Ontwerpbesluit met nota van toelichting houdende wijziging van het Voertuigreglement tot opneming van een verbod voor radarontvangstapparaten.
- Kenmerk
- W09.03.0286/V
- Datum advies
- 12 september 2003
- Vindplaats
- Bijvoegsel Staatscourant 09 december 2003, nr 238
- Infrastructuur en Waterstaat
- Algemene maatregel van bestuur
Toon inhoud
Volledige tekst
Ontwerpbesluit met nota van toelichting houdende wijziging van het Voertuigreglement tot opneming van een verbod voor radarontvangstapparaten.
Bij Kabinetsmissive van 17 juli 2003, no.03.002979, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Verkeer en Waterstaat, in overeenstemming met de Minister van Justitie en de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit met nota van toelichting houdende wijziging van het Voertuigreglement tot opneming van een verbod voor radarontvangstapparaten.
Het ontwerpbesluit bevat in hoofdzaak in het Voertuigreglement (hierna: Vr) op te nemen verbodsregels voor het invoeren, het te koop aanbieden, het in voorraad hebben en het afleveren van radarontvangstapparaten waarmee apparatuur waarmee de overschrijding van de maximumsnelheid kan worden vastgesteld, kan worden gedetecteerd en voor het berijden of doen berijden van auto’s die met een dergelijk apparaat zijn uitgerust. Overtreding van dit verbod wordt als een strafbaar feit aangemerkt. Het verbod vindt zijn grondslag in de artikelen 34, eerste lid, en 71 van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw 1994).
De Raad van State plaatst kanttekeningen bij de grondslag van het in het ontwerpbesluit opgenomen verbod, de hieraan verbonden voorgestelde uitzonderingsbepaling, andere radardetectieapparatuur en de inwerkingtredingsbepaling. Hij is van oordeel dat in verband daarmee het ontwerpbesluit enige aanpassing behoeft.
1. Grondslag.
a. Hoewel artikel 34, eerste lid, Wvw 1994 naar de mening van de Raad ook kan worden gebruikt voor het stellen van regels die beogen de verkeersveiligheid in het algemeen te verhogen, en artikel 1a.6, eerste lid, Vr op die bepaling kan worden gebaseerd, rijst er wel een vraag in verband met de toelichting op artikel 34 Wvw 1994. Volgens die toelichting zal een op artikel 34 Wvw 1994 gebaseerd "verkoop"verbod alleen betekenis kunnen hebben voor zaken die in het kader van de Europese Gemeenschappen gereglementeerd zijn. Mede hierom kan volgens de toelichting een dergelijk verbod slechts een beperkte werking hebben. Ten aanzien van niet-internationaal gereglementeerde producten zal een dergelijk product al gauw handelsbelemmerend werken. Het zal daarom slechts in zeer specifieke situaties kunnen worden overwogen.(zie noot 1)
Er bestaat geen Europese verordening of richtlijn die de invoer, verkoop en het in voorraad hebben van een radarontvangstapparaat verbiedt. De Raad adviseert de onderhavige toelichting te relateren aan de hiervoor aangehaalde passage uit de toelichting op artikel 34 WvW 1994, zulks mede gelet op het ontbreken van Europese regelgeving terzake.
b. Volgens de zevende alinea van de nota van toelichting is een verbod op de onderhavige radarontvangstapparaten noodzakelijk uit het oogpunt van verkeersveiligheid. Vanuit dat oogpunt kan, opdat het verbod verenigbaar is met het communautaire recht, een beroep worden gedaan op de rechtvaardigingsgronden openbare orde en openbare veiligheid van artikel 30 van het EG-Verdrag. De Raad mist hier een verwijzing naar de evenredigheid van de maatregel die immers, naast noodzakelijkheid, met zoveel woorden moet worden aannemelijk gemaakt wil er een geslaagd beroep op artikel 30 van het EG-Verdrag kunnen worden gedaan. Het kan in dit verband van belang zijn om in de toelichting meer aandacht te besteden aan de verwachte effecten van de voorgestelde maatregel op de verhoging van de verkeersveiligheid.
2. Uitzonderingen
In het voorgestelde artikel 1a.6, tweede lid, Vr wordt een uitzondering gemaakt op het in het eerste lid van dat artikel opgenomen verbod op het invoeren, te koop aanbieden, in voorraad hebben of afleveren van radarontvangstapparatuur als bedoeld in het eerste lid.(zie noot 2) Die uitzondering wordt gemaakt voor apparaten die in Nederland worden ingevoerd en waarvan door middel van handelsbescheiden wordt aangetoond dat de apparaten aansluitend worden uitgevoerd naar een andere lidstaat van de Europese Gemeenschappen. Die uitzondering is gebaseerd op artikel 30 van het EG-Verdrag.
