede Kamer der Staten Generaal had bezwaar tegen het vervallen van de doorgifteplicht voor de zogenaamde toegangsomroepen, die programma's aanbieden aan onder andere etnische minderheden, jongeren en buurtomroepen. In feite gaat het hier om programma's uitgezonden via de zogenaamde open kanalen van de lokale omroep in de vier grote steden.
Het onderhavige voorstel betreft de facto een wijziging van de Concessiewet en voegt aan artikel 82i een tweede lid toe, dat de doorgifteplicht regelt voor deze toegangsomroepen. Het moet gaan om programma's verzorgd door een lokale omroep, niet zijnde de programma's die behoren tot de hoofdtaak van de omroep en de programma's moeten gericht zijn op "specifieke bevolkings- en leeftijdsgroepen waaronder minderheden". De doorgifteplicht voor de toegangsomroepen wordt ingevolge deze bepaling beperkt tot ten hoogste twee kanalen voor televisie en vijf kanalen voor radio.
Naar het oordeel van de Raad kleeft er aan de voorgestelde wijziging van artikel 82i een aantal bezwaren. De Raad meent dat het voorstel geen oplossing biedt voor het probleem dat het niet past in het systeem van de Concessiewet om aan een neventaak van een lokale omroep een verplichte doorgifte via de kabel te verbinden. Het ongewenste neveneffect dat aan de gekozen oplossing is verbonden, kan worden voorkomen door een minder algemene oplossing te kiezen.
1. Probleemanalyse
De verplichte doorgifte van programma’s van toegangsomroepen is nu gebaseerd op de bevoegdheid van het Commissariaat om een lokale omroep toestemming te geven om naast het hoofdtaakprogramma bij wijze van neventaak één of meer programma’s via de kabel te verzorgen. Aan deze toestemming is dan tevens de verplichting voor kabelexploitanten verbonden om het programma door te geven. De regering gaf bij het voorstel voor de Concessiewet aan dat het in het nieuwe systeem niet zou passen om toestemming te geven voor het verzorgen van een kabelprogramma naast de zendtijdtoewijzing, dat dan ook nog verplicht via de kabel zou moeten worden doorgegeven. De Tweede Kamer had bezwaar tegen het vervallen van de doorgifteplicht voor toegangsomroepen die hiervan het gevolg zou zijn. Het desbetreffende onderdeel van de Concessiewet, waarmee de artikelen 66 en 67 van de Mediawet zouden worden gewijzigd, is daarom niet in werking getreden.
De Raad kan de regering volgen in haar standpunt dat het niet past in het systeem van de Concessiewet om aan een neventaak van een lokale omroep een verplichting voor doorgifte via de kabel te verbinden. De Raad constateert echter dat met artikel 82i ook verplichte doorgifte van een in het kader van een neventaak samengesteld programma wordt geregeld.
Als de regering over haar bezwaren tegen een dergelijke afwijking van het systeem van de Concessiewet heenstapt is niet in te zien waarom niet wordt gekozen voor het handhaven van artikel 66 van de Mediawet. Er is dan geen noodzaak om artikel 82i te wijzigen.
