Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Adviezen ›
  3. W06.20.0060/II

Wet implementatie richtlijnen elektronische handel.

Kenmerk
W06.20.0060/II
Datum aanhangig
16 maart 2020
Datum vastgesteld
22 april 2020
Datum advies
22 april 2020
Datum publicatie
14 juli 2020
Vindplaats
Kamerstukken II 2019/20, 35527, nr. 4
  • Financiën
  • Wet

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

Bij Kabinetsmissive van 16 maart 2020, no.2020000525, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Financiën, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet implementatie richtlijnen elektronische handel), met memorie van toelichting.

Het wetsvoorstel wijzigt de Wet op de omzetbelasting 1968 om richtlijn 2017/2455 over bepaalde btw-verplichtingen voor diensten en afstandsverkopen van goederen (zie noot 1) en richtlijn 2019/1995 over afstandsverkopen en bepaalde binnenlandse leveringen van goederen (zie noot 2) te implementeren. Deze richtlijnen elektronische handel strekken tot aanpassing van twee oudere richtlijnen (zie noot 3) in verband met de explosieve groei van de elektronische handel en daarmee ook van de verkoop op afstand van goederen. Om te voldoen aan deze richtlijnen elektronische handel heeft Nederland de verplichting uiterlijk op 31 december 2020 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken en deze vanaf 1 januari 2021 toe te passen.

De Afdeling advisering van de Raad van State maakt een opmerking over de implementatie van de richtlijnen elektronische handel. Volgens de uitvoeringstoets van de Belastingdienst is uitvoering daarvan op zijn vroegst in 2024 mogelijk.

In verband daarmee is aanpassing van de toelichting wenselijk.

1. Achtergrond en inhoud van de richtlijnen elektronische handel

Richtlijn 2017/2455 is een reactie op de explosieve groei van de elektronische handel en op een evaluatie van een aantal bijzondere regelingen. Deze richtlijn bevat diverse aanpassingen voor de omzetbelastingheffing bij elektronische handel, grensoverschrijdende internetverkopen van goederen en diensten aan particulieren en niet-ondernemers in de Unie. Bij die verschillende maatregelen is rekening gehouden met het beginsel van omzetbelastingheffing in het land van bestemming en de behoefte om de belastinginkomsten van de lidstaten te beschermen, met het creëren van gelijke concurrentievoorwaarden voor de betrokken bedrijven en met het zo veel mogelijk beperken van de lasten voor hen. Richtlijn 2019/1995 geeft een aantal aanvullende regels.

De richtlijnen elektronische handel bevatten aanpassingen in diverse, verschillende btw-regelingen op het gebied van elektronische handel. Zonder uitputtend te zijn, houden de aanpassingen in de verschillende regelingen onder meer in:
- Er is eerder btw verschuldigd in de lidstaat waar de consument woont.
- De btw-vrijstelling bij invoer van goederenzendingen met een waarde van maximaal € 22 vervalt.
- Voor ondernemers vindt een uitbreiding plaats van een aantal bijzondere regelingen, waarvoor zij - als zij aan de voorwaarden voldoen - kunnen kiezen.

Door die bijzondere regelingen kunnen deze ondernemers binnen de Unie gebruikmaken van een éénloketsysteem. Dat betekent dat de ondernemer de btw voor verschillende lidstaten in één lidstaat kan aangeven, afdragen en betalen. Daardoor kan hij gemakkelijker aan zijn btw-verplichtingen voldoen. De in deze lidstaat afgedragen btw wordt, voor zover die verschuldigd is in andere lidstaten, door deze lidstaat overgemaakt aan die andere lidstaten.
- Faciliterende elektronische interfaces (platforms) worden in bepaalde situaties bij fictie belastingplichtig. Dit betekent dat een platform wordt geacht goederen zelf te hebben ontvangen van de leverancier en vervolgens deze goederen zelf te hebben geleverd aan de consument, waardoor het platform belastingplichtig wordt voor de verschuldigde btw ter zake van die leveringen aan de consument.
- Correcties op aangiften over tijdvakken die starten op of na 1 januari 2021 kunnen doorgevoerd worden in een volgende aangifte.

2. Implementatie en uitvoerbaarheid

De Afdeling heeft geen opmerkingen over de inhoud van het voorstel en neemt bij dit advies tot uitgangspunt dat het tijdig zal worden ingediend en, overeenkomstig artikel II en conform de in de richtlijnen elektronische handel gestelde termijn, met ingang van 1 januari 2021 in werking zal treden. Voor een correcte en volledige implementatie is het daarnaast nodig dat de implementatievoorschriften vanaf de implementatiedatum ook worden uitgevoerd. De Belastingdienst acht de maatregelen in het wetsvoorstel niet uitvoerbaar per de voorgestelde datum van inwerkingtreding. (zie noot 4) Uit de uitvoeringstoets van de Belastingdienst volgt dat de benodigde automatisering niet tijdig kan worden gerealiseerd en dat implementatie op zijn vroegst in 2024 mogelijk is.

