Wijziging van het Besluit prudentiële regels Wft, het Besluit uitvoering EU-verordeningen financiële markten en enig ander besluit ter implementatie van Richtlijn 2019/878/EU.
- Kenmerk
- W06.20.0267/III
- Datum aanhangig
- 17 juli 2020
- Datum vastgesteld
- 7 oktober 2020
- Datum advies
- 7 oktober 2020
- Datum publicatie
- 4 december 2020
- Vindplaats
- Staatscourant 2020, nr. 63994
- Financiën
- Algemene maatregel van bestuur
Toon inhoud
Bij Kabinetsmissive van 17 juli 2020, no.2020001532, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Financiën, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit prudentiële regels Wft, het Besluit uitvoering EU-verordeningen financiële markten en enig ander besluit ter implementatie van Richtlijn 2019/878/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019 tot wijziging van Richtlijn 2013/36/EU met betrekking tot vrijgestelde entiteiten, financiële holdings, gemengde financiële holdings, beloning, toezichtsmaatregelen en -bevoegdheden en kapitaalconserveringsmaatregelen (PbEU 2019, L 150) en ter uitvoering van Verordening (EU) 2019/876 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 575/2013 wat betreft de hefboomratio, de nettostabielefinancieringsratio, vereisten inzake eigen vermogen en in aanmerking komende passiva, tegenpartijkredietrisico, marktrisico, blootstellingen aan centrale tegenpartijen, blootstellingen aan instellingen voor collectieve belegging, grote blootstellingen, rapportage- en openbaarmakingsvereisten, en van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PbEU 2019, L 150) (wijziging van de kapitaalbuffers en uitvoering van de wijzigingsverordening kapitaalvereisten), met nota van toelichting.
De wijzigingsrichtlijn kapitaalvereisten (zie noot 1) (die de richtlijn kapitaalvereisten (zie noot 2) wijzigt) en de wijzigingsverordening kapitaalvereisten (zie noot 3) (die die verordening kapitaalvereisten (zie noot 4) wijzigt) worden geïmplementeerd met dit ontwerpbesluit en met (i) het voorstel voor de Implementatiewet kapitaalvereisten, (zie noot 5) (ii) het implementatiebesluit kapitaalvereisten 2020, dat thans in voorbereiding is, en met (iii) een nog vast te stellen ministeriële regeling.
De Afdeling advisering van de Raad van State maakt een opmerking over het toekennen van de bevoegdheid aan De Nederlandsche Bank (DNB) om te verlangen dat de periodiek door bepaalde financiële ondernemingen te verstrekken staten ook andere voor toezichtdoeleinden benodigde informatie omvatten. Het ontwerpbesluit is op dit punt niet verenigbaar met de richtlijn en de verordening kapitaalvereisten. De Afdeling adviseert daarom de bevoegdheid te schrappen uit het ontwerpbesluit.
a. Inhoud ontwerpbesluit
In het ontwerpbesluit wordt aan DNB de bevoegdheid toegekend om te verlangen dat de periodiek door banken, beleggingsondernemingen en clearinginstellingen te verstrekken staten naast reeds voorgeschreven informatie ook andere door DNB voor toezichtdoeleinden benodigde informatie omvatten. (zie noot 6) Blijkens de toelichting gaat het hier niet om implementatie van de wijzigingsrichtlijn kapitaalvereisten, maar om een (her)implementatie van het bestaande artikel 65, derde lid, onderdeel a, van de richtlijn kapitaalvereisten. Daarin is bepaald dat bevoegde autoriteiten bevoegd moeten zijn om informatie te vergaren en om onderzoeken te doen die nodig zijn voor de vervulling van hun taken. Hieronder valt ook de bevoegdheid om van bepaalde (rechts)personen informatie te verlangen die op gezette tijden en volgens vastgestelde formats moet worden verstrekt voor toezichtdoeleinden en de daarmee verband houdende statistische doeleinden.
De Afdeling merkt op dat in de toelichting niet nader wordt gemotiveerd waarom alsnog geregeld wordt dat andere voor toezichtdoeleinden benodigde informatie kan worden opgenomen in de periodiek door de genoemde financiële ondernemingen te verstrekken staten. (zie noot 7) Regeling van deze bevoegdheid in de context van de voor banken geldende periodieke rapportageverplichtingen is namelijk niet zonder meer vanzelfsprekend.
b. Geen grondslag
Artikel 65 van de richtlijn kapitaalvereisten, dat in het besluit als grondslag wordt gebruikt voor de voorgenomen bevoegdheid, vormt onderdeel van afdeling IV dat ziet op toezichtbevoegdheden, sanctiebevoegdheid en beroepsrecht. Deze bepaling ziet op administratieve of strafrechtelijke sancties en maatregelen met betrekking tot overtreding van de richtlijn en verordening kapitaalvereisten (eerste lid), sancties voor leidinggevende personen (tweede lid) en informatievergarings- en onderzoeksbevoegdheden (derde lid).
Gelet op deze opzet hebben de informatievergaringsbevoegdheden bedoeld in het derde lid, onder a, uitsluitend betrekking op individuele financiële ondernemingen als daarin genoemd. Dat betekent dat deze richtlijnbepaling niet de grondslag kan vormen voor implementatie van de voorgestelde bevoegdheid in de context van de staten. Staten dienen namelijk periodiek door alle financiële ondernemingen te worden verstrekt. (zie noot 8)
c. Maximumharmonisatie staten
Welke informatie in de staten moet worden opgenomen, is bovendien uitvoerig en gedetailleerd voorgeschreven in de verordening kapitaalvereisten en daarop gebaseerde gedelegeerde regelgeving. (zie noot 9) Het gaat hier, mede gezien het streven naar uniformiteit, harmonisatie en lastenverlichting op dit terrein van het zogeheten ‘single rule book’, om maximumharmonisatie. Tegen deze achtergrond is reeds in artikel 130 van het Besluit prudentiële regels Wft bepaald dat de door de genoemde financiële ondernemingen te verstrekken staten uitsluitend de in dat artikel genoemde gegevens omvatten.