2. Neveneffecten
Met de voorgestelde regeling krijgen in het gehele land de lokale omroepen recht op extra ruimte op de kabel voor doorgifte van programma's. Dit recht is niet meer afhankelijk van voorafgaande toestemming van het Commissariaat. Het Commissariaat geeft in zijn reactie op het wetsvoorstel aan dat het zich afvraagt of het aantal programma's dat verplicht moet worden doorgegeven door de voorgestelde maatregel niet aan de hoge kant komt te liggen. Het Commissariaat zegt hierover onder meer: "Voor de kabel, waarop toch nog steeds schaarste heerst, betekent de omvang van de voorgestelde must-carry een zware belasting, zeker als andere lokale omroepen een voorbeeld zouden gaan nemen aan de Amsterdamse situatie."(zie noot 1) De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen reageert in een brief aan het Commissariaat als volgt op die bezorgdheid: "Het gaat daarbij om een situatie die met name in de vier grote steden speelt. Ik verwacht niet dat de doorgifte van extra programma's ook elders in het land een grote vlucht zal nemen. Het programmavoorschrift van artikel 51f van de Mediawet zal daarbij naar verwachting als een extra rem fungeren."(zie noot 2)
Uit de reactie van de staatssecretaris en uit het standpunt van de regering dat verplichte doorgifte van toegangsomroepen niet past in het nieuwe systeem van de Concessiewet, maakt de Raad op dat de regering verplichte doorgifte van programma's van toegangsomroepen in het algemeen niet wenselijk vindt. Een neveneffect van de voorgestelde regeling kan zijn dat de verplichte doorgifte van dergelijke programma's nog toeneemt.
Gelet op het standpunt van de regering over de verplichte doorgifte meent de Raad dat het ongewenste neveneffect van een mogelijk toenemend aantal verplicht door te geven programma’s van toegangsomroepen niet in verhouding staat tot het probleem dat de regering beoogt op te lossen.
De Raad adviseert hierop in de toelichting in te gaan.
3. Middel/uitwerking
De regering acht de doorgifteplicht voor andere programma’s van lokale omroepen dan de programma’s die een dergelijke omroep als hoofdtaak verzorgt alleen gerechtvaardigd voor programma’s die van algemeen nut zijn voor de desbetreffende gemeente. Daarom wordt in artikel 82i, tweede lid, het programmavoorschrift bedoeld in artikel 51f, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Mediawet van overeenkomstige toepassing verklaard.(zie noot 3) Dit betekent dat deze programma’s voor 50 procent dienen te bestaan uit onderdelen van informatieve, culturele en educatieve aard, die in het bijzonder betrekking hebben op de gemeente waarvoor het programma bestemd is.
Andersom betekent dit dat aan 50 procent van het uitgezonden materiaal op het open kanaal geen andere eisen worden gesteld dan dat het gericht is op "specifieke bevolkings- en leeftijdsgroepen waaronder minderheden". De Raad adviseert toe te lichten waarom niet gekozen is voor een strengere eis, waarbij het volledige of vrijwel het volledige programma van het open kanaal van informatieve, culturele en educatieve aard moet zijn. De benodigde kabelruimte kan dan gehalveerd worden.
Wetstechnische opmerkingen
4. De extra doorgifteplicht geldt voor programma's die gericht zijn op "specifieke bevolkings- en leeftijdsgroepen waaronder minderheden". In de toelichting is niet gemotiveerd waarom voor deze afbakening is gekozen. Evenmin is toegelicht wat wel en wat niet in deze definitie is begrepen.
De Raad meent dat toegelicht moet worden waarom de doorgifteplicht van belang is voor programma's gericht op juist deze doelgroepen. Als de formulering alleen zo gekozen is omdat dan de bestaande open kanalen onder de beschrijving vallen geldt hetgeen hiervoor onder punt 2 is opgemerkt.
5. Omdat verplichte doorgifte van open kanalen niet meer afhankelijk is van toestemming van het Commissariaat is het van groot belang dat voor alle betrokkenen duidelijk is wat wel en wat niet valt onder de beschrijving "specifieke bevolkings- en leeftijdsgroepen waaronder minderheden". De Raad meent dat hierover in ieder geval in de toelichting duidelijkheid moet worden gegeven.
6. Voor een redactionele kanttekening verwijst het college naar de bij het advies behorende bijlage.
De Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De Vice-President van de Raad van State
Bijlage bij het advies van de Raad van State van 17 juni 2002, no.W05.02.0154/III, met een redactionele kanttekening die de Raad in overweging geeft.
- In artikel 82i, vierde lid, van de Mediawet de verwijzingen naar de onderdelen d en e van het eerste lid van artikel 82i aanpassen.
