Tijdelijk besluit verlenging geldigheidsduur rijbewijs in verband met COVID-19.
- Kenmerk
- W17.20.0262/IV
- Datum aanhangig
- 17 juli 2020
- Datum vastgesteld
- 22 juli 2020
- Datum advies
- 22 juli 2020
- Datum publicatie
- 3 september 2020
- Vindplaats
- Staatscourant 2020, nr. 46082
- Infrastructuur en Waterstaat
- Algemene maatregel van bestuur
Toon inhoud
Bij Kabinetsmissive van 17 juli 2020, no.2020001554, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Reglement rijbewijzen en enige andere besluiten in verband met de tijdelijke verlenging van de geldigheidsduur van het rijbewijs in verband met COVID-19 en enkele andere wijzigingen (Tijdelijk besluit verlenging geldigheidsduur rijbewijs in verband met COVID-19), met nota van toelichting.
De Afdeling advisering van de Raad van State heeft geen opmerkingen over het ontwerpbesluit en adviseert het besluit te nemen.
Gelet op artikel 26, zesde lid jo vijfde lid, van de Wet op de Raad van State, adviseert de Afdeling dit advies openbaar te maken.
De waarnemend vice-president van de Raad van State
Nader rapport (reactie op het advies) van 26 augustus 2020
Het ontwerp geeft de Afdeling advisering van de Raad van State geen aanleiding tot het maken van inhoudelijke opmerkingen. Desondanks is het ontwerp op een tweetal punten aangepast.
1. Zoals in de nota van toelichting bij het ontwerpbesluit was aangegeven, is het voorstel tegelijkertijd aan de Europese Commissie voorgelegd. Deze heeft aangegeven van een iets andere interpretatie van de verordening uit te gaan dan de Nederlandse regering. Volgens de Europese Commissie, in afstemming met haar Juridische Dienst, komt het erop neer dat ingeval van een verlenging van de zogenoemde referentieperiode, de rijbewijzen (en de codes 95) die in deze verlengde referentieperiode verlopen, in ieder geval zeven maanden langer geldig zijn. Dit is in tegenstelling tot de drie maanden in het oorspronkelijke Nederlandse voorstel. De Europese Commissie merkt op dat het niet tot de mogelijkheden behoort om bij de verlenging van de referentieperiode zelf te bepalen voor hoe lang de in die periode verlopende rijbewijzen geacht moeten worden nog geldig te zijn. Verder stelde de Commissie dat, als de geldigheidsduur van rijbewijzen die verlopen in de referentieperiode van 1 februari tot 1 september 2020 wordt verlengd met nog eens maximaal zes maanden, deze extra verlenging ook geldt voor rijbewijzen die verlopen in de verlengde referentieperiode.
Het bovenstaande heeft ten eerste geleid tot een aanpassing van de referentietermijn van zes maanden naar drie maanden. Op deze wijze wordt zoveel mogelijk aangesloten bij het oorspronkelijke voorstel en wordt rekening gehouden met de uitvoerbaarheid voor het CBR, en worden de verlengingen tot het minimaal noodzakelijke beperkt. Daarnaast wordt de geldigheidsduur van de rijbewijzen die verlopen in de oorspronkelijke referentieperiode, die op grond van de verordening al is verlengd met zeven maanden, extra verlengd met twee maanden. De verlenging van de geldigheidsduur van de rijbewijzen die verlopen tijdens de verlengde referentieperiode wordt verlengd van drie maanden uit het oorspronkelijke voorstel tot negen maanden (de zeven maanden op grond van de verordening plus de twee extra maanden die ook gelden voor de rijbewijzen die verlopen in de periode van 1 februari tot 1 september 2020). De tekst van het ontwerpbesluit alsmede de nota van toelichting is hierop aangepast.
2. Verder zijn in de artikelen 25ab, 156r en 156ae het vierde, tweede, respectievelijk het vijfde lid geschrapt ten opzichte van de versie die is voorgelegd aan de Afdeling advisering van de Raad van State. Dit houdt verband met het standpunt van de Commissie dat een lidstaat niet een verlenging kan regelen voor een andere lidstaat, maar de keuzes die andere (lid)staten hebben gemaakt op grond van de verordening moet respecteren.
3. In de uitvoeringstoets van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) is gewezen op een drietal aandachtpunten in relatie tot code 95. Deze worden nu alsnog meegenomen in het ontwerpbesluit:
a. Een redactionele opmerking die is overgenomen.
b. Verduidelijking van de bepaling van de einddatum van een nieuwe code 95, die afhankelijk is van de einddatum van de huidige code 95. Om misverstanden te voorkomen is nu expliciet gemaakt dat bij de bepaling van de nieuwe einddatum geen rekening wordt gehouden met de verlenging. Er wordt dus uitgegaan van de einddatum die achter de code 95 staat, om te bepalen of de nascholing vóór of na de einddatum is afgerond. Dit vanwege het feit dat de verlenging niet in het rijbewijzenregister wordt of hoeft te worden doorgevoerd. Dit betekent dat wanneer de oude einddatum bij het afronden van de nascholing nog niet is gepasseerd, vijf jaar bij de oude einddatum wordt opgeteld, en dat anders de datum van vijf jaar na het registreren van de nascholing dan wel de afgiftedatum van het rijbewijs wordt gehanteerd, afhankelijk van of de aanvraag van het rijbewijs waarop de code 95 komt langer of korter dan 6 maanden na het afronden van de nascholing wordt ingediend.
4. Aanpassing van de termijn waarbinnen nascholingscursussen moeten worden gedaan voor het verkrijgen van een verklaring van nascholing en daarmee een nieuwe code 95 op het rijbewijs. De verordening bepaalt dat de termijn waarbinnen nascholing moet worden gevolgd, wordt verlengd. De operationalisering van deze termijn wordt door het CBR gedaan door te kijken naar de vervaldatum van een gevolgde nascholingscursus, normaliter de datum waarop een nascholingscursus is gedaan vermeerderd met vijf jaar. In het ontwerpbesluit was desalniettemin aangesloten bij de verordening, door te bepalen dat de nascholingstermijn zou worden verlengd. Dat zou betekenen dat het einde van die termijn per bestuurder zou moeten worden vastgesteld. Het CBR wijst erop dat eerder is afgesproken en in Kamerbrieven (Kamerstukken II 2019/20, 29398, nrs. 817 en 828) is gecommuniceerd dat de verlenging van resultaten van nascholingscursussen tot een bepaalde datum zal plaatsvinden. Dit is volgens het CBR ook het meest praktisch voor de verdere uitwerking van het ontwerpbesluit. Een verlenging per bestuurder, afhankelijk van de einddatum van de huidige code 95, impliceerde, vraagt om een nieuwe zeer kostbare systeemtechnische aanpassing die het CBR mogelijk niet tijdig kan realiseren. Daarvan is dus afgezien, wat heeft geleid tot aanpassing van het ontwerpbesluit door de verlenging van de nascholingstermijn expliciet te koppelen aan het behalen van de eerste nascholingscursus.
Ik moge U hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting wederom doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
DE MINISTER VAN INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT