Ontwerpbesluit met nota van toelichting houdende regels met betrekking tot het verstrekken van subsidie in 2002 ten behoeve van uitzonderlijk omvangrijke restauraties van beschermde monumenten (Besluit rijkssubsidiëring grootschalige restauraties 2002).
- Kenmerk
- W05.02.0099/III
- Datum advies
- 1 mei 2002
- Vindplaats
- Bijvoegsel Staatscourant 10 september 2002, nr 173
- Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
- Algemene maatregel van bestuur
Toon inhoud
Volledige tekst
Ontwerpbesluit met nota van toelichting houdende regels met betrekking tot het verstrekken van subsidie in 2002 ten behoeve van uitzonderlijk omvangrijke restauraties van beschermde monumenten (Besluit rijkssubsidiëring grootschalige restauraties 2002).
Bij Kabinetsmissive van 4 maart 2002, no.02.001095, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, F. van der Ploeg, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit met nota van toelichting houdende regels met betrekking tot het verstrekken van subsidie in 2002 ten behoeve van uitzonderlijk omvangrijke restauraties van beschermde monumenten (Besluit rijkssubsidiëring grootschalige restauraties 2002).
Het ontwerpbesluit strekt ertoe een grondslag te bieden voor de subsidiëring van grootschalige restauraties van een kleine specifieke groep beschermde monumenten. De aanleiding ervan is het beschikbaar komen van extra gelden ingevolge de Voorjaarsnota 2001. Het aantal aanvragers voor deze subsidie is beperkt tot een bijzondere categorie, namelijk die aanvragers wier aanvragen in de vorige ronde niet zijn gehonoreerd vanwege het ontbreken van gelden. Als zodanig dient het besluit te worden aangemerkt als een aanhangsel van het Besluit rijkssubsidiering grootschalige restauraties (Brgr).(zie noot 1)
De Raad van State onderschrijft de strekking van het ontwerpbesluit, maar maakt een opmerking over de beperking van de kring van de aanvragers en over de systematiek van de subsidiëring. Hij is van oordeel dat in verband daarmee enige aanpassing van het voorstel wenselijk is.
1. Beperking kring aanvragers
De voorgestelde regeling komt in sterke mate overeen met de regeling die in het Brgr is opgenomen. Het grote verschil betreft de inperking van de kring van potentiële aanvragers. Alleen degenen wier aanvraag op basis van het Brgr in behandeling is genomen maar uiteindelijk niet is gehonoreerd, hoofdzakelijk omdat het subsidieplafond was bereikt, kunnen een aanvraag indienen.(zie noot 2) Dit betekent dat het aantal potentiële aanvragers tot 16 is beperkt. Volgens de staatssecretaris heeft deze benadering als voordeel dat gebruik gemaakt kan worden van reeds eerder beoordeelde restauratieplannen, zodat op korte termijn met de restauratiewerkzaamheden kan worden begonnen. Voordeel voor het Rijk is dat de procedure voor aanvragen, beoordelen en toekennen overzichtelijk is, waardoor de uitvoeringslasten beperkt blijven. Voor de 11 aanvragen die destijds op basis van het Brgr gedeeltelijk zijn gehonoreerd, geldt dat de restauratie waarvoor subsidie is verleend en waarvan de restauratiewerkzaamheden gaande zijn, tot eind 2003 kan
worden voortgezet. Ten aanzien van de groep jonge "kanjers" bestaat een duidelijk beeld van de omvang van hun restauratiebehoefte, maar ontbreken uitgewerkte restauratieplannen. Het rekening houden met deze groep zou niet alleen veel tijd kosten, maar zou er bovendien toe kunnen leiden dat de kans op "nieten", gezien de hoogte van de beschikbare middelen - wellicht ook bij de groep van 16 - aanzienlijk is.
De Raad overweegt het volgende.
Een belangrijk argument voor de keuze van de groep van 16 is dat hun aanvragen niet konden worden gehonoreerd wegens gebrek aan voldoende financiële middelen. Ten aanzien van 12 van deze aanvragen geldt echter dat zij zijn afgewezen omdat zij ten aanzien van de relatieve subsidiecriteria minder goed scoorden dan die aanvragers, die wel geheel of gedeeltelijk zijn gehonoreerd.(zie noot 3) Een tweede argument is dat de groep van 11 gedeeltelijk toegekende aanvragen in negen gevallen restauraties betreft die in fasen kunnen worden uitgevoerd. Onduidelijk is echter of de restauratiebehoefte van deze groep in kwalitatief opzicht groter of kleiner is dan die van de 16 geselecteerde objecten. Een laatste argument is dat een open regeling zowel voor de aanvragers als voor de Rijksdienst voor de Monumentenzorg veel werk zou opleveren, terwijl het resultaat van die inspanningen ongewis is. Feit is echter dat het nu voorgestelde tijdsbestek waarin aanvragers en de Rijksdienst voor de Monumentenzorg hun werk moeten doen, van eenzelfde orde van grootte is als bij het Brgr.
