Archiefbesluit 20xx.
- Kenmerk
- W05.25.00302/I
- Datum aanhangig
- 15 oktober 2025
- Datum vastgesteld
- 25 februari 2026
- Datum advies
- 25 februari 2026
- Datum publicatie
- 2 maart 2026
- Vindplaats
- Website Raad van State
- Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
- Algemene maatregel van bestuur
Toon inhoud
Bij Kabinetsmissive van 15 oktober 2025, no.2025002307, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, mede namens de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit van een besluit tot intrekking van het Archiefbesluit 1995 en vervanging door het Archiefbesluit 20xx (Archiefbesluit 20xx), met nota van toelichting.
Samenvatting
Vanwege de digitale transitie die de samenleving heeft doorgemaakt, is het nodig de archiefwetgeving te moderniseren. Dit ontwerp voor een nieuw Archiefbesluit vormt de eerste verdere uitwerking van de nieuwe Archiefwet. Het ontwerpbesluit stelt algemene normen over duurzame toegankelijkheid van overheidsdocumenten en procedurele normen waar overheden in dat kader aan moeten voldoen.
Alle overheidsorganisaties vallen onder de archiefwetgeving. Zij vormen een grote en zeer diverse doelgroep en kunnen niet allemaal aan de zelfde eisen worden gehouden. Dit stelt de wetgever voor een dilemma. Enerzijds zullen regels enigszins algemeen moeten worden geformuleerd zodat ze voor alle organisaties uitvoerbaar zijn. Anderzijds is er behoefte aan concrete normen die houvast bieden. In het licht van dit dilemma tussen ‘algemeen’ en ‘concreet’ maakt de Afdeling advisering van de Raad van State de volgende opmerkingen.
Digitalisering
De toelichting bij het ontwerpbesluit schenkt weinig aandacht aan de uitdagingen die er zijn om digitale overheidsinformatie goed te archiveren. Daarmee blijft onderbelicht dat de overheid voor bepaalde gedigitaliseerde werkprocessen al praktijken heeft ontwikkeld om de archivering op een goede manier te volbrengen. Te denken valt aan de archivering van websites, e-mails en chatberichten. Voor zover voor deze digitale toepassingen de werkwijzen zijn uitgekristalliseerd, zou normstelling in elk geval op een aantal hoofdlijnen in de rede liggen.
Voor andere digitale toepassingen, daarentegen, is minder duidelijk hoe archivering precies moet plaatsvinden. Dit speelt in het bijzonder bij de archivering van gegevensverzamelingen en van software. Voorts speelt de vraag hoe om te gaan met situaties waarin opslag van informatie of het gebruik van softwarediensten bij archivering is uitbesteed aan een externe dienstverlener.
De Afdeling onderkent dat hier geen eenvoudige oplossingen voorhanden zijn. Tegelijk gaat het om urgente vraagstukken waar de regering in de toelichting aandacht aan zou moeten besteden.
Handhaving
Het ontwerpbesluit is vooral procedureel van aard en voor zover er normen worden gesteld, zijn deze open geformuleerd. Dit betekent dat het beperkt houvast biedt over de vraag wanneer archivering aan de eisen voldoet. Dit betekent ook dat de Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed de open normen moeilijk kan toetsen of handhaven. Om in deze leemte te voorzien, kan de Inspectie zelf beleidsregels stellen. Vanuit democratische legitimiteit van wetgeving is dat echter niet wenselijk. Daarom moet nader worden bezien of het mogelijk en nuttig is om een aantal bindende materiële regels op te nemen in het ontwerpbesluit en daarbij te differentiëren, bijvoorbeeld tussen categorieën documenttypen of overheidsinstanties.
Papieren documenten
De normen voor het papieren archiefbeheer zijn wél uitgekristalliseerd. De regering wil dit regelen in een ministeriële regeling. De materiële hoofdlijnen van goed papieren archiefbeheer, met name als deze raken aan beleidsmatige afwegingen, zouden echter in het ontwerpbesluit moeten worden geregeld.
In verband met deze opmerkingen is aanpassing wenselijk van het ontwerpbesluit en van de nota van toelichting.
Advies
1. Inhoud van het ontwerpbesluit
De archiefwetgeving wordt geactualiseerd om te zorgen voor een betere aansluiting op de praktijk van het digitale informatiebeheer. Het voorliggende ontwerp Archiefbesluit 20xx is onderdeel van deze modernisering.
De Archiefwet 20xx bevat verschillende grondslagen om bij of krachtens algemene maatregel van bestuur op bepaalde onderwerpen (nadere) regels te stellen. Het ontwerpbesluit voorziet in de uitwerking van deze grondslagen op het niveau van algemene maatregel van bestuur. Ter uitvoering daarvan stelt het ontwerpbesluit regels over:
- de duurzame toegankelijkheid van archiefdocumenten;
- de inhoud en wijze van vaststelling van selectiebesluiten (zie noot 1);
- wanneer en op welke wijze afgeweken mag worden van een selectiebesluit;
- de vernietiging, vervanging en vervreemding van archiefdocumenten;
- de overbrenging van archiefdocumenten en
- de toegang tot beperkt openbare archieven.
2. Achtergrond: duurzaam toegankelijke overheidsinformatie
De Grondwet bepaalt dat de overheid bij de uitvoering van haar taak openbaarheid betracht volgens regels bij de wet te stellen. (zie noot 2) De wet geeft eenieder recht op toegang tot publieke informatie, behoudens bij deze wet gestelde beperkingen. (zie noot 3) Dit streven naar openbaarheid is wettelijk verder uitgewerkt in onder meer de Wet open overheid en de archiefwetgeving.
Goede archivering is voor de overheid van belang om de informatie te kunnen gebruiken voor de eigen bedrijfsvoering en dienstverlening. Ook is archivering cruciaal zodat de overheid publieke en politieke verantwoording kan afleggen over haar handelen. Verder zijn overheidsarchieven van belang als onderdeel van ons collectieve erfgoed, als bron voor wetenschappelijk en journalistiek onderzoek en geschiedschrijving. Aldus vervult de archiefwetgeving een belangrijke functie in de democratische rechtsstaat. (zie noot 4)
De Archiefwet geldt voor alle organisaties die zijn bekleed met openbaar gezag. (zie noot 5) Het gaat om honderden organisaties van sterk uiteenlopende aard en omvang: gemeenten en provincies, maar ook onderwijsinstellingen met een privaatrechtelijke rechtsvorm, notarissen, gerechtsdeurwaarders en keuringsinstanties.
Sommige overheidsorganisaties zijn bij uitstek gericht op het beheren van informatie (bijvoorbeeld het Kadaster), voor veel andere is dat niet het geval. Sommige organisaties beheren zeer vertrouwelijke informatie (zoals de inlichtingen- en veiligheidsdiensten), andere beheren gegevens die bij uitstek openbaar en goed toegankelijk moeten zijn. Sommige beheren hun eigen gegevens, andere, zoals de Belastingdienst of het UWV, wisselen routinematig gegevens in bulkhoeveelheden uit met andere overheidsorganisaties in ‘ketens’.
Deze diversiteit stelt de wetgever voor een dilemma. Regels voor archiefbeheer die voor alle organisaties werken en uitvoerbaar zijn, zullen per definitie enigszins algemeen moeten worden geformuleerd. Tegelijkertijd hebben organisaties bepaalde heldere materiële normen nodig om een deugdelijk archiefbeheer vorm te geven. Zeker in het deels nog nieuwe domein van de digitale archivering is dergelijk houvast nodig.
Het ontwerpbesluit voorziet daar maar heel beperkt in (zie hierna punt 3). Ook meer in het algemeen wordt in het ontwerpbesluit gewerkt met open normen en met procedurele bepalingen (zie hierna punt 4). Overigens valt op dat ook voor de ‘papieren’ archivering nauwelijks materiële normen zijn opgenomen (zie punt 5). Naast het belang van houvast zal ook een zekere mate van uniformering nodig zijn, vooral tussen overheidsorganisaties in dezelfde sector.
In het licht van het hier geschetste dilemma tussen ‘algemeen’ en ‘concreet’, maakt de Afdeling hierna enkele opmerkingen over het ontwerpbesluit. Hierin schemert ook door dat de modernisering van de archiefwetgeving met de nieuwe wet en het onderhavige ontwerpbesluit niet is voltooid. Met name de digitale ontwikkelingen gaan zo snel en zijn vaak vooraf zodanig onvoorzien dat de archiefregels - ook die op wettelijk niveau - min of meer permanent "onder constructie" zullen moeten blijven. Dat vergt ook in de toekomst alertheid van de wetgever om tijdig te kunnen overwegen of en zo ja, welke aanpassingen zij tot stand moet brengen.
3. Uitvoerbaarheid in het licht van de digitalisering
Sinds de introductie van de Archiefwet 1995 heeft de samenleving een digitale transitie doorgemaakt. Ook het informatiebeheer en de werkprocessen binnen overheden zijn in verregaande mate gedigitaliseerd. Het aansluiten van de archiefwetgeving aan deze nieuwe digitale realiteit is één van de hoofdredenen van de regering om de archiefwetgeving te herzien. (zie noot 6) De kernvraag bij dit ontwerpbesluit is dan ook of overheidsorganen en de inspectie met dit ontwerpbesluit voldoende houvast krijgen om daadwerkelijk een ordentelijke en duurzaam toegankelijke archivering van digitale documenten te realiseren. (zie noot 7)
De Afdeling merkt op dat de toelichting bij het ontwerpbesluit weinig aandacht schenkt aan de uitdagingen die er zijn om digitale overheidsinformatie goed te archiveren. Het voorgestelde Archiefbesluit geeft op deze wijze maar in beperkte mate uitwerking aan de Archiefwet 20xx om overheidsorganen, archiefdiensten en de inspectie voldoende toe te rusten om digitale informatie duurzaam toegankelijk te houden.
Daarmee doet de toelichting onvoldoende recht aan de inspanningen van de overheid op dit terrein. Zo zijn er voor bepaalde gedigitaliseerde werkprocessen al praktijken ontwikkeld om de archivering op een goede manier te volbrengen. Te denken valt aan de protocollen voor de archivering van e-mails (zie noot 8), chatberichten (zie noot 9) en websites. (zie noot 10) Voor zover voor deze digitale toepassingen de werkwijzen zijn uitgekristalliseerd, zou normstelling in elk geval op een aantal hoofdlijnen ook in de rede liggen.
Voor andere digitale toepassingen, daarentegen, is minder duidelijk hoe archivering precies moet plaatsvinden. Dit speelt in het bijzonder bij toepassingen die geen ‘analoge’ tegenhanger hebben, zoals:
- grote (gekoppelde) gegevensverzamelingen in databases (hierna onder a),
- software (onder b),
- opslag van informatie in beheer door externe leveranciers (‘in de cloud’), of het gebruik van softwarediensten waarbij het beheer van de verwerkte informatie wordt verricht door een externe dienstverlener (onder c).
De Afdeling onderkent dat dit nog ingewikkelde maar ook urgente vraagstukken zijn, waar op dit moment geen volledig sluitende oplossing voor is maar die in de context van de nieuwe archiefwetgeving wel aandacht verdienen. Zij merkt hierover het volgende op.
a. Data en databases
Onder de verzamelterm ‘data’ kunnen veel vormen van digitale informatie worden verstaan. Van grote verzamelingen van reguliere tekstdocumenten, tot grote dynamische en gekoppelde gegevensverzamelingen in databases. In de nieuwe archiefwetgeving is de definitie van een ‘document’ afhankelijk van de context. Een verzameling van aan elkaar gerelateerde vastgelegde gegevens die voor de gebruiker als een logische eenheid wordt gepresenteerd, is een document. (zie noot 11) Een digitale database kan dus, afhankelijk van hoe deze gepresenteerd wordt, bestaan uit een of meerdere documenten in de zin van de nieuwe Archiefwet. Het ontwerpbesluit en de toelichting daarbij geven aan overheden en archiefdiensten geen richting voor hoe archivering van dergelijke documenten vormgegeven moet worden.
Dit kan in de praktijk leiden tot knelpunten. Specifiek wijst de Afdeling daarbij op het beschikbaar houden van documenten in grote gegevensverzamelingen. Dergelijke documenten kunnen in aanmerking komen om ontheven te worden van de overbrengingsplicht. (zie noot 12) Het gaat daarbij kennelijk om gegevensverzamelingen die niet als één document gezien moeten worden, maar als een verzameling van documenten. Dit is een nieuwe mogelijkheid die wordt geïntroduceerd door de nieuwe Archiefwet. (zie noot 13)
Overheidsorganen die documenten hebben die ontheven zijn van de overbrengingsplicht, moeten adequate voorzieningen treffen om de blijvende bewaring en beschikbaarheid van die documenten te verzekeren. (zie noot 14) Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur moeten nadere regels worden gesteld over, onder andere, de te treffen adequate voorzieningen. (zie noot 15) Bij de totstandkoming van de Archiefwet werd gedacht aan voorschriften over duurzame toegankelijkheid, openbaarheid, online publicatie, inzage en hulp op virtuele of fysieke studiezaal. (zie noot 16)
In het ontwerpbesluit is slechts bepaald dat het overheidsorgaan dat een ontheffing van de overbrengingsplicht aanvraagt, moet beschrijven welke voorzieningen zullen worden getroffen. Inhoudelijke normstelling voor de te treffen adequate voorzieningen worden in het ontwerpbesluit niet gesteld. Wel kunnen bij ministeriële regeling (de Archiefregeling) nadere regels worden gesteld. (zie noot 17) In de versie van de Archiefregeling die ter consultatie werd voorgelegd, is van de mogelijkheid geen gebruikgemaakt om nadere regels te stellen over adequate voorziening. (zie noot 18) De toelichting bij het ontwerpbesluit gaat hier ook niet verder op in.
De Afdeling adviseert hier in de toelichting op in te gaan en het ontwerpbesluit zo nodig aan te vullen.
b. Overheidssoftware
In steeds meer werkprocessen van overheden speelt software een rol. Bepaalde software kan zo belangrijk zijn dat deze moet worden gearchiveerd, bijvoorbeeld als de software onderdeel is van cruciale processen. (zie noot 19) Of archivering nodig is, wordt bepaald in het selectiebesluit dat elk overheidsorgaan moet vaststellen.
Om verantwoording af te kunnen leggen over haar besluitvorming, kan het essentieel zijn dat de overheid de daarbij gebruikte software goed archiveert. Het is bij het archiveren van software niet altijd voldoende als de bestanden waaruit de software bestaat vindbaar, beschikbaar en leesbaar zijn. Software moet in veel gevallen ook opnieuw gedraaid kunnen worden om inzicht te kunnen krijgen in hoe deze gewerkt heeft. Wat dit verder compliceert is dat het niet altijd mogelijk is om oude software te gebruiken op nieuwe systemen. (zie noot 20) Ook als de bestanden waaruit de software bestaat volledig onaangetast blijven, is het niet altijd mogelijk deze zonder extra stappen te draaien op moderne computers.
Deze eigenschap van software maakt dat deze zich moeilijker laat vangen in het in de nieuwe archiefwetgeving gehanteerde ‘document’-begrip - al is wel onderkend dat software onder het document-begrip valt. (zie noot 21) Daarom kan niet worden volstaan met het archiveren van software zonder oog te hebben voor de vraag of deze later daadwerkelijk nog gebruikt kan worden. Het risico is daarnaast dat documenten die alleen via de desbetreffende software correct zijn weer te geven, ook niet duurzaam toegankelijk is als de software onbruikbaar wordt.
De Afdeling onderkent dat het op deze manier archiveren van software een zware last kan leggen op overheidsorganen. Het is daarom van belang dat bij de beslissing om software wel of niet in het selectiebesluit op te nemen het belang van een transparante overheid zorgvuldig wordt afgewogen tegen de werklast. (zie noot 22) Het modelselectiebesluit, op te stellen door de rijksarchivaris, kan daarbij wellicht behulpzaam zijn. (zie noot 23)
De wet verplicht de amvb-regelgever om regels te stellen hoe op passende wijze documenten duurzaam toegankelijk gemaakt en gehouden worden. Het ontwerpbesluit stelt geen specifieke eisen aan het archiveren van software en voorziet ook niet in een delegatiegrondslag om dit bij ministeriële regeling te doen. Ook in de toelichting gaat de regering hier niet op in.
De Afdeling adviseert in de toelichting alsnog in te gaan op de archivering van software en zo nodig het ontwerpbesluit aan te vullen.
c. Uitbesteding van digitaal beheer en opslag
Wanneer overheden het beheer van software uitbesteden (‘software-as-a-service’) of het opslaan van digitale documenten uitbesteden (opslag in de ‘cloud’) kan dit risico’s opleveren voor de taakuitoefening van die overheden. Deze risico’s hebben ook invloed op de archivering door overheidsorganen.
Deze risico’s doen zich zowel voor in de fase vóór overbrenging als na overbrenging van digitale documenten naar een archiefdienst. In de fase voorafgaand aan overbrenging van documenten naar een archiefdienst is het mogelijk dat documenten die ‘in de cloud’ zijn opgeslagen worden beschadigd, vernietigd of onbereikbaar worden gemaakt door problemen bij de clouddienstverlener.
Dit kan fysieke oorzaken hebben, zoals brand in een datacenter, maar ook organisatorische, zoals softwarefouten, een hack of faillissement. Na overbrenging doen deze risico’s zich ook voor wanneer het digitale depot van een archiefdienst de opslag van digitale bestanden ook heeft uitbesteed. Uit openbare informatie van de certificering voor databewaarplaatsen blijkt dat diverse Nederlandse archiefdiensten hun digitale depot (deels) hebben uitbesteed. (zie noot 24)
In de huidige geopolitieke context rijst de vraag hoe archiefdiensten zich teweer kunnen stellen tegen ongewenste invloed van buitenlandse mogendheden, al dan niet via private bedrijven. Uit de consultatieversie van de Archiefregeling 20xx blijkt dat de minister wil vastleggen dat opslag en verwerking van documenten in beginsel plaatsvindt binnen de Europese Unie. (zie noot 25) De locatie van servers is echter niet doorslaggevend voor de vraag of actoren van buiten de Europese Unie alsnog invloed kunnen uitoefenen op wat er met de data op die servers gebeurt. Zo heeft Microsoft verklaard dat de locatie van servers niet van belang is voor de vraag of Microsoft zal moeten voldoen aan bevelen van de Amerikaanse overheid. (zie noot 26)
Wanneer documenten in een extern ontwikkelde en beheerde applicatie opgeslagen zijn, is een overheidsorgaan ook van die externe partij afhankelijk om die documenten duurzaam toegankelijk te houden en te archiveren. Daar zullen overheidsorganen goede afspraken over moeten maken met de externe partijen waarmee zij zaken doen. Het risico bestaat ook dat private partijen cruciale informatie en kennis in huis hebben die noodzakelijk zijn voor goede archivering van overheidsinformatie, waardoor de overheid van deze partijen afhankelijk wordt.
Eén van de strategische doelen uit de Nederlandse Digitaliseringsstrategie is om overheidsbreed de digitale weerbaarheid en digitale autonomie te versterken. (zie noot 27) Dit beleid zal, zo neemt de Afdeling aan, doorwerken in het archiefbeleid van de overheid en mogelijk ook in de archiefwetgeving.
Het ontwerpbesluit en de toelichting daarbij bieden geen richting aan overheidsorganen en archiefdiensten op dit punt. Tegen die achtergrond rijst de vraag of hier, mede gelet op de diversiteit van organisaties die onder de Archiefwet vallen, geen duidelijke kaders moeten worden gesteld.
De Afdeling adviseert in de toelichting nader in te gaan op het voorgaande en zo nodig het ontwerpbesluit aan te passen.
4. Open normen en handhaving
Het ontwerpbesluit bevat in hoofdzaak bepalingen waarin wordt geregeld dat de verantwoordelijke overheidsorganisaties - als uitwerking van diverse verplichtingen - plannen, verklaringen en procesbeschrijvingen moeten opstellen of advies moeten inwinnen. Daarmee is het ontwerpbesluit vooral procedureel van aard en bevat het weinig materiële normen, die bovendien vaak open zijn omschreven. Een aantal voorbeelden hiervan zijn:
- documenten moeten binnen een redelijke termijn vindbaar, beschikbaar en weer te geven zijn, (zie noot 28)
- documenten mogen geen aanmerkelijke fysieke of digitale achteruitgang of informatieverlies ondervinden, (zie noot 29)
- het verantwoordelijke overheidsorgaan moet passende maatregelen treffen voor de beveiliging, migratie, vervanging en conversie van documenten. (zie noot 30)
Het ontwerpbesluit geeft geen inhoudelijke regels om te bepalen welke categorieën documenten permanent of tijdelijk moeten worden bewaard en welke worden vernietigd. (zie noot 31)
De Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed (hierna: de inspectie) heeft opgemerkt dat deze open normen de uitvoering niet ten goede komen en de naleving belemmeren. (zie noot 32) Om daaraan tegemoet te komen is - zoals hiervoor weergegeven - in de nieuwe Archiefwet opgenomen dat de minister van OCW normen kan vaststellen ter bevordering van de eenheid, de kwaliteit of de doelmatigheid van de duurzame toegankelijkheid van documenten. (zie noot 33) Het verantwoordelijk overheidsorgaan kan gemotiveerd van deze normen afwijken. (zie noot 34)
De vraag rijst of deze normen wel het gewenste houvast zullen bieden voor de praktijk en of daarmee voldoende tegemoet is gekomen aan de zorg van de inspectie. De normen zijn immers niet bindend. In verband daarmee zal er rekening mee moeten worden gehouden dat de handhaving wordt bemoeilijkt door discussies over de vraag of afwijkingen van de normen voldoende zijn gemotiveerd. De verdeling van verantwoordelijkheden tussen de ministers en de organisaties kan daarmee onduidelijk worden.
Wanneer de Archiefwet en het Archiefbesluit onvoldoende houvast bieden voor uitvoering en handhaving, kan de inspectie de open normen zelf nader invullen om tot handhaafbare normen te komen. Daarmee ontstaat echter de situatie dat een toezichthouder met ‘beleidsregels’ of ‘uitvoeringsregels’ de leemte invult die de wetgever heeft gecreëerd en daarmee formeel niet maar feitelijk wel nadere regels stelt. Bezien vanuit de democratische legitimiteit van wet- en regelgeving is deze situatie niet wenselijk. (zie noot 35) Het doet bovendien afbreuk aan de verantwoordelijkheid van de minister van OCW (samen met de minister van BZK) voor de goede werking van het stelsel.
Gelet op het voorgaande geeft de Afdeling in overweging om nader te bezien of het mogelijk en nuttig is om wel bindende materiële regels op te nemen in het ontwerpbesluit en daarbij te differentiëren, bijvoorbeeld tussen categorieën overheidsinstanties, documenttypes of onderwerp. Bij het eerstgenoemde onderscheid valt te denken aan alle gemeenten en provincies als categorie of aan instanties die werkzaam zijn in een bepaald domein, zoals het onderwijs of de strafrechtketen.
De Afdeling adviseert op het voorgaande in de toelichting in te gaan en het ontwerpbesluit zo nodig aan te vullen.
5. Papieren documenten
Het ontwerpbesluit bevat geen materiële normen voor het duurzaam bewaren van papieren archieven. Die zullen worden geregeld in de Archiefregeling 20xx. (zie noot 36)
De Afdeling begrijpt dat het niet altijd eenvoudig zal zijn om regels vast te stellen voor de hiervoor besproken digitale documenten omdat daarmee nog relatief weinig ervaring is opgedaan. Voor papieren documenten ligt dat anders: de inzichten over het bewaren van papieren archieven zijn uitgekristalliseerd. De conceptversie van de Archiefregeling regelt bijvoorbeeld uitvoerig en concreet brandveiligheid van depots, bescherming tegen wateroverlast en soorten materialen die niet gebruikt mogen worden.
Voor zover het gaat om technische en administratieve specificaties, is het niveau van de ministeriele regeling geëigend. (zie noot 37) De materiële hoofdlijnen van goed papieren archiefbeheer, met name als deze raken aan de beleidsmatige afweging welke risico’s moeten worden tegengegaan en tegen welke kosten, zouden echter in het ontwerpbesluit moeten worden geregeld. Dat ligt ook in lijn met het niveau waarop regels zijn vastgesteld over brandveiligheid van bouwwerken in het algemeen. (zie noot 38)
De Afdeling adviseert de hoofdnormen voor papieren archiefbeheer ten minste te regelen bij algemene maatregel van bestuur.
De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal opmerkingen bij het ontwerpbesluit en adviseert daarmee rekening te houden voordat een besluit wordt genomen.
De waarnemend vice-president van de Raad van State
Voetnoten
(1) In selectiebesluiten leggen overheidsorganen vast welke categorieën documenten hoe lang bewaard worden.
(2) Artikel 110 van de Grondwet.
(3) Artikel 1.1 van de Wet open overheid.
(4) Zie uitgebreider de uiteenzetting hierover van de Afdeling in het advies bij het voorstel voor de Archiefwet 20xx: advies W05.20.0465/I (Kamerstukken II 2021/22, 35968, nr. 4). Zie ook de memorie van toelichting bij de Archiefwet 20xx, Kamerstukken II 2021/22, 35968, nr. 3, p. 3-4 en 6).
(5) Artikel 1.1 van de Archiefwet 20xx geeft de definitie van ‘overheidsorgaan’.
(6) Kamerstukken II 2021/22, 35968, nr. 3, p. 3; Nota van toelichting, paragraaf 1.
