Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Adviezen ›
  3. W19.26.00046/IV

Wet toepassing tweerichtingscontracten om de verschillen voor klimaat en energie te verrekenen.

Kenmerk
W19.26.00046/IV
Datum aanhangig
19 februari 2026
Datum vastgesteld
29 april 2026
Datum advies
29 april 2026
Datum publicatie
4 mei 2026
Vindplaats
Kamerstukken II 2025/26, 36973, nr. 4
  • Klimaat en Groene Groei
  • Wet

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

Bij Kabinetsmissive van 19 februari 2026, no.2026000448, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Klimaat en Groene Groei, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet houdende regels in verband met de toepassing van tweerichtingscontracten ter verrekening van verschillen ter uitvoering van artikel 19 quinquies van Verordening (EU) 2019/943 en ten behoeve van andere activiteiten die bijdragen aan de vermindering van broeikasgassen (Wet toepassing tweerichtingscontracten ter verrekening van verschillen voor klimaat en energie), met memorie van toelichting.

Het wetsvoorstel maakt het gebruik van tweerichtingscontracten mogelijk voor nieuwe investeringen in windenergie, kernenergie en andere projecten die bijdragen aan de vermindering van broeikasgassen. Bij tweerichtingscontracten betaalt de producent een vergoeding aan de overheid als de marktprijs boven een vooraf afgesproken prijs komt. Andersom krijgt de producent een vergoeding van de overheid als de marktprijs onder een bepaald bedrag komt. Hierdoor heeft de producent meer zekerheid voor zijn investeringen, terwijl te grote winst wordt voorkomen. Met het wetsvoorstel wordt uitvoering gegeven aan de herziening van de Europese Elektriciteitsverordening.

Bij tweerichtingscontracten komt het bestuursrecht en het privaatrecht samen. Tegen een besluit tot afwijzing van een aanbod van een producent door de minister van Klimaat en Groene Groei kan de producent namelijk bij de bestuursrechter opkomen. Wanneer een tweerichtingscontract met een producent is gesloten, is bij geschillen over dat contract de burgerlijke rechter bevoegd.

De Afdeling advisering van de Raad van State vraagt om aandacht in de toelichting voor de verhouding tussen tweerichtingscontracten en algemene privaatrechtelijke leerstukken. Daarnaast adviseert de Afdeling om in de toelichting in te gaan op de verhouding tussen de rechtsgang bij de bestuursrechter en de burgerlijke rechter, en op hoe wordt voorzien in een goede aansluiting van de bestuursrechtelijke rechtsbescherming op de privaatrechtelijke rechtsbescherming.

Het wetsvoorstel bepaalt dat geen subsidies kunnen worden verleend als een tweerichtingscontract wordt gesloten, maar maakt hierop ook enkele uitzonderingen. De Afdeling vraagt in het advies dit nader toe te lichten. Verder heeft de Afdeling enkele opmerkingen over de wijze waarop bepaalde begrippen in het wetsvoorstel worden gedefinieerd. Tot slot adviseert de Afdeling de werking van tweerichtingscontracten na een aantal jaren te evalueren.

In verband met deze opmerkingen is aanpassing wenselijk van het wetsvoorstel en de toelichting.

1. Inhoud en achtergrond van het voorstel

Het wetsvoorstel strekt ertoe de toepassing van tweerichtingscontracten mogelijk te maken voor het stimuleren van projecten voor de productie van hernieuwbare elektriciteit, elektriciteit uit kernenergie en andere projecten die bijdragen aan de vermindering van broeikasgassen. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan de herziening van Verordening (EU) 2019/943 (hierna: de Elektriciteitsverordening) bij Verordening 2024/1747.

Met deze herziening is artikel 19 quinquies aan de Elektriciteitsverordening toegevoegd. Dat artikel bepaalt dat directe prijssteunregelingen voor investeringen in nieuwe elektriciteitsproductie-installaties voor onder andere windenergie, zonne-energie en kernenergie de vorm krijgen van tweerichtingscontracten ter verrekening van verschillen of van gelijkwaardige regelingen met dezelfde gevolgen.