Gelet op het vorenstaande adviseert de Raad in het voorstel aandacht te geven aan de positie van de groep van 11. Deze aanvragers voldeden destijds in beginsel aan de subsidievoorwaarden. Door snel na de eerste subsidieronde een tweede subsidieronde aan te kondigen, wordt in wezen het subsidieplafond op grond van het Brgr - de eerste subsidieronde - met 30 miljoen euro verhoogd. Dat zou een reden kunnen zijn om de destijds niet volledig gehonoreerde aanvragen alsnog - vollediger - te honoreren. Hierbij kan een vergelijking worden gemaakt met artikel 4:25, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Indien het aanvullende te verdelen subsidiebedrag wel tijdig beschikbaar was gesteld, was de aanvrager niet in een nadeliger positie gekomen. De definitieve beslissing over de aanvraag van - de deels gehonoreerde aanvragen om - subsidie is door het later beschikbaar komen van extra gelden verschoven naar een later tijdvak. Van belang is ten slotte dat de regering dit ontwerpbesluit aanmerkt als een sequeel van het Brgr. Het Brgr is destijds aangekondigd als een eenmalige zaak.(zie noot 4) Gezien het eenmalige karakter ervan en het feit dat dit ontwerpbesluit moet worden aangemerkt als een aanhangsel van het Brgr, vergt de gemaakte keuze de groep van 11 niet in de bijlage bij het besluit. Op te nemen een nadere motivering.
2. Beschikbaarstelling van de gelden
De toelichting op artikel 7 van het ontwerpbesluit stelt dat het totale subsidiebedrag in beginsel in 2002 beschikbaar wordt gesteld, maar dat de feitelijke betaling in de meeste gevallen in 2003 zal geschieden. Hiermee wordt afgeweken van de systematiek van het Brgr waarin het totale subsidiebedrag over de periode van 2000 tot en met 2006 verspreid beschikbaar wordt gesteld.(zie noot 5) De Raad adviseert de systematiek van het Brgr te volgen, tenzij daartegen overwegende, in de toelichting uiteen te zetten, bezwaren bestaan.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De waarnemend Vice-President van de Raad van State
Nader rapport (reactie op het advies) van 14 juni 2002
1. Ik onderschrijf de opvatting van de Raad dat nu het voorliggende ontwerpbesluit moet worden gezien als sequeel van het Besluit rijkssubsidiëring grootschalige restauraties (Brgr), er redenen zijn ook de aanvragers wier aanvraag in de vorige ronde slechts gedeeltelijk kon worden gehonoreerd in de gelegenheid te stellen thans mee te dingen.
Niettemin hecht ik er ook aan dat ook het voordeel van het op korte termijn geheel beschikbaar komen van de overigens beperkte middelen zoveel mogelijk wordt benut. Door deze middelen snel in te zetten kan immers worden vermeden dat de restauratiekosten als gevolg van inflatie en door vervolgschade verder op lopen. Teneinde deze twee elementen met elkaar te verenigen is in het voorliggende ontwerpbesluit de kring van potentiële aanvragers uitgebreid met de eigenaren van de 11 objecten wier aanvraag ingevolge het Brgr niet volledig is gehonoreerd, maar anderzijds de mogelijkheid van subsidieverstrekking beperkt tot de kosten van restauraties die vóór 1 januari 2005 kunnen zijn voltooid. Aldus wordt bewerkstelligd dat rechtsongelijkheid wordt vermeden terwijl de beschikbare middelen zo efficiënt mogelijk worden aangewend. In verband met deze wijziging is ook de nota van toelichting aangepast.
2. Mede in verband met het vorenstaande acht ik het niet gewenst de Raad te volgen in zijn advies om de systematiek van het Brgr aan te houden waar het gaat om het gefaseerd beschikbaar stellen van het totale subsidiebedrag. Zoals ik hiervoor heb aangegeven is een belangrijk element van de in het voorliggende ontwerpbesluit vervatte regeling - die derhalve in dit opzicht verschilt met die in het Brgr - juist het op zeer korte termijn beschikbaar komen en effectief inzetten van het totale subsidiebedrag. De nota van toelichting is in verband hiermee op dit punt aangescherpt.
Ik moge U hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen
(1) Besluit van 22 juli 2000, houdende bijzondere regels met betrekking tot het verstrekken van subsidie ten behoeve van uitzonderlijk omvangrijke restauraties van beschermde monumenten (Stb.323).