(7) Zie eerder het advies van de Afdeling advisering W05.20.0465/I (Kamerstukken II 2021/22, 35968, nr. 4), paragraaf 5. Ook zijn hierover vragen gesteld in de internetconsultatie. Zie respectievelijk ‘Uitvoeringstoets Archiefbesluit en -regeling 20xx, Eindrapport’ (2024) van de VNG en de ‘Handhaafbaarheidstoets concept Archiefbesluit en Archiefregeling’ van 1 augustus 2024 van de Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed.
(8) Handreiking E-mail archiveren van het Nationaal Archief (2021).
(9) Archivering chatberichten, Beleidslijn voor de Rijksdienst (versie 1.0), 2025.
(10) https://www.informatiehuishouding.nl/projecten/webarchivering-rijk en de Richtlijn archiveren overheidswebsites van het Nationaal Archief (20 december 2018, versie 1.0).
(11) Kamerstukken II 2021/22, 35968, nr. 3, p. 68.
(12) Artikel 5.6, tweede lid Archiefwet 20xx.
(13) Artikel 5.6 Archiefwet 20xx; Kamerstukken II 2021/22, 35968, nr. 3, paragraaf 4.6.
(14) Artikel 5.6, tweede lid, onderdeel c, Archiefwet 20xx.
(15) Artikel 5.6, vijfde lid, onderdeel c, Archiefwet 20xx.
(16) Kamerstukken II 2021/22, 35968, nr. 3, p. 29.
(17) Voorgesteld artikel 2.5, tweede lid.
(18) De internetconsultatie is gesloten op 9 februari 2024.
(19) Voorgesteld artikel 3.4, derde lid onderdeel c.
(20) J. de Vos, Software-archivering en de Nederlandse erfgoedsector, 23 april 2020 (Netwerk Digitaal Erfgoed).
(21) Kamerstukken II 2021/22, 35968, nr. 3, p. 8 en 67.
(22) Artikel 5.1 van de Archiefwet 20xx en voorgesteld artikel 3.1.
(23) Voorgesteld artikel 3.2.
(24) Bijvoorbeeld het Regionaal Archief Zutphen en Regionaal Archief Nijmegen maken volgens hun CoreTrustSeal-documentatie gebruik van digitale opslag beheerd door een externe private partij. Het digitale depot van het Nationaal Archief is volgens deze documentatie wel in eigen beheer.
(25) Artikel 2.1 concept-Archiefregeling 20xx.
(26) Notulen van de hoorzitting op 10 juni 2025 van de Onderzoekscommissie van de Franse Senaat naar de werkelijke kosten en voorwaarden van overheidsopdrachten en de mate waarin deze een stimulerend effect hebben op de Franse economie (‘Commission d'enquête sur les coûts et les modalités effectifs de la commande publique et la mesure de leur effet d'entraînement sur l'économie française’).
(27) Nederlandse Digitaliseringsstrategie, Kamerstukken II 2024/25, 26643, nr. K, p. 3.
(28) Voorgesteld artikel 2.1, eerste lid, onderdelen a-c.
(29) Voorgesteld artikel 2.1, eerste lid, onderdeel f.
(30) Voorgestelde artikelen 2.1 tot en met 2.4.
(31) Voorgestelde artikelen 3.1 en 3.7.
(32) Handhaafbaarheidstoets van 1 augustus 2024, kenmerk 46583758.
(33) Toelichting, paragraaf 10 (Uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid), onder ’Handhaafbaarheidstoets Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed’.
(34) Deze bepaling is ingevoegd bij nota van wijziging (Kamerstukken II 2023/24, 35968, nr. 11), zonder advies van de Afdeling advisering.
(35) Een beleidsregel is bedoeld om normen neergelegd in wettelijke voorschriften uit te leggen, niet om nadere normen te stellen (artikel 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht). Over de verbindendheid van beleidsregels, zie Kamerstukken II 1993/94, 23700, nr. 3, p. 104-105.
(36) De consultatieversie van de Archiefregeling is beschikbaar op https://www.internetconsultatie.nl/archiefregeling/b1 (consultatie gesloten op 9 februari 2024).
(37) Zie ook de Aanwijzingen voor de regelgeving, aanwijzing 2.24 (toelaatbaarheid delegatie aan minister).
(38) Vergelijk het Besluit bouwwerken leefomgeving.