Wijziging van het Besluit referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen en het Examen- en kwalificatiebesluit beroepsopleidingen WEB in verband met herijking van de rekeneisen voor het mbo.
- Kenmerk
- W05.21.0177/I
- Datum aanhangig
- 6 juli 2021
- Datum vastgesteld
- 15 september 2021
- Datum advies
- 15 september 2021
- Datum publicatie
- 9 februari 2022
- Vindplaats
- Staatscourant 2022, nr. 5137
- Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
- Algemene maatregel van bestuur
Toon inhoud
Bij Kabinetsmissive van 6 juli 2021, no.2021001314, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen en het Examen- en kwalificatiebesluit beroepsopleidingen WEB in verband met herijking van de rekeneisen voor het mbo, de omvang van keuzedelen voor de middenkaderopleiding en enige andere wijzigingen, met nota van toelichting.
Het ontwerpbesluit betreft hoofdzakelijk een aanpassing van het Besluit referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen en het Examen- en kwalificatiebesluit beroepsopleidingen WEB in verband met de invoering van nieuwe rekeneisen voor het middelbaar beroepsonderwijs. Daarbij regelt het ontwerpbesluit dat de mogelijkheid van het centraal examen rekenen vervalt en wordt vervangen door instellingsexamens rekenen. Deze examens zullen meetellen in de zak-/slaagregeling.
De Afdeling advisering van de Raad van State maakt naar aanleiding van het ontwerpbesluit opmerkingen over de verhouding van het ontwerpbesluit tot de doelstelling van de Wet referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen. (zie noot 1) Die doelstelling is te komen tot een samenhangend en sectoroverstijgend geheel van referentieniveaus voor rekenen, waarin aansluiting van de verschillende sectoren op elkaar is gewaarborgd met het oog op doorlopende leerlijnen. Niet duidelijk is hoe de voorgestelde nieuwe mbo-rekeneisen zich verhouden tot de huidige referentieniveaus.
Daarnaast benadrukt de Afdeling het belang van validering van rekenexamens door de overheid en de borging van de samenhang met de examinering in andere onderwijssectoren, alsmede de rol in dit verband van het College voor Toetsen en Examens (CvTE). Ten slotte vraagt de Afdeling naar de haalbaarheid van de herijkte rekeneisen in het mbo voor zowel instellingen als studenten. In verband daarmee is aanpassing wenselijk van de toelichting en zo nodig van het ontwerpbesluit.
1. Inhoud en achtergrond van het ontwerpbesluit
In 2007/2008 werd gesignaleerd dat het rekenniveau van Nederlandse leerlingen daalde en dat er problemen waren met de aansluiting qua rekenniveau tussen onderwijssectoren. (zie noot 2) Naar aanleiding daarvan is, op basis van het advies van de Commissie Meijerink (2008), een sectoroverstijgende Wet referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen (2010) ingevoerd. Die wet gaat uit van basiskennis en -vaardigheden voor alle leerlingen, inclusief doorlopende leerlijnen, van het primair onderwijs tot en met de instroom in het hoger onderwijs. (zie noot 3)
In het Besluit referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen is een algemeen maatschappelijk (minimum)niveau (referentieniveau 2F) vastgelegd voor zowel mbo-1 als mbo-2. (zie noot 4) Om geen onnodige drempels op te werpen voor doorstroom is ook voor mbo-3 het referentieniveau 2F ingevoerd. Voor mbo-4 werd referentieniveau 3F vastgelegd. Het CvTE is aangewezen als de instantie om de examinering van de referentieniveaus op een samenhangende wijze te laten plaatsvinden. (zie noot 5)
Vanwege de slechte resultaten van mbo-studenten voor de pilotrekenexamens besloot de regering om de normering aan te passen, meer herkansingsmogelijkheden te geven en - meermaals - om het resultaat vooralsnog niet mee te laten tellen in de slaag-zak beslissing. (zie noot 6) Daarnaast is gebleken dat het rekenonderwijs onvoldoende aansluit bij de belevingswereld van mbo-studenten en onvoldoende een functionele inzet van rekenvaardigheden realiseert. (zie noot 7) Ten gevolge van deze ontwikkelingen is er een gebrek aan focus, motivatie, aandacht, prioriteit, investeringen en middelen voor het examenonderdeel rekenen bij alle betrokkenen in het mbo. (zie noot 8)
