Wijziging van de Mediawet 2008 in verband met de rijksmediabijdrage.
- Kenmerk
- W05.25.00383/I
- Datum aanhangig
- 24 december 2025
- Datum vastgesteld
- 1 april 2026
- Datum advies
- 1 april 2026
- Datum publicatie
- 7 april 2026
- Vindplaats
- Website Raad van State
- Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
- Wet
Toon inhoud
Bij Kabinetsmissive van 24 december 2025, no.2025002958, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet houdende wijziging van de Mediawet 2008 houdende aanpassing van de rijksmediabijdrage, met memorie van toelichting.
Voor de bekostiging van de uitvoering van de publieke mediaopdracht wordt jaarlijks een bedrag ter beschikking gesteld (de rijksmediabijdrage). Deze rijksmediabijdrage is bestemd voor de bestrijding van alle kosten die op basis van de Mediawet 2008 worden gemaakt, waaronder de uitvoering van de publieke mediaopdracht door de landelijke publieke omroep. Voor deze bijdrage is een wettelijk minimum gesteld. De regering stelt voor dat minimum te verlagen om een voorgenomen bezuiniging op de publieke omroep te realiseren.
De minimale rijksmediabijdrage is wettelijk vastgelegd als waarborg voor voldoende financiële zekerheid om de continuïteit van een goed en gevarieerd publieke media-aanbod te verzekeren. Bij een verlaging van de rijksmediabijdrage is het daarom van belang om oog te houden voor de vraag of de bekostiging toereikend blijft. De regering erkent dat de verlaging impact zal hebben op de uitvoering van de publieke taakopdracht door de mediadiensten, maar verwacht dat de bekostiging nog steeds voldoende is om te zorgen voor een pluriform media-aanbod. Een feitelijke motivering van deze verwachting wordt in de toelichting echter niet gegeven. De Afdeling adviseert dat alsnog te doen.
In verband daarmee is aanpassing wenselijk van de toelichting op het wetsvoorstel.
1. Aanleiding en inhoud wetsvoorstel
De bekostiging door het Rijk is bedoeld om een kwalitatief hoogwaardig media-aanbod te waarborgen, dat toegankelijk blijft voor alle lagen van de bevolking. Naast de rijksmediabijdrage worden ook reclame-inkomsten ingezet ter bekostiging van de uitvoering van de publieke mediaopdracht.
De landelijke publieke omroep staat de komende jaren voor grote uitdagingen. Er wordt al langer gesproken over herstructurering van de omroepen in minder omroephuizen en meer centralisatie door de overkoepelende NPO. Verder was er voor de komende jaren het plan om te korten op het budget van de landelijke publieke mediadienst. (zie noot 1) Het grootste deel daarvan gaat ten laste van het budget van de landelijke publieke omroep. Het coalitieakkoord D66, CDA en VVD laat die korting goeddeels in stand en zet verder in op de hervorming van de publieke omroep. (zie noot 2) De korting op de rijksmediabijdrage beslaat in die zin een tussenperiode, waarbij de structuur van de landelijke publieke omroep nog onveranderd is, maar deze met minder geld zijn publieke taak moet uitvoeren.
Het gaat naast bezuinigingen op subsidies en apparaatskosten om een structurele verlaging van € 100 miljoen, (zie noot 3) die op initiatief van de Tweede Kamer is aangevuld met een tweede structurele verlaging van de rijksmediabijdrage van € 50 miljoen.2F (zie noot 4) Met ingang van 2029 bedraagt de totale verlaging op de rijksmediabijdrage in totaal structureel € 158,9 miljoen. Het grootste deel van de verlaging van de rijksmediabijdrage vanaf 2027, € 156,7 miljoen, gaat ten laste van het budget van de landelijke publieke omroep.3F (zie noot 5) De resterende € 2,2 miljoen komt ten laste van overige media-instellingen zoals de regionale en lokale publieke omroep, het Commissariaat voor de Media en het Stimuleringsfonds voor de Journalistiek.
Gelet op deze voorgenomen verlagingen is het niet voldoende om deze in de rijksbegroting te verwerken. Dit vergt ook aanpassing van de Mediawet 2008 omdat hier een minimumbijdrage is vastgelegd. Het wetsvoorstel voorziet in die aanpassing. De verlaging van de rijksmediabijdrage wordt in het voorstel niet gecompenseerd door het verruimen van de mogelijkheden om reclame-inkomsten te verwerven.
2. Gevolgen voor publieke media-aanbod
De minimale rijksmediabijdrage is wettelijk vastgelegd als waarborg voor voldoende financiële zekerheid om de continuïteit van een goed en gevarieerd publieke media-aanbod te verzekeren.4F (zie noot 6) De rijksmediabijdrage bestaat voor het begrotingsjaar 2025 ten minste uit een bedrag van € 1,04 miljard.5F (zie noot 7) Daarnaast dienen ook de reclame-inkomsten ter bestrijding van de kosten van de uitvoering van de publieke mediaopdracht.6F (zie noot 8)
Het waarborgen van een onafhankelijk, pluriform media-aanbod vraagt niet slechts een terughoudende opstelling van de wetgever, maar omvat ook de positieve verplichting om in algemene zin de pluriformiteit van dat aanbod te waarborgen. (zie noot 9) Adequate financiering van de publieke media-uitvoering geeft aan die verplichting uitvoering. Door de beschikbaarheid van algemene middelen als principe wettelijk te verzekeren, heeft de wetgever de onafhankelijkheid van de publieke media-uitvoering willen waarborgen. (zie noot 10) Het vastgestelde minimumbedrag geeft financiële zekerheid en maakt de landelijke publieke mediadienst minder kwetsbaar voor politieke inmenging.8F (zie noot 11)
Het belang van een adequate, duurzame en voorspelbare bekostiging wordt ook gevergd op grond van de Europese Verordening Mediavrijheid (EMFA).9F (zie noot 12) Deze bekostiging moet zodanig zijn dat de redactionele en functionele onafhankelijkheid van de publieke mediadiensten wordt gewaarborgd en zij op onpartijdige wijze een pluriform media-aanbod kunnen verzorgen. Hiertoe legt de EMFA een zorgplicht bij lidstaten.10F (zie noot 13)
Het voorgaande betekent niet dat een rijksmediabijdrage nooit mag meebewegen met veranderende omstandigheden. De Mediawet 2008 bepaalt bijvoorbeeld al dat het bedrag kan worden bijgesteld op de geraamde consumentenprijsindex of groei van het aantal huishoudens in Nederland.11F (zie noot 14) Dat geldt ook voor het minimumbudget dat voor de landelijke publieke omroep beschikbaar is.12F (zie noot 15)
Daarnaast kent de Mediawet 2008 de mogelijkheid dat dit deelbudget kan worden bijgesteld als ‘veranderde omstandigheden zich in overwegende mate verzetten tegen ongewijzigde voortzetting van het ter beschikking stellen van de […] bedragen’.13F (zie noot 16) Gelet op de bedoeling om juist financiële zekerheid te geven, moet bij het verlagen van de minimumbijdrage een redelijke termijn in acht worden genomen en moet daaruit voorgekomen schade worden vergoed.14F (zie noot 17)
Gelet op het voorgaande is het van belang om bij het korten op de rijksmediabijdrage in het oog te houden dat de bekostiging adequaat en duurzaam blijft om te kunnen voorzien in een onafhankelijk, onpartijdig en pluriform media-aanbod. Uit de consultatiereacties van onder meer het Commissariaat voor de Media blijken diverse zorgen over de risico’s die de substantiële korting meebrengt voor de uitvoering van de publieke mediaopdracht. Daarbij wordt ook gewezen op uitdagingen voor de landelijke publieke omroep die juist investering veronderstellen.15F (zie noot 18)
In de toelichting op het wetsvoorstel wordt gesteld dat de publieke mediaopdracht ook met de resterende middelen kan worden uitgevoerd.16F (zie noot 19) Een feitelijke motivering van deze verwachting, wordt in de toelichting echter niet gegeven. De regering erkent dat de korting op het programmabudget impact heeft op de uitvoering van de publieke taakopdracht en dat het aan de NPO, in gezamenlijkheid met de omroepen, is om hieraan invulling te geven.17F (zie noot 20) Dit past ook bij hun onafhankelijke rol. Gelet op de verantwoordelijkheid voor de bredere media-opdracht en stabiele, voorspelbare financiering is het echter van belang dat de regering de gevolgen van een korting in kaart brengt en daar in de toelichting op het wetsvoorstel nader op in gaat.
De Afdeling adviseert om in de toelichting concreet in te gaan op de gevolgen van de verlaging van de rijksmediabijdrage om te waarborgen dat de bijdrage toereikend blijft om een pluriform media-aanbod te verzorgen.
De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal opmerkingen bij het voorstel en adviseert daarmee rekening te houden voordat het voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal wordt ingediend.
De vice-president van de Raad van State,
Voetnoten
(1) Hoofdlijnenakkoord ‘HOOP, LEF EN TROTS’ van 16 mei 2024.
(2) Coalitieakkoord ‘Aan de slag, Bouwen aan een beter Nederland' van 30 januari 2026, p. 50.
(3) Kamerstukken II 2024/25, 36 600 VIII, nrs. 2 en 15.
(4) Kamerstukken II 2024/25, 36 600 VIII, nr. 141. De Tweede Kamer heeft daarbij tot compensatie opgeroepen met een verruiming van de mogelijkheden om reclame-inkomsten te genereren. Volledige compensatie acht de minister van OCW niet mogelijk (Handelingen II 2025/26, Wetgevingsoverleg Media d.d. 26 januari 2026).
(5) Toelichting op het wetsvoorstel, algemeen deel, kern wetsvoorstel.
(6) Kamerstukken II 2007/08, 31356, nr. 7.
(7) Artikel 2.144 van de Mediawet 2008.
(8) Artikel 2.146 van de Mediawet 2008.
(9) EHRM 7 juni 2012, ECLI:CE:ECHR:2012:0607JUD003843309 (Centro Europa 7 S.R.L. en Di Stefano/Italië), nr. 38433/09, par. 134 en EHRM 5 april 2022, ECLI:CE:ECHR:2022:0405JUD004958812 (NIT S.R.L./Moldavië), nr. 28470/12, par. 186.
(10) Kamerstukken II 2007/08, 31356, nr. 3.
(11) Kamerstukken II 2012/13, 33541, nr. 34.
(12) Artikel 5, derde lid, van de Verordening (EU) 2024/1083 van het Europees Parlement en de Raad van 11 april 2024 tot vaststelling van een gemeenschappelijk kader voor mediadiensten op de interne markt en tot wijziging van Richtlijn 2010/13/EU (Europese verordening mediavrijheid).
(13) Artikel 5, eerste lid, van de Verordening (EU) 2024/1083 van het Europees Parlement en de Raad van 11 april 2024 tot vaststelling van een gemeenschappelijk kader voor mediadiensten op de interne markt en tot wijziging van Richtlijn 2010/13/EU (Europese verordening mediavrijheid).
(14) Artikel 2.148a, tweede lid, van de Mediawet 2008.
(15) Artikel 2.148a, eerste lid, van de Mediawet 2008. Tot het einde van de lopende concessieperiode in 2033 bedraagt het minimumbudget € 917,6 miljoen, zie: Kamerstukken II 2025/26, 36800-VIII, nr. 16, p. 3.
(16) Artikel 2.148a, derde lid, van de Mediawet 2008.
(17) Artikel 2.148a, derde en vierde lid, van de Mediawet 2008.
(18) Bijvoorbeeld op het gebied van digitale transitie, sociale veiligheid, desinformatie, strategische autonomie en toegankelijkheid.
(19) Toelichting op het wetsvoorstel, algemeen deel, onder gevolgen voor stakeholders en onder consultatie en toetsen.
(20) Kamerstukken II 2025/26, 36800-VIII, nr. 16, p. 5.