Wijziging van de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers teneinde het mogelijk te maken de duur van de overbruggingsregeling nogmaals te verlengen.
- Kenmerk
- W12.20.0332/III
- Datum aanhangig
- 11 september 2020
- Datum vastgesteld
- 16 september 2020
- Datum advies
- 16 september 2020
- Datum publicatie
- 30 september 2020
- Vindplaats
- Staatscourant 2020, nr. 53880
- Sociale zaken en Werkgelegenheid
- Algemene maatregel van bestuur
Toon inhoud
Bij Kabinetsmissive van 11 september 2020, no.2020-0000122391, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers teneinde het mogelijk te maken de duur van de overbruggingsregeling nogmaals te verlengen, in verband met het invoeren van een vermogenstoets en het aanbrengen van enkele technische wijzigingen, met nota van toelichting.
De Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (TOZO) voorziet in een vereenvoudigde bijstandsregeling voor zelfstandige ondernemers in verband met de economische gevolgen van de coronacrisis. De regeling loopt sinds begin maart en is inmiddels al een keer verlengd. Met het ontwerpbesluit wordt de TOZO wederom verlengd, nu voor een periode van negen maanden. Daarbij wordt een (vereenvoudigde) vermogenstoets ingevoerd.
De Afdeling advisering van de Raad van State wijst op enkele onevenwichtigheden in het ontwerpbesluit. Bij een tijdelijke regeling als de TOZO kunnen dergelijke onevenwichtigheden aanvaardbaar zijn, maar naarmate de duur van de tijdelijke regeling toeneemt en het spoedkarakter ervan afneemt gaan deze bezwaren zwaarder wegen. De Afdeling zet vraagtekens bij de voorgestelde duur van de verlenging van de regeling in deze vorm met negen maanden. In het bijzonder de ongelijke behandeling welke het gevolg is van de wijze waarop de vermogenstoets in het ontwerpbesluit is vormgegeven acht zij problematisch in het licht van de voorgestelde duur van de verlenging. De Afdeling acht een nadere motivering van het ontwerpbesluit nodig waarin de duur van de verlenging en de grofmazigheid en onevenwichtige gevolgen tegen elkaar worden afgewogen. Indien daartoe aanleiding bestaat, dient dit te leiden tot aanpassing van het ontwerpbesluit.
1. Duur verlenging
a. Algemeen
De TOZO is gemodelleerd naar het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 (BBZ). Daarop zijn echter aanzienlijk vereenvoudigingen aangebracht, dit in verband met de plotselinge uitbraak van de corona-crisis. In korte tijd moest een grootschalig proces van bijstandsverlening in gang worden gezet. Zo zijn in eerste instantie de partnertoets, de kostendelersnorm en de vermogenstoets buiten toepassing gelaten. Deze vereenvoudigde regeling is voor gemeenten eenvoudiger en dus sneller toe te passen en pakt voor de ontvangers van bijstand veelal gunstig uit. Daarbij moet ook worden onderkend dat dit leidt tot ongelijke behandeling tussen deze doelgroep en diegenen die vallen onder de reguliere bijstandsregeling in de Participatiewet en het BBZ. Daarom is uitdrukkelijk voorzien in tijdelijkheid van de bijzondere regeling van de TOZO.
Bij de eerste verlenging (TOZO 2) is de regeling al weer wat meer in lijn gebracht met het BBZ. Zo is toen de partnertoets, die eerst was uitgezonderd, weer van toepassing verklaard. Met het voorliggende ontwerpbesluit wordt de TOZO weer een stapje dichter bij het BBZ gebracht door de introductie van een vermogenstoets. Die is echter sterk vereenvoudigd.
De verlenging van de TOZO vindt met het ontwerpbesluit plaats voor een relatief lange periode, negen maanden. In totaal brengt dit de looptijd van de TOZO op bijna anderhalf jaar. Dit roept steeds indringender de vraag op naar de ratio voor de ongelijke behandeling van zelfstandigen die onder het BBZ vallen en die welke vallen onder de TOZO.