Ook hierom staat de voorgestelde aanvullende informatievergaringsbevoegdheid in de context van de periodieke rapportageverplichtingen op gespannen voet met de richtlijn en de verordening kapitaalvereisten.
d. Noodzaak
De Afdeling wijst er bovendien op dat DNB reeds over verschillende vergaande bevoegdheden beschikt om (incidenteel) informatie te vorderen. (zie noot 10) Niet gemotiveerd is dat deze bevoegdheden niet volstaan om alle voor het toezicht op grond van de richtlijn en verordening kapitaalvereisten benodigde informatie op te kunnen vragen en dat als gevolg daarvan artikel 65, derde lid, onderdeel a, niet toereikend is geïmplementeerd.
e. Conclusie
In het licht van de hiervoor genoemde punten adviseert de Afdeling het ontwerpbesluit aan te passen en de bevoegdheid voor DNB om te verlangen dat de staten ook andere voor toezichtdoeleinden benodigde informatie omvatten te laten vervallen.
De Afdeling verwijst naar de bij dit advies behorende redactionele bijlage.
De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een bezwaar bij het ontwerpbesluit en adviseert dit besluit niet te nemen, tenzij het is aangepast.
De vice-president van de Raad van State
Redactionele bijlage bij het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State betreffende no.W06.20.0267/III
- In artikel I, onderdeel D, eerste wijzigingsonderdeel, in het nieuwe artikel 105, eerste lid, onderdeel c, de zinsnede "indien van toepassing" schrappen en "en" vervangen door "of";
- Voorzie overeenkomstig aanwijzing 9.10 van de Aanwijzingen voor de regelgeving in een of indien nodig meerdere bepalingen die aangeven vanaf welk tijdstip wijziging van bepalingen in de richtlijn en verordening kapitaalvereisten waarnaar dynamisch wordt verwezen, doorwerken in het Nederlandse recht.
Nader rapport (reactie op het advies) van 20 november 2020
e. Conclusie
Naar aanleiding van het advies van de Raad van State is het voorgestelde artikel 130, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit prudentiële regels (in artikel I, wijzigingsonderdeel K, subonderdeel 1) komen te vervallen. De voorgestelde bevoegdheid kan bij nader inzien niet gebaseerd worden op de richtlijn kapitaalvereisten.
De redactionele opmerkingen zijn overgenomen waarbij voor de tweede relationele opmerking geldt dat die zal worden geadresseerd in een wijziging van de Wft waarin dit voor alle richtlijnen waarnaar in de Wft of in onderliggende regelgeving (dynamisch) wordt verwezen in één algemene bepaling aan het begin van de Wft zal worden geregeld. Daarnaast zijn enige ondergeschikte tekstuele wijzigingen doorgevoerd in de toelichting.
Ik bied U hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting aan en verzoek U overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Minister van Financiën
Voetnoten
(1) Richtlijn 2019/878/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019 tot wijziging van Richtlijn 2013/36/EU met betrekking tot vrijgestelde entiteiten, financiële holdings, gemengde financiële holdings, beloning, toezichtsmaatregelen en -bevoegdheden en kapitaalconserveringsmaatregelen (PbEU 2019, L 150); ook wel bekend als CRD-V.
(2) Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2103 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (PbEU 2013, L 176); ook wel bekend als CRD-IV.
(3) Verordening (EU) 2019/876 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 575/2013 wat betreft de hefboomratio, de nettostabielefinancieringsratio, vereisten inzake eigen vermogen en in aanmerking komende passiva, tegenpartijkredietrisico, marktrisico, blootstellingen aan centrale tegenpartijen, blootstellingen aan instellingen voor collectieve belegging, grote blootstellingen, rapportage- en openbaarmakingsvereisten, en van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PbEU 2019, L 150); ook wel bekend als CRR-II.
(4) Verordening (EU) Nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PbEU 2013, L 176); ook wel bekend als CRR.
(5) Kamerstukken II 2019/2020, 35559, nr. 4.
(6) Artikel I, onderdeel K, ontwerpbesluit, dat artikel 130 van het Besluit prudentiële regels Wft (Bpr) wijzigt. Specifiek gaat het om de bevoegdheid bedoeld in artikel 130, eerste lid, onderdeel c.
(7) In de artikelsgewijze toelichting bij het wijzigingsonderdeel wordt enkel opgemerkt dat regeling van de bevoegdheid bij nader inzien noodzakelijk is om artikel 65, derde lid, onderdeel a, van de richtlijn kapitaalvereisten te implementeren.
(8) Dat wil zeggen alle financiële ondernemingen als bedoeld in artikel 130 Bpr.
(9) Artikel 99 e.v. van de verordening kapitaalvereisten. Om die reden is in artikel 3:72, vijfde lid, Wft bepaald dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels kunnen worden gesteld over de staten, maar zulks onverminderd het bepaalde in artikel 99, 100 en 101 van de verordening kapitaalvereisten. Vgl. voorts artikel 104, eerste lid, onder j, van de richtlijn kapitaalvereisten.
(10) Zie o.m. de artikelen 1:70, 1:74 en 3:111a, tweede lid, onderdeel k, van de Wft.