Bij tweerichtingscontracten betaalt de exploitant van de elektriciteitsproductie-installatie aan de overheid als de marktprijs boven een vooraf afgesproken prijs komt. Andersom ontvangt de exploitant een compensatie van de overheid als de marktprijs onder een vooraf afgesproken prijs ligt. Met tweerichtingscontracten wordt enerzijds (investerings)zekerheid aan de exploitant geboden, terwijl anderzijds overwinsten bij hoge energieprijzen worden tegengegaan.

2. Tweerichtingscontracten: bestuursrecht en privaatrecht

In het wetsvoorstel is ervoor gekozen om directe prijssteun voor investeringen in nieuwe elektriciteitsproductie-installaties niet in de vorm van subsidies te verlenen, maar in de vorm van tweerichtingscontracten. Deze contracten komen tot stand via een concurrerende biedprocedure die het karakter heeft van een tender. De biedprocedure zal bij ministeriële regeling bekend worden gemaakt. Deze regeling voorziet ook in de wijze waarop en de termijn waarbinnen een aanbod voor het sluiten van een tweerichtingscontract kan worden ingediend. (zie noot 1)

Contracten komen tot stand door aanbod en aanvaarding. De wijze waarop aanbod en aanvaarding voor een tweerichtingscontract gestalte krijgen, wordt in het voorstel nader geregeld. De aanvaarding gebeurt bij besluit van de minister van Klimaat en Groene Groei. Dit besluit is - in bestuursrechtelijke zin - aan te merken als een voorbereidingsbesluit voor een privaatrechtelijke rechtshandeling. (zie noot 2) Het instrument zelf, het tweerichtingscontract, is privaatrechtelijk van aard, namelijk een overeenkomst.

a. De omgang met privaatrechtelijke leerstukken
In de toelichting staat dat onder meer Boek 6 van het BW van toepassing is op tweerichtingscontracten voor zover er op basis van deze wet of andere wet- of regelgeving geen uitzondering van toepassing is. (zie noot 3) In de toelichting wordt slechts beperkt ingegaan op de mate waarin verschillende privaatrechtelijke leerstukken van toepassing zijn op tweerichtingscontracten.

Ter illustratie, het gebruik van de begrippen ‘aanbod’ en ‘aanvaarding’ is niet altijd helder. Voor aanvang van de biedprocedure maakt de minister namelijk een ministeriële regeling bekend, waarin één of meer ontwerptweerichtingscontracten worden opgenomen. (zie noot 4) Volgens de toelichting is dit ontwerp echter geen aanbod van de minister in de zin van artikel 6:217 BW. Het is kennelijk de producent die door te bieden het aanbod doet, ook al wordt dit aanbod bepaald door de voorwaarden die in de ministeriële regeling zijn opgenomen. (zie noot 5) De aanvaarding vindt dan plaats met het toewijzend besluit van de minister, waarmee kennelijk meteen het tweerichtingscontract tot stand komt. (zie noot 6) Wanneer aangenomen wordt dat de producent het aanbod doet, zijn bijvoorbeeld ook de regels van toepassing voor het terugkomen op het aanbod (6:219 BW). Gelet op de bijzondere context lijkt het echter logischer om te stellen dat hier sprake is van een eigensoortige totstandkomingsprocedure, die op bepaalde punten afwijkt van het Burgerlijk Wetboek.

In meer algemene zin ontbreken reflecties op de verhouding tot privaatrechtelijke leerstukken zoals de vernietiging wegens dwaling, de aanpassing van de overeenkomst wegens onvoorziene omstandigheden en het recht op ontbinding. Hoewel dit soort zaken grotendeels in de (ontwerp)tweerichtingscontracten kunnen worden vormgegeven, is enige doordenking van deze vraagstukken in dit stadium van het wetgevingstraject wel op zijn plaats.

De Afdeling adviseert in de toelichting de verhouding tussen tweerichtingscontracten en privaatrechtelijke leerstukken die hierop van invloed kunnen zijn te verduidelijken.

b. Rechtsbescherming
Uit de toelichting blijkt dat de rechtsbescherming tweeledig is. Bij geschillen over de nakoming van verbintenissen uit een tweerichtingscontract is de burgerlijke rechter bevoegd. Tegen een besluit tot afwijzing van een aanbod van een producent staat voor belanghebbenden bezwaar bij de minister en beroep bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven open. (zie noot 7) De toelichting gaat echter niet in op de verhouding tussen de rechtsgang bij de bestuursrechter en die bij de burgerlijke rechter.

Het voorstel vertoont sterke overeenkomsten met de procedures die in het aanbestedingsrecht worden doorlopen. Naar analogie met het aanbestedingsrecht en om proceseconomische redenen zou er in dit voorstel daarom voor kunnen worden gekozen om alle handelingen die leiden tot een tweerichtingscontract te zien als privaatrechtelijke rechtshandelingen, ten aanzien waarvan de burgerlijke rechter de bevoegde rechter is. Uit de toelichting blijkt niet of deze optie is overwogen en zo ja, waarom daar niet voor gekozen is.

Daarnaast bestaat door de gekozen constructie het risico dat verschillende gerechtelijke procedures niet goed op elkaar aansluiten. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer een producent bij de bestuursrechter opkomt tegen de uitsluiting in een voorfase van de rangschikking, (zie noot 8) dan wel tegen de afwijzing van zijn aanbod. Op datzelfde moment wordt het aanbod van een andere producent door de minister aanvaard en komt daardoor het tweerichtingscontract in privaatrechtelijke zin tot stand. Dit heeft als gevolg dat een producent van wie het aanbod is afgewezen, nog maar beperkte mogelijkheden heeft om zijn recht te halen. Het tweerichtingscontract met de andere producent is dan immers al tot stand gekomen. Dit probleem wordt in de toelichting niet onderkend.

De Afdeling adviseert in de toelichting in te gaan op de verhouding tussen de rechtsgang bij de bestuursrechter en de burgerlijke rechter, alsmede op hoe wordt voorzien in een goede aansluiting van de bestuursrechtelijke rechtsbescherming op de privaatrechtelijke rechtsbescherming. Indien nodig adviseert de Afdeling het voorstel op dit punt aan te passen.

3. Tweerichtingscontracten en subsidies

In het wetsvoorstel worden de volgende categorieën investeringen/activiteiten onderscheiden:

a.  investeringen als bedoeld in artikel 19 quinquies, eerste lid, van de herziene Elektriciteitsverordening (zijnde investeringen in nieuwe elektriciteitsproductie-installaties uit de in het vierde lid van artikel 19 quinquies genoemde bronnen);
b.  investeringen in kleinschalige productie-installaties en demonstratieprojecten als bedoeld in artikel 19 quinquies, zesde lid, van de herziene Elektriciteitsverordening;
c.  activiteiten die bijdragen aan de vermindering van broeikasgassen in de atmosfeer, anders dan de investeringen bedoeld in artikel 19 quinquies, eerste lid, van de herziene Elektriciteitsverordening.

In artikel 2, eerste lid, van het wetsvoorstel wordt voor categorie a het verlenen van subsidies als vorm van directe prijssteun uitgesloten. Bij een subsidie kan ter beperking van overwinst alleen subsidie worden teruggevorderd die reeds is betaald en kan er verrekend worden met ten hoogste de in de toekomst verschuldigde subsidie, terwijl bij het tweerichtingscontract alle overwinst kan worden gevorderd. De Elektriciteitsverordening sluit niet uit dat gebruik wordt gemaakt van subsidies.

In het Nederlandse rechtssysteem vindt de regering het echter niet passend dat gebruik kan worden gemaakt van subsidies bij de investeringen waarvoor tweerichtingscontracten het aangewezen instrument zijn. (zie noot 9) De Afdeling begrijpt uit de formulering van artikel 2, eerste lid, dat een investeringssubsidie die geen directe prijssteun vormt wel nog steeds kan worden verleend bij investeringen in categorie a, zij het dat daar op dit moment geen gebruik van wordt gemaakt maar in de toekomst mogelijk wel, aldus de toelichting. (zie noot 10)

Voor categorieën b en c lijkt het wel mogelijk te zijn om directe prijssteun in de vorm van een subsidie en/of een tweerichtingscontract in te zetten. Met betrekking tot categorie c wordt in de toelichting expliciet gesteld dat het gelijktijdig gebruik van de twee instrumenten onwaarschijnlijk is, (zie noot 11) maar dit wordt niet nader toegelicht.

In de toelichting wordt niet geëxpliciteerd of gelijktijdig gebruik van de twee instrumenten mogelijk is bij categorie b. Dit roept de vraag op waarom het bij deze categorieën wel gewenst is om de mogelijkheid open te houden dat deze activiteiten met subsidies worden ondersteund, terwijl dat bij categorie a niet passend wordt geacht.

De Afdeling adviseert om het voorgaande in de toelichting te verhelderen.

4. Begripsbepalingen

In artikel 1 van het wetsvoorstel worden enkele begrippen in het wetsvoorstel en daarop berustende bepalingen gedefinieerd. Bij de definities van onder andere ‘producent’ en ‘productie-installaties’ wordt aangesloten bij de begrippen in artikel 19 quinquies van de Elektriciteitsverordening. Dit roept de vraag op waarom niet wordt aangesloten bij de definitiebepalingen in artikel 2 onderdelen 28 en 56 van de Elektriciteitsverordening.

Daarnaast is het gebruikelijk dat in een definitiebepaling enkel begrippen worden opgenomen die meermalen in het wetsvoorstel worden gehanteerd. (zie noot 12) Het begrip ‘directe prijssteunregeling’ uit artikel 1 van het wetsvoorstel komt als zodanig niet in dit wetsvoorstel voor. Enkel in artikel 2 van het wetsvoorstel wordt de formulering ‘directe prijssteun’ gehanteerd. Het ligt dan ook voor de hand om dit begrip aldaar nader te definiëren voor zover dat noodzakelijk is gelet op de rest van die bepaling.

Tot slot is het wenselijk om het begrip ‘broeikas[gas]’ in artikel 3, tweede lid, van het wetsvoorstel nader te definiëren. Dit artikel breidt het toepassingsbereik van het wetsvoorstel uit naar activiteiten die bijdragen aan de vermindering van broeikasgas in de atmosfeer, anders dan de investeringen bedoeld in artikel 19 quinquies, eerste lid, van de herziene Elektriciteitsverordening. Omdat het begrip ‘broeikasgas’ niet volgt uit de Elektriciteitsverordening, zou aansluiting kunnen worden gezocht bij de definities zoals opgenomen in Richtlijn 2003/87 (Richtlijn handel in broeikasgasemissierechten) of Verordening 2018/1999 (Governanceverordening van de Energie-unie). Ook in bijvoorbeeld de Klimaatwet en de Wet milieubeheer zijn broeikasgassen op een dergelijke wijze gedefinieerd.

De Afdeling adviseert voornoemde begripsbepalingen in het wetsvoorstel opnieuw te bezien.

5. Evaluatiebepaling

Met het wetsvoorstel worden tweerichtingscontracten geïntroduceerd om de productie van hernieuwbare energie en kernenergie, en andere producten die bijdragen aan de vermindering van broeikasgassen te stimuleren. Omdat dit een nieuw instrument is, ligt het voor de hand om na een aantal jaren te evalueren of tweerichtingscontracten daadwerkelijk bijdragen aan de genoemde doelstellingen, of dit instrument in de praktijk uitvoerbaar is en of voldoende rechtsbescherming wordt geboden.


De Afdeling adviseert in het wetsvoorstel een evaluatiebepaling op te nemen.

De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal opmerkingen bij het voorstel en adviseert daarmee rekening te houden voordat het voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal wordt ingediend.


De waarnemend vice-president van de Raad van State

Nader rapport (reactie op het advies) van 18 juni 2026

2.  Tweerichtingscontracten: bestuursrecht en privaatrecht

Naar aanleiding van het advies van de Afdeling is in de paragrafen 3.5 en 5 van de memorie van toelichting de nader ingegaan op de verhouding tussen tweerichtingsconctracten en het algemene privaatrecht. Er is verduidelijkt dat ten aanzien van de tweerichtingscontracten die naar aanleiding van een competitieve procedure worden gesloten nadere regels voor het privaatrechtelijke aanbod en de aanvaarding in dit wetsvoorstel worden voorgesteld en dat deze nadere regels niet van toepassing zijn op incidenteel – dus niet naar aanleiding van een competitieve procedure – tot stand te komen tweerichtingscontracten. Dit betekent dat op aanbod en aanvaarding van een incidenteel overeen te komen tweerichtingscontract Boek 6 van het BW volledig van toepassing is. Ten aanzien van aanbod en aanvaarding bij de competitieve biedprocedure is er evenwel, zoals de Afdeling terecht stelt, inderdaad sprake van een eigensoortige totstandkomingprocedure.

In paragraaf 5 van de memorie van toelichting is aangegeven dat ten aanzien van de door de Afdeling genoemde leerstukken zoals het recht op ontbinding, dwaling en onvoorziene omstandigheden, hetgeen in het burgerlijk recht is bepaald van toepassing is. Er is niet voor gekozen om in de memorie van toelichting in te gaan op casuïstiek. In de ministeriële regeling waarin de competitieve procedure voor de totstandkoming van de tweerichtingscontracten wordt neergelegd, zullen hieromtrent nadere regels worden gesteld. In artikel 5, derde lid, van het voorstel van wet is namelijk de bevoegdheid opgenomen te voorzien in voorwaarden waaronder een aanbod in overweging wordt genomen.

b. Rechtsbescherming
Het advies van de Afdeling op dit punt is aanleiding geweest de memorie van toelichting aan te passen. In paragraaf 3.5 is beter toegelicht waarom er voor is gekozen de competitieve biedprocedures bestuursrechtelijk te regelen. In paragraaf 8 is nadrukkelijk aandacht besteed aan de aard van de geschillen die zich voordoen terzake van het besluit tot afwijzing van een aanbod voor een tweerichtingscontract en terzake van eenmaal tot stand gekomen tweerichtingscontracten. Het kabinet kan de zorg die de Afdeling aanvoert over het niet goed aansluiten van de verschillende procedures wegnemen. De ondernemingen die een afwijzing aanvechten – of dat nu komt omdat een aanbod voor een tweerichtingscontract wordt afgewezen omdat het aanbod niet aan de eisen uit de ministeriële regeling voldoet of omdat het aanbod te laag gerangschikt wordt – wensen wel in aanmerking te komen voor een tweerichtingscontract.

Als de rechter tot het oordeel komt dat onterecht een besluit tot afwijzing van aanbod is genomen en het noodzakelijk is een besluit te herzien, heeft dit geen gevolgen voor de ondernemingen met wie in dezelfde competitieve procedure wel een tweerichtingscontract is gesloten. Per competitieve regeling voor wind op land en zonne-energieprojecten gaat het immers over meer dan honderd overeenkomsten en er zal een budgetreserve zijn waaruit tweerichtingscontracten met producenten wier aanbod initieel was afgewezen worden bekostigd. Er bestaat derhalve ook geen aanleiding voor dergelijke ondernemingen bij de burgerlijke rechter een met een concurrent gesloten tweerichtingscontract aan te vechten. Voor ondernemingen die zelf niet hebben geparticipeerd in de competitieve procedure voor de tweerichtingscontracten kan worden betoogd dat zij geen procesbelang hebben.

Het kabinet is derhalve van mening dat het wetsvoorstel op dit punt geen aanpassing behoeft.