Ook roept dit de vraag op hoe lang moet worden doorgegaan met de ondersteuning door middel van de TOZO. Ondersteuning aan zelfstandigen bij problemen van tijdelijke aard ten aanzien van overigens levensvatbare ondernemingen is terecht en begrijpelijk. Ook hebben de betrokken ondernemers behoefte aan zekerheid, hetgeen juist pleit voor een wat langere periode. Tegelijkertijd moet worden gewaakt voor het langdurig ondersteunen van ondernemingen die niet levensvatbaar zijn. (zie noot 1) Het lijkt er daarbij steeds meer op dat deze crisis ook permanente gevolgen zal hebben voor bepaalde ondernemers. Ondersteuning kan dan noodzakelijke aanpassingsprocessen in de weg zitten. Maatvoering in de tijd is dan ook nodig.
Het voorgaande leidt ertoe dat de Afdeling vraagtekens zet bij de voorgestelde duur van de verlenging van negen maanden. Hierna gaat zij nog nader in op enkele meer specifieke aspecten.
b. Vermogenstoets
In het ontwerpbesluit is voorzien in een vermogenstoets. Net als bij het BBZ het geval is wordt hierbij afgeweken van de vermogenstoets in artikel 34 van de Participatiewet. Ten opzichte van het BBZ is thans sprake van een verdere vereenvoudiging. Deze komt er grofweg op neer, dat bij de aanvraag wordt gekeken naar de stand van de bankrekeningen (en vergelijkbare rekeningen, zoals beleggingsrekeningen). Allerlei andere vormen van vermogen, alsook schulden, worden niet meegenomen. Dat geldt ook voor wijzigingen die zich voordoen na de aanvraag.
Uit de toelichting blijkt dat uitvoeringstechnische een belangrijke rol hebben gespeeld bij de vormgeving van de vermogenstoets. (zie noot 2) Deze vereenvoudigde benadering kan tot onevenwichtige resultaten leiden. Hiervoor is al gewezen op de beperkte grondslag waardoor veel vermogensbestanddelen en schulden niet worden meegenomen. Ook kan worden opgemerkt, dat de ondernemingsbankrekeningen bij een eenmansbedrijf wél meetellen, terwijl in geval van een BV de rekeningen van de BV niet meetellen. De verschillende afwijkingen van het BBZ leiden er toe dat zelfstandigen in de bijstand die overigens in vergelijkbare omstandigheden verkeren, zeer verschillend worden behandeld afhankelijk van of zij onder de TOZO of het BBZ vallen.
De onevenwichtige resultaten en ongelijke behandeling die het gevolg zijn van de vermogenstoets kunnen aanvaardbaar zijn in het kader van een tijdelijke regeling en de daarmee verbonden spoed. In de toelichting wordt in dit verband terecht groot belang wordt gehecht aan het belang van een zo eenvoudig mogelijke uitvoering. Nu de duur van de tijdelijke regeling echter aanzienlijk toeneemt en de spoed minder groot is, acht de Afdeling deze gevolgen, in het bijzonder de ongelijke behandeling, problematisch.
c. Aanvraagtijdvak
Artikel 9 regelt het aanvraagtijdvak. Dit bedraagt ten hoogste drie aaneengesloten maanden. Bij de oorspronkelijke regeling betekende dit, dat over de looptijd van zes maanden maximaal drie maanden van de regeling gebruik kon worden gemaakt.
Artikel 18 TOZO voorziet in de mogelijkheid om bij ministeriële regeling de looptijd van de TOZO te verlengen. Dit gebeurt door verlenging van het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel 9.
Bij de verlenging is van deze mogelijkheid gebruik gemaakt en is het tijdvak van ten hoogste drie aaneengesloten maanden verlengd tot ten hoogste zeven maanden. (zie noot 3)
In het voorliggende ontwerpbesluit wordt wederom gebruik gemaakt van artikel 18 TOZO om het aanvraagtijdvak van artikel 9 aan te passen. Het gevolg hiervan is dat noch uit de TOZO, noch uit het ontwerpbesluit zelf kan worden afgeleid hoe de regeling in de komende maanden zal gaan functioneren, maar zal de nog op te stellen wijziging van de Tijdelijke regeling overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers uitkomst moeten bieden.