De Raad merkt hierover het volgende op.
a. Er is geen uitzondering opgenomen voor apparaten die in Nederland worden ingevoerd en waarvan door middel van handelsbescheiden wordt aangetoond dat zij aansluitend worden uitgevoerd naar een derde land. In de toelichting wordt niet aangegeven waarom er wel een uitzondering wordt gemaakt op het verbod wat betreft de doorvoer naar een andere lidstaat, maar niet voor doorvoer naar een derde land.
b. Er is evenmin een uitzondering opgenomen voor apparaten die in Nederland worden geproduceerd en waarvan door middel van handelsbescheiden wordt aangetoond dat zij aansluitend worden uitgevoerd naar een andere lidstaat of een derde land. In dit verband rijst allereerst de vraag of het ontwerpbesluit vanwege het voorgestelde verbod op "in voorraad hebben" wellicht een verkapt productieverbod inhoudt. Maar aangenomen dat dat niet het geval is, is het niet duidelijk waarom in artikel 1a.6, tweede lid, Vr geen uitzondering is opgenomen voor in Nederland geproduceerde apparaten die uitsluitend bestemd zijn voor de uitvoer.
De Raad adviseert de uitzondering op de verbodsbepaling met inachtneming van vorenstaande opmerkingen te verruimen.
3. Overige radardetectiesystemen
Het ontwerpbesluit heeft alleen betrekking op het verbod van radardetectieapparatuur in de vorm van een radarontvangstapparaat. Niet onmogelijk is dat behoudens detectieapparatuur die op basis van radarsignalen werkt, ook andere vormen van detectie van apparatuur ter opsporing van snelheidscontroles bestaan of worden ontwikkeld. Daarop wordt geen verbod gesteld en evenmin wordt daarop in de toelichting ingegaan. In verband daarmee en gezien de in punt 1b genoemde evenredigheidseis acht de Raad het van belang dat ten minste in de toelichting wordt aangegeven waarom de verbodsbepalingen niet zo zijn geformuleerd dat daaronder ook andere detectiemogelijkheden komen te vallen. Bovendien zou in de toelichting aandacht aan die andere vormen moeten worden besteed.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De Vice-President van de Raad van State
Nader rapport (reactie op het advies) van 27 oktober 2003
De Raad van State plaatst enkele kanttekeningen bij het voorgenomen verbod voor radarontvangstapparaten en is in dat verband van oordeel dat het ontwerpbesluit nog enige aanpassing behoeft.
1. Grondslag
a. Ten aanzien van de grondslag voor het voorgestelde verbod adviseert de Raad om in de nota van toelichtring een verband te leggen met hetgeen in de toelichting op artikel 34 van de Wegenverkeerswet 1994 destijds is gesteld. Dit advies van de Raad is overgenomen.
b. Verder adviseert de Raad om in de nota van toelichting waar het betreft de rechtvaardigingsgronden van artikel 30 EG-Verdrag, in te gaan op de evenredigheid van het voorgenomen verbod. Ook dit advies is overgenomen.
2. Uitzonderingen
a. De Raad adviseert om in de nota van toelichting in te gaan waarom de uitzondering voor de apparaten die in Nederland worden ingevoerd en die aansluitend worden uitgevoerd naar een andere lidstaat van de Europese Gemeenschappen, niet geldt voor doorvoer naar derde landen. Dit advies is overgenomen.
b. Daarnaast vraagt de Raad zich af of met het voorgestelde verbod om radarverklikkers op voorraad te hebben in feite ook wordt beoogd om de productie van radarverklikkers te verbieden. Indien dat niet het geval is dan adviseert de Raad om de onder a genoemde uitzonderingen te verruimen opdat ook in Nederland geproduceerde apparaten, die uitsluitend bestemd zijn voor de uitvoer, hieronder vallen.
Het verbod om de radarverklikkers op voorraad te hebben zal mede tot gevolg hebben dat Nederland ook in de toekomst geen productie van dergelijke apparaten zal plaatsvinden. Het expliciet verbieden van het vervaardigen van de apparaten is daarom niet nodig en ook niet gewest gezien het streven naar het stellen van zo weinig mogelijk regels. Gelet daarop is een verruiming van de uitzonderingen op het verbod ook niet gewenst.
3. Overige radardetectiesystemen
Tot slot wijst de Raad erop dat het verbod alleen voor radarontvangstapparaten geldt en dat niet in de toelichting wordt gemeld waarom het verbod tot deze apparaten is beperkt. De Raad adviseert - mede in relatie tot de onder 1.b genoemde evenredigheidseis - om op dit punt in de toelichting in te gaan. Dit advies is overgenomen.