(2) Nota van toelichting, bladzijde 5, hoofdstuk 1, Algemeen, onder de inleiding.
(3) Zie Kamerstukken II 27 400, VIII, nr.57, blz.5.
(4) "De keuze voor een nieuw besluit in plaats van een wijziging van het bestaande Besluit rijkssubsidiëring restauratie monumenten 1997 is vooral ingegeven door het eenmalige karakter van de onderhavige regeling", aldus de nota van toelichting bij het Brgr, bladzijde 4.
(5) Zie de nota van toelichting, bladzijde 8, van het in noot 1 genoemde besluit.
Het ontwerpbesluit strekt ertoe een grondslag te bieden voor de subsidiëring van grootschalige restauraties van een kleine specifieke groep beschermde monumenten. De aanleiding ervan is het beschikbaar komen van extra gelden ingevolge de Voorjaarsnota 2001. Het aantal aanvragers voor deze subsidie is beperkt tot een bijzondere categorie, namelijk die aanvragers wier aanvragen in de vorige ronde niet zijn gehonoreerd vanwege het ontbreken van gelden. Als zodanig dient het besluit te worden aangemerkt als een aanhangsel van het Besluit rijkssubsidiering grootschalige restauraties (Brgr).(zie noot 1)
De Raad van State onderschrijft de strekking van het ontwerpbesluit, maar maakt een opmerking over de beperking van de kring van de aanvragers en over de systematiek van de subsidiëring. Hij is van oordeel dat in verband daarmee enige aanpassing van het voorstel wenselijk is.
1. Beperking kring aanvragers
De voorgestelde regeling komt in sterke mate overeen met de regeling die in het Brgr is opgenomen. Het grote verschil betreft de inperking van de kring van potentiële aanvragers. Alleen degenen wier aanvraag op basis van het Brgr in behandeling is genomen maar uiteindelijk niet is gehonoreerd, hoofdzakelijk omdat het subsidieplafond was bereikt, kunnen een aanvraag indienen.(zie noot 2) Dit betekent dat het aantal potentiële aanvragers tot 16 is beperkt. Volgens de staatssecretaris heeft deze benadering als voordeel dat gebruik gemaakt kan worden van reeds eerder beoordeelde restauratieplannen, zodat op korte termijn met de restauratiewerkzaamheden kan worden begonnen. Voordeel voor het Rijk is dat de procedure voor aanvragen, beoordelen en toekennen overzichtelijk is, waardoor de uitvoeringslasten beperkt blijven. Voor de 11 aanvragen die destijds op basis van het Brgr gedeeltelijk zijn gehonoreerd, geldt dat de restauratie waarvoor subsidie is verleend en waarvan de restauratiewerkzaamheden gaande zijn, tot eind 2003 kan
worden voortgezet. Ten aanzien van de groep jonge "kanjers" bestaat een duidelijk beeld van de omvang van hun restauratiebehoefte, maar ontbreken uitgewerkte restauratieplannen. Het rekening houden met deze groep zou niet alleen veel tijd kosten, maar zou er bovendien toe kunnen leiden dat de kans op "nieten", gezien de hoogte van de beschikbare middelen - wellicht ook bij de groep van 16 - aanzienlijk is.
De Raad overweegt het volgende.
Een belangrijk argument voor de keuze van de groep van 16 is dat hun aanvragen niet konden worden gehonoreerd wegens gebrek aan voldoende financiële middelen. Ten aanzien van 12 van deze aanvragen geldt echter dat zij zijn afgewezen omdat zij ten aanzien van de relatieve subsidiecriteria minder goed scoorden dan die aanvragers, die wel geheel of gedeeltelijk zijn gehonoreerd.(zie noot 3) Een tweede argument is dat de groep van 11 gedeeltelijk toegekende aanvragen in negen gevallen restauraties betreft die in fasen kunnen worden uitgevoerd. Onduidelijk is echter of de restauratiebehoefte van deze groep in kwalitatief opzicht groter of kleiner is dan die van de 16 geselecteerde objecten. Een laatste argument is dat een open regeling zowel voor de aanvragers als voor de Rijksdienst voor de Monumentenzorg veel werk zou opleveren, terwijl het resultaat van die inspanningen ongewis is. Feit is echter dat het nu voorgestelde tijdsbestek waarin aanvragers en de Rijksdienst voor de Monumentenzorg hun werk moeten doen, van eenzelfde orde van grootte is als bij het Brgr.
Gelet op het vorenstaande adviseert de Raad in het voorstel aandacht te geven aan de positie van de groep van 11. Deze aanvragers voldeden destijds in beginsel aan de subsidievoorwaarden. Door snel na de eerste subsidieronde een tweede subsidieronde aan te kondigen, wordt in wezen het subsidieplafond op grond van het Brgr - de eerste subsidieronde - met 30 miljoen euro verhoogd. Dat zou een reden kunnen zijn om de destijds niet volledig gehonoreerde aanvragen alsnog - vollediger - te honoreren. Hierbij kan een vergelijking worden gemaakt met artikel 4:25, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Indien het aanvullende te verdelen subsidiebedrag wel tijdig beschikbaar was gesteld, was de aanvrager niet in een nadeliger positie gekomen. De definitieve beslissing over de aanvraag van - de deels gehonoreerde aanvragen om - subsidie is door het later beschikbaar komen van extra gelden verschoven naar een later tijdvak. Van belang is ten slotte dat de regering dit ontwerpbesluit aanmerkt als een sequeel van het Brgr. Het Brgr is destijds aangekondigd als een eenmalige zaak.(zie noot 4) Gezien het eenmalige karakter ervan en het feit dat dit ontwerpbesluit moet worden aangemerkt als een aanhangsel van het Brgr, vergt de gemaakte keuze de groep van 11 niet in de bijlage bij het besluit. Op te nemen een nadere motivering.
2. Beschikbaarstelling van de gelden
De toelichting op artikel 7 van het ontwerpbesluit stelt dat het totale subsidiebedrag in beginsel in 2002 beschikbaar wordt gesteld, maar dat de feitelijke betaling in de meeste gevallen in 2003 zal geschieden. Hiermee wordt afgeweken van de systematiek van het Brgr waarin het totale subsidiebedrag over de periode van 2000 tot en met 2006 verspreid beschikbaar wordt gesteld.(zie noot 5) De Raad adviseert de systematiek van het Brgr te volgen, tenzij daartegen overwegende, in de toelichting uiteen te zetten, bezwaren bestaan.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De waarnemend Vice-President van de Raad van State
Nader rapport (reactie op het advies) van 14 juni 2002
1. Ik onderschrijf de opvatting van de Raad dat nu het voorliggende ontwerpbesluit moet worden gezien als sequeel van het Besluit rijkssubsidiëring grootschalige restauraties (Brgr), er redenen zijn ook de aanvragers wier aanvraag in de vorige ronde slechts gedeeltelijk kon worden gehonoreerd in de gelegenheid te stellen thans mee te dingen.
Niettemin hecht ik er ook aan dat ook het voordeel van het op korte termijn geheel beschikbaar komen van de overigens beperkte middelen zoveel mogelijk wordt benut. Door deze middelen snel in te zetten kan immers worden vermeden dat de restauratiekosten als gevolg van inflatie en door vervolgschade verder op lopen. Teneinde deze twee elementen met elkaar te verenigen is in het voorliggende ontwerpbesluit de kring van potentiële aanvragers uitgebreid met de eigenaren van de 11 objecten wier aanvraag ingevolge het Brgr niet volledig is gehonoreerd, maar anderzijds de mogelijkheid van subsidieverstrekking beperkt tot de kosten van restauraties die vóór 1 januari 2005 kunnen zijn voltooid. Aldus wordt bewerkstelligd dat rechtsongelijkheid wordt vermeden terwijl de beschikbare middelen zo efficiënt mogelijk worden aangewend. In verband met deze wijziging is ook de nota van toelichting aangepast.
2. Mede in verband met het vorenstaande acht ik het niet gewenst de Raad te volgen in zijn advies om de systematiek van het Brgr aan te houden waar het gaat om het gefaseerd beschikbaar stellen van het totale subsidiebedrag. Zoals ik hiervoor heb aangegeven is een belangrijk element van de in het voorliggende ontwerpbesluit vervatte regeling - die derhalve in dit opzicht verschilt met die in het Brgr - juist het op zeer korte termijn beschikbaar komen en effectief inzetten van het totale subsidiebedrag. De nota van toelichting is in verband hiermee op dit punt aangescherpt.
Ik moge U hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen
(1) Besluit van 22 juli 2000, houdende bijzondere regels met betrekking tot het verstrekken van subsidie ten behoeve van uitzonderlijk omvangrijke restauraties van beschermde monumenten (Stb.323).
(2) Nota van toelichting, bladzijde 5, hoofdstuk 1, Algemeen, onder de inleiding.
(3) Zie Kamerstukken II 27 400, VIII, nr.57, blz.5.
(4) "De keuze voor een nieuw besluit in plaats van een wijziging van het bestaande Besluit rijkssubsidiëring restauratie monumenten 1997 is vooral ingegeven door het eenmalige karakter van de onderhavige regeling", aldus de nota van toelichting bij het Brgr, bladzijde 4.
(5) Zie de nota van toelichting, bladzijde 8, van het in noot 1 genoemde besluit.