Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Adviezen ›
  3. W06.23.00347/III

Wijziging van enige uitvoeringsbesluiten op het gebied van de belastingen en enige andere besluiten (Eindejaarsbesluit 2023).

Kenmerk
W06.23.00347/III
Datum aanhangig
20 november 2023
Datum vastgesteld
6 december 2023
Datum advies
6 december 2023
Datum publicatie
11 december 2023
Vindplaats
Website Raad van State
  • Financiën
  • Algemene maatregel van bestuur

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

Bij Kabinetsmissive van 20 november 2023, no.2023002725, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris Fiscaliteit en Belastingdienst, mede namens de Staatssecretaris Toeslagen en Douane, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van enige uitvoeringsbesluiten op het gebied van de belastingen en enige andere besluiten (Eindejaarsbesluit 2023), met nota van toelichting.

In het ontwerpbesluit zijn wijzigingen opgenomen van diverse uitvoeringsbesluiten op het terrein van belastingen, toeslagen en douane en het Uitvoeringsbesluit kostenverrekening en gegevensuitwisseling Wet waardering onroerende zaken. De wijzigingen vloeien onder andere voort uit het pakket Belastingplan 2024 (zie noot 1) en de Fiscale verzamelwet 2024. (zie noot 2)

De Afdeling advisering van de Raad van State komt in dit advies tot de conclusie dat de wijzigingen die zien op de systematiek van de belastingrente, toeslagenrente en invorderingsrente ingrijpend zijn, niet gebaseerd zijn op een gedragen visie over het systeem van deze renten en niet passen in wat een technisch besluit behoort te zijn dat met spoed tot stand moet worden gebracht. De Afdeling adviseert dan ook deze wijzigingen te schrappen uit het ontwerpbesluit.

De Afdeling maakt daarnaast opmerkingen over een aantal andere wijzigingen, te weten het niet in rekening brengen van invorderingsrente bij pauzering van de invordering van schulden bij de hersteloperatie toeslagen, de inkomensverklaring bij de kwalificerende buitenlandse belastingplicht en het herzien van een beschikking 30%-regeling.

In verband met deze opmerkingen dient het ontwerpbesluit nader te worden bezien.

1. Belastingrente, toeslagenrente en invorderingsrente

De systematiek voor de berekening van de percentages belastingrente en invorderingsrente wordt aangepast. Het doel van het wijzigen van de rentepercentages is volgens de toelichting (zie noot 3) het verkleinen van de verschillen tussen de percentages van de belastingrente, (zie noot 4) te weten het percentage voor de vennootschapsbelasting, bronbelasting, de minimumbelasting (zie noot 5) en solidariteitsbijdrage en het percentage voor de overige belastingen. (zie noot 6) Verder wordt het percentage toeslagenrente (zie noot 7) losgekoppeld van het percentage belastingrente voor de overige belastingen. (zie noot 8)

In de Kamerbrief over de voorgenomen wijzigingen worden de maatregelen een eerste stap genoemd om de verschillen tussen de percentages te verkleinen ten opzichte van de huidige systematiek. (zie noot 9) Een volgende stap is om het belastingrentesysteem verder te bezien. In een verslag van een schriftelijk overleg (zie noot 10) is aangegeven dat bij de vormgeving van een nieuwe systematiek rekening gehouden moet worden met beperkingen in het IV-portfolio en de budgettaire behandeling van de belasting- en invorderingsrente binnen de begrotingssystematiek. (zie noot 11)

Deze beperkingen komen in de nu voorliggende systematiek ook naar voren. Omdat het vanwege de overgang naar een nieuw inningsysteem bij de Belastingdienst vooralsnog niet mogelijk is om te differentiëren tussen de percentages invorderingsrente voor belastingen enerzijds en toeslagen anderzijds, worden deze percentages tijdelijk bevroren op 4%. Om hiervoor budgettaire ruimte te creëren, wordt de opslag voor het rentepercentage belastingrente Vpb tijdelijk 1 procentpunt hoger dan beoogd. (zie noot 12)

De in deze eerste stap gemaakte keuzes laten de bestaande systematiek (zie noot 13) van het aansluiten bij het breed gehanteerde percentage van de wettelijke rente los. Niet wordt gemotiveerd waarom die systematiek voor het fiscale recht niet langer toereikend zou zijn. Dervingen bij de belasting- en invorderingsrente worden gekoppeld aan intensiveringen binnen die renten, de fiscale boeten dan wel de Belastingdienst. (zie noot 14) Daardoor wordt de systematiek van belasting- en invorderingsrente (zie noot 15) mogelijk meer bepaald vanuit budgettaire overwegingen en het daardoor ingegeven doel om op bepaalde percentages uit te komen, dan vanuit een visie waar rente in welke situatie een vergoeding voor moet zijn (zie noot 16) en daarbij behorende geschikte ankerpunten. (zie noot 17) De Afdeling merkt op dat deze budgettaire vormgeving een integrale toekomstvisie op het systeem van belasting- en invorderingsrente bemoeilijkt. Tevens kan dit tot een negatieve perceptie en draagvlakvermindering leiden. (zie noot 18)

In het licht van het voorgaande adviseert de Afdeling te bezien of genoemde budgettaire koppeling kan worden losgelaten ten behoeve van het ontwikkelen van een integrale visie op de rentesystematiek.

De Afdeling heeft in eerdere adviezen over de systematiek van de belastingrente gesignaleerd dat sprake is van een gefragmenteerde aanpak van de belastingrenteproblematiek. (zie noot 19) De maatregelen in het ontwerpbesluit lijken die gefragmenteerde aanpak eerder uit te breiden dan te beperken. Hoewel de regering de maatregelen ziet als eerste stap richting een toekomstvisie en daarbij een aantal uitgangspunten benoemt, zoals het naar elkaar toe laten bewegen van de percentages, ontbreekt nog steeds een integrale toekomstvisie op het systeem van belasting-, toeslagen-, en invorderingsrente. Er wordt immers geen doorkijk gegeven naar wat de regering definitief voor ogen heeft met deze renten behalve dat in een volgende stap het systeem opnieuw zal worden bezien. Ook worden de gemaakte keuzes en de redenen om voor bepaalde doelgroepen verschillende percentages te hanteren in de toelichting niet onderbouwd.

Gelet op het karakter van een eindejaarsbesluit als een ontwerpbesluit waarin voornamelijk technische wijzigingen staan die per 1 januari van het nieuwe kalenderjaar in werking moeten treden en die deels voortvloeien uit een wetsvoorstel belastingplan en dat vanwege die inwerkingtredingsdatum en koppeling aan dat wetsvoorstel met spoed tot stand moet worden gebracht, is dit ontwerpbesluit geen passend instrument om een wijziging als die van de rentesystematiek daarin op te nemen. Daarbij komt dat de belasting-, toeslagen- en invorderingsrente een grote groep burgers raken en een grote maatschappelijk impact hebben. Veel en elkaar in snel tempo opvolgende aanpassingen in de rentesystematiek en percentages kunnen leiden tot voor belastingplichtigen en toeslaggerechtigden onnavolgbare percentages.

Gelet daarop adviseert de Afdeling om de te hanteren systematiek bij rente en wijzigingen in de percentages niet ad hoc vorm te geven, maar deze vanuit een integrale visie te bezien.

De Afdeling adviseert de in het ontwerpbesluit opgenomen wijzigingen van het Besluit belasting- en invorderingsrente die niet zien op de per 1 januari 2024 noodzakelijk te realiseren wijzigingen (zie noot 20) uit het ontwerpbesluit te schrappen.

2. Geen invorderingsrente bij pauzering invordering schulden hersteloperatie toeslagen

Bij de hersteloperatie toeslagen wordt de invordering van bij de Dienst Toeslagen en de Belastingdienst openstaande vorderingen gepauzeerd wanneer aanvragers van kinderopvangtoeslag en hun toeslagpartners zich melden bij de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (UHT). De wijziging ziet op het niet in rekening brengen van invorderingsrente over de toeslag- en belastingschulden die in het kader van de hersteloperatie zijn gepauzeerd. Wanneer de pauzering komt te vervallen en de invordering van de schulden wordt hervat, blijft het in rekening brengen van invorderingsrente over de eerder gepauzeerde schulden achterwege. Dit geldt voor alle aanvragers van kinderopvangtoeslag en hun toeslagpartners die zich als potentieel gedupeerde van de toeslagaffaire melden. (zie noot 21) Dit betreft zowel personen waarvan de UHT vaststelt dat zij gedupeerd zijn en in aanmerking komen voor een herstelmaatregel, als voor personen die niet als gedupeerd worden aangemerkt en dus niet in aanmerking komen voor een herstelmaatregel. (zie noot 22)

De Afdeling begrijpt gezien de in de toelichting genoemde redenen voor de pauzering en het niet in rekening brengen van invorderingsrente, (zie noot 23) de keuze om dit toe te passen bij alle personen die zich als potentieel gedupeerde bij de UHT melden. Er moet bij melding immers nog een beoordeling plaatsvinden of iemand al dan niet als gedupeerde is aan te merken. Dit ligt echter anders wanneer uit de beoordeling duidelijk wordt dat iemand niet als gedupeerde wordt aangemerkt. (zie noot 24) Het ligt dan in de rede dat bij het alsnog invorderen van de gepauzeerde schulden, deze persoon net als ieder andere toeslag- of belastingschuldige invorderingsrente moet betalen over schulden die niet tijdig zijn betaald. Dat zou betekenen dat in ieder geval vanaf het moment van het (her)opstarten van de invordering, invorderingsrente wordt berekend.

Hier is echter niet voor gekozen, vanwege de overzichtelijkheid voor de uitvoering en om aanvullende complexiteit te beperken, zo blijkt uit de toelichting en de uitvoeringstoets. Deze keuze staat op gespannen voet met het gelijkheidsbeginsel. Andere niet-gedupeerden die zich, afgezien van de - als onterecht beoordeelde - melding, in gelijke omstandigheden bevinden, worden immers wel geconfronteerd met invorderingsrente. De toelichting besteedt hieraan geen aandacht.

De Afdeling adviseert de gemaakte keuze in de toelichting nader te motiveren en daarbij in te gaan op de weging van de uitvoeringsgevolgen en de uitwerking van het gelijkheidsbeginsel. Als die motivering niet kan worden gegeven, adviseert de Afdeling over de periode na pauzering bij deze personen invorderingsrente in rekening te brengen en de maatregel aan te passen.

3. Inkomensverklaring kwalificerende buitenlandse belastingplichtige

a. Algemeen
Onder voorwaarden kan een buitenlandse belastingplichtige worden aangemerkt als een kwalificerende buitenlandse belastingplichtige (kbb). Een kbb komt in aanmerking voor dezelfde fiscale aftrekposten en heffingskortingen als een binnenlandse belastingplichtige. Eén van de voorwaarden voor het kwalificeren als kbb is dat de belastingplichtige jaarlijks een inkomensverklaring van de belastingautoriteit van zijn woonland aan de Belastingdienst verstrekt. In de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) (zie noot 25) is een delegatiebevoegdheid opgenomen die het onder meer mogelijk maakt om regels te kunnen stellen op grond waarvan om doelmatigheidsredenen de inkomensverklaring achterwege kan blijven. Aan die bevoegdheid wordt met het ontwerpbesluit uitvoering gegeven.

De inkomensverklaring hoeft niet langer jaarlijks aan de Belastingdienst te worden gezonden. Als bij de initiële aanvraag om als kbb te kwalificeren een inkomensverklaring is overgelegd en de belastingplichtige onafgebroken aan de overige voorwaarden van de regeling blijft voldoen, is het standaard overleggen van een inkomensverklaring in opvolgende kalenderjaren niet nodig. De belastingplichtige moet wel aannemelijk kunnen maken dat aan de voorwaarden voor de kwalificatie als kbb is voldaan als de inspecteur daarom verzoekt. De belastingplichtige kan dit aannemelijk maken door het overleggen van een inkomensverklaring, maar indien het verkrijgen hiervan op zware praktische bezwaren stuit, kan de belastingplichtige dit ook op een andere manier aannemelijk maken. (zie noot 26)

De maatregel wordt ingevoerd per 1 januari 2024 en krijgt terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2018. Dit om de uitvoeringslasten voor de Belastingdienst te beperken en de doorlooptijd van al ingediende verzoeken te verkorten zodat belastingplichtigen sneller duidelijkheid krijgen over hun kwalificatie als kbb.

b. Behouden wettelijke plicht inkomensverklaring
De huidige voorwaarde om jaarlijks een inkomensverklaring te overleggen, legt de last op belastingplichtigen om jaarlijks een inkomensverklaring te bemachtigen en leidt bij het niet of niet tijdig kunnen indienen hiervan tot vertraging in de Nederlandse aanslagregeling. Vanuit deze achtergrond begrijpt de Afdeling de wens om de eis van het jaarlijks moeten overleggen van een inkomensverklaring te versoepelen. Dit geldt temeer omdat er signalen zijn dat andere belastingautoriteiten niet altijd willen meewerken. (zie noot 27)

De toelichting maakt echter niet duidelijk waarom het overleggen van een inkomensverklaring als wettelijk vereiste blijft bestaan voor de opvolgende kalenderjaren na de initiële kwalificatie als kbb. Het voor die jaren moeten insturen van een inkomensverklaring zal onder de nieuwe regeling immers eerder uitzondering dan regel zijn, waarbij ook van de uitzonderingseis kan worden afgeweken indien zich bepaalde bezwaren voor het verkrijgen van de benodigde verklaring voordoen. Het komt de Afdeling voor dat het niet doelmatig is om vast te houden aan de wettelijke eis van jaarlijkse aanlevering, deze vervolgens om doelmatigheidsredenen grotendeels buiten werking te stellen voor opvolgende jaren en waar deze wel van toepassing zou zijn, deze wederom buiten werking te kunnen stellen vanwege zware praktische bezwaren.

De Afdeling adviseert te bezien of de wettelijke eis van aanleveren van een inkomensverklaring voor opvolgende jaren na de initiële kwalificatie als kbb op enig moment geheel kan worden opgeheven. In die situatie moet de belastingplichtige nog steeds desgevraagd aannemelijk kunnen maken dat hij aan de voorwaarden voor kwalificatie als kbb voldoet, te weten de woonlandeis en de inkomenseis. Dit laatste kan de belastingplichtige dan aannemelijk maken door onder meer het insturen van een nieuwe inkomensverklaring, maar bijvoorbeeld ook via de andere in de toelichting genoemde alternatieven. (zie noot 28) Dit biedt ook de belastingplichtige meer armslag, juist in situaties waarin de medewerking van de belastingautoriteit van het woonland geen gegeven is.

c. Zware praktische bezwaren
In de toelichting staat niet wat onder zware praktische bezwaren moet worden verstaan. Gezien de eerdere antwoorden uit een schriftelijk overleg ligt het in de rede dat het niet meewerken van de belastingautoriteit van het woonland een van die bezwaren zal zijn. (zie noot 29)

Als de wettelijke eis een inkomensverklaring in te sturen voor opvolgende jaren blijft gehandhaafd, adviseert de Afdeling in de toelichting een nadere invulling te geven aan wat onder zware praktische bezwaren moet worden verstaan, waar mogelijk aan de hand van voorbeelden.

d. Terugwerkende kracht
De maatregel krijgt terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2018. Daardoor kan de Belastingdienst de aangifte afhandelen en de aanslag opleggen als over nog openstaande jaren geen inkomensverklaring is overgelegd, maar wel aan de overige voorwaarden is voldaan. Dit betekent ook dat belastingplichtigen, bij wie over de jaren vanaf 2018 de kwalificatie als kbb in een opvolgend jaar is afgewezen vanwege het ontbreken van een inkomensverklaring voor dat jaar, met terugwerkende kracht alsnog aan de voorwaarden voor kwalificatie voldoen. De toelichting gaat hier niet op in.

Zonder het alsnog in de aangifte verwerken van de kwalificatie als kbb en overeenkomstig herzien van de opgelegde aanslag lijkt deze groep anders behandeld te worden dan de groep van wie de aanslag over de jaren vanaf 2018 nog moet worden opgelegd. Deze laatste groep kwalificeert wel als kbb (zie noot 30) zonder het overleggen van een inkomensverklaring waar dat voor de eerstgenoemde groep niet aan de orde was. Dit kan niet alleen gevolgen hebben voor de aanslag over het jaar waarin al een beroep is gedaan op kwalificatie als kbb, maar ook voor opvolgende jaren waarin een dergelijk beroep achterwege is gebleven vanwege het niet kunnen krijgen van een inkomensverklaring van het woonland.

De Afdeling adviseert in de toelichting op de genoemde groep in te gaan en hoe de maatregel zich verhoudt tot het gelijkheidsbeginsel. Daarbij is ook van belang dat belastingplichtigen adequaat geïnformeerd worden over het met terugwerkende kracht wijzigen van de voorwaarden. Belastingplichtigen kunnen immers in een lopend traject met de belastingautoriteit van het woonland verwikkeld zijn om een inkomensverklaring te bemachtigen die per 1 januari 2024 met terugwerkende kracht niet meer standaard nodig is.

4. Herzien beschikking 30%-regeling

a. Algemeen
In het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 (UBLB 1965) wordt de mogelijkheid gecreëerd dat de inspecteur ambtshalve of op verzoek een onherroepelijk vaststaande beschikking 30%-regeling kan herzien of intrekken. Het bestaande instrumentarium van een verzoek om ambtshalve vermindering op grond van artikel 65 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) is volgens de toelichting niet toereikend bij herziening van de beschikking 30%-regeling als het een aanpassing van de looptijd, dan wel het corrigeren van de gegevens van de werknemer of inhoudingsplichtige betreft. (zie noot 31) Dergelijke aanpassingen of correcties zijn geen vermindering, ontheffing of teruggaaf in de zin van artikel 65 AWR. De inspecteur kan op grond van de nieuwe regeling in alle gevallen een materieel onjuiste beschikking 30%-regeling herzien, ongeacht wie de onjuistheid heeft veroorzaakt. (zie noot 32)

De inspecteur kan de beschikking 30%-regeling in het voor- of nadeel van de werknemer of inhoudingsplichtige herzien. Van een herziening in het voordeel is sprake als de omvang van het recht dat uit de initiële beschikking voortvloeit groter wordt. Een dergelijke herziening in het voordeel kan terugwerkende kracht hebben. Tegen herziening in het voordeel is geen bezwaar of beroep mogelijk.

Van een herziening of intrekking in het nadeel van de werknemer of de inhoudingsplichtige is sprake als de herziene beschikking leidt tot een versobering van de omvang van het recht dat uit de initiële beschikking voortvloeit. Een dergelijke herziening heeft alleen gevolgen voor toekomstige loontijdvakken, tenzij de inspecteur aannemelijk maakt dat sprake is van te kwader trouw handelen of als sprake is van een redelijkerwijs kenbare fout bij de werknemer of de inhoudingsplichtige. Een herziening in het nadeel wordt genomen bij voor bezwaar vatbare beschikking.

b. Herzien van beschikkingen algemeen
Naast de beschikking 30%-regeling geeft de Belastingdienst ook andere beschikkingen af waarin onjuiste gegevens, bijvoorbeeld tik- of schrijffouten, kunnen voorkomen. (zie noot 33) Aanpassingen of correcties van dergelijke onjuiste gegevens vallen evenmin onder het bereik van artikel 65 AWR, omdat geen sprake is van vermindering, ontheffing of teruggaaf.