Nader rapport (reactie op het advies) van 16 oktober 2002
1. De Raad van State merkt terecht op dat in het onderhavige wetsvoorstel met de verplichte doorgifte van de programma's van de toegangsomroepen wordt afgeweken van de systematiek van de Concessiewet. De mening van de Raad dat dit met zich meebrengt dat dan ook zonder bezwaar kan worden gekozen voor het ongewijzigd handhaven van artikel 66 (en kennelijk ook artikel 67) van de Mediawet, deelt de regering echter niet. Zoals reeds in de memorie van toelichting bij dit wetsvoorstel is uiteengezet, is het in de nieuwe door de Concessiewet geïntroduceerde systematiek van hoofdtaak en neventaken ook zonder specifieke toestemming van het Commissariaat voor de Media mogelijk om naast het hoofdtaakprogramma bij wijze van neventaak één of meer programma's via de kabel te verzorgen. Voor de neventaken geldt echter geen doorgifteplicht. Handhaving van de mogelijkheid om naast de zendtijdtoewijzing toestemming te geven voor een kabelprogramma dat dan ook nog verplicht moet worden doorgegeven, past niet meer in de nieuwe systematiek. In de memorie van toelichting bij het onderhavige wetsvoorstel wordt dan ook aangekondigd dat de in de Concessiewet voorziene wijziging van de artikelen 66 en 67 van de Mediawet (het vervallen van de woorden "of naast") alsnog in werking zal treden.
In het onderhavige wetsvoorstel wordt slechts in beperkte mate afgeweken van de Concessiewetsystematiek doordat voor een bepaald soort neventaakprogramma's (te weten de programma's van de toegangsomroepen) onder strikte voorwaarden de doorgifteplicht wordt geregeld. De door de Raad van State gesuggereerde oplossing zou een veel grotere inbreuk op de Concessiesystematiek betekenen. In dat geval blijft er immers een bepaling bestaan die voor het verzorgen van neventaakprogramma's toestemming van het Commissariaat voor de Media vereist en moeten die neventaakprogramma's allemaal (dus niet beperkt tot de programma's van de toegangsomroepen) ook nog verplicht worden doorgegeven.
2. De conclusie van de Raad van State dat de regering verplichte doorgifte van programma’s van toegangsomroepen in het algemeen niet wenselijk vindt, berust kennelijk op een misverstand. De regering is juist van mening dat de toegangsomroepen wel verplicht moeten worden doorgegeven en komt daarom met een wetswijziging op dit punt. Het probleem was veeleer hoe dit kan worden gerealiseerd zonder teveel inbreuk te maken op de Concessiewetsystematiek. Naar aanleiding van het advies van de Raad van State is thans in de memorie van toelichting aangegeven dat het niet in de rede ligt dat er buiten de grote steden plotseling allerlei toegangsomroepen zullen ontstaan en dat het programmavoorschrift van artikel 51f van de Mediawet daarbij naar verwachting als extra rem zal fungeren.
3. Naar aanleiding van het advies van de Raad van State is in de memorie van toelichting vermeld waarom ten aanzien van het programmavoorschrift voor de bij wijze van neventaak door de lokale omroepen uitgezonden programma’s van de toegangsomroepen niet gekozen is voor een strengere eis. Daarbij is verduidelijkt dat in het wetsvoorstel het programmavoorschrift dat geldt voor het hoofdtaakprogramma van de lokale omroep van overeenkomstige toepassing is verklaard op de hier bedoelde programma’s. Verder is aangegeven dat dit programmavoorschrift het resultaat is van een afweging tussen enerzijds het bewerkstelligen dat het hoofdtaakprogramma van de lokale omroep van algemeen nut is voor de desbetreffende gemeente en anderzijds het voorkomen dat de programmatische autonomie van de lokale omroep teveel wordt beperkt. Niet valt in te zien waarom deze afweging voor de bij wijze van neventaak verzorgde programma’s anders zou moeten uitvallen dan voor het hoofdtaakprogramma.