De datum van inwerkingtreding is gewijzigd in 1 januari 2004. De oorspronkelijk beoogde datum van inwerkingtreding van 1 oktober 2003 kan niet meer worden gehaald. Gekozen is voor inwerkintreding per 1 januari 2004 opdat aldus meer ruimte ontstaat voor de voorbereidingen inzake de handhaving.
Ik moge U hierbij het ontwerpbesluit en de nota van toelichting toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Minister van Verkeer en Waterstaat
(1) Kamerstukken II 1990/91, 22 030, nr.3.
(2) Artikel I, onder A, van het ontwerpbesluit.
Het ontwerpbesluit bevat in hoofdzaak in het Voertuigreglement (hierna: Vr) op te nemen verbodsregels voor het invoeren, het te koop aanbieden, het in voorraad hebben en het afleveren van radarontvangstapparaten waarmee apparatuur waarmee de overschrijding van de maximumsnelheid kan worden vastgesteld, kan worden gedetecteerd en voor het berijden of doen berijden van auto’s die met een dergelijk apparaat zijn uitgerust. Overtreding van dit verbod wordt als een strafbaar feit aangemerkt. Het verbod vindt zijn grondslag in de artikelen 34, eerste lid, en 71 van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw 1994).
De Raad van State plaatst kanttekeningen bij de grondslag van het in het ontwerpbesluit opgenomen verbod, de hieraan verbonden voorgestelde uitzonderingsbepaling, andere radardetectieapparatuur en de inwerkingtredingsbepaling. Hij is van oordeel dat in verband daarmee het ontwerpbesluit enige aanpassing behoeft.
1. Grondslag.
a. Hoewel artikel 34, eerste lid, Wvw 1994 naar de mening van de Raad ook kan worden gebruikt voor het stellen van regels die beogen de verkeersveiligheid in het algemeen te verhogen, en artikel 1a.6, eerste lid, Vr op die bepaling kan worden gebaseerd, rijst er wel een vraag in verband met de toelichting op artikel 34 Wvw 1994. Volgens die toelichting zal een op artikel 34 Wvw 1994 gebaseerd "verkoop"verbod alleen betekenis kunnen hebben voor zaken die in het kader van de Europese Gemeenschappen gereglementeerd zijn. Mede hierom kan volgens de toelichting een dergelijk verbod slechts een beperkte werking hebben. Ten aanzien van niet-internationaal gereglementeerde producten zal een dergelijk product al gauw handelsbelemmerend werken. Het zal daarom slechts in zeer specifieke situaties kunnen worden overwogen.(zie noot 1)
Er bestaat geen Europese verordening of richtlijn die de invoer, verkoop en het in voorraad hebben van een radarontvangstapparaat verbiedt. De Raad adviseert de onderhavige toelichting te relateren aan de hiervoor aangehaalde passage uit de toelichting op artikel 34 WvW 1994, zulks mede gelet op het ontbreken van Europese regelgeving terzake.
b. Volgens de zevende alinea van de nota van toelichting is een verbod op de onderhavige radarontvangstapparaten noodzakelijk uit het oogpunt van verkeersveiligheid. Vanuit dat oogpunt kan, opdat het verbod verenigbaar is met het communautaire recht, een beroep worden gedaan op de rechtvaardigingsgronden openbare orde en openbare veiligheid van artikel 30 van het EG-Verdrag. De Raad mist hier een verwijzing naar de evenredigheid van de maatregel die immers, naast noodzakelijkheid, met zoveel woorden moet worden aannemelijk gemaakt wil er een geslaagd beroep op artikel 30 van het EG-Verdrag kunnen worden gedaan. Het kan in dit verband van belang zijn om in de toelichting meer aandacht te besteden aan de verwachte effecten van de voorgestelde maatregel op de verhoging van de verkeersveiligheid.
2. Uitzonderingen
In het voorgestelde artikel 1a.6, tweede lid, Vr wordt een uitzondering gemaakt op het in het eerste lid van dat artikel opgenomen verbod op het invoeren, te koop aanbieden, in voorraad hebben of afleveren van radarontvangstapparatuur als bedoeld in het eerste lid.(zie noot 2) Die uitzondering wordt gemaakt voor apparaten die in Nederland worden ingevoerd en waarvan door middel van handelsbescheiden wordt aangetoond dat de apparaten aansluitend worden uitgevoerd naar een andere lidstaat van de Europese Gemeenschappen. Die uitzondering is gebaseerd op artikel 30 van het EG-Verdrag.
De Raad merkt hierover het volgende op.
a. Er is geen uitzondering opgenomen voor apparaten die in Nederland worden ingevoerd en waarvan door middel van handelsbescheiden wordt aangetoond dat zij aansluitend worden uitgevoerd naar een derde land. In de toelichting wordt niet aangegeven waarom er wel een uitzondering wordt gemaakt op het verbod wat betreft de doorvoer naar een andere lidstaat, maar niet voor doorvoer naar een derde land.
b. Er is evenmin een uitzondering opgenomen voor apparaten die in Nederland worden geproduceerd en waarvan door middel van handelsbescheiden wordt aangetoond dat zij aansluitend worden uitgevoerd naar een andere lidstaat of een derde land. In dit verband rijst allereerst de vraag of het ontwerpbesluit vanwege het voorgestelde verbod op "in voorraad hebben" wellicht een verkapt productieverbod inhoudt. Maar aangenomen dat dat niet het geval is, is het niet duidelijk waarom in artikel 1a.6, tweede lid, Vr geen uitzondering is opgenomen voor in Nederland geproduceerde apparaten die uitsluitend bestemd zijn voor de uitvoer.
De Raad adviseert de uitzondering op de verbodsbepaling met inachtneming van vorenstaande opmerkingen te verruimen.
3. Overige radardetectiesystemen
Het ontwerpbesluit heeft alleen betrekking op het verbod van radardetectieapparatuur in de vorm van een radarontvangstapparaat. Niet onmogelijk is dat behoudens detectieapparatuur die op basis van radarsignalen werkt, ook andere vormen van detectie van apparatuur ter opsporing van snelheidscontroles bestaan of worden ontwikkeld. Daarop wordt geen verbod gesteld en evenmin wordt daarop in de toelichting ingegaan. In verband daarmee en gezien de in punt 1b genoemde evenredigheidseis acht de Raad het van belang dat ten minste in de toelichting wordt aangegeven waarom de verbodsbepalingen niet zo zijn geformuleerd dat daaronder ook andere detectiemogelijkheden komen te vallen. Bovendien zou in de toelichting aandacht aan die andere vormen moeten worden besteed.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De Vice-President van de Raad van State
Nader rapport (reactie op het advies) van 27 oktober 2003
De Raad van State plaatst enkele kanttekeningen bij het voorgenomen verbod voor radarontvangstapparaten en is in dat verband van oordeel dat het ontwerpbesluit nog enige aanpassing behoeft.
1. Grondslag
a. Ten aanzien van de grondslag voor het voorgestelde verbod adviseert de Raad om in de nota van toelichtring een verband te leggen met hetgeen in de toelichting op artikel 34 van de Wegenverkeerswet 1994 destijds is gesteld. Dit advies van de Raad is overgenomen.
b. Verder adviseert de Raad om in de nota van toelichting waar het betreft de rechtvaardigingsgronden van artikel 30 EG-Verdrag, in te gaan op de evenredigheid van het voorgenomen verbod. Ook dit advies is overgenomen.
2. Uitzonderingen
a. De Raad adviseert om in de nota van toelichting in te gaan waarom de uitzondering voor de apparaten die in Nederland worden ingevoerd en die aansluitend worden uitgevoerd naar een andere lidstaat van de Europese Gemeenschappen, niet geldt voor doorvoer naar derde landen. Dit advies is overgenomen.
b. Daarnaast vraagt de Raad zich af of met het voorgestelde verbod om radarverklikkers op voorraad te hebben in feite ook wordt beoogd om de productie van radarverklikkers te verbieden. Indien dat niet het geval is dan adviseert de Raad om de onder a genoemde uitzonderingen te verruimen opdat ook in Nederland geproduceerde apparaten, die uitsluitend bestemd zijn voor de uitvoer, hieronder vallen.
Het verbod om de radarverklikkers op voorraad te hebben zal mede tot gevolg hebben dat Nederland ook in de toekomst geen productie van dergelijke apparaten zal plaatsvinden. Het expliciet verbieden van het vervaardigen van de apparaten is daarom niet nodig en ook niet gewest gezien het streven naar het stellen van zo weinig mogelijk regels. Gelet daarop is een verruiming van de uitzonderingen op het verbod ook niet gewenst.
3. Overige radardetectiesystemen
Tot slot wijst de Raad erop dat het verbod alleen voor radarontvangstapparaten geldt en dat niet in de toelichting wordt gemeld waarom het verbod tot deze apparaten is beperkt. De Raad adviseert - mede in relatie tot de onder 1.b genoemde evenredigheidseis - om op dit punt in de toelichting in te gaan. Dit advies is overgenomen.
De datum van inwerkingtreding is gewijzigd in 1 januari 2004. De oorspronkelijk beoogde datum van inwerkingtreding van 1 oktober 2003 kan niet meer worden gehaald. Gekozen is voor inwerkintreding per 1 januari 2004 opdat aldus meer ruimte ontstaat voor de voorbereidingen inzake de handhaving.
Ik moge U hierbij het ontwerpbesluit en de nota van toelichting toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Minister van Verkeer en Waterstaat
(1) Kamerstukken II 1990/91, 22 030, nr.3.
(2) Artikel I, onder A, van het ontwerpbesluit.