Naar aanleiding van hiervoor genoemde problemen stelde de regering de Commissie herijking rekeneisen mbo in. Deze commissie heeft geadviseerd om het rekenonderwijs meer te laten aansluiten bij de belevingswereld van mbo-studenten en meer beroepsgericht te maken. Daarnaast gaat de commissie uit van differentiatie tussen de verschillende mbo-niveaus. Op basis van dit advies stelt de regering in dit ontwerpbesluit herijkte rekeneisen voor, die differentiëren naar mbo-niveaus 2, 3 en 4. Voor mbo-niveau 1 (entree-opleiding) gelden de eisen van rekenniveau 2 enkel als maatstaf om het niveau van beheersing te bepalen. (zie noot 9) Het domein getallen wordt niet meer apart benoemd, maar ondergebracht bij de (overblijvende) domeinen in de rekenniveaus. (zie noot 10)
Bovendien wordt voorgesteld om de resultaten voor het (nieuwe) rekenonderwijs te laten meetellen in de zak-slaagbeslissing. De mogelijkheid van een centraal examen wordt geschrapt. Er zullen alleen nog instellingsexamens afgenomen worden. Uit de toelichting blijkt dat de mbo-instellingen via een coöperatie de instellingsexamens willen verzorgen. (zie noot 11)
2. Beoordeling van het ontwerpbesluit
a. Sectoroverstijgende samenhang en doorlopende leerlijnen
De Afdeling onderschrijft het belang om een vertaling te maken van de referentieniveaus rekenen naar functionele situaties, gedifferentieerd naar verschillende niveaus, die meer aansluiten bij de belevingswereld van mbo-studenten. De Commissie herijking rekeneisen mbo heeft hiertoe een advies gegeven dat op steun lijkt te kunnen rekenen van mbo-instellingen en -studenten. Daarnaast begrijpt de Afdeling het voorstel om het resultaat voor rekenen mee te laten tellen in de zak-slaagbeslissing voor mbo-niveaus 2, 3 en 4.
De toelichting maakt evenwel niet duidelijk hoe de voorgestelde nieuwe mbo-rekeneisen zich verhouden tot de huidige referentieniveaus. De wet gaat uit van een samenhangend geheel van referentieniveaus en doorlopende leerlijnen van het primair onderwijs tot en met de instroom in het hoger onderwijs. Tegen die achtergrond zal inzichtelijk moeten worden gemaakt hoe de voorgestelde mbo-rekenniveaus zich verhouden tot de huidige referentieniveaus. De toelichting en de bijlage bij het besluit geven hierover echter geen duidelijkheid. (zie noot 12)
Indien de voorgestelde herijkte rekeneisen in lijn zijn met de genoemde referentieniveaus en als uitwerking daarvan moeten worden gezien is het overbodig om de algemene maatregel van bestuur (amvb) aan te passen. Voor deze toespitsing van de referentieniveaus op de (beroeps)praktijk binnen het mbo is namelijk ruimte binnen de wet en de amvb. (zie noot 13) Als het ontwerpbesluit echter afwijkt van de huidige referentieniveaus wordt daarmee het wettelijk kader van doorlopende leerlijnen en een samenhangend geheel van rekeneisen verlaten. (zie noot 14)
In dat geval is er onvoldoende zekerheid over een goede programmatische aansluiting en doorstroom vanuit het voortgezet onderwijs. Uitgaande van de idee van doorlopende leerlijnen en een samenhangend geheel van referentieniveaus kan niet eenzijdig in een bepaalde sector tot wijzigingen van het rekenonderwijs worden besloten. (zie noot 15) In dat kader moet bijvoorbeeld worden opgemerkt dat referentieniveau 2F geldt voor zowel het vmbo als mbo-niveau 1 tot en met 3. Het is onduidelijk wat de implicaties zijn van het ontwerpbesluit voor de doorstroom van het vmbo naar het mbo.
De Afdeling adviseert om in de toelichting nader op het voorgaande in te gaan en het ontwerpbesluit zo nodig aan te passen.
b. Examinering
Volgens de toelichting bij de Wet referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen was het uitgangspunt dat de overheid het bereiken van de referentieniveaus dient te monitoren door middel van (centrale) toetsing en examinering, maar dat het aan de scholen zelf is hoe zij dit vormgeven in het onderwijs. (zie noot 16) Het uitgangspunt van centrale examinering is reeds gerelativeerd door de mogelijkheid van instellingsexamens in plaats van de centrale examens. (zie noot 17) Onderhavig ontwerpbesluit schaft de centrale examinering volledig af en geeft instellingen de opdracht zelf examens op te stellen en af te nemen.