4. Overeenkomstig het advies van de Raad van State is in de memorie van toelichting nader ingegaan op de formulering "specifieke bevolkings- en leeftijdsgroepen, waaronder minderheden". Daarbij is onder meer aangegeven dat met deze formulering de doelgroepen van de toegangsomroepen worden aangeduid en dat een soortgelijke formulering ook reeds voorkomt in de artikelen 99 en 101 van de Mediawet.
5. Zie het antwoord op punt 4.
6. De redactionele kanttekening van de Raad van State is overgenomen, met dien verstande dat daarbij tevens de verwijzing naar artikel 82i, eerste lid, onder d en e, van de Mediawet in artikel 82i, vijfde lid (nieuw), van de Mediawet is aangepast.
7. Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om de memorie van toelichting (de toelichting bij artikel I, onderdeel A) te actualiseren.
Ik moge U verzoeken het hierbij gevoegde gewijzigde voorstel van wet en de gewijzigde memorievan toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.
De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen
(1) Brief van het Commissariaat van de Media, nr.B&P-001078-jvb, 1 maart 2002.
(2) Brief van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, nr.MLB/JZ/2002/12.411, 26 maart 2002.
(3) Memorie van toelichting, bladzijde 9.
De voorgestelde wijziging van de Mediawet richt zich op de volgende onderwerpen:
- het opheffen van de in artikel 64a van de Mediawet opgenomen verspreidingbeperking voor de programma's van lokale en regionale omroepinstellingen;
- de wijziging van de doorgifteplicht via de kabel van de programma's van lokale omroepinstellingen;
- het verbeteren van het functioneren van de programmaraden.
De Raad van State heeft alleen opmerkingen over de wijziging van de doorgifteplicht van de programma's van lokale omroepinstellingen. De wet van 23 maart 2000 tot wijziging van de Mediawet in verband met de invoering van een vernieuwd concessiestelsel voor de landelijke publieke omroep (Concessiewet) regelde dat de doorgifteplicht van de kabel in ieder geval de hoofdtaakprogramma's van de landelijke, regionale en lokale omroepen betrof. De voorheen bestaande mogelijkheid dat het Commissariaat voor de Media (hierna: het Commissariaat) een lokale omroep toestemming verleende om naast het hoofdtaakprogramma een programma via de kabel te verzorgen zou komen te vervallen. Daarmee verviel ook de plicht voor kabelexploitanten om een dergelijk programma door te geven. De Tweede Kamer der Staten Generaal had bezwaar tegen het vervallen van de doorgifteplicht voor de zogenaamde toegangsomroepen, die programma's aanbieden aan onder andere etnische minderheden, jongeren en buurtomroepen. In feite gaat het hier om programma's uitgezonden via de zogenaamde open kanalen van de lokale omroep in de vier grote steden.
Het onderhavige voorstel betreft de facto een wijziging van de Concessiewet en voegt aan artikel 82i een tweede lid toe, dat de doorgifteplicht regelt voor deze toegangsomroepen. Het moet gaan om programma's verzorgd door een lokale omroep, niet zijnde de programma's die behoren tot de hoofdtaak van de omroep en de programma's moeten gericht zijn op "specifieke bevolkings- en leeftijdsgroepen waaronder minderheden". De doorgifteplicht voor de toegangsomroepen wordt ingevolge deze bepaling beperkt tot ten hoogste twee kanalen voor televisie en vijf kanalen voor radio.
Naar het oordeel van de Raad kleeft er aan de voorgestelde wijziging van artikel 82i een aantal bezwaren. De Raad meent dat het voorstel geen oplossing biedt voor het probleem dat het niet past in het systeem van de Concessiewet om aan een neventaak van een lokale omroep een verplichte doorgifte via de kabel te verbinden. Het ongewenste neveneffect dat aan de gekozen oplossing is verbonden, kan worden voorkomen door een minder algemene oplossing te kiezen.
