Uitvoeringswet Bewijsverkrijgingsverordening.


Volledige tekst

Bij Kabinetsmissive van 25 februari 2022, no.2022000474, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister voor Rechtsbescherming, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot uitvoering van de Verordening (EU) van het Europees Parlement en de Raad nr. 2020/1783 betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken (bewijsverkrijging) (PbEU 2020, L 405/1) (Uitvoeringswet Bewijsverkrijgingsverordening), met memorie van toelichting.

Het wetsvoorstel geeft uitvoering aan verordening (EU) 2020/1783 betreffende de samenwerking tussen gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken (hierna: de bewijsverkrijgingsverordening). (zie noot 1) Daartoe bevat het voorstel onder andere de door de bewijsverkrijgingsverordening vereiste juridische grondslagen.

De Afdeling wijst erop dat het wetsvoorstel bij een deel van de bepalingen geen toelichting bevat en adviseert de toelichting aan te vullen zodat deze zelfstandig leesbaar is.

Toelichting aanvullen
De toelichting bij het wetsvoorstel bevat voor zeven van de negentien voorgestelde bepalingen een artikelsgewijze toelichting. Uit de transponeringstabel blijkt dat voor een aanzienlijk deel van de voorgestelde artikelen de toelichting bij de huidige Uitvoeringswet EG-bewijsverordening dient te worden geraadpleegd.

Voor de parlementaire behandeling maar in het bijzonder ook voor de rechtspraktijk, is het van belang dat de toelichting zelfstandig leesbaar is. (zie noot 2) De toelichting dient inzicht te bieden in hetgeen met een bepaling wordt beoogd en welke  ten grondslag liggen aan een bepaalde keuze door de wetgever.

De Afdeling merkt in dit verband op dat de toelichting bij de Uitvoeringswet EG-bewijsverordening een aantal passages bevat die (ook na inwerkingtreding van het voorstel) van toegevoegde waarde kunnen zijn. Bij wijze van voorbeeld wordt gewezen op:
i) de regeling wie zorg dient te dragen voor een oproeping,
ii) de mogelijkheid van beroep en
iii) de regeling inzake de vergoeding van kosten door het aangezochte gerecht. (zie noot 3)

In de toelichting bij het wetsvoorstel ontbreekt deze toelichting, of er wordt in enkele zinnen slechts aandacht geschonken aan onderdelen die veranderd zijn. (zie noot 4)

In het licht van het voorgaande adviseert de Afdeling de toelichting aan te vullen zodat zij zelfstandig leesbaar is.

De Afdeling verwijst naar de bij dit advies behorende redactionele bijlage.

De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een opmerking bij het voorstel en adviseert daarmee rekening te houden voordat het voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal wordt ingediend.

De vice-president van de Raad van State


Redactionele bijlage bij het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State betreffende no.W16.22.0027/II

- De transponeringstabel dient voor de uitvoering van artikel 12, vierde lid, bewijsverkrijgingsverordening te verwijzen naar artikel 16 in plaats van artikel 17;
- De transponeringstabel geeft bij artikelen 3, 4, 9, 14 en 19 van de bewijsverkrijgingsverordening niet voor elk lid aan op welke wijze daar uitvoering aan wordt gegeven, dan wel of zulks achterwege kan blijven.

Nader rapport (reactie op het advies) van 21 juni 2022

Toelichting aanvullen
Ik ben de Afdeling erkentelijk voor de opmerking over de toelichting bij het wetsvoorstel. Het is juist dat in de versie van de toelichting die naar de Afdeling is gezonden voor advies, niet voor alle artikelen van het wetsvoorstel een artikelsgewijze toelichting was geschreven. Dat heeft ermee te maken dat het wetsvoorstel, ter uitvoering van de herschikte bewijsverkrijgingsverordening, om praktische redenen een nieuwe uitvoeringswet vaststelde in plaats van de bestaande Uitvoeringswet EG-bewijsverordening te wijzigen. Daardoor werden ook artikelen die inhoudelijk niet wijzigden, opnieuw vastgesteld. Om onnodige herhaling te voorkomen werd ervoor gekozen deze ongewijzigde artikelen niet opnieuw van een (gelijkluidende) toelichting te voorzien. Met de Afdeling ben ik echter van mening dat in beginsel ieder voorgesteld artikel van een artikelsgewijze toelichting moet worden voorzien. Daarom is naar aanleiding van het advies van de Afdeling in het aangepaste wetsvoorstel gekozen voor de aanpassing van alleen die bepalingen van de Uitvoeringswet EG-bewijsverordening waartoe de implementatie van de verordening noopt, in plaats van het vaststellen van een heel nieuwe uitvoeringswet. Iedere inhoudelijke wijziging zal worden voorzien van een artikelsgewijze toelichting.

Het wetsvoorstel en de toelichting zijn op dit punt aangepast. De Afdeling heeft dezelfde opmerking gemaakt in het advies bij het wetsvoorstel tot uitvoering van de herschikte betekeningsverordening, gedateerd 20 april 2022, nr. W16.22.0028/II. Ook dat wetsvoorstel en de bijbehorende toelichting zijn op dit punt aangepast.

Ik dank de Afdeling voor de redactionele suggesties. Deze zijn overgenomen in de toelichting.

Ik moge U hierbij verzoeken het hierbij gevoegde gewijzigde voorstel van wet en de gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.

De Minister voor Rechtsbescherming


Voetnoten

(1) Verordening (EU) 2020/1783 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2020 betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken (bewijsverkrijging) (herschikking), Pb. EU 2020, L405/1.
(2) Zie o.a. W06.21.0259/III, Stcrt. 2021, 47186 (advies Afdeling advisering inzake Uitvoeringsbesluit verordening herstel en afwikkeling centrale tegenpartijen).
(3) Kamerstukken II 2002/03, 28993, nr. 3, artikelsgewijze toelichting bij artikelen 9, 11 en 13.
(4) Memorie van toelichting, artikelsgewijs deel, artikel 9.