Wijziging van het Besluit kwaliteit kinderopvang en het Besluit landelijk register kinderopvang, register buitenlandse kinderopvang en personenregister kinderopvang.
- Kenmerk
- W12.21.0047/III
- Datum aanhangig
- 2 maart 2021
- Datum vastgesteld
- 24 maart 2021
- Datum advies
- 24 maart 2021
- Datum publicatie
- 2 juni 2021
- Vindplaats
- Staatscourant 2021, nr. 29141
- Sociale zaken en Werkgelegenheid
- Algemene maatregel van bestuur
Toon inhoud
Bij Kabinetsmissive van 2 maart 2021, no.2021000347, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit kwaliteit kinderopvang en het Besluit landelijk register kinderopvang, register buitenlandse kinderopvang en personenregister kinderopvang in verband met het stellen van eisen aan de kwaliteit van de ouderparticipatiecrèches en de op te nemen gegevens in het landelijk register kinderopvang, met nota van toelichting.
Het ontwerpbesluit stelt nadere eisen aan de kwaliteit van ouderparticipatiecrèches (opc’s). Verder stelt het ontwerpbesluit regels over gegevens die in het landelijk register kinderopvang worden opgenomen en daaruit worden verstrekt.
De Afdeling advisering van de Raad van State maakt een opmerking over de aanvullende kwaliteitseisen die het ontwerpbesluit stelt aan opc’s, voor zover het buitenschoolse opvang betreft. In verband daarmee is aanpassing van de toelichting en zo nodig het ontwerpbesluit wenselijk.
1. Inhoud van het ontwerpbesluit
Het ontwerpbesluit vloeit voort uit de wet tot wijziging van de Wet kinderopvang in verband met het opnemen van regels voor opc’s. (zie noot 1) Deze wet voorziet in een wettelijke status voor kindercentra die worden opgezet en bestuurd door de ouders. Deze ouders verzorgen onbezoldigd de opvang van de kinderen en houden, eveneens onbezoldigd, de opvang draaiende. (zie noot 2)
De opvang door ouders van de kinderen leidt ertoe dat opc’s aan twee wettelijke kwaliteitseisen voor kinderopvang niet kunnen en ook niet hoeven te voldoen, namelijk de opleidingseis voor beroepskrachten en het vaste gezichtencriterium. (zie noot 3) Het laatste criterium houdt in dat er vaste personen bij een groep moeten zijn. Aan de andere eisen die gelden voor kinderopvang moeten opc’s wel voldoen. Om de kwaliteit van de opvang te waarborgen, moet de houder van een opc in een pedagogisch beleidsplan beschrijven op welke wijze hij zorgdraagt voor de professionaliteit en stabiliteit van de opvang. Het ontwerpbesluit stelt eisen aan dit pedagogisch beleidsplan. (zie noot 4)
2. Stabiliteit van de buitenschoolse opvang
Opc’s kunnen zowel dagopvang als buitenschoolse opvang verzorgen. Uit het ontwerpbesluit blijkt dan ook dat het pedagogisch beleidsplan niet alleen betrekking heeft op de dagopvang, maar ook de buitenschoolse opvang. (zie noot 5)
Het vaste gezichtencriterium geldt niet voor buitenschoolse opvang, ongeacht welk type kindercentrum deze opvang verzorgt. (zie noot 6) Om de stabiliteit van de buitenschoolse opvang te waarborgen, stelt artikel 18 van het Besluit kwaliteit kinderopvang eisen. Deze eisen zijn eveneens van toepassing op buitenschoolse opvang in de opc. (zie noot 7) Voor buitenschoolse opvang in een opc gelden echter ook nog aanvullende eisen, aangezien de opc in het pedagogisch beleidsplan moet beschrijven hoe zorggedragen wordt voor de herkenbaarheid van personen die de kinderen opvangen en de stabiliteit van de opvang. (zie noot 8) Hierdoor stelt het besluit zwaardere eisen aan de stabiliteit van de buitenschoolse opvang in de opc dan aan buitenschoolse opvang in andere kindercentra, terwijl in beide situaties het vaste gezichtencriterium (dat vertaald is naar de stabiliteitseisen) niet geldt.
In de nota van toelichting wordt op de reden voor dit verschil niet ingegaan.
Gelet op het voorgaande adviseert de Afdeling in de nota van toelichting het genoemde verschil te rechtvaardigen en anders in artikel 19b onderscheid te maken tussen de eisen voor het beleidsplan voor de dagopvang enerzijds, en de buitenschoolse opvang anderzijds, waarbij rekening wordt gehouden met de eisen die reeds voor de buitenschoolse opvang gelden.