1. Probleemanalyse
De verplichte doorgifte van programma’s van toegangsomroepen is nu gebaseerd op de bevoegdheid van het Commissariaat om een lokale omroep toestemming te geven om naast het hoofdtaakprogramma bij wijze van neventaak één of meer programma’s via de kabel te verzorgen. Aan deze toestemming is dan tevens de verplichting voor kabelexploitanten verbonden om het programma door te geven. De regering gaf bij het voorstel voor de Concessiewet aan dat het in het nieuwe systeem niet zou passen om toestemming te geven voor het verzorgen van een kabelprogramma naast de zendtijdtoewijzing, dat dan ook nog verplicht via de kabel zou moeten worden doorgegeven. De Tweede Kamer had bezwaar tegen het vervallen van de doorgifteplicht voor toegangsomroepen die hiervan het gevolg zou zijn. Het desbetreffende onderdeel van de Concessiewet, waarmee de artikelen 66 en 67 van de Mediawet zouden worden gewijzigd, is daarom niet in werking getreden.
De Raad kan de regering volgen in haar standpunt dat het niet past in het systeem van de Concessiewet om aan een neventaak van een lokale omroep een verplichting voor doorgifte via de kabel te verbinden. De Raad constateert echter dat met artikel 82i ook verplichte doorgifte van een in het kader van een neventaak samengesteld programma wordt geregeld.
Als de regering over haar bezwaren tegen een dergelijke afwijking van het systeem van de Concessiewet heenstapt is niet in te zien waarom niet wordt gekozen voor het handhaven van artikel 66 van de Mediawet. Er is dan geen noodzaak om artikel 82i te wijzigen.
2. Neveneffecten
Met de voorgestelde regeling krijgen in het gehele land de lokale omroepen recht op extra ruimte op de kabel voor doorgifte van programma's. Dit recht is niet meer afhankelijk van voorafgaande toestemming van het Commissariaat. Het Commissariaat geeft in zijn reactie op het wetsvoorstel aan dat het zich afvraagt of het aantal programma's dat verplicht moet worden doorgegeven door de voorgestelde maatregel niet aan de hoge kant komt te liggen. Het Commissariaat zegt hierover onder meer: "Voor de kabel, waarop toch nog steeds schaarste heerst, betekent de omvang van de voorgestelde must-carry een zware belasting, zeker als andere lokale omroepen een voorbeeld zouden gaan nemen aan de Amsterdamse situatie."(zie noot 1) De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen reageert in een brief aan het Commissariaat als volgt op die bezorgdheid: "Het gaat daarbij om een situatie die met name in de vier grote steden speelt. Ik verwacht niet dat de doorgifte van extra programma's ook elders in het land een grote vlucht zal nemen. Het programmavoorschrift van artikel 51f van de Mediawet zal daarbij naar verwachting als een extra rem fungeren."(zie noot 2)
Uit de reactie van de staatssecretaris en uit het standpunt van de regering dat verplichte doorgifte van toegangsomroepen niet past in het nieuwe systeem van de Concessiewet, maakt de Raad op dat de regering verplichte doorgifte van programma's van toegangsomroepen in het algemeen niet wenselijk vindt. Een neveneffect van de voorgestelde regeling kan zijn dat de verplichte doorgifte van dergelijke programma's nog toeneemt.
Gelet op het standpunt van de regering over de verplichte doorgifte meent de Raad dat het ongewenste neveneffect van een mogelijk toenemend aantal verplicht door te geven programma’s van toegangsomroepen niet in verhouding staat tot het probleem dat de regering beoogt op te lossen.
De Raad adviseert hierop in de toelichting in te gaan.