Volgens de toelichting is het voordeel van instellingsexamens dat daarin beter kan worden aangesloten bij de functionele vereisten van de beroepsopleiding. De mbo-instellingen zullen samenwerken in een coöperatie om de examens te maken. De toelichting geeft aan dat de inspectie toezicht zal houden op de examenkwaliteit. (zie noot 18) Het is onduidelijk of dit voldoende invulling geeft aan de rol van de overheid om de kwaliteit van de examens en de samenhang met de examinering in andere onderwijssectoren te borgen. Hiertoe lijkt een adviserende rol van het CvTE van belang, waarbij de expertise van dit zelfstandig bestuursorgaan blijvend wordt benut.
De Afdeling adviseert om in de toelichting nader op het voorgaande in te gaan.
c. Haalbaarheid
De Commissie herijking rekeneisen mbo verwijst naar onderzoek om te concluderen dat het rekenniveau van jongvolwassenen met een mbo-achtergrond over het algemeen in internationaal vergelijkend opzicht goed is. De commissie wijst daarbij echter ook op de grote verschillen in rekenvaardigheden tussen mbo-niveaus, -leerwegen en -sectoren. (zie noot 19) Uit de rapportages over de referentieniveaus (schooljaren 2014/15 tot en met 2016/17) blijkt dat mbo-studenten over het algemeen zeer slecht scoorden op de pilot rekenexamens. Daarbij zijn de referentieniveaus meestal niet gehaald. Ook uit deze rapportages komen verschillen qua resultaten tussen verschillende mbo-sectoren naar voren. (zie noot 20) Volgens de Commissie herijking rekeneisen mbo is het aannemelijk dat de verschillen binnen mbo-niveaus groter zijn dan tussen mbo-niveaus. Deze verschillen zijn in de uitwerking van het advies niet meegenomen. (zie noot 21)
Zoals eerder (onder punt 1) aangegeven kunnen de slechte resultaten voor de rekenexamens worden toegeschreven aan een combinatie van factoren. Dit is onder andere het gevolg van onduidelijk en telkens verschuivend beleid en regelgeving ten aanzien van de rekenexamens. (zie noot 22) Daardoor zijn onvoldoende gegevens beschikbaar over het rekenniveau van mbo-studenten in de meest recente jaren. Dat is ongelukkig. Dit geldt ook voor instromende leerlingen uit het voortgezet onderwijs, na het afschaffen van de rekentoets. (zie noot 23)
Uit het advies van de commissie en de toelichting bij het ontwerpbesluit blijkt niet wat het huidige en realistisch te verwachten rekenniveau is van studenten op het vmbo en de verschillende mbo-niveaus. Evenmin is duidelijk welk aanbod (in kwalitatief en kwantitatief opzicht) nodig is op mbo-instellingen (waaronder voldoende gekwalificeerde rekendocenten), waar dit nu tekortschiet en welke investeringen nodig zijn. Derhalve is het onvoldoende duidelijk of de nu voorgestelde aanpak wel haalbaar is. Duidelijk moet worden gemaakt hoe gewaarborgd zal worden dat aan de betreffende randvoorwaarden is voldaan, en welke maatregelen genomen zullen worden als opnieuw veel leerlingen voor de rekenexamens een slecht resultaat behalen. (zie noot 24)
De Afdeling adviseert om in de toelichting nader in te gaan op de haalbaarheid van de voorgestelde aanpak.
De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal opmerkingen bij het ontwerpbesluit en adviseert daarmee rekening te houden voordat een besluit wordt genomen.
De vice-president van de Raad van State
Nader rapport (reactie op het advies) van 28 januari 2022
2a. Zoals beschreven door de Expertgroep Herijking Rekeneisen mbo (zie noot 25) zijn de herijkte rekeneisen op de inhoud van de huidige referentieniveaus gebaseerd: ze vallen hiermee samen, bestaan uit een selectie hieruit of zijn hiervan afgeleid. De herijkte rekeneisen passen binnen het begrip referentieniveau rekenen als bedoeld in artikel 1 van de Wet referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen. De herijkte eisen voor het mbo moeten in de bijlage apart worden vastgelegd, zodat het voor instellingen duidelijk wordt wat er van hen wordt verlangd. Voor het mbo past wat er nu het Besluit referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen staat beschreven namelijk niet meer; de voorgestelde mbo-rekenniveaus worden daarom naast de bestaande inhoud van de huidige referentieniveaus geplaatst.
In het ontwerpbesluit is geen exacte vergelijking opgenomen van de huidige referentieniveaus en de voorgestelde mbo-rekenniveaus. De reden hiervoor is dat deze niveaus niet één op één naast elkaar te leggen en te vergelijken zijn. De vernieuwing van de mbo-rekenniveaus is een complexe herijkingsoperatie, waarbij geen sprake is van een eenvoudige selectie of verschuiving van de huidige rekeneisen. De inhoud is herschikt en geherformuleerd, rekening houdend met en passend bij de mbo-niveaus 2, 3 en 4. Daarnaast is het functioneel gebruik centraal gesteld en zijn de rekenhandelingen en de denkactiviteiten zichtbaar gemaakt.
Bij doorstroom is niet de precieze vergelijkbaarheid van de referentieniveaus van belang, maar staat de programmatische aansluiting en het bereiken van het einddoel, namelijk aandacht voor rekenen en de beschikking over de benodigde vaardigheden voor het beroep en de samenleving, centraal. Het gaat erom dat de referentieniveaus zodanig op elkaar aansluiten dat studenten in het mbo kunnen voortbouwen op hun opgedane vaardigheden van rekenen in het voortgezet onderwijs (vo). Mede door het afschaffen van de rekentoets in het vo is de doorlopende leerlijn op dit moment niet optimaal. In de curriculumherziening in het vo, waar nu aan wordt gewerkt, zullen daarom de herijkte rekenniveaus voor het mbo meegenomen worden om deze programmatische aansluiting te waarborgen. De doorlopende leerlijn is en het blijft het uitgangspunt, en deze aansluiting wordt blijvend gezocht.
De toelichting van het ontwerpbesluit is op deze punten aangevuld.
2b. De aanleiding om de centrale examinering voor rekenen af te schaffen, is met name gelegen in de wens om meer ruimte te geven om rekenen beroepsgericht in te zetten, en om meer maatwerk te kunnen bieden in de examinering. Dit is een sterke wens vanuit de sector die ook wordt ondersteund vanuit de politiek, onder andere benoemd in het regeerakkoord uit 2017 (zie noot 26). Met centrale examinering, waarbij de examens voor iedere student van iedere opleiding van ieder mbo gelijk zijn, kan niet aan deze wens tegemoet worden gekomen.
De landelijke kwaliteit blijft geborgd, doordat het onderwijs en de examinering gebaseerd moeten zijn op dezelfde landelijke rekeneisen en dezelfde standaarden voor examenkwaliteit, zoals beschreven in de Regeling standaarden examenkwaliteit beroepsonderwijs 2021. Nagenoeg alle examens binnen het mbo zijn instellingsexamens, en deze standaarden gelden voor al deze instellingsexamens. Borging van de kwaliteit van de instellingsexamens (en dus ook van de rekenexamens) vindt daarnaast plaats door de toezichthoudende taak van de Inspectie van het Onderwijs op de examenkwaliteit, als onderdeel van het bredere toezicht op de kwaliteit van examinering en diplomering. Daarnaast blijven ook voor de instellingsexamens rekenen de drie routes voor valide exameninstrumenten gelden (zie noot 27), waarmee de kwaliteit van die instrumenten wordt geborgd. De coöperatie die door de sector zelf is opgericht voor het aanbieden van rekenexamens, zal naar verwachting ook een bijdrage kunnen leveren aan de gelijkwaardigheid van de instellingsexamens voor rekenen en aan de borging van landelijke kwaliteit van rekenen. Ook de rekenexamens die de coöperatie aanbiedt, worden gevalideerd. Verder stelt het CvTE hun itembank met examenopgaves van de afgelopen jaren beschikbaar, en wordt bij de ontwikkeling van de nieuwe rekenexamens gebruik gemaakt van dit bestaande materiaal.