3.  Tweerichtingscontracten en subsidies

De memorie van toelichting is naar aanleiding van het advies van de Afdeling verduidelijkt ten aanzien van het gebruik van de instrumenten subsidie en tweerichtingscontract voor de door de Afdeling onderscheiden categorieën. Alleen ten aanzien van de productie-installaties voor hernieuwbare elektriciteit en elektriciteit uit kernenergie waarop de verplichting om tweerichtingscontracten of een gelijkwaardige regeling toe te passen van toepassing is, is het nodig om het gebruik van het subsidie-instrument uit te sluiten. Ten aanzien van de twee andere categorieën, de kleine installaties voor de productie van elektriciteit en in de toekomst mogelijk andere productie-installaties die bijdragen aan de vermindering van broeikasgassen in de atmosfeer, is deze uitsluiting niet nodig. Voor deze installaties verplicht de Elektriciteitsverordening niet om een “limiet voor een te hoge vergoeding” die er kan toe leiden dat er onder de streep meer geldt door de producent wordt betaald aan de overheid, toe te passen. Hetzelfde geldt voor de in artikel 3, tweede lid, bedoelde activiteiten die bijdragen aan de vermindering van broeikasgassen waarop artikel 19 quinquies van de Elektriciteitsverordening niet van toepassing is. In deze gevallen blijft subsidieverlening mogelijk. Hierdoor laat zich het verschil in behandeling van de drie verschillende categorieën productie-installaties in het wetsvoorstel verklaren.

De memorie van toelichting zou bij de Afdeling de indruk kunnen hebben gegeven dat de nakoming van de Europese verplichting om tweerichtingscontracten of vergelijkbare regelingen met gelijke werking toe te passen binnen het Nederlandse kader van het subsidierecht mogelijk is. Ook op dit punt is de memorie van toelichting verduidelijkt. Een subsidie is op grond van artikel 4:21 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna Awb) “de aanspraak op financiële middelen, door een bestuursorgaan verstrekt met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager, anders dan als betaling voor aan het bestuursorgaan geleverde goederen of diensten”. Het instrument tweerichtingscontract (of gelijkwaardige regeling) uit de Europese verordening, zoals door de Afdeling in haar advies goed omschreven, kan afhankelijk van de hoogte van de elektriciteitsprijs er toe leiden dat een producent geen aanspraak op financiële middelen op de overheid heeft, maar door de “limiet voor een te hoge vergoeding” juist het tegenovergestelde. Als er sprake zou zijn van een verplichting tot het betalen van financiële middelen op basis van het tweerichtingscontract of de gelijkwaardige regeling zou dit op grond van de definitie van artikel 4:21 van de Awb niet aangemerkt kunnen worden als subsidie. Wel kan gezegd worden dat artikel 19 quinquies van de Elektriciteitsverordening (zie noot 14) zich niet mengt in de discussie hoe het instrument in het nationale recht van een lidstaat wordt toegepast, hetgeen zoals in de memorie van toelichting is toegelicht het wenselijk maakt om voor de goede uitvoering van de verordening de toepassing van titel 4.2 van de Awb uit te sluiten voor de gevallen waarop de Europese verplichting om tweerichtingscontracten te gebruiken van toepassing is.

4.  Begripsbepalingen

De bovenstaande opmerkingen van de Afdeling zijn ten dele aanleiding geweest om de begripsbepalingen in het wetsvoorstel en de memorie van toelichting aan te passen. De begripsomschrijving van directe prijssteunregeling is komen te vervallen en een begripsomschrijving van broeikasgassen, zoals door de Afdeling is geadviseerd is toegevoegd. Voor de definitie van directe prijssteun wordt in artikel 2, eerste lid, al aangesloten bij artikel 19 quinquies van de Elektriciteitsverordening. In het artikelsgewijze deel van de memorie van toelichting is toegelicht dat bij ontbreken van een begripsomschrijving van dit begrip in de verordening het niet wenselijk is een nadere omschrijving in het voorstel van wet op te nemen.