3. Middel/uitwerking
De regering acht de doorgifteplicht voor andere programma’s van lokale omroepen dan de programma’s die een dergelijke omroep als hoofdtaak verzorgt alleen gerechtvaardigd voor programma’s die van algemeen nut zijn voor de desbetreffende gemeente. Daarom wordt in artikel 82i, tweede lid, het programmavoorschrift bedoeld in artikel 51f, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Mediawet van overeenkomstige toepassing verklaard.(zie noot 3) Dit betekent dat deze programma’s voor 50 procent dienen te bestaan uit onderdelen van informatieve, culturele en educatieve aard, die in het bijzonder betrekking hebben op de gemeente waarvoor het programma bestemd is.
Andersom betekent dit dat aan 50 procent van het uitgezonden materiaal op het open kanaal geen andere eisen worden gesteld dan dat het gericht is op "specifieke bevolkings- en leeftijdsgroepen waaronder minderheden". De Raad adviseert toe te lichten waarom niet gekozen is voor een strengere eis, waarbij het volledige of vrijwel het volledige programma van het open kanaal van informatieve, culturele en educatieve aard moet zijn. De benodigde kabelruimte kan dan gehalveerd worden.
Wetstechnische opmerkingen
4. De extra doorgifteplicht geldt voor programma's die gericht zijn op "specifieke bevolkings- en leeftijdsgroepen waaronder minderheden". In de toelichting is niet gemotiveerd waarom voor deze afbakening is gekozen. Evenmin is toegelicht wat wel en wat niet in deze definitie is begrepen.
De Raad meent dat toegelicht moet worden waarom de doorgifteplicht van belang is voor programma's gericht op juist deze doelgroepen. Als de formulering alleen zo gekozen is omdat dan de bestaande open kanalen onder de beschrijving vallen geldt hetgeen hiervoor onder punt 2 is opgemerkt.
5. Omdat verplichte doorgifte van open kanalen niet meer afhankelijk is van toestemming van het Commissariaat is het van groot belang dat voor alle betrokkenen duidelijk is wat wel en wat niet valt onder de beschrijving "specifieke bevolkings- en leeftijdsgroepen waaronder minderheden". De Raad meent dat hierover in ieder geval in de toelichting duidelijkheid moet worden gegeven.
6. Voor een redactionele kanttekening verwijst het college naar de bij het advies behorende bijlage.
De Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De Vice-President van de Raad van State
Bijlage bij het advies van de Raad van State van 17 juni 2002, no.W05.02.0154/III, met een redactionele kanttekening die de Raad in overweging geeft.
- In artikel 82i, vierde lid, van de Mediawet de verwijzingen naar de onderdelen d en e van het eerste lid van artikel 82i aanpassen.
Nader rapport (reactie op het advies) van 16 oktober 2002
1. De Raad van State merkt terecht op dat in het onderhavige wetsvoorstel met de verplichte doorgifte van de programma's van de toegangsomroepen wordt afgeweken van de systematiek van de Concessiewet. De mening van de Raad dat dit met zich meebrengt dat dan ook zonder bezwaar kan worden gekozen voor het ongewijzigd handhaven van artikel 66 (en kennelijk ook artikel 67) van de Mediawet, deelt de regering echter niet. Zoals reeds in de memorie van toelichting bij dit wetsvoorstel is uiteengezet, is het in de nieuwe door de Concessiewet geïntroduceerde systematiek van hoofdtaak en neventaken ook zonder specifieke toestemming van het Commissariaat voor de Media mogelijk om naast het hoofdtaakprogramma bij wijze van neventaak één of meer programma's via de kabel te verzorgen. Voor de neventaken geldt echter geen doorgifteplicht. Handhaving van de mogelijkheid om naast de zendtijdtoewijzing toestemming te geven voor een kabelprogramma dat dan ook nog verplicht moet worden doorgegeven, past niet meer in de nieuwe systematiek. In de memorie van toelichting bij het onderhavige wetsvoorstel wordt dan ook aangekondigd dat de in de Concessiewet voorziene wijziging van de artikelen 66 en 67 van de Mediawet (het vervallen van de woorden "of naast") alsnog in werking zal treden.