3. De Afdeling verwijst naar de bij dit advies behorende redactionele bijlage.
De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal opmerkingen bij het ontwerpbesluit en adviseert daarmee rekening te houden voordat een besluit wordt genomen.
De vice-president van de Raad van State
Redactionele bijlage bij het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State betreffende no.W12.21.0047/III
- In artikel 9, eerste lid, onder c, ‘de aanloopperiode van twee jaar, bedoeld in artikel 1.60a, eerste lid’, vervangen door ‘de aanloopperiode van 1 jaar en 3 maanden, bedoeld in artikel 1.60b, eerste lid’.
Nader rapport (reactie op het advies) van 12 mei 2021
De Afdeling advisering van de Raad van State merkt op dat het ontwerpbesluit zwaardere eisen stelt aan de stabiliteit van de buitenschoolse opvang in de opc. dan aan buitenschoolse opvang in andere kindercentra, terwijl in beide situaties het vaste gezichtencriterium, dat vertaald is naar de stabiliteitseisen, niet geldt. Dit criterium uit de Wet kinderopvang is namelijk niet van toepassing op de buitenschoolse opvang.
Artikel 19b, tweede lid, onderdelen a en b, waren zo geformuleerd dat de in deze onderdelen genoemde eisen ook voor de buitenschoolse opvang golden. Dat zou, zoals de Afdeling constateert, betekenen dat voor opc's die buitenschoolse opvang verzorgen strengere eisen zouden gelden dan voor reguliere buitenschoolse opvang. Dat is niet de bedoeling. Daarom is de aanhef van artikel 19b, tweede lid, zodanig aangepast dat de eisen slechts gelden voor de dagopvang.
Een eis die in het kader van stabiliteit van de opvang aan buitenschoolse opvang wordt gesteld is dat elk kind een mentor toegewezen krijgt. Deze eis geldt ook voor buitenschoolse opvang door een opc. Op een opc wordt de opvang verzorgd door de ouders van de kinderen. Het is belangrijk dat de eigen ouder niet de mentor van een kind kan zijn, omdat voor het mentorschap een onafhankelijke blik nodig is. De eis dat een mentor niet de eigen ouder van het kind is, geldt daarom zowel voor opc's die dagopvang verzorgen als voor opc's die buitenschoolse opvang verzorgen. Deze eis, die was opgenomen in artikel 19b, tweede lid, onderdeel c, van het ontwerpbesluit, is verplaatst naar artikel 19b, derde lid, onderdeel d. Daarmee is deze zowel van toepassing op de dagopvang als de buitenschoolse opvang door een opc. Ook de nota van toelichting is hierop aangepast. Behoudens deze aanvullende eis voor het mentorschap gelden met deze aanpassing voor buitenschoolse opvang door een opc geen zwaardere eisen dan voor reguliere buitenschoolse opvang.
De redactionele opmerking van de Afdeling is verwerkt.
Ik bied U hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting aan en verzoek U overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Voetnoten
(1) Stb. 2021, 101. Deze wet is nog niet in werking getreden
(2) Artikel 1.60a van de Wet kinderopvang (nog niet in werking getreden).
(3) Artikel I, onderdeel A van het ontwerpbesluit (artikel 19a).
(4) Artikel I, onderdeel A van het ontwerpbesluit (artikel 19b).
(5) Artikel I, onderdeel A van het ontwerpbesluit (artikel 19b) verwijst naar het pedagogisch beleidsplan, bedoeld in de artikelen 3 en 12 van he Besluit kwaliteit kinderopvang. Artikel 3 heeft betrekking op de dagopvang, artikel 12 op de buitenschoolse opvang.
(6) Vergelijk artikel 9, vierde en vijfde lid, en artikel 18 Besluit kwaliteit kinderopvang. Zie ook de nota van toelichting, punt 2.2 (stabiliteit).
(7) Dit artikel is immers niet opgenomen in Artikel I, onderdeel A van het ontwerpbesluit (artikel 19a) betreffende vrijstellingen.
(8) Artikel I, onderdeel A van het ontwerpbesluit (artikel 19b, tweede lid, aanhef en onder a). Door de verwijzing naar artikel 12 van het Besluit kwaliteit kinderopvang is deze bepaling ook van toepassing op buitenschoolse opvang.