In de toelichting wordt erkend dat de gekozen handelwijze bezien vanuit de zelfstandige leesbaarheid van de Tozo, nu er voor een langere periode wordt verlengd, niet ideaal is. (zie noot 4) Het alternatief, waarbij genoemde structuur zou worden herzien, is overwogen, maar kent - mede vanwege de benodigde overgangsrechtelijke bepalingen - ook nadelen, zo vermeldt de toelichting.
De Afdeling begrijpt dat in het kader van een tijdelijke regeling die met spoed is opgesteld soms onvermijdelijk is dat inbreuk wordt gemaakt op de uitgangspunten die bij het opstellen van regelgeving in acht plegen te worden genomen. Naarmate de duur ervan toeneemt en de spoed bij het opstellen minder wordt, is er minder ruimte voor dergelijke inbreuken. Daarbij gaat het niet alleen om de zelfstandige leesbaarheid van de regeling. Ook is van belang dat de hoofdelementen van de regeling in de regeling zelf zijn opgenomen en dat delegatie naar de ministeriële regeling wordt beperkt tot voorschriften van administratieve aard, uitwerking van de details van een regeling, voorschriften die dikwijls wijziging behoeven en voorschriften waarvan te voorzien is dat zij mogelijk met grote spoed moeten worden vastgesteld. (zie noot 5) Nu de TOZO inmiddels al een tijd geldt en er voor de voorliggende verlenging voldoende voorbereidingstijd beschikbaar was, acht de Afdeling de gekozen weg niet passend, en ligt het dus in de rede de weg te volgen van wijziging van artikel 9 TOZO.
d. Conclusie
De Afdeling onderkent dat bij een tijdelijke regeling, zoals de TOZO, die met spoed is ingesteld, afwijking van normale uitgangspunten bij regelgeving aanvaardbaar kan zijn, en daarbij een zekere onevenwichtigheid grofmazigheid in de regeling en ongelijke behandeling moeten worden geaccepteerd. Ook moet worden onderkend dat de betrokken ondernemers behoefte hebben aan zekerheid. Naarmate de duur van de tijdelijke regeling echter toeneemt en het spoedkarakter afneemt gaan de bezwaren van een grofmazige en onevenwichtige aanpak zwaarder wegen.
Tegen deze achtergrond en gelet op de hiervoor geschetste kenmerken van het ontwerpbesluit, zet de Afdeling vraagtekens bij de voorgestelde duur van de verlenging van de regeling in deze vorm met negen maanden. In het bijzonder de ongelijke behandeling welke het gevolg is van de wijze waarop de vermogenstoets in het ontwerpbesluit is vormgegeven acht zij problematisch in het licht van de voorgestelde duur van de verlenging.
De Afdeling acht een nadere motivering van het ontwerpbesluit nodig waarin de duur van de verlenging en de grofmazigheid en onevenwichtige gevolgen tegen elkaar worden afgewogen. Indien daartoe aanleiding bestaat, dient dit te leiden tot aanpassing van het ontwerpbesluit.
De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal opmerkingen bij het ontwerpbesluit en adviseert daarmee rekening te houden voordat een besluit wordt genomen.
De vice-president van de Raad van State
Nader rapport (reactie op het advies) van 25 september 2020
1. Duur verlenging
Verlenging met negen maanden
Tozo 3 wordt verlengd met negen maanden tot 1 juli 2021. De Afdeling vraagt zich af hoe lang moet worden doorgegaan met de ondersteuning door middel van de Tozo. De Afdeling waarschuwt dat er gewaakt moet worden voor langdurige ondersteuning van niet levensvatbare ondernemingen en dat in de tijd maatvoering vereist is. De regering geeft aan dat de periode van verlenging gemeenten voldoende tijd biedt om zich voor te bereiden op het Bbz. In deze tijden dat het coronavirus nog volop heerst is er ook behoefte aan zekerheid voor de betrokken zelfstandig ondernemers. Zo zijn om die redenen ook de Noodmaatregel overbrugging werkgelegenheid (NOW) en Tegemoetkoming vaste lasten (TVL) verlengd tot 1 juli 2021. Zolang het virus nog niet onder controle is en er al evenmin een vaccin is, zullen er sectoren zijn die geraakt worden of zelfs vrijwel stilliggen. De regering acht het van belang dat de periode van verlenging de betrokken ondernemers tegemoetkomt in hun behoefte aan perspectief en duidelijkheid. De verlenging van de Tozo biedt zekerheid op een aanvulling van het inkomen tot aan het sociaal minimum, terwijl tegelijkertijd betrokken ondernemers zich dienen te bezinnen op de toekomst en de levensvatbaarheid van het bedrijf. In lijn met de NOW wordt er daarom ook in Tozo 3 stapsgewijs steeds meer aangesloten bij het reguliere vangnet. Zo wordt in Tozo 3 het aanvragen van bijstand met terugwerkende kracht vanaf 1 december 2020 meer in lijn gehanteerd met de normale bijstandssystematiek, zoals in de Participatiewet neergelegd.
Heroriëntatie
De regering geeft aan dat in verband met het voorkomen dat ondernemingen die niet levensvatbaar zijn te lang worden ondersteund, al tijdens Tozo 2 de heroriëntatie van zelfstandigen op gang is gekomen. Ondernemers zijn onder meer door de zelfstandigenorganisaties aan het begin van de zomer opgeroepen om reeds deze periode te gebruiken voor een heroriëntatie. Zelfstandigen kunnen daarbij gebruik maken van onder meer de instrumenten die de Kamer Van Koophandel ter beschikking stelt om een overzicht te krijgen van de stand van zaken van de onderneming (bijvoorbeeld stappenplannen van hoe een exploitatie- en een liquiditeitsbegroting te maken zijn). In Tozo 3 gaat dit door. Er zijn zelfstandig ondernemers die genoodzaakt zullen zijn hun koers te verzetten en hun businessmodel om te gooien of het bedrijf of zelfstandig beroep te beëindigen. De tijdelijke ondersteuning biedt zelfstandigen rust en zekerheid voor de heroriëntatie en het stapsgewijs teruggaan naar normalisering.
Zoals in de brief van het kabinet over het steun- en herstelpakket van 28 augustus jl. (zie noot 6) is aangegeven start per 1 januari 2021 een volgende fase binnen de Tozo. In deze fase ondersteunt het kabinet zelfstandig ondernemers waar nodig om zich voor te bereiden op een nieuwe toekomst, hetzij als zelfstandig ondernemer, hetzij als werknemer in loondienst. Veel ondernemers denken al na over de toekomst. Gemeenten zullen samen met zelfstandig ondernemers inventariseren of en welke ondersteuning van de zelfstandig ondernemer nodig is. Dit kan bijvoorbeeld gaan om coaching, advies, bij- of omscholing en heroriëntatie. De Participatiewet biedt gemeenten de mogelijkheden om dit maatwerk te bieden. In het aanvullend aangekondigde sociaal beleid is hiermee rekening gehouden en worden hiervoor middelen beschikbaar gesteld.
b. Vermogenstoets
De Afdeling wijst erop dat de vereenvoudigde vermogenstoets in de Tozo 3 tot onevenwichtige resultaten zou kunnen leiden ten opzichte van de zelfstandigen in het Bbz. De Afdeling vraagt zich daarbij af wat de ratio is voor de ongelijke behandeling van zelfstandigen die onder het Bbz vallen en die welke onder de Tozo vallen. De Afdeling merkt ook op dat in de Tozo 3 de ondernemingsbankrekeningen bij een eenmansbedrijf wél meetellen, terwijl in geval van een BV de rekeningen van de BV niet meetellen.
Ratio
De regering is het met de Afdeling eens dat het in het geheel niet opnemen van enige vorm van vermogenstoets in dit stadium tot een resultaat zou leiden dat onevenwichtig zou zijn ten opzichte van de zelfstandigen die onder het Bbz vallen. De coronacrisis is nog gaande en mede als gevolg van de overheidsmaatregelen om corona in te dammen zijn veel zelfstandig ondernemers in financiële problemen geraakt. Vanuit het oogpunt van gelijke behandeling van zelfstandigen die onder het Bbz vallen en zelfstandigen die onder de Tozo vallen zou een vermogenstoets die vergelijkbaar is met de in het Bbz opgenomen vermogenstoets de voorkeur genieten. Een dergelijke toets is in de Tozo echter vanwege uitvoeringsredenen niet hanteerbaar.