In het onderhavige wetsvoorstel wordt slechts in beperkte mate afgeweken van de Concessiewetsystematiek doordat voor een bepaald soort neventaakprogramma's (te weten de programma's van de toegangsomroepen) onder strikte voorwaarden de doorgifteplicht wordt geregeld. De door de Raad van State gesuggereerde oplossing zou een veel grotere inbreuk op de Concessiesystematiek betekenen. In dat geval blijft er immers een bepaling bestaan die voor het verzorgen van neventaakprogramma's toestemming van het Commissariaat voor de Media vereist en moeten die neventaakprogramma's allemaal (dus niet beperkt tot de programma's van de toegangsomroepen) ook nog verplicht worden doorgegeven.
2. De conclusie van de Raad van State dat de regering verplichte doorgifte van programma’s van toegangsomroepen in het algemeen niet wenselijk vindt, berust kennelijk op een misverstand. De regering is juist van mening dat de toegangsomroepen wel verplicht moeten worden doorgegeven en komt daarom met een wetswijziging op dit punt. Het probleem was veeleer hoe dit kan worden gerealiseerd zonder teveel inbreuk te maken op de Concessiewetsystematiek. Naar aanleiding van het advies van de Raad van State is thans in de memorie van toelichting aangegeven dat het niet in de rede ligt dat er buiten de grote steden plotseling allerlei toegangsomroepen zullen ontstaan en dat het programmavoorschrift van artikel 51f van de Mediawet daarbij naar verwachting als extra rem zal fungeren.
3. Naar aanleiding van het advies van de Raad van State is in de memorie van toelichting vermeld waarom ten aanzien van het programmavoorschrift voor de bij wijze van neventaak door de lokale omroepen uitgezonden programma’s van de toegangsomroepen niet gekozen is voor een strengere eis. Daarbij is verduidelijkt dat in het wetsvoorstel het programmavoorschrift dat geldt voor het hoofdtaakprogramma van de lokale omroep van overeenkomstige toepassing is verklaard op de hier bedoelde programma’s. Verder is aangegeven dat dit programmavoorschrift het resultaat is van een afweging tussen enerzijds het bewerkstelligen dat het hoofdtaakprogramma van de lokale omroep van algemeen nut is voor de desbetreffende gemeente en anderzijds het voorkomen dat de programmatische autonomie van de lokale omroep teveel wordt beperkt. Niet valt in te zien waarom deze afweging voor de bij wijze van neventaak verzorgde programma’s anders zou moeten uitvallen dan voor het hoofdtaakprogramma.
4. Overeenkomstig het advies van de Raad van State is in de memorie van toelichting nader ingegaan op de formulering "specifieke bevolkings- en leeftijdsgroepen, waaronder minderheden". Daarbij is onder meer aangegeven dat met deze formulering de doelgroepen van de toegangsomroepen worden aangeduid en dat een soortgelijke formulering ook reeds voorkomt in de artikelen 99 en 101 van de Mediawet.
5. Zie het antwoord op punt 4.
6. De redactionele kanttekening van de Raad van State is overgenomen, met dien verstande dat daarbij tevens de verwijzing naar artikel 82i, eerste lid, onder d en e, van de Mediawet in artikel 82i, vijfde lid (nieuw), van de Mediawet is aangepast.
7. Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om de memorie van toelichting (de toelichting bij artikel I, onderdeel A) te actualiseren.
Ik moge U verzoeken het hierbij gevoegde gewijzigde voorstel van wet en de gewijzigde memorievan toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.
De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen
(1) Brief van het Commissariaat van de Media, nr.B&P-001078-jvb, 1 maart 2002.
(2) Brief van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, nr.MLB/JZ/2002/12.411, 26 maart 2002.
(3) Memorie van toelichting, bladzijde 9.