Een adviserende rol voor het CvTE past niet bij de huidige wettelijke taken van het college (zie in dit verband ook de artikelen 2 en 3 van de Wet College voor toetsen en examens). Daarnaast gaat dit ook niet samen met het karakter van instellingsexamens die worden vastgesteld en afgenomen door of in opdracht van de instelling. Zoals hierboven beschreven, worden andere maatregelen ingezet om de kwaliteit te waarborgen, en daarvoor wordt geen apart orgaan ingezet (zoals dat ook niet gebeurt voor andere instellingsexamens).
De toelichting van het ontwerpbesluit is op deze punten aangevuld.
2c. Het huidige en realistisch te verwachten rekenniveau is thans niet met zekerheid te bepalen. Daarbij spelen diverse factoren een rol. Zo telt het resultaat van rekenen op dit moment niet mee in de slaag-zakbeslissing. Mogelijk heeft dit gevolgen voor de resultaten die op dit moment behaald worden (o.a. door de motivatie van studenten en docenten voor dit examenonderdeel, en het belang dat een mbo-instelling hecht aan het interne rekenbeleid (zie noot 28). Ook geldt nu een andere manier van examineren, en zijn er andere rekenniveaus van toepassing. Tevens speelt mee dat er op dit moment voor het grootste gedeelte van de vo-leerlingen geen rekentoets is. Dit alles maakt het niet mogelijk hier met zekerheid uitspraken over te doen.
Bij de ontwikkeling van de huidige referentieniveaus in 2010 heeft de Commissie Meijerink al benoemd dat deze niveaus niet voor elke doelgroep passend zullen zijn en de sectorspecifieke kant niet in de niveaus verwerkt is. (zie noot 29) Door de nieuwe rekeneisen en manier van examineren krijgen instellingen meer ruimte om te bepalen wat de student nodig heeft. Deze nieuwe eisen komen beter tegemoet aan de diversiteit van doelgroepen binnen het mbo en bieden meer ruimte voor maatwerk. (zie noot 30), (zie noot 31), (zie noot 32). Dit zal naar verwachting een positief effect hebben op de kans van slagen van een student op dit onderdeel. Uit onderzoek blijkt namelijk dat studenten meer waarde hechten aan een examen als de prestatie meetelt voor het cijfer, en wordt geconcludeerd dat het meetellen van het resultaat leidt tot een hogere prestatie (zie noot 33). Het vertrouwen in de herijkte rekenniveaus (opgesteld door experts), de andere manier van examinering en het te verwachten effect van het meetellen van het examen is belangrijker dan het op dit moment exact kunnen vastleggen van huidige en te verwachten niveaus.
De nieuwe rekenaanpak is een omslag in de manier waarop invulling wordt gegeven aan rekenen binnen het mbo. Dit heeft tijd nodig om tot wasdom te komen. Er zal niet direct na invoering een resultaat te zien zijn. Daarnaast zal het vanaf invoering minimaal drie jaar duren, voordat de eerste substantiële groep studenten volgens de nieuwe rekenaanpak diplomeert. Om een goed beeld te hebben van de uitwerking van de nieuwe rekenaanpak en daaraan de juiste conclusies te kunnen verbinden, zal pas na acht tot tien jaar goed geëvalueerd kunnen worden. Daarom wordt nu nog geen formele aanpak rondom de evaluatie vastgesteld. Om diezelfde reden wordt op dit moment evenmin een norm vastgesteld door het ministerie van OCW waaraan een bepaald percentage studenten moet voldoen om dit nieuwe rekenbeleid als geslaagd te zien.
Uiteraard is het voor het ministerie van OCW wel erg belangrijk het verloop van de invoering van de nieuwe rekeneisen te monitoren. Daartoe zullen jaarlijks de behaalde resultaten worden uitgevraagd bij de scholen of via DUO. Ook heeft het ministerie van OCW nauw contact met onder andere het Kennispunt MBO Taal en Rekenen en het Kennispunt MBO Onderwijs en Examinering. De kennispunten zullen worden gevraagd naar de vragen en signalen die zij binnenkrijgen over het nieuwe rekenbeleid. Daarnaast zal de klankbordgroep van de kennispunten worden ingezet voor reflectie op het nieuwe rekenbeleid en zal via de kennispunten een uitvraag worden gedaan bij de scholen zelf. Op deze manier zal jaarlijks alle informatie worden verzameld en in kaart worden gebracht welke ontwikkelingen zich voordoen en waar eventueel actie op nodig is (meer communicatie richting scholen, handreikingen ontwikkelen etc.). In de aanloopfase van invoering van het nieuwe rekenbeleid is daarover reeds nauw contact met scholen via de kennispunten.