Het kabinet heeft - wat betreft de definitie van productie-installatie - ervoor gekozen aan te sluiten bij het gebruik van het begrip elektriciteitsproductie-installatie in artikel 19 quinquies van de Elektriciteitsverordening, omdat het gebruik in dat artikel de reikwijdte van het begrip al beperkt tot installaties voor de productie van hernieuwbare vormen elektriciteit en elektriciteit uit kernenergie. Voor de definitie van producent geldt dat artikel 19 quinquies van de Elektriciteitsverordening slechts refereert aan het begrip “marktdeelnemer” en het begrip “elektriciteitsproducent” niet gebruikt. In het artikelsgewijze deel van de memorie van toelichting is naar aanleiding van de opmerkingen van de Afdeling deze toelichting toegevoegd.

5. Evaluatiebepaling

Het advies van de Afdeling is aanleiding geweest om het voorstel van wet en het memorie van toelichting conform aan te passen.

Van de gelegenheid is gebruik gemaakt nog een omissie te herstellen. Na aanhangigmaking van het wetsvoorstel bij de Afdeling is gebleken dat het voor de voorbereiding en de uitvoering van tweerichtingscontracten nodig is toegang te krijgen dat gegevens van netbeheerders. Op grond van artikel 4.9, tweede lid, van de Energiewet zijn de netbeheerders al verplicht bepaalde, bij ministeriële regeling vastgestelde gegevens aan de minister van KGG te overleggen. RVO heeft namens de minister toegang tot deze gegevens via de gegevensuitwisselingsinstantie Normo. Deze verplichting biedt evenwel geen basis voor de voorbereiding van regelingen voor en uitvoering van tweerichtingscontracten. De instemming van de producenten die partij zijn bij een tweerichtingscontract is tevens onvoldoende juridische basis om toegang tot het systeem te verlenen. Derhalve is een nieuw artikel 8 ingevoegd en is de memorie van toelichting hierop aangepast.

Van de gelegenheid is tevens gebruik gemaakt om het wetsvoorstel op een aantal wetgevingstechnische punten te verbeteren en een aantal redactionele verbeteringen in de memorie van toelichting aan te brengen.

Ik moge U verzoeken het hierbij gevoegde gewijzigde voorstel van wet en de gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.

De Minister van Klimaat en Groene Groei

Voetnoten

(1) Voorgesteld artikel 5.
(2) Memorie van toelichting, Algemeen deel, paragraaf 5. Verhouding tot nationale regelgeving.
(3) Memorie van toelichting, Algemeen deel, paragraaf 5. Verhouding tot nationale regelgeving.
(4) Voorgesteld artikel 5, tweede lid.
(5) Memorie van toelichting, Algemeen deel, paragraaf 3.5 Totstandkoming van incidentele tweerichtingscontracten, onder ‘Tweerichtingscontracten gesloten na een concurrerende biedprocedure’.
(6) Artikelsgewijze toelichting bij artikel 5 lid 7.
(7) Voorgesteld artikel 11 en Artikelsgewijze toelichting bij artikel 11.
(8) Dit is mede afhankelijk van de uitwerking in de ministeriële regeling bedoeld in voorgesteld artikel 6, eerste lid, dat terugverwijst naar voorgesteld artikel 5, eerste lid. Indien een voorselectie plaatsvindt van biedingen aan de hand van de criteria van voorgesteld artikel 4 of in de ministeriële regeling gestelde criteria alvorens het uitgebrachte bod wordt gerangschikt, dan doet zich al in die fase het risico voor dat bij de burgerlijke rechter en bestuursrechter moet worden geprocedeerd om voldongen feiten te voorkomen.
(9) Memorie van toelichting, Algemeen deel, paragraaf 3.2 Geen subsidies in de vorm van directe prijssteun.
(10) Memorie van toelichting, Algemeen deel, paragraaf 2.2 Noodzaak voor een uitvoeringswet, onder ‘Directe prijssteun heeft voorkeur boven andere vormen van steun’.
(11) Memorie van toelichting, Algemeen deel, paragraaf 3.3 Andere activiteiten dan bedoeld in artikel 19 quinquies Elektriciteitsverordening.
(12) Aanwijzing 5.2 van de Aanwijzingen voor de regelgeving.
(13) Verordening (EU) 2019/943 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende de interne markt voor elektriciteit.
(14) Verordening (EU) 2019/943 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende de interne markt voor elektriciteit.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon