Verdrag betreffende de automatische erkenning van diploma's in het hoger onderwijs; Brussel, 14 september 2021 (Trb. 2021, 122).


Volledige tekst

Bij Kabinetsmissive van 6 oktober 2022, no.2022002161, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Buitenlandse Zaken, mede namens de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, bij de Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk ter overweging aanhangig gemaakt het verdrag betreffende de automatische erkenning van diploma's in het hoger onderwijs, Brussel, 14 september 2021 (Trb. 2021, 122), met toelichtende nota.

Het verdrag regelt de automatische erkenning van diploma’s in het hoger onderwijs tussen het Koninkrijk België, Estland, Letland, Litouwen, Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden.

De Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk maakt een opmerking over de Koninkrijkspositie en territoriale toepassing van het verdrag. In verband daarmee is aanpassing wenselijk van de toelichting.

De Afdeling onderschrijft het belang voor het Koninkrijk der Nederlanden van het verdrag inzake de automatische erkenning van diploma’s in het hoger onderwijs tussen de Benelux-landen en de Baltische staten. In artikel 10 van onderhavig verdrag wordt bepaald op welk grondgebied het verdrag van toepassing is. Daaruit blijkt dat voor wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft het verdrag van toepassing is op het Europese deel en het Caribisch deel van Nederland (Bonaire, Saba en Sint Eustatius). Volgens de toelichting is uitbreiding naar Aruba, Curaçao en Sint Maarten op grond van het verdrag mogelijk. (zie noot 1)

De Afdeling merkt op dat uit het voorstel en de toelichting blijkt dat het verdrag wordt goedgekeurd voor het gehele Koninkrijk maar dat er nog onvoldoende zicht is op het moment van inwerkingtreding voor de Caribische landen. Dit hangt ook samen met de benodigde voorafgaande goedkeuring en inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon inzake erkenning en het Europees Cultureel Verdrag, en daarmee verbonden uitvoeringswetgeving. (zie noot 2)

Het Verdrag van Lissabon inzake erkenning is nog niet bekrachtigd (en in werking getreden) voor de Caribische landen. Voor Aruba is het Verdrag van Lissabon inzake erkenning nog niet goedgekeurd. Het Verdrag van Lissabon inzake erkenning werd destijds wel goedgekeurd voor de Nederlandse Antillen, waardoor het voor de Afdeling onduidelijk is waarom Sint Maarten medegelding van het Verdrag van Lissabon inzake erkenning nog ‘in beraad houdt’. (zie noot 3) Het Europees Cultureel Verdrag is enkel goedgekeurd voor Europees Nederland.

Het is van belang dat duidelijk wordt op welke termijn de benodigde voorafgaande stappen inzake goedkeuring, bekrachtiging en uitvoering worden genomen voor onderhavig verdrag, het Verdrag van Lissabon inzake erkenning en het Europees Cultureel Verdrag in de verschillende delen van het Koninkrijk. De Afdeling adviseert om pas tot goedkeuring van onderhavig verdrag voor het gehele Koninkrijk over te gaan zodra duidelijk is op welke termijn de noodzakelijke voorafgaande stappen worden genomen. (zie noot 4) Daartoe is het van belang dat alle delen van het Koninkrijk op afzienbare termijn helderheid scheppen over de wenselijkheid van medegelding van het verdrag.

Daarnaast zou uit de toelichting moeten blijken of het Europees Cultureel Verdrag ook geldt op de BES-eilanden en wat dit betekent voor de goedkeuring en inwerkingtreding van onderhavig verdrag aldaar.

De Afdeling adviseert om in de toelichting op het voorgaande in te gaan.

De Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk heeft een aantal opmerkingen bij het verdrag en adviseert daarmee rekening te houden voordat het verdrag aan de beide Kamers der Staten-Generaal, de Staten van Aruba, die van Curaçao en die van Sint Maarten wordt overgelegd.

De vice-president van de Raad van State van het Koninkrijk

Voetnoten

(1) Paragraaf 2 ‘Artikelsgewijze toelichting’ van de toelichtende nota.
(2) Paragraaf 3 ‘Koninkrijkspositie’ van de toelichtende nota.
(3) Trb. 2002, 113 en 137.
(4) Zie ook aanbeveling 4 van het ongevraagde advies van de Afdeling advisering van de Raad van State over het Koninkrijk, verdragen en het Unierecht, 14 juni 2021, nr. W04.20.0361/I.