De Afdeling adviseert te bezien of een algemene regeling voor het herzien van beschikkingen van de Belastingdienst gewenst is, zodat ook in andere gevallen dan de beschikking 30%-regeling herziening bij omissies eenvoudig mogelijk wordt.

Bij de voorliggende aanpak om alleen voor de beschikking 30%-regeling een maatregel te treffen, maakt de Afdeling de volgende opmerkingen.

c. Voorwaarden herzien beschikking 30%-regeling
In de toelichting staat dat de herziening het mogelijk moet maken de beschikking te corrigeren onder meer voor wat betreft gegevens van de werknemer of de inhoudingsplichtige. (zie noot 34) Het corrigeren van deze gegevens zal er niet toe leiden dat de omvang van het recht dat uit de initiële beschikking 30%-regeling voortvloeit groter (voordeel) dan wel kleiner (nadeel) wordt. Aangezien de besluittekst beperkt is tot herzieningen in het voordeel of nadeel, lijkt de ruimte tot herziening er niet te zijn voor het corrigeren van in de beschikking opgenomen onjuiste gegevens (neutraal). De Afdeling adviseert om de tekst van het besluit zo aan te passen dat ook dergelijke aanpassingen onder het bereik van de regeling vallen.

Uit de toelichting volgt dat het beleid omtrent een herziening in het voordeel zal worden vastgelegd in het Besluit Fiscaal Bestuursrecht (BFB). (zie noot 35) Daarbij zal aansluiting worden gezocht bij de voorwaarden voor ambtshalve vermindering. Opname van dit beleid in het BFB ligt niet voor de hand.

In de toelichting staat dat artikel 65 AWR geen grondslag biedt om een beschikking 30%-regeling te herzien. Gelet daarop lijkt het aansluiten bij de voorwaarden voor ambtshalve vermindering geen recht te doen aan het eigen karakter van het (in het voordeel) herzien van een beschikking. (zie noot 36)

Daarbij zijn niet alle in de toelichting genoemde voorwaarden die nadere uitwerking behoeven te scharen onder de uitwerking van beleidsruimte van de inspecteur. (zie noot 37)

Voor de transparantie, duidelijkheid en rechtszekerheid verdient het aanbeveling dergelijke voorwaarden in de tekst van het UBLB 1965 op te nemen. De Afdeling adviseert na te gaan welke voorwaarden in genoemd besluit thuishoren, en voor die elementen waarbij enige beleidsruimte voor de inspecteur gewenst is na te gaan welke regeling daarvoor geschikt is. De Afdeling adviseert deze punten in de toelichting nader te onderbouwen en de tekst van het ontwerpbesluit hierop aan te passen.

De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal bezwaren bij het ontwerpbesluit en adviseert dit besluit niet te nemen, tenzij het is aangepast.

De vice-president van de Raad van State


Voetnoten

(1) Dit betreft diverse op Prinsjesdag 2023 ingediende wetsvoorstellen, zie de brief van 19 september 2023 Aanbieding pakket Belastingplan 2024 (2023Z15540).
(2) Het bij koninklijke boodschap van 13 april 2023 ingediende voorstel van wet houdende wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Fiscale verzamelwet 2024) (Kamerstukken 36342).
(3) Nota van toelichting, paragraaf 2.10. Het verkleinen van de verschillen tussen de percentages belastingrente en invorderingsrente wordt ook genoemd, maar deze verschillen worden met de wijziging juist groter.
(4) Nota van toelichting, paragraaf 2.10.
(5) Voor de per 1 januari 2024 in te voeren minimumbelasting gaat ingevolge het ontwerpbesluit eenzelfde rentepercentage gelden als voor de vennootschapsbelasting.
(6) Onder overige belastingen wordt op grond van artikel 1, onderdeel a, van het Besluit belasting- en invorderingsrente verstaan: inkomstenbelasting, erfbelasting, loonbelasting, dividendbelasting, omzetbelasting, overdrachtsbelasting, belasting van personenauto’s en motorrijwielen, accijns, verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken en de in artikel 1 van de Wet belastingen op milieugrondslag genoemde belastingen.
(7) Artikel XI, onder C, van het ontwerpbesluit regelt het percentage voor de rente, niet zijnde invorderingsrente, die bij toeslagen in rekening wordt gebracht dan wel vergoed wordt.
(8) In artikel XXVIII, onder B, van het wetsvoorstel Belastingplan 2024 is de mogelijkheid opgenomen om de koppeling los te laten, dit wordt met terugwerkende kracht tot en met 1 juli 2023 ingevoerd. Het bij koninklijke boodschap van 19 september 2024 ingediende voorstel van wet tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2024) (Kamerstukken 36418).
(9) Brief van 19 september 2023, Kamerstukken II 2023/24, 32140, nr. 173.
(10) Kamerstukken II 2022/23, 32140, nr. 158.
(11) Deze begrotingssystematiek houdt in dat een derving van belasting- of invorderingsrente binnen de begroting IX (Financiën en Nationale Schuld) moet worden opgevangen. Dat kan door verhoging van een andere categorie van belasting- of invorderingsrente, verhoging van de fiscale boeten of bezuiniging bij de Belastingdienst. Ministerie van Financiën, Onderzoek naar de regeling van de belastingrente. Bijlage bij Kamerstukken I 2017/18, 34785, nr. L.
(12) 5,5 procentpunten in plaats van 4,5 procentpunten.
(13) Deze systematiek geldt voor de belastingrente sinds 1 januari 2013. De differentiatie naar belastingmiddelen bestaat sinds 1 april 2014.
(14) Zie voetnoot 9.
(15) En het fiscaal boetebeleid.
(16) Als de achtergrond van het berekenen van rente is gelegen in de tijdswaarde van geld, dan compenseert een rentevergoeding het later in de tijd ontvangen van geld en het daardoor mislopen van rentebaten daarover in de periode dat het nog niet ontvangen is.
(17) Zie Kamerstukken II 2021/22, 36107, nr. 4, p. 10 waar wordt aangegeven dat de ondergrenzen aan de belastingrente zijn geïntroduceerd vanwege met name budgettaire motieven, dat afschaffing hiervan met grote budgettaire gevolgen gepaard gaat en hiervoor geen budgettaire ruimte bestaat. Deze problematiek speelt bijvoorbeeld ook bij de indexering van verkeersboetes, zie het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State van 15 november 2023, W16.23.00312/II.
(18) In de literatuur is gewaarschuwd dat de kans bestaat dat de staat aan het sparen is bij zijn inwoners, zie R.B.H. Beune, Hersteloperatie box 3 pakt nadelig uit voor deel belastingschuldigen, MBB november 2023, p. 22-25.