Met VNG, Divosa en gemeenten is bezien in welke vorm een vermogenstoets uitvoerbaar zou zijn in Tozo 3. Daarbij is zowel gekeken naar de vermogenstoets in de Participatiewet als in het Bbz. In het Bbz, wordt al het voor de uitoefening van het bedrijf of zelfstandig beroep noodzakelijke vermogen vrijgelaten. Dit is inclusief het vermogen gebonden in de door de zelfstandige of zijn gezin in eigendom bewoonde woning. Wel wordt gekeken naar de waarde van alle vermogensbestanddelen op basis van de waarde in het economische verkeer; de voor de uitoefening van het bedrijf of zelfstandig beroep noodzakelijke bezittingen en de aanwezige schulden van de zelfstandige. Dit is doorgaans een intensieve toets die veel expertise vraagt en waarmee veel tijd gemoeid kan zijn. De vermogenstoets of vermogensvaststelling in het Bbz leidt ertoe dat als wordt vastgesteld dat het eigen vermogen boven een bepaalde grens uitkomt, de voorlopige aanvullende uitkering voor levensonderhoud een renteloze lening blijft. Daarbij is er geen sprake van vrijlating van bescheiden vermogen zoals in de Participatiewet.
De Bbz-vermogenstoets is door VNG, Divosa en gemeenten niet haalbaar geacht in Tozo 3 gelet op de verwachte aantallen zelfstandig ondernemers (een veelvoud van de gebruikelijke aantallen in het Bbz), de complexiteit, vereiste expertise en benodigde tijd. Daarom is de vermogenstoets beperkt tot financiële vermogensbestanddelen waarvan de waarde redelijkerwijs in geld kan worden vastgesteld. Deze financiële vermogensbestanddelen worden tot een bedrag van maximaal € 46.520,- vrijgelaten. Voor de hoogte van het bedrag is aangesloten bij de vermogensondergrens die het Bbz hanteert en waaronder aanvullende bijstand voor levensonderhoud om niet wordt verstrekt. Een groot deel van de bezittingen, te weten de niet-financiële bezittingen evenals de schulden, blijft daarbij logischerwijs buiten beschouwing. De regering erkent dat de vermogenstoets in de Tozo 3 anders is van systematiek en opzet dan in het Bbz, maar is van oordeel dat de verschillen mede vanwege de uitvoeringsredenen gerechtvaardigd zijn.
De Afdeling merkt tot slot over de beperkte vermogenstoets op dat in de Tozo 3 de ondernemingsbankrekeningen bij een eenmansbedrijf wél meetellen, terwijl in geval van een BV de rekeningen van de BV niet meetellen. Dat de vermogenstoets verschillend uitpakt voor verschillende rechtsvormen is juist. Dit effect komt voort uit de hierboven omschreven noodzaak om als gevolg van uitvoeringstechnische redenen een beperkte en relatief eenvoudige toets op beschikbare financiële middelen te hanteren. Het betrekken van de financiële middelen van deze rechtsvormen zou leiden tot een complexe beoordeling vanwege de vele bijzondere omstandigheden die zich voor kunnen doen die ervoor zorgen dat de zelfstandig ondernemer niet over deze middelen beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Dit maakt het hanteren van een verklaring van de zelfstandig ondernemer, vanwege de noodzakelijke rechtszekerheid die in deze aan de aanvrager geboden moet worden, onmogelijk. Derhalve zou een individuele complexe beoordeling van de gemeente bij de aanvraag vereist zijn. Dat is niet uitvoerbaar voor gemeenten.
Strengere toets in Bbz gerechtvaardigd
De Afdeling geeft aan dat de verschillende afwijkingen van het Bbz ertoe zouden leiden dat zelfstandigen in de bijstand, die overigens in vergelijkbare omstandigheden verkeren, zeer verschillend worden behandeld afhankelijk van of zij onder de Tozo of het Bbz vallen en dat dit problematisch zou zijn. De regering erkent verschillen zoals dat ondernemers die een beroep doen of hebben gedaan op het Bbz aan het voorportaal geconfronteerd worden met de levensvatbaarheid- en vermogenstoets volgens Bbz-systematiek. Dit terwijl zelfstandig ondernemers die een beroep doen op Tozo 3 toegang kunnen krijgen tot de regeling zonder levensvatbaarheidtoets en alleen een beperkte vermogenstoets.
Zelfstandig ondernemers hebben als zij nog niet in de uitkering zitten in principe de keus tussen Tozo 3 of het strengere Bbz. Gemeenten hebben aangegeven dat is gebleken dat de keus tussen de Tozo en het Bbz veelal uitvalt in het voordeel van de Tozo. In bepaalde gevallen kiest de zelfstandig ondernemer echter voor het Bbz, bijvoorbeeld als er al een lening voor bedrijfskapitaal tot het maximum van € 10.157,- is aangevraagd onder de Tozo en de zelfstandig ondernemer behoefte heeft aan meer bedrijfskrediet. In het Bbz kan de gevestigde zelfstandig ondernemer in aanmerking komen voor een hogere lening voor bedrijfskapitaal tot maximaal € 203.135,- als sprake is van een in de kern levensvatbaar bedrijf en tijdelijke problemen. Het betreft hier leningen voor bedrijfskapitaal die hoog risicovol zijn en die veelal zonder zekerheden verleend worden, terwijl men tevergeefs bij reguliere kredietverstrekkers heeft aangeklopt. Het is gerechtvaardigd dat zelfstandig ondernemers met een hogere liquiditeitsbehoefte die tevergeefs aangeklopt hebben bij reguliere kredietverstrekkers in het voorportaal strenger getoetst worden in het Bbz om in aanmerking te kunnen komen voor een hogere lening bedrijfskapitaal.
Eenmaal in de Tozo 3 of het Bbz wordt in beide regelingen het huishoudinkomen aangevuld tot aan het sociaal minimum. In het Bbz wordt ten hoogste 12 maanden bijstand verleend, maar als de oorzaak van de behoefte aan bijstand is gelegen in extreme omstandigheden van externe aard, kan deze termijn verlengd worden met maximaal 2 jaar. Relevant is ook dat zelfstandig ondernemers in het Bbz ten tijde van Tozo 1, Tozo 2 en ook tijdens Tozo 3 in aanmerking kunnen komen voor de lening bedrijfskapitaal voor zover zij nog niet eerder in de Tozo tot aan het maximum van € 10.157,- verstrekt hebben gekregen. Verschillen zijn dus verklaarbaar en niet problematisch.
c. Aanvraagtijdvak
De Afdeling acht de gekozen weg om de Tozo met een ministeriële regeling te verlengen niet passend nu de Tozo inmiddels al een tijd geldt en er voor de voorliggende verlenging voldoende voorbereidingstijd beschikbaar was. De Afdeling acht het in de rede de weg te volgen van wijziging van artikel 9 Tozo.
De regering heeft naar aanleiding hiervan besloten tot herziening van het ontwerpbesluit. Dit houdt in dat de verlenging wordt neergelegd in het ontwerpbesluit en dus bij algemene maatregel van bestuur en niet bij ministeriële regeling. Het gevolg hiervan is dat uit de Tozo zelf kan worden afgeleid hoe de regeling in de komende maanden zal gaan functioneren. Ook komt de herziening tegemoet aan de zelfstandige leesbaarheid van het ontwerpbesluit met betrekking tot de verlenging. Zie met betrekking tot de gewijzigde structuur van de verlenging paragraaf 3 van de nota van toelichting. Hiermee is in artikel 9 de verlenging en de duur van de bijstand geregeld zonder dat hiervoor bij ministeriële regeling nog een nadere regeling noodzakelijk is.
In verband hiermee zijn de voorwaarden die verbonden zijn aan verlengde bijstandsverlening die in de Tijdelijke regeling overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Trozo) werden geïntroduceerd met onderhavig besluit in de Tozo verwerkt. Voorts is in verband hiermee de delegatiemogelijkheid in artikel 18 om de verlenging bij ministeriële regeling te kunnen regelen geschrapt. Tevens wordt met het nieuwe artikel 21a voorzien in overgangsrecht, zodat er geen discussie kan ontstaan over de rechtsgrondslag van eerdere verlenging en rechtsgrondslag voor de genoemde aanvullende voorwaarden.
d. Conclusie
De Afdeling acht een nadere motivering van het ontwerpbesluit nodig waarin de duur van de verlenging en de grofmazigheid en onevenwichtige gevolgen tegen elkaar worden afgewogen. Indien daartoe aanleiding bestaat, dient dit te leiden tot aanpassing van het ontwerpbesluit.
Alles afwegend, de voorgestelde duur van de verlenging van de regeling in deze vorm met negen maanden, de wijze waarop de beperkte vermogenstoets in Tozo 3 is vormgegeven, de uitvoeringsredenen, de verschillen in uitkeringssystematiek en strengere toetsing in het Bbz dan in de Tozo 3 en de rechtvaardiging voor deze verschillen, komt de regering tot het afgewogen oordeel dat de grofmazigheid van de vermogenstoets in Tozo 3 gerechtvaardigd is en dat de verschillen in benadering in beide regelingen onder de huidige omstandigheden niet problematisch zijn.
Met betrekking tot het regelen van de verlenging van het aanvraagtijdvak heeft de regering naar aanleiding van het advies van de Afdeling besloten tot herziening van het ontwerpbesluit. Dit houdt in dat de verlenging wordt neergelegd in het ontwerpbesluit, geregeld via artikel 9, van de Tozo en niet bij ministeriële regeling.
Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om ten aanzien van leningen voor bedrijfskapitaal die zijn verstrekt op of na 1 januari 2021 te regelen dat de verplichting tot betaling van rente en aflossing direct aanvangt na het moment waarop de lening is verstrekt (artikel 16, tweede lid, en artikelsgewijze toelichting).
Voorts is in het gewijzigde artikel 3, tweede lid, in onderdeel c geregeld dat bijstand aangevraagd voor 1 december 2020 kan worden toegekend met terugwerkende kracht tot 1 oktober 2020. Voor aanvragen na die datum geldt op grond van onderdeel d dat bijstand kan worden verleend met terugwerkende kracht tot de eerste van de maand waarin bijstand wordt aangevraagd.
Tevens is er in artikel 7, derde lid, waarin uitzonderingen op het in aanmerking te nemen vermogen zijn neergelegd, een expliciete uitzondering aangebracht voor lijfrenterekeningen en lijfrentebeleggingsrechten die voorzien in een oudedagslijfrente, alsmede voor spaarrekeningen eigen woning of beleggingsrechten eigen woning. Genoemde fiscaal gefaciliteerde bankspaar- en beleggingsproducten zouden zonder deze uitzondering onder omstandigheden tot het vermogen van de zelfstandige kunnen worden gerekend. Niet wordt beoogd dat zelfstandigen een vastgelegde oudedagvoorziening moeten aanspreken en evenmin wordt het in de eigen woning gebonden vermogen betrokken.
Als laatste is de bestaande delegatiegrondslag in artikel 18 om bij ministeriële regeling te kunnen afwijken van het besluit zodanig aangepast dat regels kunnen worden gesteld met betrekking tot het recht op bijstand waarbij alleen ten gunste van de zelfstandige kan worden afgeweken van het besluit.
Ik moge U hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Voetnoten
(1) Anders dan de TOZO wordt bij het BBZ beoordeeld of een onderneming levensvatbaar is.
(2) Nota van toelichting, paragraaf 2.
(3) Artikel 4a van de Tijdelijke regeling overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers.
(4) Toelichting, paragraaf 3.
(5) Vergelijk Aanwijzing 2.24 van de Aanwijzingen voor de Regelgeving.
(6) Kamerstukken II, 2020/21, 35 420, nr. 105