Ontwerpbesluit met nota van toelichting houdende tijdelijke regeling voor de notariële tarieven in de onroerendgoedpraktijk van 1 oktober 2002 tot 1 april 2003 (Tijdelijk besluit notariële tarieven onroerendgoedpraktijk).
- Kenmerk
- W03.02.0334/I
- Datum advies
- 23 augustus 2002
- Vindplaats
- Bijvoegsel Staatscourant 8 oktober 2002, nr 193
- Justitie en Veiligheid
- Algemene maatregel van bestuur
Toon inhoud
Volledige tekst
Ontwerpbesluit met nota van toelichting houdende tijdelijke regeling voor de notariële tarieven in de onroerendgoedpraktijk van 1 oktober 2002 tot 1 april 2003 (Tijdelijk besluit notariële tarieven onroerendgoedpraktijk).
Bij Kabinetsmissive van 26 juli 2002, no.02.003566, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Justitie, mede namens de Minister van Economische Zaken, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit met nota van toelichting houdende tijdelijke regeling voor de notariële tarieven in de onroerendgoedpraktijk van 1 oktober 2002 tot 1 april 2003 (Tijdelijk besluit notariële tarieven onroerendgoedpraktijk).
Het ontwerpbesluit bevat notariële tarieven voor de onroerendgoedpraktijk in afwachting van de definitieve besluitvorming over het vrijgeven van de in die praktijk gehanteerde tarieven. De Raad van State maakt naar aanleiding van het ontwerpbesluit twee opmerkingen met betrekking tot de artikelen 4 en 6. Hij is van oordeel dat in verband daarmee aanpassing van het voorstel wenselijk is.
1. Artikel 4 komt overeen met een "algemene dispensatie", die het karakter heeft van een vrijstelling en is opgenomen in de ministeriële regelingen notariële tarieven onroerendgoed-praktijk 2000 en 2001. Deze ministeriële regelingen vinden hun wettelijke basis in de overgangsregeling waarin artikel 127, tweede en derde lid, van de Wet op het notarisambt voorziet. In hoeverre de "algemene dispensatie", zoals deze in de ministeriële regeling is neergelegd binnen het kader van de genoemde bepalingen valt, staat hier niet ter beoordeling. De onderhavige algemene maatregel van bestuur is gegrondvest op artikel 54, eerste lid, van de Wet op het notarisambt. Die bepaling voorziet uitsluitend in tarief- dan wel regelstelling bij algemene maatregel van bestuur "voorzover zulks kennelijk noodzakelijk is om de continuïteit van een toegankelijke notariële dienstverlening te waarborgen". De Raad vermag niet in te zien dat enige dispensatieregeling, en zeker niet een regeling die uitsluitend ten voordele strekt van cliënten die een min of meer nauwe persoonlijke of zakelijke band hebben met de notaris die een akte tot levering van onroerend goed passeert, de continuïteit van een toegankelijke notariële dienstverlening als zodanig waarborgt. Bovendien valt niet in te zien wat de wettelijke grondslag is voor het onderscheid dat in artikel 4 wordt gemaakt tussen aktes ten behoeve van de categorieën a tot en met c en categorie d, waarbij slechts voor de laatste groep de beperking geldt tot bloed- of aanverwanten in de eerste graad en tot transacties "in de persoonlijke sfeer".
Het college is van oordeel dat de voorgestelde bepaling geschrapt dient te worden.
2. In alle gevallen waarin de regeling niet voorziet of waarin de toepassing van de regeling tot een verschil in interpretatie leidt, beslist het bestuur van de Koninklijke Notariële Broederschap (KNB), zo bepaalt artikel 6. De Raad is van oordeel dat deze bepaling niet kan worden aanvaard. Onduidelijk is namelijk wat daarvoor de wettelijke basis is en welk karakter aan de te nemen beslissing moet worden toegekend. In dit verband moet worden aangetekend dat een dergelijke bepaling onder de werking van de oude Wet op het notarisambt geen vragen zou hebben opgeroepen omdat deze toen nog in geschillenbeslissing door de KNB voorzag. In de huidige wet evenwel is dat niet meer het geval. Immers is de berechting over geschillen betreffende het honorarium ingevolge artikel 55, tweede lid, aan de Ring opgedragen en voorziet artikel 61, waarin de taken van de KNB zijn omschreven, niet in enige taak op dit gebied.
Voorts is ook onduidelijk hoe een eventuele beslissing van de KNB zou moeten worden gekarakteriseerd. Van een algemeen verbindend voorschrift zal geen sprake zijn omdat de wet de KNB geen bevoegdheid heeft toegekend dergelijke voorschriften te maken. Van een beleidsregel kan ook niet gesproken worden omdat daarvoor naast de voorgestelde algemene maatregel van bestuur geen ruimte is en van een beschikking in de zin van de Algemene wet bestuursrecht is geen sprake omdat de bevoegdheid om geschillen te beslechten in eerste instantie aan de Ring en vervolgens aan de rechter is opgedragen.
De Raad adviseert daarom dit artikel te schrappen.
3. Voor een redactionele kanttekening verwijst het college naar de bij het advies behorende bijlage.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De Vice-President van de Raad van State
Bijlage bij het advies van de Raad van State van 23 augustus 2002, no.W03.02.0334/I, met een redactionele kanttekening die de Raad in overweging geeft.
- De tweede volzin van artikel 6 vervangen door: Het bestuur zendt binnen twee weken een afschrift van zijn beslissing aan de Minister van Justitie.
Nader rapport (reactie op het advies) van 10 september 2002
Naar aanleiding van het advies van de Raad, moge ik, mede namens de Minister van Economische Zaken, het volgende opmerken.
1. De opmerkingen van de Raad hebben geleid tot schrapping van artikel 4, in verband hiermee is in artikel 5, eerste lid, ook het woord "voorts" geschrapt.
2. Het advies van de Raad heeft geleid tot schrapping van artikel 6.
3. Door de schrapping van artikel 6 heeft de redactionele opmerking van de Raad niet meer geleid tot aanpassing van de tweede volzin van dat artikel. Wel is in artikel 5, derde lid, "De KNB" vervangen door: Het bestuur.
Ik moge U hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Minister van Justitie
Het ontwerpbesluit bevat notariële tarieven voor de onroerendgoedpraktijk in afwachting van de definitieve besluitvorming over het vrijgeven van de in die praktijk gehanteerde tarieven. De Raad van State maakt naar aanleiding van het ontwerpbesluit twee opmerkingen met betrekking tot de artikelen 4 en 6. Hij is van oordeel dat in verband daarmee aanpassing van het voorstel wenselijk is.
1. Artikel 4 komt overeen met een "algemene dispensatie", die het karakter heeft van een vrijstelling en is opgenomen in de ministeriële regelingen notariële tarieven onroerendgoed-praktijk 2000 en 2001. Deze ministeriële regelingen vinden hun wettelijke basis in de overgangsregeling waarin artikel 127, tweede en derde lid, van de Wet op het notarisambt voorziet. In hoeverre de "algemene dispensatie", zoals deze in de ministeriële regeling is neergelegd binnen het kader van de genoemde bepalingen valt, staat hier niet ter beoordeling. De onderhavige algemene maatregel van bestuur is gegrondvest op artikel 54, eerste lid, van de Wet op het notarisambt. Die bepaling voorziet uitsluitend in tarief- dan wel regelstelling bij algemene maatregel van bestuur "voorzover zulks kennelijk noodzakelijk is om de continuïteit van een toegankelijke notariële dienstverlening te waarborgen". De Raad vermag niet in te zien dat enige dispensatieregeling, en zeker niet een regeling die uitsluitend ten voordele strekt van cliënten die een min of meer nauwe persoonlijke of zakelijke band hebben met de notaris die een akte tot levering van onroerend goed passeert, de continuïteit van een toegankelijke notariële dienstverlening als zodanig waarborgt. Bovendien valt niet in te zien wat de wettelijke grondslag is voor het onderscheid dat in artikel 4 wordt gemaakt tussen aktes ten behoeve van de categorieën a tot en met c en categorie d, waarbij slechts voor de laatste groep de beperking geldt tot bloed- of aanverwanten in de eerste graad en tot transacties "in de persoonlijke sfeer".
Het college is van oordeel dat de voorgestelde bepaling geschrapt dient te worden.
2. In alle gevallen waarin de regeling niet voorziet of waarin de toepassing van de regeling tot een verschil in interpretatie leidt, beslist het bestuur van de Koninklijke Notariële Broederschap (KNB), zo bepaalt artikel 6. De Raad is van oordeel dat deze bepaling niet kan worden aanvaard. Onduidelijk is namelijk wat daarvoor de wettelijke basis is en welk karakter aan de te nemen beslissing moet worden toegekend. In dit verband moet worden aangetekend dat een dergelijke bepaling onder de werking van de oude Wet op het notarisambt geen vragen zou hebben opgeroepen omdat deze toen nog in geschillenbeslissing door de KNB voorzag. In de huidige wet evenwel is dat niet meer het geval. Immers is de berechting over geschillen betreffende het honorarium ingevolge artikel 55, tweede lid, aan de Ring opgedragen en voorziet artikel 61, waarin de taken van de KNB zijn omschreven, niet in enige taak op dit gebied.
Voorts is ook onduidelijk hoe een eventuele beslissing van de KNB zou moeten worden gekarakteriseerd. Van een algemeen verbindend voorschrift zal geen sprake zijn omdat de wet de KNB geen bevoegdheid heeft toegekend dergelijke voorschriften te maken. Van een beleidsregel kan ook niet gesproken worden omdat daarvoor naast de voorgestelde algemene maatregel van bestuur geen ruimte is en van een beschikking in de zin van de Algemene wet bestuursrecht is geen sprake omdat de bevoegdheid om geschillen te beslechten in eerste instantie aan de Ring en vervolgens aan de rechter is opgedragen.
De Raad adviseert daarom dit artikel te schrappen.
3. Voor een redactionele kanttekening verwijst het college naar de bij het advies behorende bijlage.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De Vice-President van de Raad van State
Bijlage bij het advies van de Raad van State van 23 augustus 2002, no.W03.02.0334/I, met een redactionele kanttekening die de Raad in overweging geeft.
- De tweede volzin van artikel 6 vervangen door: Het bestuur zendt binnen twee weken een afschrift van zijn beslissing aan de Minister van Justitie.
Nader rapport (reactie op het advies) van 10 september 2002
Naar aanleiding van het advies van de Raad, moge ik, mede namens de Minister van Economische Zaken, het volgende opmerken.
1. De opmerkingen van de Raad hebben geleid tot schrapping van artikel 4, in verband hiermee is in artikel 5, eerste lid, ook het woord "voorts" geschrapt.
2. Het advies van de Raad heeft geleid tot schrapping van artikel 6.
3. Door de schrapping van artikel 6 heeft de redactionele opmerking van de Raad niet meer geleid tot aanpassing van de tweede volzin van dat artikel. Wel is in artikel 5, derde lid, "De KNB" vervangen door: Het bestuur.
Ik moge U hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Minister van Justitie