(19) Advies van de Afdeling advisering van de Raad van State van 20 april 2022 over het wetsvoorstel Fiscale verzamelwet 2023 (W06.22.0011/III), Kamerstukken II 2021/22, 36107, nr. 4, p. 8 en 9, het advies van de Afdeling van 5 juli 2023 over het ontwerpbesluit Wijziging van het Besluit belasting- en invorderingsrente met het oog op toevoeging van de tijdelijke solidariteitsbijdrage en aanpassing van het rentepercentage voor de vennootschapsbelasting, de tijdelijke solidariteitsbijdrage en de bronbelasting (W06.23.00118/III) en het advies van de Afdeling van 11 september 2023 over het Belastingplan 2024 (W06.23.00273/III), Kamerstukken II 2023/24, 36418, nr. 4, p. 12-14.
(20) Zo’n noodzakelijke wijziging is bijvoorbeeld het opnemen van een rentepercentage voor de per 1 januari 2024 in te voeren minimumbelasting.
(21) Het gaat volgens de toelichting om in totaal circa 93.000 personen waarvan schulden zijn gepauzeerd. Hiervan is 2/3 aanvrager van kinderopvangtoeslag en 1/3 toeslagpartner.
(22) Voor laatstgenoemde groep wordt een onderscheid gemaakt tussen personen die zich voor en na 1 maart 2023 hebben gemeld. Vanaf die datum geldt een meer gerichte pauzering.
(23) Paragraaf 2.11 nota van toelichting.
(24) Uit de voortgangsrapportage hersteloperatie toeslagen mei-augustus 2023 blijkt dat van het totaal aantal aanmeldingen van 65.000 ouders (waarvan 95% in een eerste toets is beoordeeld) is vastgesteld dat voor 48% geldt dat zij gedupeerde zijn en dus voor meer dan de helft dat zij niet als gedupeerde worden aangemerkt.
(25) Artikel 7.8, zesde lid, Wet IB 2001.
(26) Bijvoorbeeld door het verstrekken van een aangifte, aanslag of andere verklaringen en beschikkingen van de belastingautoriteit van zijn woonland, nota van toelichting, paragraaf 2.1.
(27) Verslag van een schriftelijk overleg inzake internationaal fiscaal (verdrags)beleid, Kamerstukken II 2019/20, 25087, nr. 253 en de Rapportage van knelpunten van fiscale grensarbeiders 2019, Kamerstukken II 2019/20, 26834, nr. 46, blg-901794, p. 3.
(28) Zoals het verstrekken van een aangifte, aanslag of andere verklaringen en beschikkingen van de belastingautoriteit van het woonland die de inspecteur acceptabel acht, nota van toelichting, paragraaf 2.1.
(29) In gevallen waarin de belastingplichtige wel recht lijkt te hebben op de inkomensverklaring, maar deze ondanks gedane moeite niet krijgt biedt de Belastingdienst maatwerk, Kamerstukken II 2019/20, 25087, nr. 253, p. 5 en 6.
(30) Als aan de overige voorwaarden is voldaan.
(31) Overigens heeft Rechtbank Den Haag, 5 juni 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:17391 in een geval met een evident onjuiste einddatum beslist dat bij een voor beide partijen evidente onjuistheid de formele rechtskracht van de beschikking niet in de weg staat aan het afgeven van een nieuwe beschikking met de juiste einddatum.
(32) Dit kan de inspecteur, de werkafspraakhouder, de inhoudingsplichtige of de werknemer zijn.
(33) Voorbeelden zijn beschikkingen fiscale eenheid voor de omzetbelasting en vennootschapsbelasting en beschikkingen inzake geruisloze fusies en splitsingen.
(34) In de toelichting wordt voor de werknemer het burgerservicenummer en voor de inhoudingsplichtige het loonheffingennummer als voorbeeld genoemd.
(35) Het BFB is een verzamelbesluit op het terrein van het fiscale bestuursrecht in het algemeen.
(36) In dit verband kan ook gewezen worden op paragraaf 23, derde lid, BFB waar staat dat paragraaf 23 niet van toepassing is als in de wet of in een op de wet gebaseerde ministeriele regeling regels voor ambtshalve verminderen of teruggeven zijn gesteld, zoals bijvoorbeeld in artikel 45aa van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001.
(37) Het niet gezamenlijk hoeven indienen van een herzieningsverzoek, waar dit wel nodig is bij de initiële aanvraag van een beschikking 30%-regeling, is zo’n voorwaarde.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon