Wijziging van het voorstel van wet tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, het Burgerlijk Wetboek en enige andere wetten (Kamerstukken 35 348).


Volledige tekst

Bij Kabinetsmissive van 17 maart 2022, no.2022000599, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister voor Rechtsbescherming, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet houdende wijziging van het bij koninklijke boodschap van 25 november 2019 ingediende voorstel van wet tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, het Burgerlijk Wetboek en enige andere wetten (Kamerstukken 35 348), met memorie van toelichting.

De Afdeling advisering van de Raad van State heeft geen opmerkingen bij het voorstel en adviseert het voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal in te dienen.

Gelet op artikel 26, zesde lid jo vijfde lid, van de Wet op de Raad van State, adviseert de Afdeling dit advies openbaar te maken.

De vice-president van de Raad van State

Nader rapport (reactie op het advies) van 27 mei 2022

Het voorstel geeft de Afdeling advisering van de Raad van State geen aanleiding tot het maken van inhoudelijke opmerkingen. Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om naast artikel IIIA ook artikel I, onderdeel B, te schrappen van het bij koninklijke boodschap van 25 november 2019 ingediende voorstel van wet tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, het Burgerlijk Wetboek en enige andere wetten. Artikel I, onderdeel B, omvat twee bepalingen die zien op de mondelinge behandeling in familierechtelijke zaken. Deze artikelen zijn opgenomen ter afwijking van het nog niet in werking getreden artikel 30j van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. In het licht van de wet van 3 juli 2019 tot verruiming van de mogelijkheden van de mondelinge behandeling in het civiele procesrecht (Stb. 2018, 241) en het gegeven dat niet langer de verwachting bestaat dat artikel 30j Rv in werking zal treden, (zie noot 1) kunnen deze artikelen worden geschrapt. Daarmee wordt ook recht gedaan aan de discussie over de briefprocedure rond het afzien van de mondelinge behandeling bij onder andere de verlenging van een ondertoezichtstelling en een machtiging uithuisplaatsing. (zie noot 2) In de TK brief van 11 mei jl. (zie noot 3) en het debat over uithuisplaatsingen van 12 mei jl. is aangekondigd dat zal worden onderzocht op welke wijze opvolging kan worden geven aan de aanbevelingen genoemd in de factsheet. Het is niet opportuun dat vooruitlopend hierop een wettelijke verankering van deze procedure plaatsvindt.

Ik moge U verzoeken het hierbij gevoegde voorstel van wet en de memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.

De Minister voor Rechtsbescherming

Voetnoten

(1) Kamerstukken II 2021/21, 36 034, nr. 4, p. 6
(2) Zie ook de Wetenschappelijke factsheet uithuisplaatsing dd. 4 mei 2022, nr. 2022D17674.
(3) TK brief 11 mei 2022, kenmerk 4006890 (Reactie op verzoek lid Omtzigt).