Voor wat betreft de investeringen die gedaan moeten worden, geldt dat vanuit OCW niet wordt bepaald op welke wijze scholen hun beleid inrichten. Hierdoor kunnen geen uitspraken gedaan worden over de investeringen die nodig zijn. Met de intentieverklaring rekenen tussen OCW, MBO Raad, NRTO is echter wel afgesproken dat de MBO Raad en NRTO hun leden oproepen hun rekendocenten te faciliteren. Bij elke verandering van inhoud van een examenonderdeel is het aan de scholen zelf om docenten te ondersteunen en hierin te investeren. Dat is in dit geval niet anders. Het ministerie van OCW ondersteunt hier wel bij met uitgave van een nieuwe versie van het raamwerk bekwaamheden rekendocenten. Dit geeft instellingen inzicht in de belangrijkste te bezitten vaardigheden voor een rekendocent. Daarnaast zijn er enkele rekenopleidingen die gevolgd kunnen worden, zoals de post-bachelor rekenspecialist, het behalen van een rekencertificaat of de minor rekenen op de Pabo.
In de toelichting van het ontwerpbesluit is nader ingegaan op de haalbaarheid van de voorgestelde aanpak.
Voorts is van de gelegenheid gebruik gemaakt om het overgangsrecht dat in het besluit is opgenomen, beter te laten aansluiten op de onderwijspraktijk.
Ik bied U hierbij het ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting aan en verzoek U overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Voetnoten
(1) Stb. 2010, 194.
(2) Kamerstukken II 2009/10, 32290, nr. 3; Expertgroep Doorlopende leerlijnen taal en rekenen, Over de drempels met taal en rekenen, 2008.
(3) Expertgroep Doorlopende leerlijnen taal en rekenen, Over de drempels met taal en rekenen, 2008; Stb. 2010, 194.
(4) Artikel 3, onderdeel h en i, van het Besluit referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen.
(5) Stb. 2012, 217.
(6) Stb. 2015, 424.
(7) Memorie van toelichting, paragraaf 1.2.1 ‘Aanleiding’ en paragraaf 1.2.2. ‘Achtergrond en knelpunten huidige situatie’.
(8) Memorie van toelichting, paragraaf 1.2.1 ‘Aanleiding’ en paragraaf 1.2.2. ‘Achtergrond en knelpunten huidige situatie’; MBO in Bedrijf, Voortgangsrapportages kwaliteitsafspraken mbo 2017 en 2018.
(9) Voorgesteld artikel 17b1 van het Examen- en kwalificatiebesluit beroepsopleidingen WEB.
(10) Voorgesteld ‘Artikel I’; Nota van toelichting, paragraaf 1.2.3.1. ‘Aanpassing inhoud referentieniveaus’.
(11) Voorgesteld ‘Artikel II’; Nota van toelichting, paragraaf 1.2.3.3 ‘Examinering’.
(12) Nota van toelichting, paragraaf 1.2.3.1. ‘Aanpassing inhoud referentieniveaus’ en paragraaf 1.2.3.6. ‘Doorlopende leerlijn’ en de bijlage, behorend bij voorgesteld artikel I, onderdeel c. Zo zijn de nieuwe rekeneisen volgens de toelichting ‘op de inhoud van de referentieniveaus gebaseerd: ze vallen hiermee samen, bestaan uit een selectie hieruit of zijn hiervan afgeleid’. Tegelijkertijd spreekt de toelichting van ‘vervanging van de referentieniveaus’ en van een ‘aanpassing van de inhoud van de referentieniveaus’. Daarnaast zal volgens de toelichting met ‘de herijkte rekeneisen in het mbo een einde komen aan het gebruik van deze specifieke referentieniveaus in het mbo’. Uit de bijlage bij het ontwerpbesluit blijkt dat er zekere overeenkomsten zijn qua terminologie tussen de voorgestelde en huidige eisen maar dat er ook relevante verschillen zijn in de formulering. Daarnaast is het domein getallen in de huidige referentieniveaus niet meer apart benoemd in de voorgestelde mbo-rekenniveaus. In hoeverre deze verschillen materieel gezien leiden tot een afwijking van de bestaande referentieniveaus wordt evenwel niet uiteengezet.
(13) Zie ook Expertgroep Doorlopende leerlijnen taal en rekenen, Over de drempels met taal en rekenen, 2008, p. 47-51. De commissie deed de aanbeveling om de referentieniveaus te vertalen naar functionele situaties, met name in het mbo. De commissie gaf ook aan dat de stap van de schoolse formulering van de referentieniveaus 2F en 3F naar de echte situaties in het dagelijks leven en de beroepen nog moest worden gemaakt.
(14) Zie o.a. Kamerstukken II 2009/10, 32290, nr. 3, p. 5-8, 17.
(15) Kamerstukken II 2009/10, 32290, nr. 3, p. 7-8: ‘voorkomen dient te worden dat onderdelen van het taal- en rekenonderwijs in een bepaalde sector ten onrechte worden toegevoegd of weggelaten. Verandering van taal- en rekeneisen in de ene sector dient altijd afgestemd te worden met andere sectoren.’
Kamerstukken II 2009/10, 32290, nr. 6, p. 9: ‘Voorkomen dient te worden dat onderdelen van het taal- en rekenonderwijs in een bepaalde sector ten onrechte worden toegevoegd of weggelaten. Verandering van taal- en rekeneisen in de ene sector dient altijd afgestemd te worden met andere sectoren. Verankering van het referentiekader taal en rekenen in een aparte wet en algemene maatregel van bestuur benadrukt dat deze samenhang tussen de verschillende sectoren blijvend moet worden bewaakt.’
Zie ook Kamerstukken II 2009/10, 32290, nr. 4, p. 5: ‘Het gaat om een doorlopende leerlijn taal en rekenen, waarbij kennis en vaardigheden die in de «afleverende» onderwijssectoren verworven zijn, in de «ontvangende» onderwijssectoren onderhouden en verdiept moeten worden. Omgekeerd stellen de behoeften van de «ontvangende» onderwijssectoren eisen aan het taal- en rekenonderwijs dat wordt verzorgd in de «afleverende» sectoren. Het referentiekader is dus één integraal kader voor verschillende sectoren.’
(16) Kamerstukken II 2009/10, 32290, nr. 3.
(17) Stb. 2019, 228.
(18) Nota van toelichting, paragraaf 1.2.3.3. ‘Examinering’.
(19) Rekeneisen voor het middelbaar beroepsonderwijs, 2020, paragraaf 5.3.
(20) CvTE, Rapportages referentieniveaus, 2015, 2016, 2017. De rapportage over het schooljaar 2016/17 laat zien dat het voldoendepercentage ligt op respectievelijk 36% (mbo-niveau 2), 55% (mbo-niveau 3) en 37% (mbo-niveau 4).
(21) Rekeneisen voor het middelbaar beroepsonderwijs, 2020, paragraaf 5.4.
(22) Dit betreft het beleid van de regering om (vanwege de slechte resultaten van mbo-studenten voor de pilotrekenexamens) de normering aan te passen, meer herkansingsmogelijkheden te geven en - meermaals - om het resultaat vooralsnog niet mee te laten tellen in de slaag-zak beslissing.
(23) Stb. 2020, 233.
(24) Zie ook het advies van 20 september 2018 over het wetsvoorstel differentiatie taal- en rekenniveaus vo en mbo, nr. W05.18.0206/I (Stcrt. 2020, 3901).
(25) Rekeneisen voor het middelbaar beroepsonderwijs | Rapport | Rijksoverheid.nl
(26) Regeerakkoord 2017-2021, Vertrouwen in de toekomst.
(27) Afspraken valide exameninstrumenten mbo, juli 2018 (https://www.mboraad.nl/sites/default/files/publications/afspraken_valide_exameninstrumenten_mbo_2juli2018.pdf)
(28) Zie in dit kader ook het Rekenrapport JOB, mei 2020.
(29) Zie ook Expertgroep Doorlopende leerlijnen taal en rekenen, Over de drempels met taal en rekenen, 2008
(30) Rekeneisen voor het middelbaar beroepsonderwijs, 2020
(31) Kamerbrief toekomst van rekenen in het vo en mbo, 9 november 2018
(32) Zie in dit kader ook het Rekenrapport JOB, mei 2020.
(33) Wat is het effect van een resultaatverplichting versus een deelnameverplichting bij toetsen op het kennisniveau van mbo-studenten? Kennisrotonde NRO (2017).