Om het met de richtlijnen elektronische handel beoogde resultaat te bereiken, is het noodzakelijk dat alle lidstaten de daarin opgenomen maatregelen ook daadwerkelijk en gelijktijdig uitvoeren. Mede in dat licht, adviseert de Afdeling om in de toelichting te beschrijven wat de niet-uitvoerbaarheid door de Belastingdienst vanaf 1 januari 2021 betekent voor de praktijk. Dit betreft de ondernemers (in binnen- en buitenland), gelet op de administratieve lasten en de effecten op hun onderlinge concurrentieverhoudingen, de consument en de btw-verrekening tussen en controles door de lidstaten.

De Afdeling adviseert tevens toe te lichten welke maatregelen de regering treft om de vertraging in de uitvoering van de verschillende maatregelen in het wetsvoorstel zoveel mogelijk te voorkomen, te verhelpen of zo kort mogelijk te laten duren. En op welke wijze de eventueel nadelige effecten daarvan voor ondernemers en consumenten zoveel mogelijk worden beperkt. De Afdeling adviseert, mede in verband met een mogelijke ingebrekestelling, (zie noot 5) met de Europese Commissie in overleg te treden en te onderzoeken op welke wijze tegemoet kan worden gekomen aan de gesignaleerde uitvoeringsproblemen in verschillende lidstaten en de eventueel nadelige effecten daarvan voor de praktijk. De Afdeling adviseert de stand van zaken op te nemen in de toelichting.

De Afdeling adviseert de toelichting in het licht van het voorgaande aan te vullen.

3. De Afdeling verwijst naar de bij dit advies behorende redactionele bijlage.

De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal opmerkingen bij het voorstel en adviseert daarmee rekening te houden voordat het voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal wordt ingediend.


De vice-president van de Raad van State



Redactionele bijlage bij het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State betreffende no.W06.20.0060/III

- Artikel 3a, eerste lid, onderdeel g, van de Wet op de omzetbelasting 1968 aanpassen aan de in artikel I, onderdeel A, onder 1, voorgestelde definities van derde-land en derdelandsgebieden.
- In artikel I, onderdeel S, onder 2, "artikel 28q" vervangen door "de artikelen 28rf, 28sd en 28th".
- In de toelichting motiveren of dit voorstel tevens uitvoering geeft aan Uitvoeringsverordening (EU) 2019/2026, die gelijktijdig met de richtlijnen elektronische handel in werking treedt, en in dat geval een transponeringstabel toevoegen.



Nader rapport (reactie op het advies) van 14 juli 2020

Naar aanleiding van deze opmerkingen van de Afdeling heb ik het algemene deel van de memorie van toelichting aangevuld met een nieuwe paragraaf 8 (Uitvoering Belastingdienst en inwerkingtreding) waarin op de door de Afdeling gesignaleerde aspecten wordt ingegaan.

Bij mij staat voorop dat er alles aan zal moeten worden gedaan om te voorkomen dat Nederland de nieuwe regeling niet kan uitvoeren met ingang van de datum waarop die in werking treedt. Wat dat betreft ben ik verheugd dat de nieuwe Uitvoeringstoets van de Belastingdienst die wordt opgenomen in de gewijzigde memorie van toelichting van de onderhavige wet, de uitvoering van de nieuwe regeling met ingang van 1 januari 2022 mogelijk maakt. Dat is een belangrijke winst ten opzichte van de eerste Uitvoeringstoets die uitging van een datum in 2024. Hiermee wordt de periode waarin bedoelde uitvoeringsproblemen zouden kunnen spelen, beperkt tot het kalenderjaar 2021.

Ik merk in dit verband wel op dat aan de gevolgen in de praktijk voor ondernemers, consumenten en andere lidstaten wel een bepaalde mate van onzekerheid kleeft, omdat de exacte problemen en eventuele mogelijkheden van schadebeperkende oplossingen nog niet volledig in beeld zijn. Daarvoor is ook overleg nodig met de Commissie en andere lidstaten, omdat niet bekend is hoe de verschillende andere lidstaten in de praktijk zullen omgaan met een te late invoering van de nieuwe regels in Nederland. Schadeclaims door ondernemers of andere lidstaten of een inbreukprocedure van de Commissie zijn niet bij voorbaat uit te sluiten.

Daarnaast is van belang dat de Europese Commissie inmiddels een voorstel voor een richtlijn heeft gedaan om de inwerkingtreding van de richtlijnen elektronische handel uit te stellen naar 1 juli 2021 (zie hierna). Bij aanvaarding van dat voorstel zou de periode van de uitvoeringsproblemen worden beperkt tot de tweede helft van het kalenderjaar 2021.

Ik zal mij er ook in de nabije toekomst, waar het kan met andere lidstaten en de Europese Commissie, voor blijven inzetten dat een verder uitstel van de inwerkingtreding van de nieuwe richtlijnen tot 1 januari 2022 mogelijk wordt. Nederland heeft samen met Duitsland middels een gezamenlijke brief hiervoor aandacht gevraagd bij de Europese Commissie en de lidstaten. Ingeval dan zou blijken dat verder uitstel onverhoopt niet mogelijk is, zal ik aan de hand van de stand van zaken van dat moment en zo mogelijk samen met andere lidstaten en de Europese Commissie, bezien op welke wijze zo nodig via tijdelijke regelgeving en uitvoeringsmaatregelen de problematiek van het tweede halfjaar 2021 zo goed mogelijk kan worden overbrugd. Doel daarbij is uiteraard dat zowel ondernemers als consumenten en andere lidstaten geen dan wel zo weinig mogelijk hinder en nadeel ondervinden van een met 6 maanden uitgestelde uitvoering door Nederland.

Met de Europese Commissie vindt momenteel overleg plaats en het onderzoek door de Belastingdienst naar manieren om tegemoet te komen aan de uitvoeringsproblemen is gaande. De Europese Commissie volgt ook de ontwikkelingen op dit vlak in andere lidstaten. Voorts is in dit verband van belang dat de Europese Commissie op 8 mei 2020 heeft voorgesteld om de implementatiedatum van de richtlijnen elektronische handel met een half jaar uit te stellen tot 1 juli 2021, teneinde rekening te houden met de moeilijkheden die het bedrijfsleven en de lidstaten ondervinden ten gevolge van de crisis veroorzaakt door het coronavirus. De lidstaten moeten unaniem instemmen om dit uitstel te kunnen realiseren. Op dit moment vinden hier onderhandelingen over plaats.

Naar aanleiding van het advies van de Afdeling heb ik in de hiervoor genoemde paragraaf 8 van het algemene deel van de memorie van toelichting aandacht besteed aan de stand van zaken met betrekking tot de uitvoeringsproblemen.

Voorts heb ik naar aanleiding van het hiervoor genoemde voorstel met betrekking tot de datum van inwerkingtreding van de richtlijnen elektronische handel, in het voorstel van wet nu opgenomen dat de datum van inwerkingtreding ervan wordt bepaald bij koninklijk besluit.

De eerste redactionele opmerking is niet overgenomen. Artikel 3a, eerste lid, onderdeel g, van de Wet op de omzetbelasting 1968 is niet aangepast aan de in artikel I, onderdeel A, onder 1, voorgestelde definities van derde-land en derdelandsgebieden. Dit artikel betreft immers de implementatie van artikel 17, tweede lid, onderdeel h van de BTW-richtlijn 2006 (zie noot 6) waarin alleen derde-land wordt genoemd. De tweede redactionele opmerkingen van de Afdeling is verwerkt. De derde redactionele opmerking is niet overgenomen. De Uitvoeringsverordening (EU) 2019/2026 (zie noot 7), die gelijktijdig met de richtlijnen elektronische handel in werking treedt, werkt immers rechtstreeks en wordt niet omgezet in nationaal recht.

Van de gelegenheid is gebruikgemaakt om in het voorstel van wet en de memorie van toelichting nog een aantal overige redactionele verbeteringen aan te brengen.

Ik moge U verzoeken het hierbij gevoegde gewijzigde voorstel van wet en de gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.


De Staatssecretaris van Financiën



Voetnoten

(1) Artikel 2 en 3 van Richtlijn (EU) 2017/2455 van de Raad van 5 december 2017 tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG en Richtlijn 2009/132/EG wat betreft bepaalde btw-verplichtingen voor diensten en afstandsverkopen van goederen, PbEU 2017, L 348.
(2) Richtlijn (EU) 2019/1995 van de Raad van 21 november 2019 tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG wat betreft de bepalingen inzake afstandsverkopen en bepaalde binnenlandse leveringen van goederen, PbEU 2019, L 310.
(3) Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PbEU 2006, L 357) en richtlijn 2009/132/EG van de Raad van 19 oktober 2009 houdende bepaling van de werkingssfeer van artikel 143, onder b) en c), van Richtlijn 2006/112/EG met betrekking tot de vrijstelling van de belasting over de toegevoegde waarde voor de definitieve invoer van bepaalde goederen (PbEU 2009, L 292).
(4) Memorie van toelichting, paragraaf 5 (Uitvoeringskosten Belastingdienst), tweede tekstblok.
(5) Op grond van artikel 258 juncto artikel 260 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
(6) Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PbEU 2006, L 347).
(7) Uitvoeringsverordening (EU) 2019/2026 van de Raad van 21 november 2019 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 281/2011 wat betreft door elektronische interfaces gefaciliteerde leveringen van goederen of diensten en de bijzondere regelingen voor belastingplichtigen die diensten voor niet-belastingplichtigen, afstandsverkopen van goederen en bepaalde binnenlandse goederenleveringen verrichten (PbEU 2019, L 313).


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Opslaan als PDF-document
Gehele tekst ontwerpregeling met toelichting

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon